(Herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881)
* * * * *
De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en
waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel
twyfelachtig of 't woord: _wyten_ goed gekozen is? Recht tot verwyt
immers veronderstelt _schuld_, en ik vraag of dit van toepassing wezen
kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord
voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven,
dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit _boek_! Iets anders immers ziet de
lezer er niet in. _My_ evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n
leven ... my was de korrektie 'n marteling, één marteling! Telkens
ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der
--nog altyd onvolmaakte en verzachte!--schets van wat er uit meer dan
vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje
gronds dat _Lebak_ heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by
't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van
't _boek Havelaar_ gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde,
en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen
dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest
roept. Weken en soms maanden lang--myn uitgever kan 't getuigen!--had ik
den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan
ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost
dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik,
gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend
en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar
tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n _Havelaar_ schreef, meende ik
iets te zullen _bewerken_, iets _uitterichten_, iets _tot stand te
brengen_. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar
welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan
háár schreef: _m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed
gaan!_ Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld--en
vruchteloos verloren, helaas!--in pogingen om zonder publiciteit, zonder
opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering
zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De
ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en
plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet
te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem
richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in
de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit
geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te
herstellen wat door zyn schuld bedorven is. Door die gewetenlooze
lauwheid ten-laatste _gedwongen_ tot publiciteit, tot het kiezen van een
anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my
eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: _een
oogenblik gehoor_. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik
aftepersen van de Natie: de _Havelaar_ werd _gelezen_, men ... _hoorde_
my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde
men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had ...
Zeker, men had zich by de lektuur "geamuzeerd" en dacht er niet aan--of
ontveinsde te begrypen--dat niet _ik_ op middelbaren leeftyd m'n
loopbaan, die schitterend beloofde te worden, opgaf tot vermaak. Dat
niet _ik_ amuzement beoogd had in 't trotseeren van den gifdood voor my,
voor myn trouwe dappere vrouw, en voor ons lief kind. De _Havelaar_ was
zoo'n onderhoudend boek, durfde men my zeggen, en onder zulke
lofredenaars waren er die gillen zouden van angst by 't minste
dagelyksch gevaartje, ik zeg niet voor gezondheid en leven, maar voor 'n
gering deel van hun welstand. De meeste lezers schenen te meenen dat ik
my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun
'n prettig lektuurtje te verschaffen.
Deze dwaling ... doch genoeg hiervan. Zéker is 't, dat ik van zoo'n
naïf-wreede _Jokrissiade_ geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd
uitriep _m'n boek is af, m'n boek is af!_ De overtuiging dat ik
_waarheid_ zeide, dat ik _gedaan_ had wat ik bezig was te _schryven_, en
het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt
aan _cant_, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling
van zeggen en doen ... dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop
als inderdaad _noodig_ was om 't pynlyk schryven van den _Havelaar_
mogelyk te maken. Maar _thans_, nu me twintig jaar later al te voldoende
gebleken is dat de Natie party trekt vóór de Van Twisten en
konsorten--d.i. voor schelmery, roof en moord--tegen my, d.i. tegen
Recht, Menschlievendheid en wèlbegrepen Staatkunde, nu viel my 't
behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan
dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de
overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze--op bladz. 131, byv. (zie de
alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)--hoe gaarne ook
teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te
kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te _Lebak_ en
wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste
brochure over _Vryen-arbeid_.(*)
(*) Uitgaaf van 1873, blz. 97, vlgg. waar tevens de oorzaak wordt
verklaard die, nà den _Havelaar_, me dwong tot het betreden van breeder
terrein dan de zaken in India.
En ... by al 't verdriet over de aanhoudende mislukking van m'n
pogingen, de smart over 't verlies van háár die aan m'n zyde zoo
heldhaftig den stryd tegen de wereld opnam, en niet dáár wezen zal
wanneer eindelyk het uur van triumf geslagen is!
