--'t Is wèl, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.
Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met
byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond
hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.
--Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max
naar _Batavia_ ging: ik klaag heden den Regent aan.
En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep
snikkende:
--Neen Max, neen Max, dat doe ik niet ... dat doe ik _niet! Wy eten en
drinken tezamen!_
Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op
neussnuiten als de vrouwen te Arles?
Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef.
Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk
geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate
plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de
zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen
tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby
zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de
pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken
door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen
beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen
opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd
zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de
gelegenheid niet gelaten.[152]
In de afschriften van officieele stukken--afschriften die overigens
letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke--geloof ik de dwaze
titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den
goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering
genoegen nemen.
"N° 88. _Geheim. Spoed_. _Rangkas-Betoeng_, 24 Februari 1856.
_Aan den Resident van Bantam_.
Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my
hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de
Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de
bevolking op het stuk van _heerediensten, poendoetan_ en dergelyke.[153]
Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten
zynen-behoeve, menschen liet opkomen, vèr boven het hem wettig
toekomend aantal _pantjens_ en _kemits_.[154]
Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren,
en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien
Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het
tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en
te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond
al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte
voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en
in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte
van twee verwanten, de Regenten van _Bandoeng_ en van _Tjanjor_,
althans van den laatsten--die, naar ik meen, reeds met groot gevolg
op weg is--en hy dus meer dan anders in de verzoeking was--en met het
oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de
_noodzakelijkheid_--om door onwettige middelen te voorzien in de
noodige toebereidselen voor dat bezoek.
Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was,
doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.
Ik drong aan op dadelyke staking van elke onwettigheid.
Van die voorloopige proeve om den Regent door zachtheid tot zyn
plicht te brengen, heb ik u onder'shands doen kennis dragen.[155]
My is echter gebleken dat hy met brutale onbeschaamdheid alles in den
wind slaat, en ik gevoel my krachtens myn ambtseed verplicht u
meetedeelen:
_dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara,
BESCHULDIG _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over
den arbeid zyner onderhoorigen, en_ VERDENK _van knevelary, door_ het
vorderen van _opbrengsten in_ naturâ, _zonder, of tegen willekeurig
vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik_ voorts _den Dhemang,
van_ Parang-Koedjang _zyn schoonzoon--verdenk van medeplichtigheid
aan de genoemde feiten._
Om beide zaken behoorlyk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u
voortestellen, my te gelasten:
1° _den Regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_
Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hy noch voor zyn vertrek,
noch gedurende de reize in de gelegenheid zy, door omkooping of op
andere wyze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten
inwinnen;_
2° _den Dhemang van_ Parang-Koedjang _voorloopig, in arrest te
nemen;_
3° _gelyken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen
rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen
worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen
onderzoek;_
4° _dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag
te dienen van omstandig bericht._
Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des
Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren.
Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling
Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven dat
uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer
zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou
beducht zyn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben
geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide,
_poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.[156]
Ik heb de kracht tot den moeielyken plicht dien ik door het schryven
van dezen brief volbreng, gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my
vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter
verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door
eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.
_De Adsistent-resident van Lebak_