ACHTSTE HOOFDSTUK

Havelaar had den kontroleur verzocht, de hoofden die te _Rangkas-Betoeng_,

aanwezig waren, uittenoodigen daar tot den volgenden dag te vertoeven om

de _Sebah_[52] bytewonen, die hy beleggen wilde. Zulk een vergadering had

gewoonlyk eens in de maand plaats, doch hetzyd-i aan sommige Hoofden die

wat ver van de hoofdplaats woonden--want de Afdeeling _Lebak_ is zeer

uitgestrekt--het onnoodig heen-en weerreizen wilde besparen, hetzyd-i

wenschte, terstond en zonder den vastgestelden dag aftewachten, hen op

plechtige wyze toetespreken, hy had den eersten _Sebah_-dag op den

volgenden morgen bepaald.

Links voor zyn woning, doch op 'tzelfde "erf" en tegenover 't huis dat

mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelyk de bureaux

der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde,

en gedeeltelyk bestond in een vry ruime open galery, die een zeer goede

gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook den

volgenden morgen de Hoofden vroegtydig vereenigd. Havelaar trad binnen,

groette, en nam plaats. Hy ontving de geschreven maandelyksche berichten

over landbouw, veestapel, politie, en justitie, en legde die tot nader

onderzoek ter-zyde.

Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op den

vorigen dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar

zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem by

zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voortestellen hoe

hy, by toespraken als deze, zich opwond en door zyn eigenaardige wyze

van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich

dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van 't

vleiend zachte in 't vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn

lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen dat toch hèm

niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond

als om te vragen: "myn God, wie zyt ge?"

Het is waar dat hyzelf, die by zulke gelegenheid sprak als een apostel,

als een ziener, later niet juist wist hoe hy gesproken had, en zyn

welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te

treffen, dan door bondigheid van redeneering te overtuigen. Hy zou den

krygslust der Atheners, zoodra tot den oorlog tegen Philippus besloten

was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed

waarschynlyk zou hy geslaagd zyn, als zyn taak geweest ware hen door

redeneering tot dien oorlog te bewegen. Zyn aanspraak tot de _Lebaksche_

hoofden was natuurlyk in 't maleisch, en ontleende hieraan een

eigenaardigheid temeer, daar de eenvoudigheid der oostersche talen aan

veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in ònze idiomen door

litterarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwyl aan den anderen

kant het zoetvloeiende van 't maleisch moeielyk in eenige andere taal is

weertegeven. Men bedenke bovendien, dat het meerendeel zyner hoorders

uit eenvoudige, doch geenszins domme menschen bestond, en tevens dat het

Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze.

Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben:

Mynheer de _Radhen Adhipatti_, Regent van _Bantan-Kidoel_, en gy,

_Radhens Dhemang_ die Hoofden zyt der distrikten in deze Afdeeling,

en gy, _Radhen Djaksa_ die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gy,

_Radhen Kliwon_ die gezag voert op de hoofdplaats, en gy _Radhens_,

_Mantries_, en allen die Hoofden zyt in de afdeeling _Bantan-Kidoel_,

ik groet u![53]

En ik zeg u dat ik vreugde voel in myn hart, nu ik hier u allen

vergaderd zie, luisterende naar de woorden van myn mond.

Ik weet dat er onder u lieden zyn, die uitsteken in kennis en in

braafheid van hart: ik hoop myn kennis door de uwe te vermeerderen,

want zy is niet zoo groot als ik wenschte. En ik heb wel de braafheid

lief, maar dikwyls bespeur ik dat er in myn gemoed fouten zyn, die de

braafheid overschaduwen en daaraan den groei benemen ... gy allen

weet hoe de groote boom den kleinen verdringt en doodt. Daarom zal ik

letten op degenen onder u, die uitstekend zyn in deugd, om te

trachten beter te worden dan ik ben.

Ik groet u allen zeer.

Toen de Gouverneur-generaal my gelastte tot u te gaan om

adsistent-resident te zyn in deze afdeeling, was myn hart verheugd.

Het kan u bekend zyn dat ik nooit _Bantan-Kidoel_ had betreden. Ik

liet my dus geschriften geven, die over uwe afdeeling handelen, en

heb gezien dat er veel goeds is in _Bantan-Kidoel_. Uw volk bezit

rystvelden in de dalen, en er zyn rystvelden op de bergen. En ge

wenscht in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de

landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel

goeds is in _Bantan-Kidoel_!

Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd. Want ook in andere

streken zou ik veel goeds gevonden hebben.

Doch ik ontwaarde dat uwe bevolking arm is, en hierover was ik blyde

in het binnenste myner ziel.

Want ik weet dat Allah den arme liefheeft, en dat Hy rykdom geeft aan

wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hy wie zyn woord

spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende.

Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den

bloemkelk die dorst heeft?

En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te

zoeken, die achterbleven na den arbeid en neerzonken langs den weg,

daar hun knieën niet sterk meer waren om optegaan naar de plaats van

het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie

in de groeve viel, en een staf te geven aan wien de bergen beklimt?

Zou niet myn hart opspringen als het ziet gekozen te zyn onder velen,

om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween?

Ja, ik ben zeer blyde geroepen te zyn in _Bantan-Kidoel_!

Ik heb gezegd tot de vrouw die myne zorgen deelt en myn geluk grooter

maakt: "verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van

ons kind! Hy heeft my gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is

afgeloopen, en Hy keurde my waardig daar te zyn vóór den tyd van den

oogst. Want niet in het snyden der _padie_ is de vreugde: de vreugde

is in het snyden der _padie_ die men geplant heeft. En de ziel des

menschen groeit niet van het loon, maar van den arbeid die het loon

verdient. En ik zeide tot haar: Allah heeft ons een kind gegeven, dat

eenmaal zeggen zal: "weet ge dat ik zyn zoon ben?" En dan zullen er

wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen

leggen op zyn hoofd, en zeggen zullen: "zet u neder aan ons maal, en

bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wy hebben, want ik heb uwen

vader gekend."

Hoofden van _Lebak_, er is veel te arbeiden in uwe landstreek!

Zegt my, is niet de landman arm? Rypt niet uw _padie_ dikwerf ter

voeding van wie niet geplant hebben? Zyn er niet vele verkeerdheden

in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering?

Is er niet schaamte in uwe zielen, als de bewoner van _Bandoeng_[54]

dat daar ten-oosten ligt, uwe streken bezoekt, en vraagt: "waar zyn

de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik den _gamlang_

niet, die blydschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der

_padie_ uwer dochters?"

Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de

bergen te zien die geen water dragen op hunne zyden, of de vlakten

waar nooit een buffel den ploeg trok?

Ja, ja, ik zeg u dat uw en myn ziel daarover bedroefd is! En daarom

juist zyn wy Allah dankbaar dat hy ons macht heeft gegeven om hier

te arbeiden.

Want wy hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners

weinig zyn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der

bergen zuigen de wolken des hemels ter aarde. En niet overal zyn

rotsen die plaats weigeren aan den wortel, want op veel plaatsen is

de grond week en vruchtbaar, en roept om de graankorrel die hy ons

wil weergeven in gebogen halm. En er is geen oorlog in het land die

de _padie_ vertreedt als ze nog groen is, noch ziekte die den

_patjol_ nutteloos maakt.[55] Noch zyn er zonnestralen, heeter dan

noodig is om het graan te doen rypen dat u en uw kinderen voeden

moet, noch _banjirs_ die u doen jammeren: "wys my de plaats waar ik

gezaaid heb!"[56]

Waar Allah waterstroomen zendt, die de akkers wegnemen ... waar Hy

den grond hard maakt als dorre steen ... waar Hy Zyn zon doet gloeien

ter verschroejing ... waar Hy oorlog zendt, die de velden omkeert ...

waar Hy slaat met ziekten die de handen slap maken, of met droogte

die de aren doodt ... daar, Hoofden van _Lebak_, buigen wy deemoedig

het hoofd, en zeggen: "Hy wil het zoo!"

Maar niet aldus in _Bantan-Kidoel_!

Ik ben hier gezonden om uw vriend te zyn, uw ouder broeder. Zoudt gy

uw jongeren broeder niet waarschuwen als ge een tyger zaagt op

zyn weg?

Hoofden van _Lebak_, we hebben dikwyls misslagen begaan, en ons land

is arm omdat we zooveel misslagen begingen.

Want in _Tjikandi_ en _Bolang_, en in het _Krawangsche_, en in de

ommelanden van _Batavia_, zyn velen die geboren zyn in ons land, en

die ons land verlaten hebben.[57]

Waarom zoeken zy arbeid, ver van de plaats waar ze hun ouders

begroeven? Waarom vlieden zy de _dessah_[58] waar zy de besnydenis

ontvingen? Waarom verkiezen zy de koelte van den boom die dáár

groeit, boven de schaduw onzer bosschen?

