Ik intusschen had het mijn plicht geacht lady Ellinor mede te deelen

hoe het met mij op de kostschool was afgeloopen en hoe weinig ik aan

hare intentiën had kunnen beantwoorden. Eerlijkheid drong mij daartoe,

schoon ik wel vreesde van nu aan hare gunst verbeurd te hebben. Ditmaal

toch werd de oprechtheid beloond. _Aunt_ Ellinor antwoordde met de

toezending van opnieuw vijftig pond en de verzekering dat ik die

jaarlijks van haar zou ontvangen om er mee te doen wat ik wilde,

met nog menig goed woord daarnevens, dat mij bewees hoezeer lady

Ellinor voor mij eene waardige leidsvrouw had kunnen zijn, zoo

ik in hare handen ware gevallen. Zij moedigde mij aan om zelve te

voorzien in 't geen mij ontbrak en mij door niets of door niemand tot

onoprechtheid te laten verleiden. Zij hoopte mij later bij zich te

zien in Londen.... en dan had zij mij nog veel mede te deelen. Daar

is niets van gekomen. Nog in den loop van dat jaar overleed zij aan

eene hartkwaal, en ook de vijftig pond zijn mij daarna niet meer

toegezonden. Maar vooreerst had ik papa's hulp niet in te roepen voor

mijne wenschen en behoeften. Mademoiselle Chelles beviel mij; ook had

zij er den slag van met mij om te gaan; zij bracht mij wat terug van

de forsche onvrouwelijke oefeningen, die mijn lust waren geweest, deed

groote wandelingen met mij, en gebruikte die rustige vertrouwelijke

uren om mij het leven van zijne ernstige zijde te leeren zien,zooals

niemand het mij nog had doen beschouwen. Zij sprak mij van lijdenden,

van ongelukkigen wier lot soms met eenige opoffering zooveel kon

verzacht worden; van plichten, die ik alleen uit luim had beoefend

omdat mijn hart niet kwaad was maar zonder eenigen ernst of gevoel van

verantwoordelijkheid. Daarbij wist zij mij liefde in te boezemen voor

de natuur, wekte in mij hoogere behoeften op, die alle sluimerden,

daar niemand er zich nog over had bekommerd. Dr. Darkins had mij

moeten voorbereiden om lid te worden van de Anglikaansche kerk,

maar eer het zoover kwam was hij al uit zijne betrekking tot mij

ontslagen, en ik was op het punt van godsdienst geheel in den steek

gebleven. Dat kon de serieuse Zwitsersche niet dulden. Ik moest haar

beloven mij tot een protestantsch kerkgenootschap te laten brengen,

en daar het Sir John niet meer schelen kon, vond zij werkelijk een

predikant die zich met die zaak belastte. Daarbij, het behoorde zoo,

dat vond grootvader ook; maar als de goede Chelles er zich niet mee

bemoeid had, zou niemand er aan gedacht hebben. In één woord, zij

zou er in geslaagd zijn mij tot eene jonge dame te fatsoeneeren,

daar het uiterlijke niet al te veel van de overigen verschilde,

ofschoon het haar altijd ondoenlijk zou geweest zijn den "kleinen

majoor" uit te roeien, die onder alles door met Francis Mordaunt was

opgegroeid. Doch wat gebeurde? Nurse begon jaloersch te worden van haar

invloed op mij, en tot overmaat van ramp kreeg Rolf, die als tweede

luitenant met grootvader was teruggekeerd en nu van de kinderkamer

naar het salon was bevorderd, om wat ontbolsterd te worden van zijne

kazernemanieren. Rolf, die de eerste had moeten zijn om Chelles te

respecteeren, kreeg den zotten inval om op haar verliefd te worden,

en dat laat ik nog dáár, want zij was allerbeminnelijkst, maar hij

gaf zich de luxe het haar te zeggen, en hare hand te vragen! Eene

stommiteit zooals alleen Rolf die kon begaan; want behalve dat

er voor hen geen uitzicht bestond ooit tot een huwelijk te komen,

ontbrak ook het allernoodigste voor zoodanige verbintenis: wederkeerige

genegenheid. De dame kon haar adorateur niet uitstaan, dien zij nooit

anders noemde dan "_le grand soudard_," of wel "_l'ogre furieux_;" want

hij is nu door zijn leeftijd, zijn stijf been en mijne discipline tam

geworden, maar destijds was hij een woest, hartstochtelijk personage,

die om een haverklap de hand aan den degen sloeg en alleen aan zijn

grooten en kleinen majoor de verplichte subordinatie betoonde. In 't

kort, na de onstuimige declaratie wilde Chelles niet bij ons blijven,

tenzij men luitenant Rolf het huis ontzegde. Dat vonden allen te sterk

en te pretentieus. Grootpapa en Nurse handhaafden Rolf in zijne oude

rechten. Papa ook hechtte heel weinig aan "maar een _governess_,"

en ik.... ik moet het tot mijne schande bekennen, ik wist zelve nog

niet genoeg wat ik wilde, om niet met de overigen in te stemmen, te

eer, daar ik nog te jong was en te weinig vrouwelijken tact had om de

scrupules van Chelles goed te begrijpen. Men noemde het aanmatiging,

heerschzucht; en dat laatste was voor mij beslissend. Als ik haar liet

heengaan was ik weer geheel vrij! Eerst later heb ik ingezien hoezeer

ik mij zelve daarmede benadeeld heb, en het is onder de grieven die

ik tegen Rolf heb juist die, welke ik het minst heb kunnen vergeven."

"Sir John is, dunkt mij, meer te beschuldigen dan hij. Laat men

een aankomend meisje vrij om te beslissen wat voor hare vorming

dienstig is?"

