"Master Smithson! ik waarschuw u; als gij u ongepast uitlaat over de

freule Mordaunt zal ik u dwingen denzelfden weg terug te nemen dien

gij gekomen zijt!"

"Oh! la! la! mijnheer N. N.; wij zouden dan toch eerst moeten zien

wie van ons de sterkste is, en ik ben nogal een goed bokser; maar

het zal zoover niet komen; ik ben wel de laatste om iets te zeggen

of zelfs maar te denken, dat Francis Mordaunt beleedigen kan; maar

dit zult gij mij toch toestemmen, gij die haar ook schijnt te kennen,

dat zij de laatste is om uit zotte preutschheid terug te blijven als

er kwestie is om iemand te helpen."

"Dat stem ik toe, maar zoo gij hare hulp noodig hebt, kunt gij mij

dan niet zeggen wat gij van haar verlangt?"

"Dat zou te omslachtig zijn! Enfin! zoo gij mijne boodschap niet

verkiest te doen, zal ik Frits den huisknecht moeten opzoeken,

die er vast nog wel is; maar de oude zal zich niet goed weten te

houden en een verwenscht misbaar maken; dat mij terstond zou verraden

aan.... den kolonel."

"Gij meent den generaal."

"Generaal! zoo, en denkelijk gepensioneerd? Ik ben eenige jaren

buitenslands geweest...."

"Nu dan! ik zal de freule Mordaunt opzoeken en haar vragen waar zij

master Smithson een onderhoud wil toestaan...."

"Goed! maar zeg dan liever niet, master Smithson, want onder dien

naam kent zij mij toch niet."

"Zeg mij dan kort en goed dien uwer namen, waaronder zij u wèl kent."

"Vraag haar of zij iemand van hare familie die zich Rudolf noemt een

oogenblik wil te woord staan."

"Ik zal dat verzoek overbrengen, mits gij mij belooft er in te berusten

als zij het afslaat."

"Hm! gij maakt zooveel omstandigheden; men zou haast zeggen dat

gij zoo iets waart als.... haar verloofde of.... haar pretendent,

als het niet al te onwaarschijnlijk ware."

"Waarom zou dat zoo onwaarschijnlijk zijn?" vroeg ik gespannen, want

ik was altijd bezield door zekere onrust dat er in het verleden van

Francis eenige geheimzinnige hindernis school, die mijn geluk in den

weg stond; en het viel mij in, dat deze man daar iets van weten kon.

"Wel ik heb altijd gehoord, dat Francis Mordaunt meer roeping had om

een bataillon te commandeeren, dan om haar fieren nek te krommen onder

't huwelijksjuk,"

"Was het anders niet!" dacht ik, en hernam:

"Moet zij zich dan onveranderlijk gelijk blijven?"

"Wat dat betreft, het: _souvent femme varie_ is de regel; zij zou

eene exceptie kunnen zijn. Maar _after all_ is zij eene vrouw.... Dus

zijt _gij_ de gelukkige?" hervatte hij op eens in veranderden toon, en

mij aanziende met een spotachtigen glimlach, terwijl zijne ondeugende

oogen van schalkheid tintelden.

"Ik zou het werkelijk tot een groot geluk rekenen, zoo freule Mordaunt

om mijnentwille zulke inconsequentie kon begaan," viel ik in, op

een toon van strakken ernst, die zijn spotlust eenigszins matigde;

"maar.... tot hiertoe ben ik voor haar niets dan een neef. Ik ben

Leopold van Zonshoven, geparenteerd aan haar grootvader."

"Nu, op mijn woord! gij zijt een paladijn, die met ijver over de eer

der familie waakt. Zoo zijn wij denkelijk neven, want ik.... ben ook

geparenteerd aan haar grootvader," eindigde hij na eenig aarzeling;

"en nu gij dit weet, zult gij zeker niet langer twijfelen of Francis

zal mij willen te woord staan; misschien kan het geen kwaad als gij

haar vooruit verzekert, dat ik geen geld noodig heb. Integendeel,

ik kom wat brengen.... zie maar!" en hij haalde eene portefeuille

te voorschijn, die hij openmaakte om een aantal fijne, groenachtig

gekleurde papiertjes te laten zien. "Vertel haar dat, het zal haar

zeker eenigszins geruststellen, en u denkelijk ook, die mij nog altijd

zoo wat half en half voor een _highwayman_ aanziet."

"Ik zie u aan voor een zonderling, die er pleizier in vindt de lieden

te mystificeeren."

"Als Francis hier komt, zult gij wel hooren wat er van is."

Ik kon niet langer weifelen; maar toen ik hem verliet nam ik de

voorzorg mijne kamer van buiten af te sluiten, uit vrees dat hij mij

volgen en Francis overvallen zou eer zij gewaarschuwd was. Ik wist,

dat haar appartement gelegen was in den tegenovergestelden vleugel

van 't kasteel, den eenige die nog in redelijken bewoonbaren staat

was, waar ook de generaal en Rolf hunne kamers hadden. Ik vermoedde

dat ik haar vinden zoude in haar boudoir, waarvan zij mij eens had

verteld, doch waar ik mij nog niet verstout had den voet te zetten. Ik

waagde het er op, tikte en noemde mijn naam. Ik werd verrast door een

opgeruimd: "Kom maar binnen, Leo!" Zij had er mogelijk op gerekend,

dat ik haar voor hare attentie zou komen bedanken. Hoe jammer dat ik

nu tot haar kwam met eene onaangename tijding, die mij de gelegenheid

benam om voor mij zelven te spreken.

"Het spijt mij dat ik u stoor," begon ik, ziende dat zij een cahier

ter zijde schoof.

"Volstrekt niet; ik bladerde maar zoo wat in een oud dagboek, waarin

ik sinds lang niets had op te teekenen. Hier op de Werve valt zoo

zelden iets bijzonders voor."

"Nu toch valt er iets voor, Francis, dat al heel ongewoon is," bracht

ik uit op een toon die mijne bezorgdheid verried.

"Wat dan? Gij ziet er ontdaan uit Leo!" riep zij, naar mij

toekomende. "Er is toch geen ongeluk gebeurd?"

"Neen; hoewel het bezoek dat er voor u gekomen is u mogelijk niet

heel welkom zal zijn."

"Een bezoek op dit uur? Wie kan er zijn?"

"Iemand, die zegt familie van u te wezen en die geen anderen naam

opgeven wil dan dien van Rudolf."

Zij werd bleek en fronste het voorhoofd.

"Mijn hemel! hoe komt die ongeluksvogel nu hier?"

Ik deelde haar mede, op welke zonderlinge wijze die man was

binnengedrongen.

"Ja, dat's er wel een van hem," sprak ze, eer wrevelig dan

getroffen. "En gij zegt dat hij mij spreken wil?"

"Maar als gij 't verlangt, zal ik hem den weg uitzenden dien hij

gekomen is."

"Neen, neen ! dat moet niet zijn; geen geweld, geene opschudding. Wij

moeten zien hem weg te krijgen zonder dat de generaal er iets van

merkt, dat is het voornaamste. Ik ga met u mee, Leo! Gij moet ditmaal

maar eens niet naar de vormen zien; ik heb u gewaarschuwd dat het hier

wat vreemd toegaat. Hoe ziet hij er uit? Armelijk, slordig?" vroeg

zij onder 't voortgaan.

"Hij is fatsoenlijk gekleed; hij heeft wel iets vreemds en stelt

zich wat vrijpostig aan, maar hij heeft gansch niet het voorkomen,

noch de manieren van een vagebond."

"Dat is hij ook niet, maar.... hij is er niet beter om. Integendeel,

iemand zonder geboorte en zonder opvoeding zou men kunnen vergeven

wat in hem onvergeeflijk is."

"Hij zegt dat gij veel voor hem over hebt."

"Ik heb ten minste voor hem gedaan àl wat ik kon, meer dan ik mocht

wellicht. En toch, hoe beloont hij het nu weer! Met mij opnieuw te

komen plagen, wie weet voor welke onaangename zaak!"

Kennelijk was zij eer door verdriet en ergernis getroffen dan door

eenige zachtere gemoedsbeweging. Die man was haar niets dan een

lastpost, zooals men ze aantreft in bijna iedere familie, die het

budget van de huiselijke zorgen verhoogen en de som van 't huiselijk

geluk vreeselijk bekorten. Dit bedenkende, meende ik haar gerust te

stellen met te zeggen:

"Ik moet u verzekeren dat hij geen geld komt vragen."

"Ik ken dat! Maar zeker is het, dat ik niets meer voor hem doen kan

op dat punt. Och, Leo! Ik heb een voorgevoel dat die man hier onheil

komt aanrichten. Blijf bij mij, ik zal het noodig hebben."

Wij stonden bij de deur van mijne kamer. Zij greep mijn arm, als had

zij behoefte aan steun. Ik drukte hare hand met een zwijgende belofte

en wij traden binnen.