En ginds in 't noordwesten over de zee, zyn velen die ònze kinderen

moesten zyn, maar die _Lebak_ hebben verlaten om rondtedolen in

vreemde streken met _kris_ en _klewang_, en schietgeweer. En ze komen

ellendig om, want er is macht van de Regeering daar, die de

opstandelingen verslaat.[59]

Ik vraag u, Hoofden van _Bantan-Kidoel_, waarom zyn er zoovelen die

weggingen, om niet begraven te worden waar ze geboren zyn? Waarom

vraagt de boom, waar de man is dien hy als kind zag spelen aan zyn

voet?

* * * * *

Havelaar hield hier een oogenblik op. Om eenigszins den indruk te

begrypen dien zyn taal maakte, had men hem moeten hooren en zien. Toen

hy sprak van zyn kind, was er in zyn stem iets zachts, iets

onbeschryfelyk roerends, dat uitlokte tot de vraag: "waar is de kleine?

Reeds nu wil ik 't kind kussen, dat zyn vader zoo spreken doet!" Maar

toen hy kort daarna, schynbaar met weinig geleidelykheid, overging tot

de vragen waarom _Lebak_ arm was, en waarom er zooveel bewoners van die

streken verhuisden naar elders, klonk er in zyn toon iets dat denken

deed aan 't geluid dat een boor maakt, als ze met kracht wordt

geschroefd in hard hout. Toch sprak hy niet luid, noch drukte hy

byzonder op enkele woorden, en zelfs was er iets eentonigs in zyn stem,

maar hetzy studie of natuur, juist deze eentonigheid maakte den indruk

zyner woorden sterker op gemoederen die zoo byzonder ontvankelyk waren

voor zulke taal.

Zyn beelden, die altyd genomen waren uit het leven dat hem omringde,

waren voor hem werkelyk hulpmiddelen tot begrypelyk maken van wat hy

bedoelde, en niet, zooals vaak geschiedt, lastige aanhangsels die de

zinsneden der redenaars bezwaren, zonder eenige duidelykheid toetevoegen

aan 't begrip der zaak die men voorgeeft toetelichten. We zyn thans

gewoon aan de ongerymdheid van de uitdrukking: "sterk als een leeuw"

maar wie in Europa dit beeld het eerst gebruikte, toonde dat hy zyn

vergelyking niet had geput uit de zielepoëzie die beelden geeft voor

redeneering en niet anders spreken _kan_, doch zyn aanvullende

gemeenplaats eenvoudig had afgeschreven uit een of ander boek--uit

den bybel misschien--waarin een _leeuw_ voorkwam. Want niemand zyner

hoorders had ooit de sterkte des leeuws ondervonden, en 't ware dus

veeleer noodig geweest hun die sterkte te doen beseffen door vergelyking

van den leeuw met iets waarvan de kracht hun by ervaring bekend was, dan

omgekeerd.

Men erkenne dat Havelaar werkelyk dichter was. Ieder gevoelt dat hy,

sprekende van de rystvelden die er waren op de bergen, de oogen daarheen

richtte door de open zyde der zaal, en dat hy die velden inderdaad zag.

Men beseft, als hy den boom liet vragen waar de man was die als kind aan

zyn voet gespeeld had, dat die boom daar stond en voor de verbeelding

van Havelaars toehoorders in werkelykheid vragend rondstaarde naar de

heengegane bewoners van _Lebak_. Ook verzon hy niets: hy hoorde den boom

spreken, en meende slechts natezeggen wat hy in zyn dichterlyke

opvatting zoo duidelyk verstaan had.

Wanneer misschien iemand de opmerking maken mocht, dat het oorspronkelyke

in Havelaars wyze van spreken niet zoo onbetwistbaar is, daar zyn taal

denken doet aan den styl der profeten van 't Oude-Testament, moet ik

herinneren reeds gezegd te hebben dat hy in oogenblikken van vervoering

werkelyk iets had van een ziener. Gevoed door de indrukken die 't leven in

wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de poëzie-ademende

atmosfeer van het oosten, en alzoo scheppende uit gelyksoortige bron als

de Vermaners der Oudheid waarmee men soms zich genoopt voelde hem te

vergelyken, gissen wy dat hy niet ànders zou gesproken hebben, ook wanneer

hy nooit de heerlyke dichtstukken van het Oude-Testament gelezen had.