"Wat zal ik u zeggen: sir John had gewenscht dat ik tot mijn achttiende

jaar op de kostschool ware gebleven, om van daar in de wereld op te

treden als eene '_jeune fille accomplie_,' bereid op papa's commando

hare hand te schenken aan de eerste goede partij de beste. Toen dat zoo

geheel anders uitviel, trok hij zijn hart geheel van mij af, en sinds

de vijftig pond van Lady Ellinor ook vervielen, was de verwijdering van

Chelles eene bezuiniging. Deze trok met eene familie naar Frankrijk,

en het bleek welhaast dat ik haar niet had behoeven op te offeren,

daar grootvader kort daarna in zijn rang naar de residentie werd

overgeplaatst om ik weet niet welke oorzaak; het zou maar tijdelijk

zijn en Rolf kon hem vergezellen. Nurse zegevierde, en in hare blinde

liefde vergat zij welke schade zij mij had toegebracht. Ik voelde

het als bij ingeving; ook was mijne oude genegenheid voor haar zeer

bekoeld. Toch had ik eene gewaarwording of ik zeker juk had afgeschud,

want mijn onafhankelijkheidszin was niet geheel en al ongekwetst

gebleven onder de zachte leiding van Chelles. Ik nam weer bezit van

mij zelve in den kwaden zin. Ik kon niet meer met Chelles wandelen,

ik ging met papa paardrijden, die eenigszins trotsch was op het goede

figuur dat ik _on horseback_ maakte en die er niets in vond dat ik hem

vergezelde op jachtpartijen en rijtoeren met allerlei slag van heeren,

jong en oud. Mijne ijdelheid vond hare rekening bij hunne bewondering

voor mijne forschheid en vaardigheid. Ik gaf er de piano aan en de

dameshandwerken en de goede boeken; ik werd zelfs weer Majoor Frans,

en onder die soort van verwildering bereikte ik mijn zestiende jaar,

toen er iets voorviel dat eene gansche verandering in mijne wijze

van zijn teweegbracht. Nurse, die aan waterzucht leed, ontviel mij

plotseling; ik voelde toen hoezeer ik haar had liefgehad en dat zij

waarheid had gezegd dat er niemand meer overbleef om mij lief te hebben

dan zij. Er was eene leegte in en om mij, die ik niet wist aan te

vullen. Ik ontvluchtte het koude doodsche huis, ik doolde troosteloos

rond, toen ik plotseling werd opgeroepen om de rol van gastvrouw te

spelen en een logeergast te ontvangen.... Maar.... nu ik tot hiertoe

gekomen ben, moet ik eens iets van u weten...." Zij zweeg eene wijle

en bleef zitten met gebogen hoofd en de handen in den schoot over

elkaar gevouwen, als in aarzeling hoe nu voort te gaan. Op eens echter

vestigde zij hare oogen op mij met een onderzoekenden blik en vroeg:

"Leo, zeg mij, hebt gij veel met vrouwen omgegaan?"

"Met de vriendinnen mijner moeder nogal, maar sinds...."

"Ik vraag niet naar oude vrouwen; ik meen of gij niet, als de meeste

heeren, van tijd tot tijd geleden hebt aan die tusschenpoozende koorts,

die zij verliefdheid noemen?"

"Ik heb alles gedaan wat noodig kon zijn om niet aan die kwaal bloot

te staan. Het Amerikaansche stelsel van _flirtation_ heb ik nooit

kunnen goedkeuren. Coquetteeren met jonge meisjes en vrouwen achtte

ik gevaarlijk en immoreel, en daar ik leefde in het vooruitzicht dat

ik nooit geld genoeg zou verdienen om al de kant, zijde en fluweel

te kunnen betalen, die tegenwoordig tot de noodwendigheden van

een damestoilet behooren, heb ik de striktste neutraliteit in acht

genomen tegenover allen, om niet verlokt te worden van mijn beginsel

af te gaan."

"En heeft datgene wat men passie noemt u dan nooit overmeesterd?"

"Ik heb niet de gewoonte mij te laten overmeesteren door wie of wat

ook. Ik bezit eenige kracht om resistentie te bieden, en ik zou die

gebruikt hebben zoo het geval zich had voorgedaan; maar dat is niet

gebeurd. Ik had geen ledigen tijd genoeg om mij zulke distracties

te geven."

"Dat wil ik van u wel gelooven, en om uwentwil verheugt het mij;

maar toch spijt het mij, want nu kunt gij mij niet zeggen wat ik

juist van u had willen weten."

"Zeg maar wat gij weten wilt; mogelijk kan ik u toch wel voorlichten."

"Ik wilde weten of gij gelooft dat een degelijk man, die geen

ingebeelde fat is, maar ook geen onnoozele hals, en die op menig punt

van groote scherpzinnigheid bewijs geeft, niet heel gauw kan merken

als een jong meisje.... hoe zal ik dat zeggen.... zich met innige

teederheid aan hem hecht, zelfs al wordt er geen woord tusschen hen

gewisseld, dat op liefde of dergelijke gevoelens doelt?"

Ik begon verlegen te worden met mij zelven. Wat was hare

bedoeling? Hier was meer naïveteit dan ik in haar kon onderstellen,

of.... meer arglist dan waarvan ik haar zonder beter bewijs mocht

verdenken.

Ik bedacht mij een oogenblik eer ik antwoordde:

"Om u de waarheid te zeggen, Francis! ik geloof dat mannen en vrouwen

beiden al heel gauw raden wat zij voor elkander kunnen zijn, en dat

het veeleer uit dubbelhartigheid voortkomt dan uit ingenuïteit, zoo

een van beiden verblindheid voorwendt voor hetgeen maar al te klaar

uitkomt, al wordt het niet met ronde woorden uitgesproken."

"Dat is mijne opinie ook--bij later nadenken, verstaat gij; want

destijds was ik zoo onervaren op deze punten als een _gamin_, waarvoor

ik nog altijd in mijne naaste omgeving gold. De vrienden van mijn vader

zagen in mij niets anders dan een slecht opgevoed meisje, luimig en

willekeurig, een woesteling, die zij niet dan ongaarne in aanraking

brachten met hunne dochters en waarin ze allerminst eene toekomende

bruid voor hunne zonen wilden zien. Enkele officieren probeerden

wel eens mij _un bout de cour_ te maken, hetgeen mij zoo laf en

belachelijk voorkwam, dat ik ze even impertinent als onbarmhartig

voor het hoofd stiet. Met anderen, die zulke pretentie niet hadden,

of althans niet toonden, railleerde ik met een _sans gêne_, die nog

van mijne jongensopvoeding getuigde. Niemand vatte mij toen nog _au

sérieux_ op als een jonge dame, en ik zelve was de laatste om naar

die positie te streven. Toen kwam Lord William bij ons logeeren."--Zij

haalde diep adem, als moest zij zich geweld aandoen, eer zij vervolgde:

"Lord William werd mij voorgesteld als een schoolmakker van mijn vader,

die eenige jaren zijn oudere was, en die zijn protector geweest was

op de school te Eton. Sir John scheen niet vooruit van zijne komst

verwittigd te zijn geweest, want hij had geen de minste aanstalten

gemaakt voor zijne ontvangst. Het was eene verrassing, evenals die van

lady Ellinor; maar deze beviel mijn vader beter. Mylord was om eene

onaangename zaak verplicht een tijdlang Engeland te verlaten. Hij

bracht sir John slechts een bezoek en had plan zijn intrek te nemen

in een logement; doch mijn vader haalde hem over bij ons in te

keeren. Het appartement, dat door grootpapa was bewoond, stond nu

leeg en was ruim genoeg om hem en zijn kamerdienaar te herbergen; de

majoor had er zelfs zijn bureau gehouden, en er was _plenty_ ruimte

voor alle koffers en kisten die Mylord meebracht. Alles bewees dat de

oorzaak van deze reis naar het vasteland niet lag in geldgebrek, want

hij betaalde elken dienst dien men hem deed met vorstelijke mildheid,

had eene kostbare garderobe en schatten aan boeken en zeldzaamheden bij

zich en huurde eene equipage op eigen gelegenheid. Daarbij geloof ik,

schoon sir John het mij nooit heeft gezegd, dat hij met dezen eene

overeenkomst had gesloten omtrent zijn verblijf in diens huis, die

meer dan genoegzaam was om de vermeerdering van omslag goed te maken,

waartoe deze inwoning ons dwong. Al had ik de hulp en voorlichting

van juffrouw Milders, onze huishoudster, toch zag ik er zeer tegen op,

om als _dame du logis_ te moeten optreden tegenover dien vreemdeling;

maar weldra was ik met die taak verzoend.

Lord William (ik heb nooit zijn familienaam vernomen) was een

geletterd man, die veel wist en eene uitmuntende gave had van mede

te deelen. Hij was vol geestdrift voor kunst en poëzie, las en sprak

verscheidene nieuwe talen, had de grootste belangstelling in oudheid,

kunst en geschiedenis, en wist, wat ons onbekend was gebleken, dat er

juist voor onderzoekingen van dien aard, die hij zich voorstelde te

ondernemen, in onze provinciestad eene bibliotheek bestond, waarvan

hij druk gebruik dacht te maken. Met één woord, het was iemand

dien men geen half uur kon spreken of men begreep dat men met een

buitengewoon mensch te doen had; dien indruk althans kreeg ik van hem

op den eersten avond van zijne komst, bij de gesprekken die hij met

mijn vader hield. Ik had nooit gedacht dat sir John een vriend kon

hebben, die hem in alle opzichten zoo ongelijk was, want Lord William

hield niet van de jacht en veroordeelde die zelfs als liefhebberij,

reed alleen paard voor zijne gezondheid en had een kennelijken afkeer

van alles wat ruw, onbeschaafd en onvoegzaam was. Hij erkende, dat

hij zich nergens zoo gelukkig gevoelde als op zijne studeerkamer en

bij zijne boeken, maar toch was hij ook man van de wereld en wist

er zich te doen gelden zoo ras hij er in optrad. Hoe het kwam wist

ik zelve niet, maar ik raadde terstond in hem groote zedelijke en

verstandelijke meerderheid boven mijn vader en alle andere mannen die

ik tot dusver had ontmoet, en ik heb later ondervonden dat hij ook

op anderen diergelijken indruk maakte. Daar was dan ook iets in zijn

voorkomen dat ontzag inboezemde; al was hij gansch geen Hercules,

zooals mijn vader, er was toch iets kloeks en fiers in de slanke,

rijzige gestalte. Ik hoorde de heeren zeggen, toen hij in hun kring

optrad, dat hij leelijk was; maar wat mij betreft, ik kon dat niet

zien, en de dames waarmee wij welhaast in aanraking kwamen waren

allen zoo gevleid door de minste opmerkzaamheid die hij haar bewees,

dat ik de heeren eer verdenk van afgunst dan van juist oordeel."

"De leelijkheid van Mirabeau, die alle vrouwen wist te verleiden!" viel

ik uit, door eene onbestemde gewaarwording van wrevel overmeesterd.

"Zeg liever de leelijkheid van onzen stadhouder William III; want op

diens portretten gelijkt hij meer dan op eenige levende persoon die

mij bekend is. Hij had dat hooge, schrandere voorhoofd, wel niet diens

ziekelijke bleekheid, maar toch de scherpe, eenigszins harde trekken,

hij droeg hier en daar op zijn gelaat de merkteekens der kinderziekte,

al was 't niet zeer in 't oog vallend; maar het strakke en stroeve

van dat gelaat werd verzacht door zijn glimlach, en als bezield door

zijn donkere, sprekende oogen, die vonkelen konden van geestdrift,

en wier blik men evenmin kon trotseeren als dien van een arend."

"Had hij er den snavel bij?"

Francis keek mij even aan met zekere verwondering eer zij antwoordde:

"Ik heb u gezegd dat hij op Willem den Derde geleek; hij had diens

scherp gebogen neus."

"Ook de allongepruik?"

"Neen, maar het donkerbruine, krullende haar gaf zijn kapper zeker veel

werk, zonder dat het baatte; zwaar en stug, scheen het alle pogingen te

weerstaan om het onder de tucht van de hedendaagsche mode te brengen,

en mylord zelf had de gewoonte het met zeker ongeduld naar achter te

werpen zoo vaak het hem hinderde. Dan.... ik merk dat mijne uitvoerige

schets u verveelt. Laten wij opstaan en naar huis wandelen."

"Niet voor ge mij verteld hebt welke prouesses hij heeft verricht,

die held William IV."

"Geen prouesses in 't geheel; of het moest zijn dat hij mij van mijne

zucht om den degen te voeren genezen heeft."

"Dat's loffelijk. Vertel mij dat eens."