Master Smithson, of mijnheer Rudolf, had geen onbescheiden gebruik

gemaakt van mijne afwezendheid, dat was blijkbaar. Hij had zich

uitgestrekt op de sofa en was zoo ingedommeld. Francis stond voor

hem eer hij er op verdacht kon zijn. Hij sprong verrast op en scheen

willens haar te omhelzen; maar zij trad koel en waardig achteruit en

voorkwam die begroeting door hem de hand toe te steken. Hij scheen er

niet over gekrenkt. Integendeel, hij liet den lossen, overmoedigen

toon, dien hij tegen mij gevoerd had, varen, toen hij tegen Francis

sprak; hij was kennelijk wat verlegen met zijne houding; zijne stem

klonk dof en hij scheen geen moed te hebben haar aan te zien.

"Ik kon mij wel voorstellen, Francis! dat mijne terugkomst u geene

blijde verrassing zou zijn, maar toch...."

"Het is tegen de afspraak, dat zult gij mij toestemmen. Gij hadt

beloofd, op uw woord beloofd, mijnheer! dat gij in Amerika zoudt

blijven, of het u daar meeliep al of niet. Ik meende de zekerheid te

hebben, dat gij althans de grenzen van uw vaderland niet weer zoudt

overschrijden, en toch...."

"Sta ik hier weer voor u, dat moet u tegenvallen. Ik begrijp het;

maar toch, veroordeel mij niet onverhoord. Mogelijk vindt gij mij

minder schuldig dan gij nu meent."

"Onvoorzichtig althans zijt gij in hooge mate. Hier heen te komen,

hier naar de Werve, waar gij zoo licht herkend kunt worden!"

"Wat dat betreft, _my dear!_ laat die zorgen varen; daartegen weet ik

mijne maatregelen te nemen. Maar dat ik mijn woord brak, mijn woord

aan U, dat is eene ondankbaarheid waarvoor ik u in alle ootmoedigheid

vergiffenis wil vragen!" En hij nam de houding aan of hij de knie

voor haar zou buigen.

"Wat ik u bidden mag, speel geen comedie," sprak zij koel en met een

kennelijken weerzin, nog meer terugwijkend.

"De hemel beware mij! Comediespelen! Om het lieve brood en op de

planken, dat is wat anders, daar heb ik er het mijne aan gedaan,

maar in 't werkelijke leven, tegenover hen die ik acht en liefheb;

tegenover u, Francis, bovenal, mag ik zeggen dat ik waar en eerlijk

ben, zoo goed als gij zelve, en als gij mij uwe vergiffenis nog niet

schenken wilt, zult gij het toch doen als ik mijne verantwoording heb

afgelegd.... Ik had het vaste voornemen u de jammerlijke personage

die ik ben niet meer onder de oogen te brengen; maar een mensch wordt

gedreven door zijn noodlot, precies in tegenovergestelde richting

van die hij zelf wil; ik heb niet tegen den stroom kunnen oproeien,

ziedaar alles; ik heb allerlei wonderlijke avonturen gehad."

"Ja, van avonturen houdt gij, dat is bekend."

"Ik heb ze ditmaal niet gezocht, dit verzeker ik u op mijn woord. Dan,

eer ik ze u vertel, moet ik weten of ik mij veilig kan uitlaten in

tegenwoordigheid van een derde. Ik had, om de waarheid te zeggen,

op een _tête-à-tête_ gerekend."

Al sprekende zag hij naar mij om. Ik had mij teruggetrokken aan de

andere zijde van 't vertrek, bij den schoorsteen, en bleef daar staan,

tegen de rijke marmeren ornamenten geleund; ik wilde niet heengaan

voordat ik de zekerheid had dat Francis niet door hem beleedigd zou

worden en dat zij zelve verlangde met hem alleen te zijn; maar zijn

woord was nu zoo rechtstreeks aan mij, dat ik, verlegen over mijne

indiscretie, de houding aannam van het vertrek te willen verlaten.

"Blijf Leo!" riep Francis mij toe.

"Maar Francis!" sprak Rudolf gekrenkt en met tranen in de oogen. "Gij

weet toch wel dat gij tegen mij geen beschermer behoeft. Op uw wenk

buig ik mij neer met het voorhoofd ter aarde; wat zoudt gij van mij

te duchten hebben?"

"Geen geweld, dat weet ik wel; maar ik wil niet altijd om uwentwil

verdacht en gelasterd worden. Ik hecht er aan, Leo, dat gij getuige

zult zijn bij 't geen er voorvalt tusschen mijnheer en mij. Ik wil

niet dat er schijn van geheimzinnigheid zal rusten op hetgeen, wat mij

aangaat, het volle licht kan velen; en wat uwe veiligheid betreft,

Rudolf, ik sta in voor mijn neef, jonker van Zonshoven. Gij kunt

hier gerust zeggen wie gij zijt. _Hij_ zal _woord_ houden als hij

stilzwijgendheid belooft." Ik boog mij tot eenig antwoord en schoof

een armstoel voor haar aan, daar mijnheer Rudolf de vrijheid had

genomen weer op de sofa plaats te nemen.

"_C'est qu'il y va de la vie!_" zei hij, even de schouders

ophalende. "Willens of onwillens eene indiscretie, en 't is met mij

gedaan. Maar het zegt ook niet zooveel, ik waag mijn hals tegenwoordig

toch iederen dag! Nu dan mijnheer!" ging hij voort, opstaande en zich

tegen mij buigende met een theatrale houding. "Ik zou met Ravenswood

kunnen zingen, als mijn stem niet zoo versleten was:

"Sachez donc qu'en ce domaine

D'où me chasse encore ta haine

En seigneur j'ai commandé."

dat wil zeggen, altijd in absentie van den vrijheer _en titre_; ik

was maar de vermoedelijke erfgenaam, een vermoeden, dat, helaas! wel

nimmer tot zekerheid zal komen."

Het begon mij te schemeren, toen Francis, verontwaardigd over zijn

lossen, schertsenden toon, in zoo schril contrast met de treurige

werkelijkheid, inviel met de klare waarheid: "Mijnheer is.... Rudolf

von Zwenken, de zoon van mijn grootvader."

"Oom te zeggen valt mijne allerliefste nicht altijd wat zwaar, en

dat is mijne schuld. _Vous voilà en pays de connaissance_, neef van

Zonshoven!" ging Rudolf voort, nu op zijn vroegeren luchthartigen

toon; "maar zij moest mij toestaan hare presentatie eenigszins

te rectificeeren. Er bestaat geen Rudolf von Zwenken meer; hij is

burgerlijk dood."

"En zedelijk!" verzuchtte Fancis halfluid.

"En zoo hij onder dezen naam wilde ressusciteeren," hervatte hij,

zonder zich aan de soufflet van Francis te storen, "zou hij zoo iets

begaan als een zelfmoord; want hij zou het grootste gevaar loopen om

gevangen genomen en gefusileerd te worden, zonder pardon."

"En dit wetende, en na alles wat er gedaan is om u aan dit gevaar te

onttrekken, u nog weer hier te vertoonen, dat is onverantwoordelijk,"

viel Francis in.

"_My dear!_ wie of wat zegt ù dan, dat ik mij hier vertoonen

kom? Representaties geven wij hier in de provincie, dat is waar;

maar wie zich dáár bij den volke vertoont is master Richard Smithson,

en wel zóó goed gegrimeerd, dat kolonel von Zwenken zelf vóór hem

zou staan zonder zijn zoon te herkennen."

"Dat's heel gelukkig, want zulk eene herkenning zou hem den dood

aandoen, daar ben ik zeker van," sprak Francis met hardheid.

"O! là! _dearest_ Francis! gij overdrijft. Mijn heer vader is nooit

zoo bijzonder teergevoelig geweest als het mij gold; maar dat doet er

niet toe. Hij zal nooit weten wie master Smithson is, en deze zal hem

nooit onder de oogen komen. Maar 't is een ander geval met Rudolf von

Zwenken, die hier is om in alle eerbiedigheid een onderhoud met zijn

vader te hebben en die daartoe uwe tusschenkomst inroept, Francis!"

"Tevergeefs, mijnheer! Gij kunt uw vader niet spreken en zult hem

niet weerzien," zei Francis met beslistheid.

"Hoe nu! gij zoudt mij daartoe uwe medewerking weigeren? Dat zou

geene hardheid zijn, dat zou onmenschelijk wezen."

"Als ik menschelijkheid heb te betoonen, is het allereerst aan uw

vader, en dezen moet ik beschermen tegen 't geen gij hem nu opnieuw

wilt aandoen."