Vinden we niet reeds in de verzen die van zyn jeugd dagteekenen, regels

als deze, die geschreven waren op den _Salak_--een der reuzen, maar niet

de grootste, onder de bergen van de _Preanger Regentschappen_--waarin

alweder de aanhef de zachtheid zyner aandoeningen teekent, om op-eens

overtegaan in 't naspreken van den donder dien hy onder zich hoort:

't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven...

't Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij...

Veel meer dan ginds rijst hier het hart naar boven:

Men is zijn God op bergen meer nabij!

Hier schiep Hijzelf altaar en tempelkoren,

Nog door geen tred van 's menschen voet ontwijd,

Hier doet Hij zich in 't raat'lend onweer hooren...

En rollend roept Zijn donder: Majesteit!(*)

(*)Frits zegt: _ijd_ en _eit_ rijmt niet, althans niet in Friesland

en Zeeland. Die Sjaalman schijnt dan niet eens verzen te maken,

die deugen. 't Is waar, 't was in zijn jeugd.

B. Droogstoppel[60]

... en gevoelt men niet, dat hy de laatste regels niet zóó had kunnen

schryven, als hy niet werkelyk had meenen te hooren en te verstaan hoe

Gods donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van

't gebergte toeriep?

Maar hy hield niet van verzen. "Het was een leelyk ryglyf" zeide hy,

en als hy er toe gebracht werd iets te lezen van wat hy "begaan" had,

zooals hy zich uitdrukte, schiep hy er vermaak in, zyn eigen werk te

bederven, òf door 't voortedragen op een toon die 't belachelyk maken

moest, òf door op-eenmaal, vooral by een hoogst-ernstigen passus,

aftebreken, en er een kwinkslag tusschen te werpen, die de toehoorders

pynlyk aandeed, maar die by hem niets anders was dan een bloedige satire

op de onevenredigheid tusschen dat keurslyf en zyn ziel die zich daarin

zoo benauwd voelde.

Er waren onder de Hoofden slechts weinigen die van de rondgediende

ververschingen iets gebruikten. Havelaar had namelyk met een wenk

gelast, de by zoodanige gelegenheid onvermydelyke thee met

_maniessan_[61] rondtedienen. Het scheen dat hy met voordacht na de

laatste zinsnede zyner toespraak een rustpunt wilde laten. En hier was

reden toe. "Hoe, moesten de Hoofden denken, hy weet reeds dat er

zoovelen onze Afdeeling verlieten, met bitterheid in 't hart? Reeds is

hem bekend hoeveel huisgezinnen naar naburige landstreken verhuisden,

om de armoede te ontwyken die hier heerscht? En zelfs weet hy dat er

zooveel _Bantammers_ zyn onder de benden die in de _Lampongs_ de vaan

des opstands hebben ontrold tegen 't nederlandsch gezag? Wat wil hy?

Wat bedoelt hy? Wien gelden zyne vragen?

En er waren er die _Radhen Wiera Koesoema_, het distriktshoofd van

_Parang-Koedjang_ aanzagen.[62] Maar de meesten sloegen de oogen

ter-aarde.

"Kom eens hier, Max!" riep Havelaar, die zyn kind gewaar werd, spelende

op het erf, en de Regent nam den kleine op den schoot. Maar deze was te

wild om daar lang te blyven. Hy sprong weg, en liep den grooten kring

rond, en vermaakte de Hoofden door zyn gekeuvel, en speelde met de

gevesten van hun krissen. Toen hy by den _Djaksa_ kwam, die de aandacht

van 't kind trok omdat hy sierlyker dan de anderen gekleed was[63]

scheen deze iets op 't hoofd van kleinen Max te wyzen aan den _Kliwon_

die naast hem zat en een gefluisterde opmerking daarover scheen te beamen.

--Ga nu heen, Max, zei Havelaar, papa heeft iets aan die heeren te

zeggen.

De kleine liep weg nadat hy met kushandjes gegroet had.

Hierop ging Havelaar aldus voort:

--Hoofden van _Lebak_! Wy allen staan in dienst des Konings van

Nederland. Maar Hy, die rechtvaardig is, en wil dat wy onzen plicht

doen, is vèr van hier. Dertig-maal duizend-maal duizend zielen, ja,

meer dan zooveel, zyn gehouden zyn bevelen te gehoorzamen, maar hy

kan niet wezen naby allen die afhangen van zynen wil.

