Deze bede _om de schuldigen niet in bescherming te nemen_, ontving de
Resident onderwege. Een uur na zyn komst te _Rangkas-Betoeng_ legde hy
een kort bezoek by den Regent af, en vroeg hem by die gelegenheid: wat
hy kon inbrengen tegen den _Adsistent-resident_? en: of _hy, Adhipatti,
geld noodig had?_ Op de eerste vraag antwoordde de Regent: "_niets, dat
kan ik bezweren!_" Op de tweede antwoordde hy toestemmend, waarop de
resident hem een paar bankbriefjes gaf, die hy--voor de gelegenheid
meegebracht!--uit zyn vestzak haalde. Men begrypt dat dit geheel buiten
Havelaar omging, en straks zullen wy te weten komen hoe die schandelyke
handelwyze hem bekend werd.[171]
Toen de resident Slymering by Havelaar afstapte, was hy bleeker dan
gewoonlyk, en zyn woorden stonden verder van elkander dan ooit. Het was
dan ook geen geringe zaak voor iemand die zóó uitmuntte in "schipperen"
en jaarlyksche rustverslagen, zoo op-eenmaal brieven te ontvangen waarin
geen spoor was, noch van 't gebruikelyk officieel optimismus, noch van
kunstige omwending der zaak, noch van vrees voor ontevredenheid van de
Regeering over 't "bemoeielyken" met ongunstige berichten. De resident
van _Bantam_ was geschrokken, en als men my de onedelheid van 't beeld
wil vergeven om-den-wille van de juistheid, heb ik lust hem te
vergelyken by een straatjongen die zich beklaagt over verkrachting van
voorouderlyke gewoonten, omdat een excentriek kameraadje hem zonder
voorafgaande scheldwoorden geslagen heeft.
Hy begon met den kontroleur te vragen waarom deze niet beproefd had
Havelaar van zyn aanklacht terugtehouden? De arme Verbrugge, wien de
geheele aanklacht onbekend was, betuigde dit, maar vond geen geloof. De
heer Slymering kon maar niet begrypen dat iemand, geheel alleen, op
eigen verantwoordelykheid en zonder langgerekte overwegingen of
"ruggespraken" had kunnen overgaan tot zóó ongehoorde plichtsvervulling.
Daar evenwel Verbrugge--volkomen naar waarheid--zyn onbekendheid met de
door Havelaar geschreven brieven staande hield, moest de resident na
veel uitroepingen van ongeloovige verbazing eindelyk wel toegeven, en hy
ging--ik weet niet waarom?--tot het voorlezen van die brieven over.
Wat Verbrugge by 't aanhooren daarvan leed, is moeielyk te beschryven.
Hy was een eerlyk man, en zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar
zich op hem had beroepen om de waarheid van den inhoud der brieven te
staven. Maar ook zonder deze eerlykheid, hy had in veel schriftelyke
rapporten niet altyd kùnnen vermyden de waarheid te zeggen, ook waar die
soms gevaarlyk was. Hoe zou 't zyn, als Havelaar daarvan gebruik maakte?
Na 't voorlezen van de brieven betuigde de resident dat het hem
aangenaam wezen zou indien Havelaar die stukken terugnam, om ze te
kunnen beschouwen als niet geschreven, hetgeen deze met beleefde
vastheid weigerde. Na vergeefs te hebben getracht hem hiertoe te
bewegen, zei de resident dat hem niets overbleef dan een onderzoek
intestellen naar de gegrondheid van de gedane klachten, en dat hy dus
Havelaar verzoeken moest de getuigen te doen oproepen die zyn
beschuldigingen konden staven.
Arme lieden die u gewond hadt aan de doornstruiken in den ravyn, hoe
angstig zouden uw harten geklopt hebben als ge dezen eisch hadt
kunnen hooren!
Arme Verbrugge! Gy, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige _ex officio_,
getuige uit kracht van ambt en eed! Getuige, die reeds getuigd hàdt op
schrift! Op schrift dat dáár lag, op de tafel, onder Havelaars hand ...
Havelaar antwoordde:
"Resident, _ik_ ben adsistent-resident van _Lebak_, _ik_ heb beloofd de
bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenary, _ik_ klaag den
Regent aan, en zyn schoonzoon van _Parang-Koedjang_, _ik_ zal de
gegrondheid myner aanklacht bewyzen zoodra me daartoe de gelegenheid
wordt gegeven die ik voorstelde in myn brieven, _ik_ ben schuldig aan
laster, als myn aanklacht valsch is!"
Hoe ruim Verbrugge ademde!
En hoe vreemd de resident Havelaars woorden vond!
Het onderhoud duurde lang. Met beleefdheid--want beleefd en welopgevoed
wàs de heer Slymering--trachtte hy Havelaar te bewegen van zoo verkeerde
grondbeginselen aftezien. Maar met even groote beleefdheid bleef deze
onverzettelyk. Het slot was dat de resident moest toegeven, en als
bedreiging zei, wat voor Havelaar een zegepraal was: _dat hy zich dan
genoodzaakt vond de bedoelde brieven te brengen onder de aandacht van de
Regeering_.
De zitting werd opgeheven. De resident bezocht den _Adhipatti_--we zagen
reeds wat hy daar te verrichten had!--en gebruikte daarna 't middagmaal
aan den schralen disch der Havelaars. Terstond daarop keerde hy terug
naar _Serang_, met grooten spoed: Omdat. Hy. Het. Zoo. By-zonder.
Druk. Had.
Den volgenden dag ontving Havelaar een brief van den resident van
_Bantam_, welks inhoud blykt uit het antwoord dat ik hier afschryf:
"N° 93. _Geheim. Rangkas-Betoeng, 28 Februari 1856_.
Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe spoedmissive van 26 dezer LaO,
_geheim_, houdende hoofdzakelyk mededeeling:
_dat gy gronden hadt, niet te treden in de voorstellen, gedaan by
myne ambtsbrieven van 24 en 25 dezer, Nrs 88 en 91_;
_dat gy vooraf vertrouwelyke mededeeling hadt gewenscht_;
_dat gy niet goedkeurt myne verrichtingen in die beide brieven
omschreven_;
_en ten-slotte van eenige bevelen_.
Ik heb thans de eer, gelyk trouwens reeds in de konferentie van
eergister mondeling geschiedde, nogmaals en ten-overvloede te
verzekeren:
_dat ik volkomen eerbiedig de wettigheid van uw gezag, waar het geldt
de keuze, al of niet te treden in myn voorstellen_;
_dat de ontvangen bevelen met stiptheid en des-noods met
zelfverloochening, zullen worden nagekomen, als waart gy tegenwoordig,
by al wat ik doe en zeg, of juister: by al wat ik niet doe en niet
zeg_.