Het uur van triumf, lezer. Want, het moge u bevreemden of niet,
overwinnen zàl ik! Ten-spyt van 't gekunstel en geknoei der
Staatsmannetjes aan wien Nederland z'n hoogste belangen toevertrouwt.
Ten-spyt onzer zotte Grondwet die premien uitlooft op middelmatigheid of
erger, een instelling die alles weert wat de _nu_ alom erkende
verrotting in ons Staatswezen zou kunnen genezen. Ten-spyt van de velen
die _belang_ hebben by Onrecht. Ten-spyt van laaghartige afgunst op m'n
"schryftalent" ... heet het zoo niet? Ik ben geen schryver, heeren
boekenmakers die volstrekt in my een kollega en konkurrent wilt zien,
gelooft me toch! Ten-spyt van plompen laster die niets te grof en te
ongerymd acht om m'n stem te smoren en m'n invloed te breken. Ten-spyt
eindelyk van de jammerlyke flauwhartigheid der Natie die dat alles by
voortduring blyft gedoogen ... overwinnen zàl ik!
Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik
niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd,
niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de
bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat
... ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar ...
_veranderd_? De lieden die, eerst onmiddelyk na den _Havelaar_, en
vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem,
gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't
kussen te zetten, hebben niets gedaan dan _veranderen_. Dit moest immers
wel? Hun staatkunstenmakersmétier bracht het mee. Het gedeeltelyk
onbekwame, gedeeltelyk niet zeer intègre volkje dat na '60 "_naar boven
viel uit gebrek aan zwaarte_" begreep dat er iets _gedaan_ moest worden,
al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook--dit erken ik mèt
hen--maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden
Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den
meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van
werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging
"rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den
honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te
houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch
gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien,
krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes
toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van _duitenplatery_.
"_Vrye-arbeid_" was jaren lang--en vóór den _Havelaar_ reeds--de
hoofdschotel, de _pièce de résistance_ van 't verraderlyk _menu_. Ter
afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien
over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de
Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits-
kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en
nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere,
en telkens wisten de mannen _en place_--behoudend of liberaal, om 't even!
--aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de
_door allen erkende_ moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen
in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, _nu_ zou 't
probaat wezen!
(*) Zeker! Zie de laatste bladzyden van "_Pruisen en Nederland_."
Zoo volgde na elk versleten experiment een nieuw experiment. Na elke
verbruikte kwakzalvery, een nieuwe kwakzalvery. By elk nieuw ministerie
een nieuw arkanum. Voor elk nieuw arkanum nieuwe ministers, bestemd
gewoonlyk meer jaren den overladen pensioenstaat te bezwaren, dan ze
maanden op 't kussen hadden gezeten. En de Tweede-Kamer aan 't
redevoeren! En de kieskollegien aan 't opvyzelen of zwartmaken! En 't
Volk aan 't luisteren! Al die nieuwigheden werden onderzocht, beproefd,
toegepast, ingevoerd. In Indie maakte men de Hoofden, de europeesche
ambtenaren, en vooral de Bevolking _biengoeng_ met de onophoudelyke
_changements-à-vue_ ... en er zou niets _veranderd_ zyn na den
_Havelaar_? Ten-gevolge van den _Havelaar_? _Allons-donc!_ Er is nà en
ten-gevolge van dat boek, in Indie geschied wat er met _Jan Klaassen's_
horloge gebeurde. Men had dien wysgeer de opmerking gemaakt dat het werk
vuil was en daarom verkeerd liep. Fluks wierp hy 't in de goot, en
reinigde het met 'n stalbezem. Volgens andere traditien van de haagsche
poppenkast zette onze politikus er den hak van z'n klomp op. Ik kan den
lezer verzekeren dat er werkelyk veel _veranderd is_ in dat horloge!