"Maar lieve, beste kind! versta mij dan toch. Ik wil hem niets aandoen

dan zijne hand kussen en hem vergiffenis vragen. Daartoe heb ik mij

over allerlei bezwaren en vermoeienissen heen gesteld; ik heb drie

uren aaneen te paard gezeten, omdat ik de diligence niet durfde

gebruiken; ik heb twee uur geloopen; ik heb mij tot de schemering

in de ruïne verscholen; ik ben den bekenden tuinmuur overgeklommen

met gevaar van armen of beenen te breken; ik berekende hoe ik hier

ongemerkt binnen kon sluipen; ik zag licht op de logeerkamer en dacht

aan niets dan aan mijn vader en aan uwe goedheid; ik vergat hoe groot

een zondaar ik zijn moet in uwe oogen en, ik waagde mijne _entree de

chambre_ hier, die niet van de makkelijkste was, dank zij de weinige

voorkomendheid van Jonker Leopold; en dat alles zou nu tevergeefs

zijn doorgeworsteld? Neen, Francis! _my darling!_ dat gaat niet. Gij

zult u beter beraden, gij zult mij dien eenen droppel lafenis op mijn

hobbelig pad niet onthouden; gij zult mij de gelegenheid schenken

mijn vader weer te zien, hem te verrassen!"

"Dat zal ik zeker _niet_ doen, en gij weet dat ik een vasten wil heb,

als mijn besluit is genomen."

"Maar gij hebt toch een menschelijk hart, al is 't geen heel week,

vrouwelijk. Dan begrijp ik wel wat uwe bijgedachte is en waarom gij

weigert. Gij meent dat ik kom als de verloren zoon, platzak thuis,

na van den zwijnendraf te walgen, 't Is juist omgekeerd."

"Profaneer niet, Rudolf," vermaande Francis streng.

"Ik profaneer niet, ik gaf alleen de tegenstelling. Ik kom terug, niet

uit behoefte, maar omdat het mij beter gaat; ik kom ruim zeshonderd

gulden brengen als begin van restitutie. Wat dunkt u! als papa deze

portefeuille, met die mooie _greenbacks_ gevuld, morgenochtend bij

het ontwaken op zijne kussens vond, zou hij dan zijn verloren zoon,

die onder zulke gunstige omstandigheden terugkeert, niet met blijdschap

de armen openen?"

"Neen, Rudolf! zeker niet! hij zou vreeselijk schrikken en al de

vroegere jammer en ellende, de vrees voor schande zou opnieuw over

hem komen; daar is meer verloren gegaan dan geld alleen, dat weet

gij wel! De eer is verbeurd, en ziedaar wat uw vader u nooit kan

vergeven. En spreek niet van teruggave; die kleine som, onbeteekenend

in vergelijking van de zware offers die er voor u gebracht zijn, kan

niet opwegen tegen hetgeen wij voor u gedaan, door u geleden hebben,

en waarmede wij meenden voor 't minst rust en vergetelheid gekocht

te hebben."

Rudolf boog het hoofd, zuchtte en bleef zwijgen in diepe verslagenheid.

Ik was met hem bewogen; ik had eene merkwaardige verandering opgemerkt

in zijn gelaat, toen Francis hem zoo alle hoop ontnam; zijn verbleeken,

de gespannen trekken, iets vochtigs dat de guitige oogen plotseling

verduisterde, wekten mijn medegevoel in hooge mate. Hoe kon men zoo

hard zijn voor een medemensch die gevallen was, als Francis bleek dit

te zijn voor dezen ongelukkigen bloedverwant! Van die zijde had ik

haar nog niet leeren kennen, al wist ik hoe Majoor Frans in drift kon

uitvallen; hare trekken zelfs namen dien strakken kouden ernst aan,

die haar meer dan ooit op eene Romeinsche matrone deed gelijken,

die deugd geene deugd acht, als zij niet boven het menschelijke

gaat. Juist ditmaal viel zij niet uit in ruwe woorden; zij bleef kalm

en waardig, maar er was eene uitdrukking van minachting in haar oog,

die hem wien het gold verpletteren moest. Als Francis mij ooit zoo kon

aanzien, zou het uit wezen tusschen mij en haar. Al griefde het mij,

ik kon niet tusschen beide treden. Er moest een reden zijn voor hare

onverbiddelijke strengheid die ik niet kon doorgronden; tot zoolang

moest ik mij onzijdig houden, te eer daar zij mij als met voordacht

tot haar getuige had begeerd bij dit tooneel.

Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk

zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar

Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan

op gansch veranderden toon:

"Luister eens freule Mordaunt! het komt mij voor dat gij, onder pretext

van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt,

en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid

verzet tegen eene verzoening tusschen hem en mij; en het is wel vreemd,

dat eene nicht, _maar_ eene nicht, hier de rol speelt van een oudsten

broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!"

"Och! met uw verloren zoon!" riep Francis toornig; "gij zijt de

verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling van

_sensiblerie_, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven

hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde."

"Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal

zijn!" viel hij in met zekere bitterheid. "Gij weet immers wel dat

ik, verzoend of niet, geen aanspraak zal maken op de nalatenschap van

mijn vader, die u _sans conteste_ zal toevallen, daar ik noch den wil,

noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!"

"Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht

verdenkt!" viel Francis in met sprekende verontwaardiging.

"Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe

edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het alleen om u gerust

te stellen omtrent de mogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw

grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York

burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von

Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem

vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?"

"Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst;

gij komt altijd weer."

"Maar als ik eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij

niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader

wil hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te

zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal

ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo

hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere

bedienden...."

"Zullen u evenmin terughouden; uw vader is zoo arm, dat wij het met

dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toeligt om

den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand

zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf

bij hem vinden! Rolf die u van ouds kent en die het consigne van zijn

overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kosten moge. Voorziet gij

niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?"

"De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook

hier!" riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op

de sofa neervallen.

"Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest,

om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt

gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?" sprak

Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde

man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die

hij niet langer kon terughouden.

"Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet

voltooide," riep Rudolf onder snikken, "en ik die zoo welgemoed en

opgewekt herwaarts heen was gekomen!...."

Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten

hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch,

hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in

mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen

tegen hare bedoeling in.

"Mijnheer Rudolf!" sprak ik, "sta mij toe de tusschenpersoon te zijn

om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule

Mordaunt daartegen opziet!...."

"Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!" hernam Francis

stroef en met hoogheid. "Ik zie er niet tegen op, maar ik weet,

dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets

te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve,

eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te

verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden,

en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn."

"Dan zal ik moeten berusten," sprak Rudolf verbleekend en in de houding

der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden,

luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.

"Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige

liefde toedraagt," hervatte Francis. "Ik wil u niet hard vallen om

die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven dat zij uit

het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wèl, gij zelf

hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waarschijnlijk

gemaakt."

"Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van

mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen

genomen en geëxecuteerd te worden!"

"Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs niet na al de jaren

van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij

erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van

uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich

over getroost."

"Al heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie."

"Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar

toch, nù is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid

op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij

enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te

rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet)

dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoornen zou,

hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu

geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid

houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad

in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne

grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen;

hij zal rust noch duur hebben eer hij u weer veilig over de grenzen

weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons

herhaaldelijk heeft gekost."

"Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan

dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen

te gaan zooals ik gekomen ben," verzuchtte Rudolf, en hief zich op

met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht

meent te moeten aanvaarden.

"Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te

hebben," sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare

overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam;

want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid

en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken.

"Ik zal u wat brood en vleesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan

dat gij hier nog wat uitrust."

"En als het zijn kan een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee

uren, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt."

"Ik zal voor u zorgen."

"En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant

verschuilen," zei Rudolf.

"Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom

bedienen," antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek verliet.

"Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze

majoor!" riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer

hoorde. "'t Is me waarachtig, of ik in 't schimmenrijk ben aangeland

en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen,

doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn

woord van eer, een hart uit duizenden."

"Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens

een bloedverwant die in 't ongeluk is," liet ik mij ontvallen.

"Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de

mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde;

den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeggen mijn

ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het

altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om

haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en

geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan

zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne

rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen,

evenmin het _qu'en dira-t-on_ als ik, die onbedacht genoeg was om

dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder

te weten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was,

bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje

om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns

vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelf mij

door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had

laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had

haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo gaf zij mij _rendez-vous_

op zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling

den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat,

ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen

leeglooper die er zijn _fort_ van maakte nieuwtjes te verzamelen;

en schoon ons onderhoud dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe

ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en

ploertinnen van 't kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden

tot hare schade! De klare zuivere waarheid had haar geen nadeel

kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in 't ware

licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd

om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar

de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde,

moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later

van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen,

al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen. Het

is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt

niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te

zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw,

dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij 't erkennen wil of niet,

en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is."

"Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van

bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van

hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar

nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geene

_rancune_ hield."

"_Pouâh!_ dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is,

_passez-moi la comparaison_, evenmin te vinden als een paard dat alle

goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom

mag _my dear_ Francis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij

mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd

er onder buigen; ik ben weerloos tegen haar en...."

Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den

arm dragende.

Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkelijk

voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee

glazen neer, terwijl zij mij zeide:

"Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal

een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden."

"Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te

spreken zonder iets te laten merken."

"Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijsaard,

moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven

zonder dat hij er iets van heeft bemerkt."

De "onweerswolk" had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en

vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond,

dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij

kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis

te wagen.

