Den volgenden dag antwoordde hem ... de resident van _Bantam_? O neen,
de heer Slymering, _partikulier_!
Dit antwoord is eene kostbare bydrage tot de kennis van de wyze waarop
het bestuur in Nederlandsch-Indie wordt uitgeoefend. De heer Slymering
beklaagde zich "dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in den brief
N° 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven." Natuurlyk omdat er dan
meer kans ware geweest op "_schipperen_" En voorts: "dat Havelaar _hem
stoorde in zyn drukke bezigheden!_"
De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb
dien brief voor my liggen en vertrouw myn oogen niet. Ik herlees den
brief van den adsistent-resident van _Lebak_ ik plaats hèm en den
resident van _Bantam_, Havelaar en Slymering naast elkander...
* * * * *
Die Sjaalman is een gemeene schooier! Ge moet weten, lezer, dat
Bastiaans weer dikwyls niet op 't kantoor komt, omdat hy de jicht heeft.
Daar ik nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de
firma--_Last & Co_--want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik
eergister op 't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelyk goede hand
schryft, en daar hy er zoo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel
zou te krygen zyn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de
goedkoopste wys in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus
naar de Lange-leidsche-dwarsstraat. De vrouw van den winkel was voor,
doch scheen me niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelyk
had gezegd dat ik_ m'nheer Droogstoppel was, Makelaar in koffi, van de
Lauriergracht_. Er is altyd iets stuitends in dat niet herkennen, maar
omdat het nu wat minder koud is, en ik den vorigen keer myn jas met bont
aanhad, schryf ik het dááraan toe, en trek 't my niet aan ... de
beleediging, meen ik. Ik zei dus nogeens, dat ik _m'nheer Droogsstoppel
was, Makelaar in Koffi_ van de _Lauriergracht_, en verzocht haar te gaan
zien of die Sjaalman thuis was, omdat ik niet weer zooals onlangs wilde
te doen hebben met zyn vrouw, die altyd ontevreden is. Maar die
uitdraagster weigerde naar-boven te gaan. "Ze kon niet den heelen dag
trappen klimmen voor dat bedelvolk, zeide zy, ik moest maar zelf gaan
zien." En daar volgde weer een beschryving van de trappen en portalen,
die ik volstrekt niet noodig had, want ik herken altyd een plaats waar
ik eens geweest ben, omdat ik altyd zoo op alles acht geef. Dit heb ik
my aangewend in de zaken. Ik klom dus de trappen op, en klopte aan de
bekende deur, die terugweek. Ik trad binnen, en daar ik niemand in de
kamer vond, zag ik eens rond. Nu, veel te zien was er niet. Er hing een
half broekje met geborduurde strook over een stoel ... wat hoeven zulke
menschen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet zeer
zware reiskoffer, dien ik in gedachte aan het hengsel vatte, en op den
schoorsteenmantel lagen eenige boeken die ik eens inzag. Een wonderlyke
verzameling! Een paar deelen van _Byron, Horatius, Bastiat, Béranger_,
en ... raad eens? Een bybel, een kompleete bybel, met de apokriefe
boeken er in! Dàt had ik by Sjaalman niet verwacht. En er scheen in
gelezen te zyn ook, want ik vond veel aanteekeningen op losse stukken
papier, die betrekking hadden op de Schrift--hy zegt dat Eva tweemaal
ter-wereld kwam ... de man is gek!--nu, alles was van dezelfde hand als
de stukken in dat verwenschte pak. Vooral 't boek van Job scheen hy
yverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. Ik denk dat hy
de hand des Heeren begint te voelen, en daarom door lektuur in de
heilige boeken zich wil verzoenen met God. Ik heb er niets tegen. Maar,
zoo al wachtende, viel myn oog op een dames-werkdoosje, dat op tafel
stond. Zonder erg bezag ik dat. Er waren een paar half-afgewerkte
kinderkousjes in, en een tal van zotte verzen. Ook een brief aan
Sjaalmans vrouw, zooals uit het opschrift bleek. De brief was geopend,
en zag er uit alsof men hem in drift had saamgeknepen. Nu is myn vast
principe, nooit iets te lezen dat niet aan my gericht is, omdat ik dit
niet fatsoenlyk vind. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by
heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het myn plicht was, dien brief
eens intezien omdat de inhoud my misschien zou voorlichten omtrent de
menschlievende bedoeling die me tot Sjaalman voerde. Ik dacht er aan,
hoe toch de Heer altyd naby de Zynen is, daar Hy me hier onverwachts in
de gelegenheid stelde, iets meer van dien man te weten te komen, en me
dus behoedde voor 't gevaar een weldaad te bewyzen aan een onzedelyk
persoon. Ik let nauwkeurig op zulke vingerwyzingen van den Heer, en dit
heeft me dikwyls veel nut in de zaken gedaan. Tot myn groote
verwondering zag ik, dat die vrouw van Sjaalman van deftige familie was,
althans de brief was geteekend door een bloedverwant, wiens naam in
Nederland aanzienlyk is, en ik was inderdaad opgetogen over den schoonen
inhoud van dat schryven. Het scheen iemand te zyn, die yverig werkt voor
den Heer, want hy schreef "dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten
scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoed liet lyden, die zyn
brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hy
schulden had ... dat de schryver van den brief met haar toestand begaan
was, hoewel zy zich dat lot had op den hals gehaald door eigen schuld,
daar ze den Heer had verlaten, en Sjaalman aanhing ... dat ze tot den
Heer moest terugkeeren, en dat dan de heele familie misschien de handen
zou inéénslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze
scheiden van dien Sjaalman, die een ware schande was voor de familie."
Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in dien
brief stond.
Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zoo wonderbare wys was
gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't
slachtoffer geworden van myn goed hart. Ik besloot dus nogmaals om
Bastiaans maar te houden tot ik een geschikten vervanger vind, want ik
zet niet gaarne iemand op-straat, en we kunnen op 't oogenblik geen
bediende missen, omdat er zooveel by ons omgaat.
De lezer zal wel nieuwsgierig zyn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op den
laatsten krans, en of ik den triolet heb gevonden? Ik ben niet op den
krans geweest. Er zyn wonderlyke dingen voorgevallen: ik ben naar
Driebergen geweest, met myn vrouw en Marie. Myn schoonvader, de oude
Last, de zoon van den eersten Last--toen de Meyers er nog in waren, maar
die zyn er lang uit--had al zoo dikwyls gezegd, dat hy myn vrouw en
Marie eens wilde zien. Nu was 't vry goed weer, en myn vrees voor de
liefdegeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht my op-eens weer
die uitnoodiging in de gedachten. Ik sprak er over met onzen boekhouder,
die een man is van veel ondervinding, en me na ryp beraad in overweging
gaf, my op myn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben
snel in de uitvoering van myn besluiten. Den volgenden dag reeds zag ik
in, hoe wys die raad geweest was, want de nacht had my op het denkbeeld
gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uittestellen tot
vrydag. Kortom, na rypelyk alles te hebben overwogen--er was veel vóór,
maar ook veel tegen--zyn we gegaan, saturdag-middag, en maandag-morgen
teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zoo uitvoerig verhalen, als 't niet
in nauw verband stond met myn boek. Ten-eerste hecht ik er aan, dat ge
zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de zotternyen die Stern den
laatsten zondag zeker weer heeft uitgekraamd.--Wat is dat voor een
vertelling, van iemand die wat hooren zou als hy dood was? Marie sprak
er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in suiker doen.--Ten-tweede,
omdat ik nu op-nieuw de zekere overtuiging heb opgedaan, dat al die
vertellingen over ellende en onrust in den Oost, klinkklare leugens zyn.
Zoo ziet men, hoe 't reizen iemand in de gelegenheid stelt, de zaken goed
te doorgronden.
Saturdag-avend namelyk, had myn schoonvader een uitnoodiging aangenomen
by een heer die vroeger in den Oost resident was, en nu op een groot
buiten woont. Dáár zyn we geweest, en waarlyk, ik kan de lieve ontvangst
niet genoeg roemen. Hy had zyn rytuig gezonden om ons aftehalen, en de
koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de
buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in den zomer, maar in
't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was vol-op van alles
wat vermaak geeft: een billardzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte
yzeren glasgalery als broeikast, en de _kakatoea_ zat op een kruk van
zilver.[157] Ik had nooit zoo-iets gezien, en maakte terstond de
opmerking, hoe toch altyd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdeeg
op zyn zaken gepast, want hy had wel drie ridderorden. Hy bezat een
heerlyke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper
was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden roode vesten
aan, net als de koetsier.
Daar ik veel belang stel in indische zaken--om de koffi--bracht ik
dáárop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had.
Die resident heeft me gezegd, dat hy 't in den Oost altyd heel goed
heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen
over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op
Sjaalman. Hy kende hem, en wel van een zeer ongunstige zyde. Hy
verzekerde my, dat men zeer goed had gedaan dien man wegtejagen, want hy
was een zeer ontevreden persoon, die altyd op alles aanmerking maakte,
terwyl er bovendien veel viel aftekeuren in zyn eigen gedrag. Hy
schaakte namelyk telkens meisjes, en bracht die dan by zyn eigen vrouw,
en hy betaalde zyn schulden niet, wat toch zeer onfatsoenlyk is. Daar ik
nu uit den brief dien ik gelezen had, zoo juist wist hoe gegrond al die
beschuldigingen waren, deed het me groot genoegen, te zien dat ik de
zaken zoo goed beoordeeld had, en was ik zeer tevreden met myzelf. Ik
ben hiervoor dan ook bekend by myn pilaar ... dat ik altyd zoo juist
oordeel, meen ik.