De Groote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zyn

plicht doe. Maar ook deze, machtig als hy is, en gebiedende over al

wat gezag heeft in de steden en over allen die in de dorpen de

oudsten zyn, en beschikkende over de macht des legers en over de

schepen die op zee varen[64] ook hy kan niet zien waar onrecht

gepleegd is, want het onrecht blyft verre van hem.

En de resident te _Serang_, die heer is over de landstreek _Bantam_,

waar vyf-maal-honderd-duizend menschen wonen, wil dat er recht

geschiede in zyn gebied, en dat er rechtvaardigheid heersche in de

landschappen die hem gehoorzamen. Doch waar onrecht is, woont hy

verre. En wie boosheid doet, verschuilt zich voor zyn aangezicht

omdat hy straffe vreest.

En de heer _Adhipatti_, die Regent is van _Zuid-Bantam_, wil dat

ieder leve die het goede betracht, en dat er geen schande zy over de

landstreek die zyn regentschap is.

En ik, die gisteren den Almachtigen God tot getuige nam dat ik

rechtvaardig zou zyn en goedertieren, dat ik recht zou doen zonder

vrees en zonder haat, dat ik zal zyn: "een goed adsistent-resident"

... ook ik wensch te doen wat myn plicht is.

Hoofden van _Lebak_! Dit wenschen wy allen!

Maar als er soms onder ons mochten zyn, die hun plicht verwaarloozen

voor gewin, die het recht verkoopen voor geld, of die den buffel van

den arme nemen, en de vruchten die behooren aan wie honger hebben ...

wie zal ze straffen?

Als een van u het wist, hy zou 't beletten. En de Regent zou niet

dulden dat zoo-iets geschiedde in zyn regentschap. En ook ik zal het

tegengaan waar ik kan. Maar als noch gy noch de _Adhipatti_ noch ik

het wisten ...

Hoofden van _Lebak_! Wie toch zal dan recht doen in _Bantan-Kidoel_?

Hoort naar my, als ik u zeggen zal hoe er dan recht zal gedaan

worden.

Er komt een tyd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen by het

gereedmaken van ons doodkleed, en de voorbyganger zal zeggen: "daar

is een mensch gestorven." Dan zal wie aankomt in de dorpen, tyding

brengen van den dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt

zal vragen: "wie was de man die gestorven is?" En men zal zeggen:

"Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht en verstootte den klager

niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf

weder wat ontnomen was. En wie den ploeg niet dryven kon door den

grond omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hy zoeken naar

den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder,

zocht hy den dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid

had onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie

den boom geplant hadden. Hy kleedde zich niet met het kleed dat

anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat den arme

behoorde."

Dan zal men zeggen in de dorpen--"Allah is groot, Allah heeft hem tot

zich genomen. Zyn wil geschiedde ... er is een goed mensch gestorven."

Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en vragen,

"wat is dit, dat de _gamlang_ zwygt, en het gezang der meisjes?" En

wederom zal men zeggen: er is een man gestorven."

En wie rondreist in de dorpen, zal 's avends zitten by zyn gastheer,

en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van

wie het dorp bewonen, en hy zal zeggen:

"Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht

het recht aan wie hem geld gaf. Hy mestte zyn akker met het zweet van

den arbeider dien hy had afgeroepen van den akker des arbeids. Hy

onthield den werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van den

arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel

gouds en zilvers en edele steenen in menigte, doch de landbouwer die

in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zyn

kind. Hy glimlachte als een gelukkig mensch, maar men hoorde gekners

tusschen de tanden van den klager die recht zocht. Er was

tevredenheid op zyn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders

die zoogden."

Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: "Allah is groot ... wy

vloeken niemand!"

Hoofden van _Lebak_, eens sterven wy allen!

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wàt

door de voorbygangers die de begrafenis aanschouwen?

En wat zullen wy antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt

tot onze ziel, en vraagt: "waarom is er geween in de velden, en

waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam den oogst uit de

schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat

hebt gy gedaan met den broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de

arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?"

Hier hield Havelaar weder op, en na eenig zwygen ging hy op de

eenvoudigsten toon van de wereld, en als had er volstrekt niets dat

indruk maken moest, voort:

--Ik wenschte gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en

daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald

mocht hebben kan op een zacht oordeel van myn kant staat-maken, want

daar ik zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn ... niet

althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar

nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over

misslagen van groveren aard ... over knevelary en onderdrukking,

spreek ik niet. Zoo-iets zal niet voorkomen niet waar, m'nheer de

_Adhipatti_?