"Francis! _my darling_, zou ik den nacht hier niet mogen

doorbrengen?--in alle geheimzinnigheid dat spreekt vanzelf," voegde

hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronste.

"Ik zou het wel willen voor u Rudolf! maar ik zou niet weten waar."

"Och kom! er zijn zooveel logeerkamers in mijns vaders huis."

"Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren

kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen

is geen ander vertrek meer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker

Leopold alleen."

"Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo

kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier."

"Er is hier geen koetsier meer," zei Francis eenigszins verbleekend.

"Hoe nu, hebt ge over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?"

"Harry Blount is dood!" antwoordde Francis zonder op te zien, met

eene doffe stem.

"Harry Blount dood! hoe heeft die flinke jongen die malligheid kunnen

begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik me niet bedrieg. Ik heb

hem zelf nog leeren rijden toen hij mij als _groom_ werd toegevoegd

op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur;

dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo

is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo

ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje

ook al van de hand moeten doen?"

"Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de Pauwelsen; maar

't herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkelijk; ik--ik ben de

oorzaak van zijn dood!"

"Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke

overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van

vivaciteit...." hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand

hield, "maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood

niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?"

"Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen

trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan

mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels

moeten wegdoen."

"_Surely I am to be dammed!_" riep Rudolf; "dat prachtige span,

mijn arme vader!"

"Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld

niet; hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden

nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden

hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen

te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in

't hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde

de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was

twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet

dragen--een zware afrijwagen,--ik naast Harry op den bok, ik nam de

leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar

het dorp voert, en al ging het met inspanning, met overspanning

zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid."

"Bravo! dat dacht ik wel!"

"Och, juicht niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven

vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit,

die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt,

gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel,

mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens

ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren;

Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier

aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees

naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.

"Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk," sprak hij,

"tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een mannenhand

noodig." En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester

te maken.

Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd,

dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind

reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.

Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, en wilde 't niet

opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de hemel mij willen

waarschuwen, of mijn overmoed straffen, schoot er een felle

bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikten, werden

schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkelijk met

het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen

stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud

en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd

over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten.... en.... de

verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van

Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop

waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten,

doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den

schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve

kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als

eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde

en heeft geen uur meer geleefd!

Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde

onder snikken:

"Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit weer van dien ongelukkige kan

hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de

oogen staat."

"Het is almachtig jammer, Francis!" sprak Rudolf, ook bewogen,

"en ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk

had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme

jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het

anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken;

er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom

zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn,

kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik

heb er menigeen van 't paard zien vallen die niet weer opstond. Doch

wat zal men daar tegen doen; wachten tot je beurt komt en er maar

niet te veel aan denken, dat is het beste."

"Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen," viel Francis in met

gesmoorde stem. "Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij

zelve wijsmaken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was

als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch.... het zelfverwijt komt

altijd weer boven. 't Is de knagende worm, dien men wel verdooven,

maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw

gevoelen is," hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om

mijn antwoord uit te lokken.

"Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin

vertwijfelen om de rust der consciëntie terug te vinden als zulke

wroeging mij pijnigde."

Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeloos de

schouders op.

Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van 't geen

mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met een

onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde

haar toe:

"Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede

met u zelve,--waarom zoekt gij geen vrede met God?"

"Wie zegt u dat ik die _niet_ zoek, Leo? Maar"--zij zuchtte--"die

laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete."

"Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet

er ook iets van."

"Gij, Leo?" sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; "zoo gij in

mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!"

"Neen! ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het

'onze Vader' bidden, en in praktijk brengen."

"Hoe meent gij dat?" Zij zette groote verwonderde oogen op.

"Ik zou geene vrijheid vinden het: 'Vergeef ons onze schulden' uit te

spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring zoo ik er niet

zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: 'gelijk wij vergeven onze

schuldenaren.' Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen;

gij zijt hard voor dien man dáár, die onze medebroeder is in de schuld;

vergeef hem van harte wat hij tegen u misdeed, en...."

"Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin,"

zeide zij halfluid; "hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij mij

heeft toegebracht, maar allereerst dat, dat men niet op hem aan kan;

hij geeft driemaal in een uur zijn 'eerewoord' en toch...."

"Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm

kind!" sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en

in alle genoeglijkheid zijn souper had afgemaakt; "dat moest hij niet

doen, hij moest u niet moeilijk vallen, althans niet om mijnentwil,

en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij

hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel

of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf,

als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer wordt als men

denkt aan het vaderlijke kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is."

"Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren;

en toch ik weet er geen raad op," zei Francis; "deze vleugel, de

eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en

verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld."

"Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik

op de planken kan neerleggen?"

"Die is er juist niet; sinds jaren is er alles leeg en overgelaten aan

ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogenblik

is daar waarlijk niets aan te veranderen."

Rudolf zuchtte en hernam:

"Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben

ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen

en mij met de decoraties toegedekt."

"Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet.... neen,

het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar

nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft," sprak

Francis nu zelve met leedwezen; "toch weet ik er wel iets op, maar...."

"En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?" viel ik

in, hare aarzeling ziende.

"Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!"

"Maar ik wil wel _gêne_ lijden voor den zoon van den huize, wiens

recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is;

ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan."

"Neen! neen!" riep deze met levendigheid, "'t zou al heel mooi zijn,

zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als

Francis dat goedvindt."

"Dat is afgesproken," zei Francis; "maar Rudolf, dan belooft gij

mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken.... het is de

verjaardag van grootvader en...."

"Juist daarom was ik gekomen!"

"Hebt gij daar nog aan gedacht!"

"Zeker! en daarom meende ik.... is het dan volstrekt onmogelijk,

Francis?"

"'t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt; er komen allerlei

menschen van het dorp; Willibald komt ook!"

"Hm! 't is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu; in 's Hemels naam,

ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis."

"Ik zal u nóg eens op het woord vertrouwen, Rudolf!" sprak zij,

hem de hand reikende. "En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga;

ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten."

"Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutie voor u zelve;

als een zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u

schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel

uit Amerika, maar een echte _oncle d'Amérique_, die met millioenen

dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden;

maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooie _greenbacks_

moeten u aanlachen." Hij deed de portefeuille open en toonde haar

het fijne bankpapier.

"Zijn ze echt, Rudolf?" vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen

ziende.

"Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij

mij voor aan!" riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd

overtoog. "Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen,

die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk

loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk

tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de

oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel

te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat

nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt

dat hij geven kón; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel

gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard

word bejegend, zeg ik tegen mij zelf: 'Rudolf, mor nu maar niet,

je hebt het verdiend;' maar dat alles belet niet, dat ik mij nog

herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een

eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb,

al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u:

met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij daar onderstelt,

Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen

oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk

bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan

geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel

mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die, begaan met

mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke

schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?"

"Ik wenschte dat het niets dan eene verdenking ware, Rudolf," hernam

Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; "maar helaas! wij

hebben de bewijzen en.."

"De bewijzen dat ik een falsaris ben?" vroeg hij levendig en kennelijk

in de smartelijkste verbazing.

"Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders

hand.... ja! die zijn in ons bezit; 't is mogelijk dat ik er geen

verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van

een falsaris gelijk staat."

"Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, dat _ik_

daaraan schuldig ben?"

"Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand, en

zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het

vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs

herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij

zelven zonder verschooning zijn; maar.... de waarheid is waarheid,

en de feiten zijn het die tegen u getuigen!"

"Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaats hebben,

een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op

te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan

verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te

wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die

vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op

mij neerziet!"

"Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels aan kolonel

von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd hebben,

omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk

proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij

toen reeds lang aan de andre zijde van den Oceaan waart, maar dat uw

vader gedwongen zou hebben reeds toen zijn ontslag te nemen uit den

dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in 't spel was!"

"Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van

mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kàn zijn. Ik

ben een zwak mensch, een jammerlijke _panier percé_, ik erken het,

maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om

zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik juist gedaan hebben

in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te

Z--? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij

te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor een nieuwe onderneming naar

Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste

toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?"

"Juist daarom acht ik uwe handelwijze nog te meer misdadig."

"Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat

zegt gij er van, Jonker Leopold?"

"Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast

aan gelooven...."

"Mijn Hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige

papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar

grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen

heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen

voor opgeofferd! Mij dunkt, _j'ai payé pour savoir!_ Ongelukkig heeft

grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze

dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen."

"Maar als ik ze zag, zou ik _u_ kunnen overtuigen. Ik ben voorwaar

zoo'n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen;

en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! Al

kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien."

"Ik geloof u," sprak ik, hem de hand drukkend.

"Dat doet mij goed;" en tranen sprongen den ongelukkige uit de

oogen. "Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een

schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist gedaan hebben? Kan

de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht

door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van

lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?"

"Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet

verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij

het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem."

"Dus.... geneest men van zekere passie?" vroeg Rudolf, even de

schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.

"_Faute d'occasion_; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn

partijtje te maken."

"Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?"

"Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die

zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen:

Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op

te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoek den schuldige elders. Rolf is tot

zoo iets niet in staat."