* * * * *
Nederland heeft niet verkozen recht te doen in de Havelaarszaak. Zoolang
tweemaal twee vier zal wezen, blyft het zeker dat dit verzuim--dat deze
_misdaad_!--het punt van uitgang worden zal van 't verlies zyner
indische bezittingen. Wie deze voorspelling wantrouwt omdat heden, en
dus slechts twintig jaar na m'n _zeer gedwongen_ optreden, de
hollandsche vlag nog altyd te Batavia waait, verraadt de nauwte van z'n
politieken blik. Meent men dat omkeeringen als die welke Insulinde
te-gemoet gaat, en waarmee faktisch reeds 'n aanvang gemaakt is--ziet ge
dit niet, Nederlanders?--kunnen plaats grypen in 'n bestek als voldoende
wezen zou voor 'n dagelyksch voorvalletjen uit het byzonder leven! In 't
leven der Staten is twintig jaar minder dan 'n oogenblik.
Toch zal de katastroof een betrekkelyk snel verloop nemen. De onbesuisde
oorlog met _Atjeh_ was een der laatste duitenplateryen die 'n minister
noodig had om de aandacht afteleiden van z'n onbekwaamheid, en zal
blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als ze
lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend nederlandsch gezag
is tegen _échecs_ als dáár door ons geleden worden, niet bestand.(*)
Doch reeds vóór de openbaring der gevolgen van wyder strekking, die deze
wreedaardige en dure zotterny na zich slepen _moet_, waar blyft in deze
zaak de zoo hooggeroemde ministerieele verantwoordelykheid. Moet nu de
Natie er maar in berusten, dat zekere _Fransen van de Putte_
goedgevonden heeft haar in 'n toestand te brengen, die--om nu niet te
spreken van 't schromelyk verlies aan _prestige_ in den Indischen
Archipel!--op zóóveel millioenen schats, op zóóveel menschenlevens te
staan komt? Wel zeker! Ook de naam van _dien_ man bekleedt 'n plaats op
den staat van pensioenen. De nederlandsche belastingschuldigen hebben
geld te veel, naar 't schynt.
(*) Dat Atjeh zou _veroverd_ en de Atjinees _overwonnen_ zyn, is 'n
leugen.
Wat overigens den oorlog met _Atjeh_ aangaat, ik zal straks by de
aanteekeningen op den _Havelaar_ wel genoodzaakt wezen daarop nu-en-dan
terug te komen. Nu reeds de opmerking echter, dat me ook in dit opzicht
gebleken is, hoe slordig dat boek gelezen werd. Zelden of nooit ontving
ik blyk dat men den tegenwoordigen oorlog, en myn voorspelling daarvan,
in verband wist te brengen met den inhoud van 't _dertiende_ hoofdstuk.
By de groote verspreiding van den _Havelaar_, is 't inderdaad vreemd
dat, toen in September '72 m'n waarschuwende brief aan den Koning
verscheen, en in 't volgend voorjaar de oorlog verklaard werd, zoo
weinigen zich herinnerden dat ik reeds in '60 op onze gespannen
verhouding met het atjinsche Ryk gedoeld, en bewys geleverd had iets
meer van die zaken te weten dan onze krantenschryvers en Kamerleden.
Ware dit ànders geweest, misschien zou myn welmeenende waarschuwing van
September '72 beter vrucht gedragen hebben! Nog altyd maakt de oude
Jupiter de Koningen en Natien die hy verderven wil, blind doof,
krankzinnig en behoudend of ... liberaal. Want dat komt overeen uit.