"Ja, maar daar zijn we nog niet aan toe. Zonder dat ik zelve wist hoe

het kwam, oefende hij op mij een onbeperkten invloed ten goede. Als bij

intuïtie raadde ik, dat mijne wijze van zijn, mijn toon en manieren

hem zeer weinig moesten bevallen; ook voelde ik mij de eerste dagen

tegenover hem stijf en gedwongen. Ik durfde mij zelve niet zijn en

ik verwenschte Rolf meer dan ooit die mijne Chelles te vroeg had

verjaagd. Alleen om mij eene houding te geven tegenover den fieren,

hooghartigen edelman, wiens goede toon, wiens fijne beschaving

sprak uit alles wat hij deed of zeide, had ik mijne gouvernante

bij mij gewenscht. Papa ging cavalièrement met hem om, zooals oude

schoolmakkers, al zijn zij elkaar nog zoo ongelijk; maar mij kwam

het voor dat hij met laatdunkende verwondering op mij neerzag zooals

een adelaar op eene gemeene kraai. Toch bleek het dat hij beteren

dunk van mij had dan ik zelve meende, en vooral dat de bevreemding

over mijne wijze van zijn, die hij niet geheel kon ontveinzen, niet

uit minachting voortkwam, maar wel uit zekere meewarigheid. Hij was

aangegrepen door mededoogen met het jonge meisje, dat men uit haar

natuurlijke sfeer had gerukt, dat men had misvormd en verwrongen tot

iets dat zij niet had moeten zijn en dat zich misplaatst voelde juist

daar waar zij behoorde. Op zekeren dag dat ik in 't salon aan de piano

zat, eigenlijk maar om wat te tokkelen, terwijl de heeren in de _suite_

voor den haard stonden te rooken, hoorde ik Mylord tot sir John zeggen:

"Waarom ziet gij geen menschen? Waarom gaat gij niet met Francis uit;

zij heeft den leeftijd?"

"Zoo wat, maar zij is nog te wild en te brusk!"

"Ik zie niet dat zij wild en brusk is; zij is alleen linksch en

beschroomd, als eene die zich niet weet te houden: 't is of ze nooit

in goed gezelschap heeft verkeerd."

"Zoo is het; op de kostschool is zij om hare woestheid verjaagd,

en.... zooals zij nu is, durft men haar niet presenteeren."

"Nonsens! als gij dus met haar voortgaat, zal zij altijd even stijf

en verlegen blijven. Juist als zij onder de menschen komt zal zij

dat alles afleggen. Zij heeft geest en gevatheid, dat heb ik al

opgemerkt. Zij zal heel spoedig in de wereld thuis zijn."

"Daarbij, de zoogenaamde _beau monde_ hier is niets dan een klein

kringetje, ellendig, kleinsteedsch en vervelend; ik geloof niet dat

er voor haar onder die lieden eene partij zal te doen zijn; en mij

dan daarvoor op te offeren...."

"Gij hebt niets te verzuimen; gij moet het doen uit beginsel. Zij

behoeft er niets anders te vinden dan gelegenheid om zich met gemak

in de wereld te leeren bewegen."

Mijn vader mompelde zoo iets van verliezen en teleurstellingen,

kostbare toiletten die er noodig zouden zijn, enz. enz.

Lord William haalde de schouders op en zag hem aan met een doorborenden

blik.

"John, John! welk een vader zijt gij? Over die bagatellen spreken

wij later...."

"Daarbij is er geen chaperon; ik ken hier de vrouwen niet."

"Wij zullen ze leeren kennen. Meent gij misschien dat ik

mijne winteravonden zal slijten met u op de sociëteit of bij uw

heerenspeelpartijen? Daar bedank ik hartelijk voor; en dan _the poor

child_ aan de verveling prijs geven? Dat zal niet gebeuren. De chaperon

zal _ik_ zijn, als het niet anders kan, en 't overige zal zich vinden;

maar.... _the little one_ luister, genoeg hiervan!"

Ik had werkelijk de vingeren maar stil op de toetsen laten rusten;

mijne nieuwsgierigheid om te weten hoe _hij_ over mij sprak en dacht

was sterker dan mijne bescheidenheid!

Sir John verliet het vertrek met den driftigen stap van iemand die

uit zijn humeur is.

Lord William kwam naar mij toe, ondervroeg mij naar mijne opvoeding,

mijne gewoonten, mijne wenschen. Ik ving aan met schuchterheid en

aarzeling, maar eindigde met al de openhartigheid en vrijmoedigheid

die mij van nature eigen waren. Hij liet mij niet los vóór hij alles

wist, en het kwam mij voor dat toen de betoovering geweken was,

die mij tegenover hem zoo ongelijk maakte aan mij zelve.

Hij vroeg mij of ik van lezen hield.

"Volstrekt niet," was mijn gulgauw antwoord, "want dan moet men alleen

zitten. Ik houd van menschen, van gezelschap, van beweging."

"Om onder de menschen en in gezelschap een goed figuur te maken moet

men gelezen hebben, en al ware dàt niet, zonder geestesbeschaving

zinkt eene vrouw tot eene onbeduidendheid, waaruit hare schoonheid

zelfs haar niet kan opheffen."

"Ik wil niet onbeduidend zijn," sprak ik met beslotenheid, "zeg maar

wat ik lezen moet."

Hij glimlachte. "Dat gaat zoo niet in eens; maar ik zal met u lezen,

en dan zullen wij spoedig dit verzuim van u inhalen, zoo gij wilt?"

Gij raadt mijn antwoord, en van dien dag af ondernam hij het mijn

geest en mijn smaak te vormen, mijn geestdrift op te wekken voor zijne

lievelings-auteurs, ja, hij nam zelfs de moeite mij kennis te doen

maken met de meesterstukken der Duitsche en Fransche litteratuur,

maakte zelfs zijne geliefde klassieken voor mij genietbaar, en wat

ik van Dr. Darkins nooit had willen leeren nam ik met gretigheid aan

van hem.

Hij vergezelde mijn vader niet naar diens sociëteit; eene enkele

partij billard, een rijtoertje, en zijn gezelschap aan tafel was alles

wat sir John aan hem had. De avonduren en zekere bepaalde uren van

den voormiddag, die hij niet voor zijne eigene studiën noodig had,

wijdde hij aan mij. De liefste waren mij die, welke wij doorbrachten

met Shakespeare, die hij mij voorlas met eene geestdrift waarvan

hij mij den geest, de kracht, de grootschheid deed opmerken met zulk

eene klaarheid en zulk eene gave van mededeeling, met een talent van

voorstelling, dat ik als leefde in die wereld en...."

"En toen is het gebeurd dat gij op elkander verliefd zijt geworden,

evenals Desdemona en Othello," viel ik in met eene opwelling van

wrevel, die ik niet bij machte was te beheerschen.