"Nu, _ik_ ben er ook niet toe in staat," sprak hij nu met drift,

terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen

kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:

"De _greenbacks_ zijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den

besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze

dat gij mij gelooft...."

"Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf

ook wel gebruiken."

"O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen; er kleeft niets

aan dan mijn eigen zweet en bloed. Ze zijn zuur verdiend, maar eerlijk;

althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft."

"Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een

piqueur."

"Ik ben kunstrijder! Ik ben _premier sujet de voltige_ bij het Great

Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd

dollars appointement 's maands.... Gij zwijgt, Francis! Gij vindt

dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker?"

"Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is

ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid

te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw geval het

aangrijpt. Daarbij," voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje,

"gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden."

"Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden

gekost. Maar dat is _l'histoire ancienne!_ voor 't oogenblik ben ik

te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus, _my dear_, kunt

gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening."

"Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet

te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt

hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb

neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne

hachelijke zijde."

"Aan wien zegt gij het! Van 't paard vallen en den nek breken is

nog het ergste niet; maar zooals 't gisteren nog gebeurde dat er

een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem

op de borst raakte, zoodat hij een bloedspuwing kreeg daar hij voor

zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouw

en kind."

"Wel!" zei Francis, "mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing

voor dat geld."

"Hm ja! 't idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen; _poor

soul!_ En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen."

"Nú zijn we het eens," zei Francis, tevreden dat zij hem van zijn

inval had afgebracht. "Rust goed uit en laat mij nu gaan; morgen in

de vroegte zien wij elkander nog."

"Hoe zoo?"

"Wel, om u uit te laten, 't Is onnoodig dat ge weer langs het balkon

naar beneden en over den tuinmuur klimt."

"Ah bah! dat komt er niet op aan: _Premier sujet de voltige, parbleu!_

Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne

verwijdering, dan is het wat anders...."

"Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord

niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet uw souper niet geheel!"

"Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen,

en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er

voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij

een glas wijn met hem te drinken, en het zijne aanstootende sprak hij:

"Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof

waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden."

Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn

slag over Francis te spreken.

"Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de

vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid

te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle

kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor

Frans, is toch eene vrouw--eene vrouw met een mannengemoed--zooals

Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar

Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild

voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen....

Et bientôt on verra l'infante

Au bras de son heureux vainqueur!

Zij ziet u naar de oogen, dat is zeker! 't Is met haar als met een

paard van edel ras; men moet er mee weten om te gaan--veel geduld, veel

attentie, een krachtige, vaste hand, maar die zacht weet te zijn en

men komt er mee terecht. Ik voor mij heb er nooit den slag van gehad,

ik meen van de vrouwen. Ik ben te hartstochtelijk, te ongedurig, en

ik heb geen vasten wil! _These gracious devils_ merken dat heel gauw,

als ze 't eens weten, dan, dat begrijpt gij, dan ben je er onder, daar

is geen helpen aan. Wat Francis betreft, al ware ik haar eigen vader en

zij kende mij zooals zij mij kent, ze zou mij niet ontzien. U, dat's

wat anders--maar .... mogelijk hecht gij niet aan de conquête?" ging

hij voort, daar ik strak bleef zwijgen; "anders zou ik zeggen, 't

is te hopen dat gij fortuin bezit; ik zou het wenschen voor Francis,

die het verdient--ware haar grootvader niet geruïneerd."

"Door wien geruïneerd?" viel ik uit, vrij onbarmhartig; maar hij had

mij zoo geprikkeld door telkens weer de _corde sensible_ aan te slaan,

dat ik er _à tout prix_ een eind aan maken wilde.

"_That 's question!_" hernam hij, slim genoeg om een onderwerp te

laten varen dat zoo blijkbaar mishaagde. "Ik heb er schuld aan, dat

is ongelukkig maar al te waar; doch ik niet alleen, _I may be damned_

als ik lieg. Ik heb hem geld gekost, veel geld, doch geen grooter

deel van de kolossale fortuin, die mijne moeder heeft aangebracht,

dan mij als eenige zoon toekwam. Waar 't andere gebleven is, John

Mordaunt zou er ook wel wat van te vertellen weten als hij nog leefde;

maar toen die met mijne zuster trouwde, kreeg ze ten minste haar

bruidschat mee; die zou Francis nu moeten hebben--als ze 't niet

opgemaakt hadden; want ze leefden, ze leefden.... Ik werd altijd maar

op de Werve gelaten met mijn gouverneur; want de dertienjarige knaap

keek al goed rond in de wereld, en hij moest niet zien wat er daar

ginds omging. Na den dood mijner zuster ben ik ook niet veel bij de

Mordaunts aan huis geweest. Ik heb Francis voor 't eerst gezien toen

zij tien jaar oud was en de kleine Majoor heette en alles in huis

drilde dat het een lust was. Ik viel toen in ongenade bij mijn vader,

omdat.... Maar ik babbel zoo voort, ik weet niet of ik u verveel;

mogelijk wilt gij gaan slapen?"

"Nog niet; ga gerust voort. Ik stel er belang in een en ander van

uwe lotgevallen te hooren, als het u niet pijnlijk valt daarvan

te spreken."

"O, wat dat betreft in 't minst niet; ik ben er lang over heen. Maar

wat zal ik u zeggen, mijne geschiedenis is die van menig ander

jongmensch van goede afkomst die in de diepte raakt. Ik heb twaalf

ambachten gehad en de traditioneele dertien ongelukken zijn mij evenmin

ontgaan; ja, ik geloof zelfs, als ik goed telde, dat er nog wel een

half dozijntje boven dat getal bij gekomen zijn. Mogelijk klinkt het

wat apocrief uit mijn mond als ik het zelf zeg; maar mijn vader is de

eerste oorzaak van alles. Gecontrarieerd in de keuze van een beroep,

gecontrarieerd in een jeugdige liefde waarin ik mijn geluk had kunnen

vinden, was de _fine fleur_ van mijn levenslust er al af, toen ik naar

Leiden ging om daar in de rechten te studeeren. Ik had den vurigsten

wensch om officier te worden en had mij met ijver voor het examen aan

de militaire academie voorbereid; maar mijn vader hield rancune tegen

die instelling, hetzij hij gepasseerd was toen deze werd opgericht,

hetzij om de reden die hij opgaf: dat hij zelf als cadet in werkelijken

dienst was getreden en van gevoelen was dat men alleen op die wijze

jonge officieren moest vormen. Zijn zoon althans zou hij niet naar

Breda zenden; die moest studeeren, die moest carrière maken! Hm ja! ik

heb ook carrière gemaakt," herhaalde hij met een bitteren glimlach:

"_j'ai fait du chemin_ zooals de Franschen zeggen, wijd en wild. Ik

studeerde voor 't pleizier van papa, ik wilde er mijn pleizier ook

van hebben; bij gebrek aan geluk, aan zelfvoldoening, zoekt men

genot. Papa wilde dat ik een goed figuur zou maken op de academie,

en schonk er mij ruim de middelen voor. Ik had mijn rijpaard en mijn

tilbury; ik wierp mij in den wildsten en woeligsten studentenkring;

