MAX HAVELAAR."

* * * * *

Zonder uitspraak te doen omtrent de gegrondheid van het vermoeden der

Weduwe Slotering, betreffende de oorzaak die haar kinderen tot weezen

maakte, en alleen aannemende wat bewysbaar is, dat er in _Lebak_ nauw

verband was tusschen plichtsbetrachting en gif--al bestond dan ook dit

verband slechts in meening[173]--zal toch ieder inzien dat Max en Tine

kommervolle dagen hadden doortebrengen na 't bezoek van den resident. Ik

geloof niet noodig te hebben den angst te schetsen van een moeder die by

't reiken van spys aan haar kind, zich gedurig de vraag moet voorleggen

of ze misschien haar lieveling vermoordt? En wèl was het een "afgebeden

kind" de kleine Max, die zeven jaar was uitgebleven na 't huwelyk, als

wist de schalk dat het geen voordeel was ter-wereld te komen als zoon

van zulke ouders!

Negen-en-twintig lange dagen had Havelaar te wachten voor de

Gouverneur-generaal hem meedeelde ... doch we zyn nog zoover niet.

Kort na de vergeefsche pogingen om Havelaar te bewegen tot de intrekking

zyner brieven, of tot het verraden van de arme lieden die op zyn

grootmoedigheid vertrouwd hadden, trad eens Verbrugge by hem binnen. De

brave man was doodsbleek, en had moeite te spreken.

--Ik ben by den Regent geweest, zeide hy ... dàt is infaam ... maar

verraad me niet.

--Wat? Wàt moet ik niet verraden?

--Geeft ge my uw woord geen gebruik te maken van wat ik u zeggen zal?

--Weer halfheid, zei Havelaar. Doch ... goed! Ik geef myn woord.

En toen verhaalde Verbrugge, wat den lezer reeds bekend is, dat de

resident aan den _Adhipatti_ had gevraagd of hy iets wist intebrengen

tegen den adsistent-resident, en hem tevens geheel onverwachts geld had

aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van den regent zelf, die hem

vroeg welke redenen den resident hiertoe konden geleid hebben? Havelaar

was verontwaardigd, maar ... hy had zyn woord gegeven.

Den volgenden dag kwam Verbrugge terug, en zei dat Duclari hem onder

't oog had gebracht hoe onedel het was, Havelaar, die met _zulke_

tegenstanders te stryden had, zoo geheel alleen te laten, waarop

Verbrugge dezen kwam ontheffen van zyn gegeven woord.

--Goed! riep Havelaar, schryf het op!

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 46 / 80 题