"Neen, neen! zoo is het juist niet gegaan; maar als gij geen geduld

hebt deze herinneringen aan te hooren zooals ik ze nu in mijn geheugen

kan terugroepen, moet gij het liever zeggen; want als ik ze niet

mag geven zooals ze in mij opkomen, verlies ik den draad; daarbij,

gij zegt dat gij mij wilt leeren kennen zooals ik ben; dat zou niet

gaan, als gij niet wist hoe ik geworden ben wat gij mij nú ziet. Of

wat zou het u baten als ik u alleen mededeelde, dat lord William,

in 't begin van den herfst bij ons gekomen, bij het naderen van de

lente ons weer verliet?"

"Zonder met u verloofd te zijn?" vroeg ik gejaagd.

"Zonder met mij verloofd te zijn!" herhaalde zij op koelen, drogen

toon en rees op; "maar nu moeten wij gaan, neef! want wij zullen

ditmaal den omweg nemen, die de gemakkelijkste is; wij komen toch al

te laat voor de thee; nu! de kapitein kan ze zetten, dat's het minst."

Reeds was zij zonder mijne hulp van de onveilige steenblokken

afgesprongen en stond op vasten bodem eer zij had uitgesproken; ik

haar na, met hetzelfde goed geluk, al was het niet met dezelfde haast;

want ik zag het nut van die waaghalzerij in het half donker niet in.

Al wandelend wikkelde zij zich dicht in de grijze plaid, en er kon

geen kwestie zijn van haar mijn arm te bieden; ik wist niet of ik

haar moest vragen voort te gaan met hare souvenirs, want ik voelde

mij schuldig; ik had met onhoffelijke kregelheid den stroom harer

confidentiën gestoord; mogelijk voor goed de behoefte om zich uit te

spreken gedoofd, en toch, ik brandde van ongeduld om er alles van

te weten; het was zelfs mijne zenuwachtige gejaagdheid die getergd

werd door hare _longueurs_; het kwam mij voor, dat zij met te veel

opzettelijkheid drukte op de voortreffelijkheden van dien vreemdeling,

dien ik niet kon uitstaan, dien ik nu reeds haatte, zonder nog te weten

of ik er reden toe had. En ik had zeker geen recht om misnoegd te zijn

op Francis. Wist ik dan reeds niet genoeg van haar om te begrijpen,

dat zij haar hart niet had vrijgehouden tot haar zes-en-twintigste

jaar? Had zij moeten wachten op een Paladijn die haar bij testament

zou worden toegewezen! Ik voelde dat ik dwaas en onrechtvaardig was

en toch kon ik over die dwaasheid en onbillijkheid niet zoo geheel

zegevieren, of zij had er iets van kunnen bemerken.

"Leo!" sprak zij, nadat wij eenige minuten zwijgend naast elkaar waren

voortgegaan. "Ik zie wel dat gij ergernis neemt aan mijne souvenirs,

maar ik kan ze u daarom toch niet sparen; er is een deugd, die men

Francis Mordaunt zeker niet zal ontzeggen; het is: eerlijkheid,

en deze dringt mij, u niet te verhelen wat er in mij is omgegaan,

sinds gij mijn vriend wilt zijn en ik, ondanks bittere ervaring, nog

hecht aan de beteekenis van dat woord. Als gij van ochtend vertrokken

waart, zooals ik dat verwacht had, zou ik u met mijne bekentenissen

niet lastig zijn gevallen."

"Zoo moet gij het niet opnemen, Francis! ik ben immers gebleven om

ze van u te hooren. Ik beloof u, dat ik den loop uwer herinneringen

niet meer zal stuiten."

"Nu, goed! zoo zult gij dan hooren dat gij het geraden hebt, dat

ik lord William heb liefgehad met al de innigheid van een eersten

hartstocht, ik moest zeggen: met al de naïveteit van mijn jeugdig hart;

want ik wist zelve niet, dat het liefde was wat hij mij inboezemde. Ik

had nooit met jonge meisjes verkeerd, die elkaar op haar dertiende

reeds van galants en minnarijen spreken; ik was _novice_, als geene

andere, maar ik voelde welhaast, dat lord William alles voor mij was,

dat ik eigenlijk niet meer leefde dan in hem, dat ik onverschillig

was voor iedereen en voor alles, dat het mijn hoogste geluk was, zijn

wil en wensch te raden en te volgen, dat ik, die men ontembaar achtte,

die luimig en willekeurig scheen te zijn, soms alleen uit liefhebberij

in den strijd, nu maar ééne vreugd kende: die van hem te gehoorzamen,

op zijne wenken te letten, en, zonder dat hij noodig had dit van mij

te vergen, het volgde van zelf; ik raadpleegde hem in alles, zelfs

over mijn toilet, toen het er toe kwam dat wij uitgingen; ik maakte

een beter figuur in de wereld, dan men van het (zoo men meende) in

't wild opgegroeide meisje verwacht had; ik kleedde mij met smaak,

dat wil zeggen naar _zijn_ smaak, hoewel hij er verre van af was mij

dit op te dringen, maar ik raadde den zijnen en volgde dien op mijne

eigenaardige wijze; want van slaafsche naäperij van hetgeen de mode

voorschreef, had ook hij een afkeer, die geheel in mijn karakter viel,

'_Somewhat originality_' vond hij piquant, en hij achtte het schade zoo

de individualiteit verloren ging onder zekere vormen, voor iedereen

gelijkelijk afgepast. Als hij zoo sprak, raadde ik dat hij in mij

prees, wat anderen in mij afkeurden. Omdat hij het noodig had geacht,

ging ik in de wereld; maar mijn hart zette ik er niet op; mijn hart

was met hem waar zijn schat was, in zijne boekenkamer, waar ik uren

lang met hem samen was, naar hem luisterend, zonder mij te vervelen,

zooals mij soms gebeurde op eene drukke danspartij; want _hij_ danste

niet! Tot in de droge oudheidkundige studiën, waaraan hij zich wijdde,

begon ik belang te stellen. Ik vertaalde voor hem wat hij uit zekere

Hollandsche boeken of tijdschriften verlangde te weten. Ik copiëerde

voor hem, zonder er aan te denken, dat zitten schrijven vervelend

kon zijn; ik vergat dat er een stal was, dat mijn lievelingspaard

door den _groom_ moest worden afgereden; ik vergat alles en allen;

ik was alleen opmerkzaam als het de behoeften van lord William

gold. Als de meeste heeren hield hij van eene goede tafel en was er

aan gewoon. Hij had er daarbij alle recht op in ons huis, zooals ik

later heb begrepen. Genoeg, ik vond een lust in de mannelijke studiën,

zonder de vrouwelijke plichten te verzuimen. Zelfs de vrouwelijke

behaagzucht was in mij wakker geworden. Vroeger had ik zeer weinig om

mijn uiterlijk gegeven; nu nam ik er acht op en was zorgvuldig in de

minste kleinigheden; want Mylord, al was hij nog zoo'n oudheidkenner,

kleedde zich met de uiterste zorgvuldigheid, en zoo modern als een

perfect gentleman die geen fat wil zijn.