ik maakte enorm veel schulden en zeer weinig dictaten; toch bezocht ik

enkele colleges; er waren vakken die mij aantrokken, en ik was niet

zonder aanleg; ik zou er nog wel toe gekomen zijn om te promoveeren

op theses, maar papa had intusschen processen gevoerd tegen tante

Roselaer en--verloren; hij kon of hij wilde mij althans niet toestaan

het kostbaar leven aan de academie voort te zetten. Van een gesjeesden

student is niet veel te maken; toch wist de majoor von Zwenken door

zijne relaties mij een post te bezorgen, en nota bene nog wel een

comptable! onder belofte intusschen dat ik eene _riche héritière_

zou trouwen, die mij werd aangewezen; maar het was eene overrijpe

freule met een rooden neus, en ik liet haar links liggen, tot groote

ergernis van mijn heer vader, die verklaarde van toen aan niets meer

met mij te doen te willen hebben. Ik had niet het minste hart voor

mijn post; geregeld werken, geregeld uren lang op het bureau blijven

convenieerde mij niet na het woelige leven dat ik geleid had. Ik vond

een geschikten klerk, een ouden bureaucraat, die al twintig jaren op

dezelfde plek had gezeten zonder zich dood te zitten; ik meende alles

gerust aan hem te kunnen overlaten en ik vond vrienden en kennissen

genoeg, om mij wat afleiding te bezorgen. Ieder hield ons voor rijk,

de post was maar een eerste stap om en-train te komen, dacht men,

en zoo ging het _à grandes guides_ zonder opzien of omzien; toen op

zekeren dag, dat wij een pick-nick hadden ergens buiten, mijn waardige

plaatsvervanger zich met de kas uit de voeten maakte. Het geval maakte

veel opschudding en was inderdaad erg genoeg: het was notoir dat ik

geen deel had aan den diefstal, maar ik was toch de verantwoordelijke

persoon, en majoor von Zwenken, in de verwachting dat ik de erfgename

zou trouwen, had mijne borgstelling gestort. Er volgde een rechtszaak

uit die opnieuw wat geld kostte, dat ik niet betalen kon, dat de majoor

niet betalen wilde, en waar, zoo ik mij niet bedrieg, het moederlijke

erfdeel van Francis voor aangesproken werd; het ging mij genoeg ter

harte, maar een von Zwenken tot gevangenschap veroordeeld dat scheen

iedereen in de familie te hard. Van haar wist ik dat ik niets meer van

mijn vader te wachten had; ik beproefde zoo wat van alles, maar niet

met goed geluk; mijne antecedenten waren mij in den weg, en, ik zal

de waarheid bekennen, mijn karakter was mij ook tegen. Ik vloog van

den hak op den tak, had nergens rust bij en had maar één verlangen,

waaraan ik mij om de wille mijner familie niet kon overgeven. Ik had

eene goede stem, altijd lust gehad in muziek, eene zekere gave van

voorstelling, ik wilde een tijdlang buitenslands gaan om mij op een

conservatorium te oefenen en dan als opera-zanger op te treden. Had

men mij maar laten begaan, maar men wilde mij niet behulpzaam zijn

tot dat doel; mijn vader wilde mij niets meer geven en liet mij de

keuze om soldaat te worden of te bedelen. Ik verkoos het eerste, in

de hoop dat majoor von Zwenken en zijne vrienden wel voor mij zouden

zorgen als ik eens in dienst was, en dat ik toch nog eenmaal officier

zou kunnen worden; maar op mijn leeftijd na een weelderig en verwend

leven als het mijne, valt het hard zich aan de discipline te gewennen;

en, was het opzettelijke hardheid en een _parti pris_ om mij zwaar

te doen boeten, eer men mij uit de diepte ophief? ik kan het niet

uitmaken; maar men schonk mij zelfs niet den laagsten graad; mij werd

geene corvée gespaard, geen vergrijp door de vingers gezien. Ik was

niet bij het regiment mijns vaders geplaatst, maar in een afgelegen

vestingstadje; toch was de kapitein van mijne compagnie een der

vroegere tafelvrienden van mijn vader. Ik kon niet anders denken dan

dat het op diens verlangen was dat men mij zoo behandelde. En hij had

zijn lieveling Rolf wel tot luitenant gemaakt, de Hemel weet hoe! Ik

werd verloochend, en bijgevolg vertrapt; ongelukkig had ik geen geduld

om dien schrikkelijken proeftijd door te staan; ik had voor vijf jaar

geteekend, ik hield het geen vijf maanden uit; en op zekeren dag de

kans schoon ziende, wierp ik geweer en wapens weg en wilde mij uit de

voeten maken; maar mijne vlucht werd opgemerkt en ik achterhaald eer

ik over de grenzen was; ik wist wat er op stond als men mij vatte,

ik verweerde mij tot het uiterste, ik kwetste een onderofficier;

ik behoef u niet te zeggen welk een lot mij wachtte toen ik voor

den krijgsraad kwam; het vonnis werd geveld, maar niet uitgevoerd;

ditmaal ontkwam ik uit de gevangenis, ik zal niet zeggen als door een

wonder, maar door oogluiking; ik vond zelfs een pak burgerkleeren en

geld tot mijne beschikking. Mijn vader had het toch niet over zich

kunnen verkrijgen om zijn zoon als wederspannige, als deserteur te

laten executeeren. Later vernam ik dat Francis die toen al heel wat

had mee te praten, het hare had gedaan om deze uitkomst voor mij

te verkrijgen. Ik was nu vrij en in den vreemde, maar vogelvrij:

ik moest zien het noodige voer op te loopen en mij hier of daar een

nest maken. Ik heb Duitsche boerenjongens Latijn en Fransch, Duitsche

burgermeisjes zang- en pianoles gegeven; ik ben kamerzanger geweest

van een Oostenrijksche gravin, die doof was en zich verbeeldde dat

mijne stem op die van Roger geleek; ik heb omgezworven met een troep

reizende operazangers en heb mij schor geschreeuwd op de theaters

in de open lucht. Ik ben koetsier geweest van een Duitsche baron,

reisbediende voor een huis in wijnen; maar dit moest ik opgeven omdat

ze mij naar Holland wilden zenden. Toen werd ik eerst koffiehuisknecht

en biljard jongen, maakte door mijne geoefendheid in dat spel de kennis

van een Poolschen graaf, die mij als kamerdienaar en secretaris met

zich nam naar Warschau, en mij welhaast in vertrouwen mededeelde, dat

hij een middel had uitgevonden om Polen onafhankelijk te maken! Zooals

vanzelf spreekt mislukte de toeleg, maar de onvoorzichtige edelman

miste Siberië niet. Ik raakte mee in de klem, omdat ik niet tegen hem

getuigen wilde; maar ik hield me zoo dom, dat ik er met een weinig

tortures van honger en dorst lijden en eenige weken _carcero duro_

afkwam. Toen stond ik weer op straat zonder een penning in den zak

en greep naar het eerste het beste, dat ik maar vatten kon; enfin,

ik wil u en mij zelven niet vermoeien met de optelling van alles

wat ik doorgemaakt heb om in leven te blijven. Het ware veel korter

geweest hier of daar in 't water te springen, dat is waar; dan,

ik heb altijd zeker vooroordeel gehad tegen den zelfmoord. Daarbij,

ik bleef onder alles gezond en sterk en leed niet aan melancholie;

ik rolde door het leven zooals het het best kon. Jarenlang heb ik

zoo omgezworven, heb alle groote steden, alle badplaatsen van Noord-

en Zuid-Duitschland bezocht, alle landstreken van midden-Europa

doorkruist, van de Rijnoevers af tot die van de Spree en Moldau toe,

en ik stond op het punt om naar Bucharest te trekken met een zeer

voornaam, maar zeer bizar personage, toen deze gevangen werd genomen,

als betrokken in eene zeer geheimzinnige moordgeschiedenis, waarbij het

geld en de vrouwen als gewoonlijk hunne rol hadden gespeeld. Gelukkig

kon ik bewijzen, dat ik eerst met vorst X in aanraking was gekomen

nadat de misdaad gepleegd was, en ik kwam er weer af met eenige weken

van enge opsluiting na lange en lastige verhooren. Hoe vaak ik onder

dat alles van naam veranderd ben, weet ik zelf niet meer. Alleen den

eenigen waarop ik recht had, hield ik standvastig buiten het spel. Ik

had gezorgd dat het gerucht van mijn dood in Holland was verspreid; ik

had alles gedaan om er waarschijnlijkheid aan te geven. Na die laatste

historie waagde ik mij niet weer in 't gedrang met voorname avonturiers

of dubbelzinnige vrouwen, maar zocht rust in het landleven, in de

vergetelheid van den boerenstand. Ik had in mijne jeugd op de Werve wel

eenige notie gekregen van het boerenbedrijf; ik kon best met paarden

omgaan; ik verhuurde mij als knecht bij een welvarenden pachter, die

eene mooie hoeve te beheeren had. Hij vatte spoedig dat er op meer dan

eene wijze partij was te trekken van zijn huurling, en dat handenarbeid

juist niet mijn _fort_ was. Ik werd welhaast meer zijn raadsman dan

zijn knecht; ik kon hem een en ander van mijne lotgevallen vertellen

zonder gevaar; ik was onder een goed slag van lieden gevallen, die mij

als een lid hunner familie behandelden, en er bestond uitzicht dat ik

daar werkelijk toe zou behooren. Ik merkte, dat de eenige dochter,

eene allerliefste blondine met vergeet-mij-niet-oogen, zoowat op

mij verliefd raakte. Ik vond deze gelegenheid om _pater familias_ te

worden zoo onaardig niet! De ouders hadden er niets tegen; maar ik

moest er voor uitkomen dat het mij moeielijk zou vallen de noodige

documenten te verkrijgen om een wettig huwelijk aan te gaan. Dit

bezwaar, en de berichten van een lid der familie, die met goed gevolg

naar Amerika was uitgeweken en de zijnen opwekte om tot hem over

te komen en gezamenlijk in die landstreek eene kolonie te vestigen

met andere dorpsgenooten die daartoe waren over te halen, deed ons

besluiten dien tocht te ondernemen. Maar de _gemüthliche Bauernleute_

begrepen, dat ik ten minste de toestemming van mijn vader moest zien

te verkrijgen, al voorzag ik dat het vruchteloos zou zijn; daarbij

er moest geld wezen voor mijne uitrusting en ik moest mijn aandeel

leveren tot de onderneming, wilde ik niet eene al te jammerlijke

figuur maken onder de tochtgenooten. Ik berekende dat ik nu zoo

ongeveer tien jaren buitenslands had doorgebracht en dat men mijn

gezicht wel vergeten zou zijn; ik hoopte zelfs, dat na die langdurige

vrijwillige ballingschap de spons zou gehaald zijn over mijne vroegere

misstappen. Ik schreef aan Francis, dat ik voor korten tijd naar

Holland dacht terug te keeren, en onder welke omstandigheden. Mijn

aanstaande, hare familie en de verdere tochtgenooten hadden zich te

Hamburg ingescheept naar Engeland, waar ik mij uit Holland bij hen zou

voegen, zoo ras ik geslaagd was in mijne wenschen. Maar het antwoord

dat ik kreeg was op dat punt alles behalve geruststellend. Mijn vader

die kolonel was geworden en het bevel voerde in de kleine vestingstad

Z., was zoo weinig ingenomen met mijne plannen, bovenal zoo weinig

verheugd met de tijding, dat ik nog leefde en dacht weer te keeren,

dat Francis mij dit laatste ernstig ontraadde. Zij wees op de gevaren

die ik kon loopen en die de kolonel niet voornemens was af te wenden;

