93. _Onafhankelyke Rykjes in den Noordhoek_. Het aantal meer of min
onafhankelyke kleine vorsten in die streken is _legio_. Twee hunner
heb ik persoonlyk gekend, de _Toeankoe's_ of _Radjah's_ van _Troemon_
en van _Analaboe_, die me soms te _Natal_ bezochten, en wel tot groote
ergernis van den _Toeankoe_ dezer afdeeling. Een van die Hoofden
namelyk--'t is me ontgaan, wie van de twee--veroorloofde zich 'n zyden
doek om de lenden te slaan op 'n wyze die volgens de natalsche
heraldiek, 't distinktief was van meer hoogheid dan hem toekwam. Uit
deze en dergelyke kwestien over etikette en voorzitting vloeiden
twisten en vechtpartyen voort, die me soms veel hoofdbreken
berokkenden, daar de volgelingen van 't atjinsche Hoofd redelyk
strydbaar waren, en de Natalezen zeer prikkelbaar zoodra 't den rang
van hun _Toeankoe_ gold.
Over 't geheel werd _Natal_ zeer druk door Atjinezen bezocht, en ik
was ruimschoots in de gelegenheid eenige kennis van hunnen aard
optedoen, te-meer omdat de naïve _Si Oepi keteh_--een myner
menigvuldige eerste liefden--'n _Atjinesche_ was. Toch bezit ik geen
bouwstoffen voor 'n volledige karakterbeschryving, en ik durf alleen
--in tegenspraak met de velen die heden-ten-dage over Atjinezen
meespreken zonder ooit 'n Atjinees gezien te hebben--beweren dat zy
over 't geheel genomen _zeer veel goede hoedanigheden_ bezitten.
Ongetwyfeld namelyk zyn ze hooghartig en dapper. Dat, by gelegenheid
der oorlogsverklaring, 'n minister in de Kamer de Atjinezen heeft
durven afschilderen als schuldig aan _zeeroof_, bewyst slechts voor de
duizendste keer dat sommige sprekers geen laster te plomp keuren om by
dat kollegie hun doel te bereiken. Is de zeeroof in den indischen
Archipel afgenomen, sedert de atjinsche havens geblokkeerd zyn? Immers
neen. Indien ons gouvernement zeeroovers bevechten wil, laat het dan
den oorlog verklaren aan den Sultan der _Soeloe_-eilanden, aan de
_Illanezen_ op _Magindanao_, en eigenlyk aan àlle vorsten en volken
opdat groote eiland. Uit _die_ streken zwermen de vloten uit, die
sedert eeuwen de bezittingen der atjinsche Sultans, niet minder dan de
onze, op 'n brandschatting stellen, weinig minder schandelyk voor wie
ze betaalt dan voor den heffer. Dáár zou iets deugdelyks te doen
vallen voor onze Marine, of liever voor onze Landmacht, want het
beschieten van bamboezen gebouwtjes aan 't strand beteekent niet veel.
Maar de beschuldiging van zeeroof was onze edele staatslieden niet
voldoende. Om den zoo fyn zedelyken Nederlander te bewegen tot de
vereischte oorlogswoede--en fondsen-bewilliging!--werd hem in
diezelfde Tweede-Kamer de Atjinees voorgesteld als zoo heel in 't
byzonder overgegeven aan ... onnatuurlyken wellust! My, die veel met
Atjinezen heb omgegaan, was daarvan nooit iets gebleken, misschien wel
omdat ik nooit in 't belang van carrière of pozitie vuile voorwendsels
noodig had om oorlog te maken. Aan hen die op dit punt zich zooveel
volkenkundiger toonen, vraag ik welke "reden van wetenschap" ze voor
hun liefelyke beschuldiging kunnen aanvoeren? In-allen-geval komt me
zoo'n aantyging tegen 'n vyand die doorslaande blyken geeft van
mannelykheid, nietzeer ... mannelyk voor, en even onsmakelyk als
't bedoeld delikt zelf. Wat te zeggen van 'n Vertegenwoordiging die
millioenen voteert op voorstellen van ministers wien zùlke middeltjes
tot ophitsing niet te verachtelyk zyn? Dat overigens het nederlandsche
Staatsbestuur--een tot in 't merg verrot organismus!--de wapens zou
aangorden _in 't belang der zedelykheid_, is 'n koddig denkbeeld.
Wat eindelyk den tegenwoordigen oorlog aangaat, ik herhaal wat ik
elders zeide: _van Atjeh beging de nederlaag_. De toelichting van deze
stelling ligt _nu_ buiten m'n bestek. Ook lust het me niet, by
voortduring onbeloond les te geven aan de haagsche politici. _Zy_
worden door de Natie betaald om iets van de zaken te weten. Dat nu die
Natie by voortduring genoegen neemt met individuën die aan dezen eisch
niet voldoen, is myn schuld niet. Zéker is 't, dat nog geen enkele
maal de _onvermydelyke gevolgen_ der intrekking van 't geheim artikel
in het traktaat van 1824, ter-sprake gebracht zyn, noch in de talryke
brochures over deze zaak, noch in de tallooze dagbladartikelen die
haar behandelen, noch in de redevoeringen van ministers en "geachte
leden." Al die schryvers en sprekers bleven òf uit onbekendheid met de
toestanden òf om redenen van nog lager soort, voortdurend _à côté de
la question_. O. d. e. t. u. o. s. i. v. m. d. p. o. o. d. o. z. w. v.
m. a. o. f. d. z. t. m. d. k. v. s. t. g. h. d. z. d. d. o. v. a. i.
v. v. d. n. j. z. o. Mocht de lezer klagen dat ik hier in raadsels
spreek, hy bedenke dat m'n _Brief aan den Koning_ van September 1872
_niet_ raadselachtig was, en dat er van dat zeer duidelyk stuk geen
notitie is genomen. Als de minister van Kolonien my zeer beleefd
vraagt wat er ten-gevolge der zotte atjinsche kampagne te voorzien is,
zal ik hem voldoende inlichting geven, onder protest evenwel tegen de
onrechtvaardigheid dat _hy_ en niet _ik_ betaald wordt voor de zorg om
Insulinde voor Nederland te bewaren.