Mijn eenig verdriet was als ik zag dat Mylord zich met andere dames

bezighield, en toch, dat kon wel niet anders, wilde hij mij patronessen

bezorgen in zekere kringen. Sir John gaf zich daartoe geen moeite,

en daarbij Mylord hield niet van spelen en wilde niet dansen, terwijl

ik toch niet als eene matrone tapisserie kon maken. Zoo leerde ik

de jammerlijkste passie der vrouwen, den kleinen naijver kennen,

maar waagde het toch niet die te toonen; ik wist vooruit dat hij dit

ergerlijk kleingeestig zou vinden. Wij gaven nu zelfs diners, en de

_dames_ van de stad, die bevonden dat alles bij ons recht _quite_

was, waren zeer verwonderd. Van die bijgenaamde _majoor Frans_

hadden zij zulk eene goede ontvangst niet verwacht; waarheid is dat

juffrouw Milders, onze huishoudster, talenten had, die tot hiertoe

braak hadden gelegen, en dat Mylord mij wenken gaf, die mij van het

uiterste nut waren. Papa zelf had er volle satisfactie van, en ik

sleet den gelukkigsten winter van mijn leven; men vond mij in de _beau

monde_ wel een weinig zonderling, maar dat werd distinctie geacht

en toegeschreven aan de vreemde afkomst van mijn vader en aan den

Engelschen toon die in ons huis heerschte. Ik werd zeer gefêteerd, al

kon het mij niet schelen, misschien juist daarom; maar de lente naderde

en wij begonnen reeds plannen te maken om gezamenlijk de Werve te gaan

bezoeken "zoodra het seizoen van uitgaan was afgeloopen." Als grootpapa

maar geen spaak in het wiel steekt, dacht ik met zekere bezorgdheid,

want deze was nu van zijne zending naar de residentie teruggekeerd,

gelukkig voor mij zonder Rolf; eene rilling overliep mij als ik er

aan dacht, dat deze mij als "majoor" zoude aanspreken en behandelen

in het bijzijn van lord William. Welhaast bleek het mij dat grootvader

onze ingenomenheid met onzen gast niet deelde. Ik schreef het toe aan

zijne teleurstelling, dat de vreemdeling zijn appartement in ons huis

had ingenomen, hetgeen hem noodzaakte voorloopig een afzonderlijk

kwartier te betrekken; maar er was zeker nog iets anders: want ik

merkte duidelijk, dat de majoor von Zwenken Mylord wel bejegende met de

hem eigene beleefdheid, maar geenszins met de joviale voorkomendheid,

waarop ik meende dat deze van iedereen recht had. Ik zou maar al te

spoedig weten, waaruit dat voortkwam.

Op zekeren zonnigen lentedag zat ik de zuivere lucht te genieten op het

kleine balkon, waar mijn boudoir op uitkwam, met een ongekend gevoel

van weemoed en levenslust de fijne blaadjes en de aankomende knopjes te

bespieden, die den tuin welhaast met bloesems en geuren zou sieren. Ik

had geen trek tot lezen, hoewel ik een boek in de hand hield, en dacht

aan de prettige wandelingen die wij welhaast zouden maken met Mylord,

en aan de mogelijkheid van een tochtje naar het kasteel van grootpapa,

toen ik diens stem hoorde, in gesprek met sir John.

De heeren waren door de openstaande deur van de tuinkamer gekomen

en hadden plaats genomen op de bank vlak onder mijn balkon. Zekere

onrustige nieuwsgierigheid beving mij: ik had maar op te letten en

ik kon alles verstaan.

"Waar kan hij zijn, uw lord William?" vroeg grootpapa op wreveligen

toon.

"Op dit uur is hij altijd in de stads-bibliotheek; er moeten archieven

zijn, die hem de grootste belangstelling inboezemen."

"En Francis?"

"Zij kleedt zich, of zij is in besogne met de huishoudster; weet

ik het!"

"'t Is nogal mooi, dat zij ook niet met hem meegaat naar die boekerij,

sinds zij zich zóó met hem afficheert."

"Met hem afficheert! Wat meent gij daarmee, heer majoor? Mylord woont

bij ons in; hij gaat met ons uit, dat spreekt vanzelf; hij is in alle

opzichten een respectabel man, een _right honorable_ zelfs. Ik zie

niet, hoe miss Francis daardoor geafficheerd zou kunnen worden."

"Hm! gij ziet het anders dan ik. Maar dat zou nog niet het ergste zijn;

zoo hij zich maar niet zoo druk met haar bemoeide."

"Mij dunkt, dat schaadt haar waarlijk niet. Of moet gij zelf niet

erkennen, dat zij zeer tot haar avantage veranderd is, en dat men

haar nu overal kan presenteeren?"

"Dat spreek ik niet tegen. Alleen, ik zou dan in uw geval verlangen

dat hij het zijne deed om haar als zijne _future_ te presenteeren;

dán zou hij zijn plicht doen."

Sir John begon hardop te lachen. "Wel, heer majoor, hoe haalt gij

u zoo iets in 't hoofd! William is mijn schoolkameraad en maar een

jaar of drie mijn jongere, en Francis moet nog zeventien worden."

"Hij heeft het voorkomen van even in de dertig. En daarbij, wat doet

de leeftijd er toe? Francis is op hem verliefd, smoorlijk verliefd,

dat zeg ik u, en het verwondert mij, dat gij zelf dit niet al lang

hebt bemerkt en de onvoorzichtigheid begaat, dien vertrouwelijken

omgang met uwe dochter te dulden zonder dat hij zich declareert."

"_Bless me!_ daar zou hij zich waarlijk wel voor wachten!" riep mijn

vader. "Hij is getrouwd, en daarom steekt er ook niets in dat hij

zoo wat den Mentor speelt over Francis; ik heb er geen slag van en

zij heeft het hoog noodig."