met andere woorden: mijn eigen vader zou mij laten vatten en aan

een krijgsraad overleveren, als ik het waagde hem onder de oogen te

komen. Dat vond ik wreed, onmenschelijk, onmogelijk, en ik geloofde

het niet! Ik verbeeldde mij dat Francis maar dreigde om mij af te

schrikken; ik waagde het er op, kwam vermomd en door valsch haar en

knevels onkenbaar gemaakt te Z. en trachtte toegang te verkrijgen tot

het huis van den kolonel. Zijn adjudant, die er zeker op afgericht was,

ontving mij en deelde mij de verkwikkende tijding mee, dat ik den

commandant der vesting niet zou zien; dat er geen kwestie kon zijn

van een weergekeerden zoon, daar de dood van den jongen Rudolf von

Zwenken was geconstateerd, en dat iemand die er zich voor uitgaf niets

kon zijn dan een indringer en bedrieger, over wien men kort en goed

recht zou doen als hij lastig werd en zijn bedrog volhield. Daarop

was ik niet verdacht geweest. Ik was dood, ik moest dood blijven,

en zoo ik mijne identiteit wilde bewijzen, was dat zoo goed als mijn

eigen doodvonnis onderschrijven. Ik herhaalde de poging niet; maar

Francis ontfermde zich toch over mij. Zij zocht mij op, zij hielp

mij voort. Zij lenigde de bitterheid van dit verstooten. Gij weet

het overige, gij weet wat er voor haar uit volgde."

"En gij gelooft dat het daarom is, dat zij u ditmaal zoo hard

bejegende?"

"Vooreerst omdat ik nu weer teruggekomen ben tegen mijn belofte,

dat is waar; maar allermeest, ik zie dat nu in, om die ongelukkige

zaak van de wissels--om datgene waaraan ik niet schuldig ben, zooals

't meer gaat. Doch ik zal mij die schuld nu maar laten aanleunen:

een schreefje meer op mijn kerfstok is zoo erg niet, terwijl Francis

al te ongelukkig zou zijn, als ik haar te kennen gaf, welk vermoeden

ik heb gevat."

"Hebt gij werkelijk een vermoeden?"

"Ja, er is mij een licht opgegaan. Hebt gij nog wat geduld om naar

mij te luisteren? Ziet gij, ik heb zwakheden, maar niet eigenlijk

datgene wat men hartstochten noemt. '_Le vin, le jeu, les belles_'

hebben mij beurtelings veel geld, tijd en rust gekost; en nog ben ik

op zekere punten een groot kind; maar een passie, eene passie die niets

ontziet om hare voldoening te hebben, en waar men een groot misdadiger

of een groot man door wordt, zulke passie houd ik er niet op na; dat

ligt zeker aan de wuftheid mijner natuur. Maar er is iemand in mijne

familie, die er wèl door bezeten is.... In mijne jeugd heb ik daar niet

zoo op gelet, niet over nagedacht althans. Later was ik niet veel in de

gelegenheid hem te observeeren; maar eens, eens heb ik hem waargenomen,

terwijl ik duizend redenen had om mijn incognito te bewaren. Gij zijt

een van de menschen die zwijgen kunnen niet waar? anders had Francis

niet voor u ingestaan. Zoo bewaar datgene wat ik u nu ga zeggen als

een diep geheim voor haar; want het zou haar bitter verdriet doen,

en zij heeft toch al zoo'n onpleizierig leven."

"Gij kunt er staat op maken. Om Francis leed of last te sparen,

zou ik veel doen of laten."

"Ook blijf ik gelooven, al houdt gij u nog zoo leuk, dat gij nog

wel eens nader aan de familie geparenteerd zult worden; daarom is

het ook goed dat gij alles weet. Mogelijk wordt gij eens geroepen

om heel wat _linge sale_ uit te wasschen. Luister! Maar neen! wacht

even tot ik dit laatste glas heb gedronken; mijne keel is droog van

het praten." Eerst na eenige seconden rusten ging hij voort:

"Onder al de _métiers_ die ik heb waargenomen, staande mijne

omzwervingen in Duitschland, is er ook een, die niet precies tot de

achtenswaardigste behoort, maar dat de nood mij dwong aan te nemen. Ik

ben _croupier_ geweest bij eene speelbank. Ik heb er mijn _vader_,

mijn eigen ongelukkigen vader zien spelen met een acharnement, dat

mij de oogen opende voor het diep verval waarin hij met de zijnen

is geraakt. Ik heb er schuld aan, dat weet ik; maar toch, zonder die

passie, die alles verslindt en toch onverzadelijk is, zou zijn groote

fortuin en 't geen Francis had moeten bezitten, niet zoo reddeloos

verloren zijn gegaan."

"En mijnheer von Zwenken herkende u niet?"

"Wat zal ik u zeggen? Ik geleek niet meer op mij zelven. Haar en baard

geverfd, de kleur van 't gelaat verbruind en verouderd, en daarbij

_croupier_! Let men op de machine die het spel in beweging brengt,

als men zóó vervuld is met winst en verlies? Ik- dat is wat anders--,

ik herkende mijn vader, al was hij in politiek, al was hij zeer

verouderd, aan zijne fijne, bewegelijke trekken, aan zijne rechte

houding, aan alles in één woord wat mij onvergetelijk was. Daarbij,

er waren Hollandsche heeren met hem in gezelschap; zij spraken onder

elkander hunne moedertaal; zij noemden hem kolonel von Zwenken bij den

naam. Ik heb hem op één dag eene fortuin zien winnen, eene fortuin

zien verliezen. Ik had moeite mij te weerhouden om mij aan zijne

voeten te werpen en hem te smeeken zijn reddeloozen ondergang niet te

bewerken. Ik weet wel het zou niemand minder gepast hebben dan juist

mij, en toch, ik die bij ondervinding wist wat gebrek en ellende zijn,

kon er met alle recht tegen waarschuwen. Alleen de overtuiging dat het

toch niet baten zou, en dat ik mij zeker daarmede verraden zou hebben,

hield mij terug. Maar dat ik op hem bleef letten, behoef ik u niet te

zeggen; en zoo werd het mij zekerheid dat hij geld heeft opgenomen van

een Hollandsch bankier, dat hij daarvoor wissels heeft geteekend...."

"Hoe lang kan dat geleden zijn?"

"O, dat's nu al vele jaren geleden."

"Maar het schijnt toch dat hetgeen de ergernis van Francis wekte

eerst kort na uw vertrek heeft plaats gehad, en zoolang zal die

bankier geen respijt hebben gegeven?"

"Neen! en sinds schijnt hem de gelegenheid niet meer gegeven te zijn

om op die wijze aan zijn hartstocht bot te vieren; maar die is daarom

nog niet uitgeroeid. _Ferme lui la porte au nez, il reviendra par la

fenêtre;_ Francis omsingelt haar grootvader en houdt hem nu kort, ik

wil dat gelooven; hij is daarbij bang voor haar; maar is het zeker,

dat hij niet achter haar om en op andere wijze zijne revanche neemt

of genomen heeft; er zijn menigerlei wijzen om wat men noemt zijne

fortuin te beproeven, al is het niet met de roulette."

"Gij hebt gelijk; ik vrees maar al te zeer, dat de generaal nòg in

't geheim verkeerde speculaties doet...."

"En is het dan zoo onmogelijk, dat hij, om aan geld te komen, opnieuw

zijne toevlucht heeft genomen tot den bankier; zijne eer voor Francis

willende redden, en toch in de noodzakelijkheid zijnde haar offers

te vragen, de schuld maar op mij heeft geworpen, den afwezige, die

zich niet kon verantwoorden, wiens rug heel breed, wiens naam reeds

bevlekt was?"

"Zijn eigen zoon dus te belasteren...."

"Wel bezien was ik er de naaste toe; hij moest zich redden, en

het kwam er voor mij niet op aan. Ik neem het hem zoo heel kwalijk

niet; alleen zou ik er heel wat voor willen wagen om de zekerheid te

hebben dat mijne gissing juist is; en toch, al had ik die, hoe dan

nóg Francis de overtuiging te geven van mijne onschuld, zonder mijn

vader te betichten, iets wat niet zijn mag?"