--O neen, mynheer de adsistent-resident, zoo-iets zal niet voorkomen

in _Lebak_.

--Welnu dan, myne heeren Hoofden van _Bantan-Kidoel_, laat ons

verheugd zyn dat onze Afdeeling zoo verachterd en zoo arm is. Wy

hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen

wy zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg,

en de bevolking gewillig. Als ieder in 't genot wordt gelaten van de

vruchten zyner inspanning, lydt het geen twyfel dat binnen weinig

tyds de bevolking zal toenemen, zoo in zielental als in bezittingen

en beschaving, want dit gaat veelal hand-aan-hand. Ik verzoek u

nogmaals my te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hy

kan, vooral waar onrecht moet worden te-keer gegaan. En hiermede

beveel ik my zeer aan in uwe medewerking.

Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en

justitie met myn beschikkingen doen teruggeworden.

Hoofden van _Bantan-Kidoel_! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeeren,

ieder naar zyne woning. Ik groet u allen zeer![65]

Hy boog, bood den ouden Regent den arm, en geleidde hem over het erf

naar 't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalery.

--Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom ... een glas Madera? En ...

ja, dit moet ik weten, _Radhen Djaksa_, hoor eens!

Havelaar riep dit, toen alle Hoofden na veel buigingen zich gereed

maakten naar hun woningen terug te keeren. Ook Verbrugge stond op 't

punt het erf te verlaten, doch keerde met den _Djaksa_ terug.

--Tine, ik wil madera drinken, Verbrugge ook. _Djaksa_, laat hooren, wat

hebt ge toch aan den _Kliwon_ over myn kleinen jongen gezegd?

--_Mintah ampong_[66] mynheer de adsistent-resident, ik bezag zyn hoofd

omdat mynheer gesproken had.

--Wat drommel heeft zyn hoofd daarmee te maken. Ik weet zelf al niet

meer wat ik gezegd heb.

--Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ ...

Tine schoof by: er werd over kleinen Max gesproken.

--Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ dat de _Sienjo_[67] een koningskind

was.

Dàt deed Tine goed: zy vond het ook!

De _Adhipatti_ bezag 't hoofd van den kleine, en inderdaad, ook hy zag

op de kruin den dubbelen haarwervel die, naar 't bygeloof op Java,

bestemd is een kroon te dragen.

Daar de etikette niet toeliet den _Djaksa_ een plaats aantebieden in

tegenwoordigheid van den Regent, nam hy afscheid, en men was eenigen tyd

by-een zonder iets aanteroeren dat betrekking had op den "dienst." Maar

op-eenmaal--en dus in stryd met den zoo uitermate hoffelyken volksaard

--vroeg de Regent of zekere gelden die de belasting-kollekteur te-goed

had, niet konden worden uitbetaald?

--Wel neen, riep Verbrugge, mynheer de _Adhipatti_ weet dat dit niet

geschieden mag voor zyn verantwoording afgeloopen is.

Havelaar speelde met Max. Maar er bleek dat dit hem niet belette op 't

gelaat van den Regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem

niet aanstond.

--Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen, zeide hy. En hy liet een

klerk van 't kantoor roepen. We zullen dat maar uitbetalen ... die

verantwoording zal wel goedgekeurd worden.

Nadat de Adhipatti vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de

staatsbladen:

--Maar, m'nheer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van den

kollekteur is nog altyd te _Serang_ in onderzoek ... als nu eens daaraan

iets ontbreekt?

--Dan leg ik 't er by, zei Havelaar.

Verbrugge begreep maar niet waaruit deze groote inschikkelykheid voor

den belasting-kollekteur geboren werd. De klerk kwam weldra met eenig

geschryf terug. Havelaar teekende, en zei dat men spoed moest maken met

die uitbetaling.

--Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De Regent heeft geen

duit in huis: zyn schryver heeft het my gezegd, en bovendien ... dat

brusque vragen! De zaak is duidelyk. _Hyzelf_ heeft dat geld noodig, en

de kollekteur wil 't hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen

verantwoordelykheid een vorm, dan dat ik een man van zyn rang en jaren

in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in _Lebak_

gruwelyk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't?

Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy · 第 25 / 80 题