"Hoog noodig! dat hij haar het hoofd doet draaien!" sprak mijn

grootvader met stijgende ergernis.

"Dat heeft geen nood; het hare is veel te degelijk om zoo licht

duizelig te worden. Zij is daarenboven eene Mordaunt en niet zoo

weekelijk opgevoed om zich met jongemeisjesgrillen in te laten."

"Gij zijt wel wat al te naïef, sir John--de stem van den majoor klonk

streng en bitter--"of.... van eene gerustheid die mij onverklaarbaar

is."

"Dat zou zij niet langer zijn, en gij zoudt deze gerustheid deelen,

mijnheer, zoo gij lord William kendet als ik! _Every inch a gentleman_,

sir! en zoo hij ook maar vermoedde dat zulke argwaan in ons kon

opkomen, ben ik zeker dat hij geen uur langer hier in huis zou

vertoeven. Ik begrijp wel, wat u eenigszins tegen hem inneemt. Hij

speelt niet; wij hebben weinig aan zijn gezelschap en hij heeft u

hier verdrongen. Dat spijt mij zelf; dan, ik kon niet weten dat gij

zoo spoedig uit den Haag zoudt terugkeeren. En, om de waarheid te

zeggen, mylord is _generous, most generous_, en ik ben hem zekere

égards schuldig."

"Dat geloof ik gaarne, maar.... moet Francis daaraan worden

opgeofferd?"

"Francis wordt niet opgeofferd, dat verzeker ik u. Integendeel,

het is voor haar van het grootste belang dat wij als vrienden

scheiden. Daarbij, hij zal niet lang meer bij ons blijven. Hij is tot

president verkozen van ik weet niet welk archeologisch genootschap

en moet de zittingen bijwonen in Londen. Ook kreeg hij dezen ochtend

de tijding, dat de onaangename zaak, die hem naar het continent de

wijk deed nemen, zoo goed als geschikt is. Hij vreesde een lastig

proces dat hem verdriet en ergernis zou geven. Het blijkt dat de

mediateurs het eens zijn geworden. Zijne vrouw, die met hare familie

in het Zuiden reist, heeft hem een ootmoedigen brief geschreven en

wenscht vergiffenis en verzoening. Hij deelde mij mee, dat hij nog

niet besloten is, maar dat hij toch tegen eene scheiding opzag en

vermoedelijk...."

Sir John zweeg plotseling; de heeren wandelden op; ik zag den

kamerdienaar van lord William aankomen en met hen spreken. Had een

hunner opgekeken, hij zou mij hebben gezien in ademlooze spanning

tegen het balkon geleund, als een steenen beeld, de verpersoonlijking

van stomme verslagenheid. Toen zij reeds lang weg waren bleef ik nog

zóó staan, als vastgenageld aan die plek. Ik had de kracht, den moed

gehad om ten einde toe te luisteren; de zelfbeheersching om door geen

kreet of uitroep een gesprek te storen dat mij zulke verpletterende

ophelderingen gaf. Toen ik eindelijk uit die onbeweeglijkheid oprees,

was het met een kreet van smart en bitterheid, dien ik niet kon

weerhouden. Ik was aan mij zelve ontdekt! Ja! mijn grootvader had

goed gezien. Die aanhankelijkheid, die vrijwillige overgave van al

mijn willen en denken aan zijn wil en wensch, die gewaarwording

van onuitsprekelijke blijdschap in zijne tegenwoordigheid, als

hij mij toesprak, zich met mij bezighield, bovenal als hij met zijn

sprekenden blik, met zijn betooverenden glimlach mij zijne goedkeuring

uitdrukte--dat was liefde! Liefde, die gloed van ijver, dien ik in mij

voelde voor alles waarin hij belang stelde; liefde, die zucht voor

poëzie en letteren, waarmede hij mij had bezield. Wel is waar eene

liefde, die niets had van de zottelijke teederheid waarmee ik andere

jongelieden elkander zag omgeven en die niet dan mijn afkeer wekte,

maar toch liefde, en die nu op eens tot een verboden, een schuldigen

hartstocht werd misvormd; want het licht dat mij opging over den man

dien ik liefhad was als een fakkel waardoor alles in mij tot vuur

en vlam werd, vlamme van haat en verontwaardiging, die helaas den

liefdegloed niet verteerde, maar te feller branden deed. Had ik mij

zelve bedrogen en onbewust toegegeven aan de aantrekkingskracht, die

van dien vreemdeling uitging, hij zelf, hij had zich niet aldus kunnen

vergissen en hij had mij bedrogen, hij had mij althans in onwetendheid

gelaten over 't geen mij eerst noodig was te weten. En toch, in later

tijd over deze eerste groote smart nadenkende, begreep ik, dat het

gevaar voor mij nauwelijks minder zou zijn geweest al had ik die kennis

gehad, want het was zijn persoon, die zulk een toovermacht over mij

oefende, niet zijn positie. Onnadenkend had ik mij overgegeven aan

mijn gevoel, zonder te berekenen waar het mij kon heenvoeren, zonder

er iets van te wachten voor de toekomst. Maar toch wekte de zekerheid

dat ik dien man liefhad en dat hij niets voor mij zou kunnen zijn

dan.... een Mentor zooals mijn vader zich uitdrukte, bij mij eene

onbeschrijfelijke gewaarwording van teleurstelling en toorn. Hoe

koelbloedig en onbarmhartig had hij dan met mij gespeeld, hij de

man van leeftijd en ervaring, die zoo scherpzinnig was en zooveel

menschenkennis bezat. Had hij, hij er dan niet om gedacht, dat deze

omgang voor mij zijne gevaren had; had hij ze niet geteld, omdat hij

zelf niet vreesde en ze mij alleen raakten! Zelfs wist hij zich immers

onkwetsbaar; mogelijk had hij die vrouw, die nu verre was, zóó lief,

dat hij gepantserd was tegen iedere andere liefde. Waarheid is, dat

hij nooit den toon van den hartstocht tegen mij had aangeslagen. Een

blik van welgevallen, een glimlach van goedkeuring, een handdruk van

vriendschap was alles wat hij mij geschonken had, en dat was mij ook

genoeg geweest. Eens slechts, ik herinner het mij maar al te goed,

had hij met zekere hartstochtelijkheid mijne hand gekust, toen ik,

ik weet niet meer welken zijner wenschen geraden en vervuld had. Dien

nacht sliep ik niet van trots en weelde, maar des anderen daags had

hij mij met zulk een ijzige strakheid bejegend, of hij mij, als zich

zelf, dat oogenblik voor goed wilde doen vergeten, en scheen er niet

op te letten, hoezeer ik onder die stugge luim leed.