Hoofdzaak is en blyft: waarheid _zoeken, 't gewicht der waarheid_
erkennen en vooral _handelen naar de gegevens die men_, aldus te-werk
gaande, _voor_ waar _houden mag_. Wat daarbuiten gaat is uit den booze,
en Holland zal Indie verliezen omdat men my geen recht heeft gedaan in
myn streven om den Javaan te beschermen tegen mishandeling. Er zyn er
nog altyd die 't verband tusschen deze beide stellingen niet vatten,
maar is dit _myn_ schuld? Het smoren van myn klachten is bescherming van
_onwaarheid_, aanmoediging van _leugen_. Is 't nu zoo moeielyk te
begrypen dat het _ommogelyk_ is, by-voortduring die zoo uitgestrekte
bezittingen te beheeren, wanneer men omtrent Land en Bevolking geen
andere dan onware berichten gelieft te ontvangen? Om iets te regelen, te
besturen, te regeeren, behoort men dan toch in de eerste plaats te
_weten_ in welken toestand zich de te behandelen zaken bevinden, en
zoolang men de in den _Havelaar_ verstrekte gegevens ter-zyde schuift,
weet men dit _niet_!
En nog iets. Er blykt uit dat boek dat de bestaande wetten niet worden
gehandhaafd. Eilieve, wat baat het dan of men in den Haag en by
verkiezingen zich aanstelt alsof er aan 't maken van _nieuwe_ wetten
iets gelegen lag? Ik blyf er by dat de oude bepalingen _wat de
hoofdzaken aangaat_ zoo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet
optevolgen. Dáár ligt de kwestie!(*) Daar, en niet in 't eindeloos
redeneeren over onderwerpen van vermeend of voorgewend-politisch
belang, een gekibbel dat wel dienen kan om kranten-schryvers aan
teksten voor hoofdartikels te helpen, om ministers een week langer op 't
kussen, en de geheel overbodige talenterigheid van Kamerdebattisten
bezig te houden, maar geen voetstap nader brengt aan 't eenig ware doel:
_bescherming van den Javaan tegen de hebzucht zyner Hoofden in
medeplichtigheid van een bedorven Nederlandsch Bestuur_.
(*) Zie ter toelichting der karakteristieke frekwentie van dusdanig
misvatten, het aardig voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland,
medegedeeld in m'n brochure over _Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.
* * * * *
Wat nu deze nieuwe uitgaaf betreft, ik stond by de Noten die straks
volgen, gedurig in twyfel over de meer of mindere behoefte aan
toelichting. Dit bezwaar is tweeledig, en betreft zoowel het ophelderen
van 'n maleische of vreemdklinkende uitdrukking, als de _staving der
feiten_ die in den _Havelaar_ worden meegedeeld. Ik weet nog altyd niet
hoe diep het door de Van Twisten uitgestrooid praatje "dat ik maar 'n
roman had geschreven" wortel heeft geschoten? Durft men de door my
overgelegde officieele stukken voor onecht houden? Hiervan is me niets
ter-oore gekomen. Dewyl men echter by-voortduring weigert my de plaats
interuimen die me zou toekomen indien ze voor echt worden erkend, viel
't my moeielyk het juiste midden te vinden tusschen te veel en te weinig
rechtvaardiging. Ik liep telkens gevaar het justificeeren overteslaan
van iets dat in de oogen van sommige lezers bewys kon noodig hebben, en
elders iets met bewyzen te staven dat alle verdere toelichting missen
kon, een fout die me zou blootstellen aan de--gewoonlyk
verkeerde!--toepassing van 't bekende: _qui s'excuse s'accuse_. Te
_excuzeeren_ nu heb ik, die m'n plicht deed, niets. Nederland deed z'n
plicht _niet_, en heeft zich te verontschuldigen dat het tegen
_Havelaar_ party trekt voor schelmery. Zoo is de zaak!
De weifeling dan tusschen te veel of te weinig _justificatie_ der
aangevoerde feiten, hinderde my zeer. Maar zie, tamelyk ver reeds
gevorderd met het afwerken der Noten, bleek me dat ik bezig was de
grenzen der my gegunde ruimte--een ruimte die ik zelf vroeger voldoende
had gerekend--zeer ver te overschryden. Myn aanteekeningen,
toelichtingen en ophelderingen op filologisch, land-en volkenkundig of
historisch terrein, dreigden weldra den oorspronkelyken tekst in
uitgebreidheid te-boven te gaan. Het hierdoor noodzakelyk geworden
knotten was my een verdrietig werk, en ik ben zoo vry te gelooven dat de
lezer er iets by verliest.