Ik beloofde hem dat ik daartoe het mijne zou doen; maar ik kon

niet nalaten mijne verwondering uit te drukken, dat hij, na al

de onvervinding die hij had opgedaan, nog lust gevoelde om naar

het vaderland, naar de zijnen terug te keeren, waar hem niets dan

vernedering en terugwijzing wachtte.

"Wat zal ik u zeggen, Jonker! het blijkt wel dat gij niet weet wat

ballingschap is, en hoe de trek naar het vaderland, het vaderlijk

huis onweerstandelijk wordt, juist door de bezwaren die er zich tegen

verzetten. Had ik, arme zwerver, in Amerika mijn geluk, mijn gezin

gevonden, zooals ik eens had gehoopt, dan had ik er mij mogelijk een

tweede _Heimath_ van gemaakt, waarvoor ik de ander kon vergeten; maar

verwenschte Jonas die ik ben, eerst door allerlei tegenspoed veel

te lang in Holland opgehouden, kwam ik pas in Engeland toen mijne

reisgenooten reeds den tocht naar Amerika hadden aanvaard. Ik zocht

en vond gelegenheid hen te volgen op een ander schip; maar wij leden

schipbreuk, reeds met de kust van het beloofde land in 't gezicht; de

_Zeenimf_, las men later in de nieuwsberichten, was met man en muis

vergaan. Dat was de waarheid, maar één ongelukkige schipbreukeling,

die zwemmen kon en zijns ondanks als bij instinct van dat talent

gebruik maakte, werd gered. Ik bereikte eene rotsachtige kust,

werd door arme visschers ontdekt, die mij uitgeput en bewusteloos

vonden liggen, liefderijk opgenomen, dat moet ik zeggen ter eere der

menschheid, en van alles verzorgd zoolang ik er behoefte aan had;

maar van alles beroofd, en, zooals ik later vernam, op honderden

mijlen afstand van de plek, waar vermoedelijk mijne Duitsche vrienden

zich hadden neergezet, schoot mij niets over dan bij die herbergzame

kustbewoners te blijven tot er voor mij eene gelegenheid opdaagde om

verder te komen. Die gelegenheid deed zich voor in de gedaante van

een koopman uit Chicago, die handel dreef in kreeften en oesters,

en die met deze lieden prijs kwam maken voor leverantiën op groote

schaal. Ik maakte kennis met hem, vertelde een en ander van mijne

rampspoeden, en toen hij vernam dat ik kennis had van paarden en

daarmee wist om te gaan, sloeg hij mij voor hem te vergezellen op

zijne handelsreis, daar hij uren ver langs ongebaande wegen met een

zeer primitief voertuig moest reizen en de voerlieden van die karren

meest onverbeterlijke dronkaards of brutale afzetters waren, waarvan

hij reeds allerlei onaangename ervaringen had. Hij had dan ten minste

iemand bij zich die hen staan en terechtwijzen kon. Zoo geschiedde het,

en deze overeenkomst bracht mij ten laatste naar Chicago waar ik weer

in een doolhof van avonturen raakte, die mij voor goed afbrachten van

het voornemen om de Duitsche landverhuizers op te zoeken, en eindelijk

in aanraking brachten met den heer Stonehorse, ondernemer van een

_Equestrian Cirque_, waarmee deze voornemens was Europa te bezoeken.

_Well!_ Ik had nu al ruim drie jaren het oude continent verlaten, ik

kende Engeland en Frankrijk niet, ik was, al zeg ik het zelf, een goed

piqueur, geen slecht rijder; forsche lichaamsoefeningen stonden mij

aan, ik engageerde mij bij zijn gezelschap. Eens in Frankrijk, kwam

de trek naar 't vaderland bij mij op, en ik haalde master Stonehorse

over, die er geene groote verwachtingen van had, om zijne reis naar

Duitschland over Holland te nemen en zich in enkele groote steden

op te houden. Het succes in de hoofdstad gaf hem vertrouwen op mijne

voorlichting hij liet de reisroute die hij volgen zou aan mij over;

ik waagde het er op, Arnhem aan te wijzen; ik behoefde niet meer

voor ontdekking te vreezen. Ik reis onder de Amerikaansche vlag;

niemand mijner confrères weet iets van mijne antecedenten.

Eens in de provincie, bekroop mij met onweerstaanbaar geweld de lust

naar de Werve; vooral toen eene toevallige ontmoeting met iemand

uit Z., die mij niet kende, maar dien ik op 't chapitre bracht, mij

zoo een en ander van de von Zwenkens vertelde, en den grootvader het

slachtoffer noemde van de inconsequenties zijner kleindochter. Arme

Francis! gelasterd, zoo gelasterd, en om mij! Ik moest haar zien en

spreken; ik moest op mijne knieën, met het hoofd in stof gebogen,

hare vergiffenis vragen; gij hebt gezien hoe zij het opnam en hoe

mijne terugkomst wordt beschouwd als de grootste zonde die ik tegen

haar plegen kon! Het is ook ergerlijk: onkruid dat niet vergaat,

eene schipbreuk die niet afdoende blijkt!" sprak hij met bitterheid,

waarin zich weemoed mengde. "Nu, 't is geschied, die gekke streek is

weer begaan; maar ik zal haar geene ergernis meer geven; ik heb het

haar beloofd! dat is zoo goed als een eed. Ik hoop maar dat ik dien

houden kan," eindigde hij met een zucht, terwijl zijne stem altijd

doffer en matter werd. Hij liet het hoofd vallen tegen het weeke

kussen van de sofa; als door den slaap overmand strekte hij de leden

daarop welhaast uit, en hoorde ik de ontwijfelbare bewijzen dat hij

rustig sliep. Ik had er nu ook het mijne van en ging zelf de rust

zoeken die ik hem van harte gunde.

Toen ik juist niet heel vroeg in den morgen ontwaakte, had Rudolf

von Zwenken zich al uit de voeten gemaakt, op dezelfde wijze als

hij gekomen was; de blinden waren blijkbaar opengemaakt en niet meer

gesloten; maar hij had het zoo stilletjes bered als men dat wachten

kon van iemand die meer dan eens had weten te ontsnappen. Alleen,

hij had vergeten zijne portefeuille mede te nemen! De onverbeterlijke

loshoofd! Nu ik zou hem wel uitvinden om hem die te doen toekomen. Het

was goed, die niet aan Francis op te dringen. Hare kieschheid, hare

fijnvoelendheid op dit punt was mij lief. Na zooveel opgeofferd te

hebben, soms verlegen te zijn om een kleinigheid, en toch honderden te

versmaden als teruggave, omdat zij de herkomst van het geld verdacht,

of wel om den gever niet te berooven, dat was eene grootmoedigheid

van karakter, waarvoor ik respect had.

Wat den generaal betrof, zijne schuld stond bij mij vast na 't

geen ik zelf van hem waargenomen had; en meer dan ooit moest ik de

voorzienige wijsheid van tante Sophie loven, die hare maatregelen

had genomen om Francis te begunstigen zonder hare fortuin in dien

afgrond te werpen. Maar de ontdekking, die ik gedaan had, was voor

mij eene waarschuwing, die tot omzichtigheid vermaande. De grijsaard,

hoe machteloos hij ook scheen, was _un homme à expédients;_ indien

hij te vroeg wist wie de erfgenaam van tante Sophie was, en zijne

verhouding tot Francis, was hij in staat om op haar toekomstig vermogen

te speculeeren.

Ik zag hem als een bezwaarpunt, als een donkeren stip aan den horizont

van mijn geluk, die voortdurend mijne opmerkzaamheid zou vorderen

en ik voelde de drukkende waarheid van de uitspraak: "die het goed

vermeerdert, vermeerdert de kwellingen!"

"Gij begrijpt Willem! dat ik onder zulke bijgedachten, die zich mijns

ondanks telkens aan mij opdrongen, zeer slecht gestemd was om mijn

oud-oom met een opgeruimd gelaat geluk te wenschen met zijn feestdag.

Zes en zeventig jaar! al het uiterlijke van 't geen men een respectabel

man noemt, en toch zoo diep gevallen; doch waartoe u deelgenoot te

maken van al het strijdige en pijnlijke dat er toen in mij omging! ik

moest er mij tegen verzetten en een _visage de circonstance_ vertoonen,

dat spreekt vanzelf.

Gij zult voor het oogenblik ook wel genoeg hebben van die sombere

legende van de Werve, en ik ga eens naar Francis omzien die vooreerst

nog niet weten moet dat ik een vriend heb die haar karakter leert

kennen, trek voor trek, zooals het zich aan mijn blik voordoet. En nu,

laat mij eens spoedig van u hooren; mij dunkt gij hebt nu al genoeg

gehoord en gezien van het Indische leven, om er uw gevoelen over te

kunnen zeggen, al weet ik dat gij de zaken liefst van alle kanten

beziet eer gij er u over uitlaat.

Majoor Frans · 第 11 / 17 题