57. Zie Noot 37.

58. _Dessah_: dorp. Elders: _kampong_ en _negrie_. De inlandsche

oorsprong dezer beide laatste woorden--javaansch, soendasch of

maleisch dan--komt me verdacht voor.

59. _Opstandelingen in de Lampongs_. Er bestaat 'n brochure over de

hier bedoelde expeditie, welker titel ik niet kan opgeven. Ze is

waarschynlyk van '61 of '62, en werd, meen ik, geschreven door den

kommandant onzer troepen. Die schryver loochent dat er veel lebaksche

uitgewekenen waren onder de door hem bevochten opstandelingen. Ik houd

evenwel m'n opgaaf staande, en beroep me op 't getuigenis der

officieren die onder hem aan dien veldtocht deelnamen. Juist door een

hunner heb ik m'n bewering met 'n zeer sterke uitdrukking hooren

bevestigen. Er was 'n tyd dat het ontkennen myner assertien zekere

welgezienheid in den Haag meebracht, en dááraan schreef die officier

toe, wat hy in z'n gewezen kommandant plompweg 'n: "vervloekt gemeene

leugen" noemde. Indien me had mogen blyken dat Nederland belang stelde

in waarheid, zou ik sedert lang bewyzen geleverd hebben. Maar 't is

vervelend pleiten voor 'n rechtbank die verzot is op leugens.

60. _IJd_ en _eit_. Dit Nootjen is van den heer Van Lennep. Als

aardigheid kan het er door, maar in de oogen van 'n volwassen mensch

is dat _purisme_ op 't rym waarlyk komiek. Laat de Zeeuwen op z'n

zeeuwsch, de Friezen op z'n friesch rymen! En wie in 't geheel niet

rymt, doet ook goed, ja ... beter nog! By Göthe en Schiller rymt

_Ritter_ op _Jezuïter_, _ehren_ op _währen_, _Kaiser_ op _weiser_,

_führen_ op _probiren_, enz. Boileau koppelt _audace_ aan _Parnasse_,

_pucelle_ aan _modèle_, e.a. De sop is de kool niet waard. Jammer maar

dat nog altyd zoo velen hun wysheid over dergelyke kinderachtighedens

aan den man weten te brengen als _Letterkunde_ en zelfs als _poëzie_!

61. _Maniessan_: zoetigheid, konfituren. Het gebruiken hiervan by de

thee is van chineschen oorsprong.

62. _Distriktshoofd van Parang-Koedjang_. Hy was schoonzoon en

handlanger van den Regent. Ten zynen huize werd myn voorganger

vergiftigd.

63. _Kleeding van den Djaksa_. Deze inlandsche ambtenaar was 'n

Javaan--geen Soendanees--en daarom eenigszins anders, en opzichtiger,

gekleed dan de Hoofden die te Lebak thuis hoorden.

64. Onder de titels van den Gouverneur-generaal behoort ook die van:

_Opperbevelhebber van Zr Ms Zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop_.

65. Deze aanspraak aan de Lebaksche Hoofden wordt, naar my van vele

zyden bleek, vry algemeen gewaardeerd. Waarom keurde men dan

Havelaar's _handelingen_ die daarmee stipt overeenstemden, geen

aandacht waard?

Om te beoordeelen in hoever ik by 't benaderend in druk geven van die

ongeschreven toespraak kan afgeweken zyn van _stipt-letterlyke

waarheid_, is 't misschien niet onbelangryk toon en inhoud daarvan te

vergelyken met zeker stuk van eenige jaren tevoren. Ik bedoel de

Publikatie aan de Inl. Hoofden der Minahassa van 1 April 1851, waarin

naar ik meen dezelfde geest heerscht. Het Weekblad "_Oost en West_" en

daarna de _Spectator_ (26 Juli 1879), namen 't over uit de indische

couranten die dat dokument de moeite der reproduktie hadden waard

gekeurd, misschien wel om de velen terecht te wyzen die voorgeven den

_Havelaar_ te ontkrachten door 't boek voor 'n _fiktie_ uittemaken.

Bedoelde Publikatie is 'n _officieel stuk_ en heeft niets te maken met

romanschryvery. Ik noodig den lezer uit, het aangehaalde nummer van

den _Spectator_ intezien, en zich de vraag voorteleggen of 't billyk

is dat ik ruim dertig jaar na 't schryven van de daarin meegedeelde

Publikatie, nog telkens door den eersten den besten kwajongen

straffeloos word uitgescholden? (_Zie voorts over dit onderwerp de

Noten 101 en 115._)

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 60 / 80 题