De vervloekte puntjes waarmee de heer Van Lennep goedvond m'n werk te
bederven, zyn in deze uitgaaf natuurlyk door _leesbare woorden in
letters_ vervangen. De pseudoniemen _Slymering, Verbrugge, Duclari_ en
_Slotering_ heb ik onveranderd gelaten omdat die namen nu eenmaal
populair zyn geworden. Myn vermoorde voorganger heette _Carolus_. De
namen van den kontroleur _Verbrugge_ en den kommandant _Duclari_ waren
_Van Hemert_ en _Collard_. De Resident van Bantam heette _Brest van
Kempen_, en _Michiels_ was de naam van 't Napoleonnetje te _Padang_. Wat
my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan den
heer V.L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe
hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik den eerlyken
maar niet heldhaftigen kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al
steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt
en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was
reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad. De
benaming Slymering voorts diende my tot het typizeeren van m'n model. En
't veranderen eindelyk van de namen _Carolus_ en _Collard_ in
_Slotering_ en _Duclari_ vloeiden uit de vorige substitutien voort.
Geheimhouding was waarlyk m'n zoeken niet, wat trouwens uit de geheele
strekking van m'n werk blykt, maar ik vond het stuitend bepaalde
personen prys te geven aan het oordeel van 't _gewoon_ lezend Publiek.
In de _officieele_ wereld, meende ik--en háár ging de zaak aan--zou men
wel weten tot wien men zich te richten had om inlichting aangaande de
zaken die ik openbaarde. Dit hééft men dan ook geweten, want na
ontvangst van den _Havelaar_ in Indie, is de Gouverneur-Generaal _Pahud_
terstond naar _Lebak_ gereisd om daar eenige klachten over misbruik te
onderzoeken."
Op den titel van 't boek zal ik in een later aanteekening terugkomen.
Die titel is noch 'n _farce_, gelyk sommigen voorgeven te meenen, noch
'n uithangbord, _ein aushängeschild das in Holland nöthig schien um
Käufer zu locken_, beweerde zeker publicist in de _Deutsche Jahrbücher
für Wissenschaft, Kunst und Politik_. O, neen, die titel is 'n epigram.
Wat de spelling aangaat, even als in m'n andere werken volg ik nagenoeg
de mode van den dag. "_Niet_, zooals ik zeide in 't Voorbericht by den
vyfden druk myner _Ideen, omdat ik den minsten eerbied voel voor de
taalkennis der personen die heden-ten-dage zoo goed als officieel belast
schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers
aftestooten door vreemdheid van spelling. De soep zou de kool niet waard
zyn_." Zeker, wezenlyke _taalkunde_ is heel wat anders! Toch heb ik ook
hier de leelyke i-j die door sommigen als y-klank gebruikt wordt, voor
goed _congé_ gegeven. _Tant pis_ voor de Hilaridessen die er om treuren.
Dezelfde soort van lettermannen zullen waarschynlyk geen vrede hebben
met m'n interpunktie. Ik met de hunne niet. Welnu, evenals--ik
meen--Hildebrand ergens, geef ik hun een paar mud komma's ten-geschenke,
om die te plaatsen waar ze goedvinden, tot er de verlangde slymerigheid
en hun voldoening op volgt, amen.
De heer Mr. C. Vosmaer maakt in z'n "_Zaaier_"de opmerking dat de
_Havelaar_ blyken draagt van nog onvolkomen beheersching der taal, en
van 't worstelen om vormen voor de veelvuldige stof. Ik stem dit
volmondig toe. Ook my hinderde onder de korrektie herhaaldelyk iets
gewrongens in den zinbouw, dat waarschynlyk tot de kritiek van den heer
V heeft aanleiding gegeven. Naar m'n beste weten heb ik die fout in de
tegenwoordige uitgaaf verbeterd.