Die resident en zyn vrouw waren lieve, gulle menschen. Ze verhaalden ons
veel van hun levenswys in den Oost. Het moet daar toch wel aangenaam
wezen. Zy zeiden dat hun buitenplaats by Driebergen niet half zoo groot
was als hun "erf", zooals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java,
en dat daartoe wel honderd menschen noodig waren tot onderhoud. Maar--en
dit is wel een bewys hoe bemind ze waren--dat deden die menschen geheel
om-niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zy, dat by hun
vertrek de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had
opgebracht, omdat de Inlandsche Hoofden zoo graag een aandenken koopen
van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan
Stern, die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hy dit uit
Sjaalmans pak bewyzen kon.[158] Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman
een lasteraar is, dat hy meisjes heeft geschaakt--even als die jonge
Duitscher by Busselinck & Waterman--en dat ik volstrekt geen waarde
hecht aan zyn oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord
hoe de zaken stonden, en dus van m'nheer Sjaalman niets te leeren had.
Er waren daar nog meer menschen uit den Oost, onder anderen een heer die
heel ryk was, en nog altyd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen
voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de Regeering van hem koopt
voor hoogen prys, om de werkzaamheid van die Javanen aantemoedigen. Ook
die heer was zeer boos op al de ontevreden menschen, die gedurig spreken
en schryven tegen de Regeering. Hy kon 't bestuur van de kolonien niet
genoeg roemen, want hy zei overtuigd te wezen dat er veel verloren werd
op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een ware edelmoedigheid
was, by voortduring een zoo hoogen prys te betalen voor een artikel dat
eigenlyk weinig waarde heeft, en dat hyzelf dan ook niet lustte, want hy
dronk altyd chinesche thee. Ook zeide hy dat de Gouverneur-generaal die
de zoogenaamde theekontrakten had verlengd, in weerwil van de berekening
dat er door 't Land zooveel verloren wordt op die zaken, zulk een bekwaam
braaf mensch was, en vooral zulk een trouw vriend voor wie hem vroeger
gekend hadden. Want die Gouverneur-generaal had zich volstrekt niet
gestoord aan de praatjes over 't verlies op de thee, en hem, toen er
spraak was van de intrekking dier kontrakten, ik geloof in 1846, een
grooten dienst gedaan door te bepalen dat men maar altyd zou voortgaan met
het koopen van zyn thee. "Ja, riep hy uit, het hart bloedt me als ik zulke
edele menschen hoor lasteren! Als hy er niet geweest was, liep ik nu
te-voet met vrouw en kinderen."[159] Toen liet hy zyn _barouchet_ voorkomen,
en die zag er zóó keurig uit, en de paarden staken zóó goed in 't vleesch,
dat ik best begrypen kan, hoe men gloeit van dankbaarheid voor zulk een
Gouverneur-generaal. Het doet inde ziel goed, het oog te vestigen op zoo
liefelyke aandoeningen, vooral wanneer men die vergelykt met dat verwenschte
morren en klagen van wezens als zoo'n Sjaalman.
Den volgenden dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die
heer voor wien de Javanen thee maken. 't Zyn beste menschen, en toch
deftig van belang! Beiden tegelyk vroegen zy met welken trein we dachten
aantekomen te Amsterdam? Wy begrepen niet wat dit beteekenen moest, maar
later werd het ons duidelyk, want toen we maandagmorgen daar aankwamen,
waren er aan de station twee bedienden, één met een rood vest, en één
met een geel vest, die tegelyk ons zeiden met den telegraaf last te
hebben bekomen, ons aftehalen met rytuig. Myn vrouw was konfuus, en ik
dacht er aan, wat Busselinck en Waterman zouden gezegd hebben, als ze
dat gezien hadden ... dat er twee rytuigen tegelyk voor ons waren, meen
ik. Maar 't was niet gemakkelyk een keus te doen, want ik kon niet
besluiten een der partyen te krenken, door 't afwyzen van een zoo lieve
attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb my uit die hoogstmoeielyke
omstandigheid alweer gered. Ik heb myn vrouw en Marie in 't roode rytuig
gezet--in den wagen van 't rooie vest, meen ik--en ik ben in 't gele
gaan zitten ... in 't gele rytuig, meen ik.
Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altyd zoo vuil is,
vloog de modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel
sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met
gebukt hoofd, en ik zag hoe hy met de mouw van zyn kaal jasje, zyn bleek
gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit
geweest, en myn vrouw vond het ook.