* * * * *
En, alsnu terugkomende op de beschuldiging dat ik tot-nog-toe zoo weinig
heb tot-stand gebracht ... dit verwyt is zoo dom niet. Men wordt _Doctor
in de letteren_ door zulke wapenfeiten. Eilieve, dit heb ik dan toch
bewerkt, niet waar, dat personen die bezig waren met kouvatten uit
verregaande lauwerloosheid, op-eenmaal hun kalen schedel gedekt voelden
met den doktershoed, alleen omdat ze de handigheid hadden gebruikt my 'n
paar kwajongensachtige insolenties te zeggen? In een land waar de
officieele distinkte zóó wordt te-grabbel gegooid ...
Het zy zoo! Wat ik _gedaan_ heb, heeren? Wel, ik dééd wat in den
_Havelaar_ geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt _gy_?
Wat ik _gedaan_ heb, nogeens? Ik ving, geheel alleen staande, in
dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd
aan tegen lieden van _uwe_ soort, d.i. tegen het _Onrecht_. Gaat heen en
doet desgelyks!
Dat overigens m'n streven niet bekroond werd ... dat ik nog altyd het
gemakkelyk te raken--en debiet belovend--mikpunt ben van de eerste de
beste nulliteit die 't ambacht van frazenmaken eenigszins meent te
verstaan--al zy 't dan ook dáármee vaak povertjes gesteld--en dat, wat
meer zegt, de toestand in Indiën ellendiger is dan ooit ... mag men dit
_my_ wyten? Ik deed, meen ik, wat 'n mensch in de gegeven omstandigheden
doen kòn, en zeker meer dan eenig Nederlander. Het schimpen op de
betrekkelyke onvruchtbaarheid van m'n pogen herinnert aan den wrevel der
matrozen van Columbus in September 1492. Ook dàt gepeupel schold z'n
admiraal uit. Of ze doktoren in de letteren geworden zyn, weet ik niet.
Geen vrucht alzoo van m'n werk? Het is hier de plaats niet, den invloed
nategaan dien ik uitoefende op heel ander terrein dan de zaken van
Indie. Ik ben zoo vry te gelooven dat m'n geschriften heilzame beweging
hebben uitgewerkt op zedelyk en godsdienstig ... laat me liever zeggen
op _intellektueel_ gebied. Van vele zyden ontving ik blyken dat ik
menigeen tot denken heb gebracht. Wie 't betwyfelt of ontkent, gelieve
het te zeggen, en noeme evenals de zeer edele heeren A.B. Cohen Stuart
en Van Vloten, z'n naam er by, om behoorlyk de schande te dragen van z'n
platte jalouzie.
Aan afgunst namelyk meen ik voor 'n groot deel den toon te moeten
toeschryven, waarop sedert eenigen tyd sommige publicisten--of luî die
't worden willen--m'n werken en m'n persoon aanvallen. Die toon is
gewoonlyk wat te laag voor 't onderwerp.
Dat ik niet de eenige ben, die by 't lezen van stukken als die van
_Doctor_ Van Vloten aan jaloersheid denk, blykt o.a. uit het hartig
artikel van den heer J. Versluys, in _'t Schoolblad_ van 19 Januari
1875, waar de animoziteit van dien godgeleerde in verband wordt gebracht
met het stuk over _Vrye Studie_ dat in m'n IIIn bundel _Ideen_ voorkomt.
Dat onderwerp namelyk was ook door Dr Van Vl. behandeld, en schynt onder
zyn handen niet veel opgang gemaakt te hebben. Kan _ik_ dit helpen?
Zeker is 't dat ik na 't verschynen _myner_ verhandeling sporen begon
waartenemen van de hatelyke stemming die nu blykt jegens my te bestaan.
Vroeger was ik 't allerliefst gekwalificeerd: "_slachtoffer van indisch
wanbestuur en hollandsche lamlendigheid_." Wat ik nu ben, weet ik niet
recht. Een prulschryver, denk ik, wiens werken moeten verdrongen worden
om wat ruimte te verschaffen aan de hyperaesthetische produkten der pen
van Dr V. Vl. Wie z'n "_Bloemlezing_" onderzoekt, zal deze gissing
nog-al aannemelyk vinden. Op de blykbare oneerlykheid in dat prachtstuk
van letterkundigen arbeid wyst dan ook zeer ten-rechte de heer
_Versluys_. Zelfs Mr Vosmaer--gewis toch een onzer eerste dichters,
als-i niet _de_ eerste is--wordt door den verheven Bloemlezer in den ban
gedaan. Die auteur had zich verstout myn werk in z'n "_Zaaier_" te
pryzen, en mocht dus geen bloemen leveren.
Doch ook zonder eigenlyken _broodnyd_, sedert eenigen tyd is 't schelden
op my 'n _métier_ en 'n _tic_ geworden. Het aantal brochuretjes en
"Overdrukjes" dat aan dusdanige spekulatie z'n aanzyn te wyten heeft, is
legio, en levert een treurig blyk van armoed aan scheppingsvermogen. Wie
niet in-staat is zelf iets degelyks voorttebrengen, tracht evidentie--en
honorarium!--optedoen door 't knagen aan den arbeid van 'n ander. Men
zou haast op 't denkbeeld komen dat ikzelf hiertoe den weg wees in m'n
_Idee_ 219, wanneer men niet wist dat wespen, rupsen, en paalwormen zoo
oud zyn als vruchten, loof en zeeschoejing.
Maar jammer is 't! Dat de Van Vlotens, e.d. zulke manoeuvres noodig
hebben om 'n uitgever te bewegen tot het riskeeren van "Overdrukjes" uit
hun niet zeer verspreide tydschriften, is begrypelyk. Ook vereert het me
zeer, zóóveel opgang te maken dat daarvan nog altyd iets kan afvallen om
'n ander te helpen aan _relief_, al schikt het me niet altyd dat teeren
op afval in de hand te werken door serieuze beantwoording van dergelyk
geschryf. Toch verbind ik me niet tot voortdurend zwygen, maar 't zou me
aangenaam zyn indien anderen de niet moeielyke taak op zich namen ...
het verschil te doen in 't oog vallen tusschen wespen en ooft. _My_
wordt door zulke àl te goedkoope bewysvoering de stemming bedorven, en
dit is jammer voor myzelf en den lezer. Men begrypt immers hoe ik, bezig
met het schetsen van iets liefelyks, met viesheid de pen wegwerp zoodra
my de gedachte overvalt dat wezens als _Van Vloten_ zich gereed maken
m'n werk te bevuilen?(*) Ik meen te goed te zyn om zulk volkjen aan
verkoopbare kopie te helpen, en zeker zou 't my 'n kwart-eeuw geleden,
toen ik den Lebakschen stryd streed, bevreemd hebben indien iemand my
voorspeld had dat er nà 't openbaren van m'n pogen en streven,
aanleiding zou bestaan tot zoo'n verklaring! Het strekt waarlyk 't
lezend Publiek niet tot eer, dat sommigen een toon tegen my durven
aanslaan alsof _Havelaar_ een der hunnen was. Zoolang dit opgaat, beweer
ik dat men--ouder gewoonte--slecht gelezen heeft. Anders toch zou men
niet gedoogen dat 'n stryd die zoo ridderlyk werd aangevangen en
voortgezet, ten-behoeve van zeker soort van belanghebbenden werd
overgebracht op 'n mestvaalt. Hartelyk dank!
(*) Ik kan op m'n woord verzekeren dat dit in de meest letterlyken zin
een der oorzaken is van de herhaalde vertraging in de _Geschiedenis van
Woutertje_.
Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Geheele
dorpen zyn uitgestorven.