Nu wilde ik hem dat alles verwijten, alles op eens uitstorten

wat in mij omging, en hem daarna doen zien, hoe diep hij in mijne

achting was gedaald; want te verbergen wat in mij omging, dat voor

hem te verbergen als ik eens tot spreken kwam, dat was voor mij

eene onmogelijkheid. Maar de gelegenheid om hem terstond bij zijne

thuiskomst te spreken bood zich niet aan. Wel ging ik in zijne

studeerkamer, in de hoop hem weldra te zien binnenkomen, maar ik

vond er slechts zijn kamerdienaar, die mij mededeelde, dat Mylord een

bezoek had te brengen bij zekeren bankier en niet vóór den eten thuis

zoude zijn. Ik moest mij dus inhouden en zooveel mogelijk mijn aplomb

hernemen, om aan tafel niets te laten blijken; maar dat ging boven

mijne macht. En ook waartoe? hoe eerder hij het nu begreep dat ik hem

haatte en minachtte, hoe beter. Ik wist waarmee ik hem kon ergeren,

en ik besloot hem geene ergernis te sparen. Ik las de bevreemding op

zijn gelaat, afkeuring in zijn blikken, maar de betoovering die hij

op mij oefende was gebroken; dat moest hij weten, en ik ging voort

hem te tergen en te kwellen. Toen hij begreep dat er opzet in lag,

deed hij of hij niets bemerkte en ik hield vol tot aan het dessert,

waarna ik mij niet als gewoonlijk verwijderde om de heeren aan hunne

sigaren te laten. Ik herinnerde mij dat ik ook rooken kon, zocht

eene lichte sigaar uit en stak die aan. Toen zag ik lord William

het voorhoofd fronsen en de zijne wegwerpen; hij stond op, nam mij

bij de hand en voerde mij zonder een woord te spreken naar zijn

boekvertrek. Ik liet mij wegleiden, want dat was juist wat ik wilde.

"Wat scheelt er aan, miss Francis?" sprak hij, nadat hij mij in een

_easy chair_ had doen plaats nemen en tegenover mij staan bleef. "Ik

begrijp wel dat gij zeer ontstemd zijt en dat het _mij_ geldt; maar

ik kan niet nagaan uit welke oorzaak."

"Dat is mijne schuld niet. Met een weinig nadenken zou Mylord

toch licht die reden kunnen uitvinden. Hij weet, hoezeer ik aan

openhartigheid hecht...."

"Dat is prijselijk; en nu verder?"

"En nu vraag ik mij zelve af, wat ik van de uwe denken moet, als ik

van anderen hoor, dat gij getrouwd zijt?"

Ik bracht deze laatste woorden met te veel gedwongen kalmte uit om

hem niet eenigszins verwonderd te doen opzien; ik zag zelfs dat hij

verbleekte, maar hij vroeg koel:

"Heeft Sir John u dat eerst nù medegedeeld, en waarom juist heden?"

"Sir John heeft het mij niet medegedeeld; ik heb het bij toeval

vernomen--bij _toeval_; verstaat gij mij, Mylord? En daarom geloof

ik eenig recht te hebben om van u zelven iets meer te hooren van

uwe gemalin."

Ik had het er wel op toegelegd om hem te prikkelen en te schokken,

maar dat deze vraag zulke uitwerking op hem zou hebben, had ik niet

kunnen berekenen.

Hij trad driftig drie schreden achteruit; een donkere blos van toorn

of schaamte kleurde zijn hoog voorhoofd; zijne oogen gloeiden van

verontwaardiging, maar zijne trekken namen zulk eene uitdrukking

van lijden aan, dat ik zelve schrikte van de ontroering die ik had

teweeggebracht.

Hij zweeg, keerde zich van mij af, wandelde een paar malen de kamer

op en neer, kwam eindelijk weer bij mij terug, bleef vlak voor mij

staan, zag mij aan met een mengeling van weemoed en misnoegen en

sprak eindelijk:

"Het spijt mij, miss Francis, dat juist gij mij dit aandoet. De tijd

voor zulk vertrouwen voor u acht ik nog niet gekomen. Daar is te veel

bitterheid in uwe vraag, dan dat zij uit belangstelling kan voortkomen,

en belangstelling alleen heeft hier recht op een antwoord."

"Belangstelling, Mylord!" barstte ik uit, "dat is wel het zwakste

woord, dat er tusschen u en mij kan gesproken worden; gij weet wel,

gij moest het ten minste weten, al veinst gij bevreemding, dat het

hier voor mij eene levensvraag geldt!"

"Neen! op mijn woord, dat begrijp ik niet," hernam hij ijskoud, bijna

met ironie. "Ik begrijp niet welk belang gij meent te hebben bij de

beslissing die ik...." hij zuchtte diep, "die ik nog niet heb kunnen

nemen; en daarom heeft men, wie dan ook, eene groote onvoorzichtigheid

begaan met u van deze dingen te spreken vóór ik zelf daartoe de

vrijheid had gegeven. Het geldt hier eene diepe wonde, waarvan ik

voor mij zelven als voor anderen de pijn heb trachten te verbergen,

een toestand even smartelijk als vernederend voor wie er in betrokken

zijn. Waarom zou ik u, een jong meisje, dat minder dan anderen van

haar leeftijd met het gewone leven bekend is, inwijden in de treurige

geheimen van een ongelukkig huwelijk; waarom u gesproken hebben van

eene vrouw die hare naaste plichten heeft verzaakt, en van welke ik

op het punt stond mij voor het leven te scheiden; toch wenscht zij

de hereeniging, waartoe ik nog niet heb kunnen besluiten. Uw vader

weet iets van mijn strijd; waartoe zou ik er u in betrokken hebben,

eer die voor mij zelven was opgelost?"

"En is het u dan niet ingevallen, Mylord," vroeg ik met eene bitterheid

waaronder ik mijne ontroering trachtte te verbergen, "dat er gevaar

kon liggen voor mij in die onwetendheid?"

"Voorwaar! Neen, dat is niet in mij opgekomen, en ik zie zelfs niet

hoe dat had kunnen zijn. De toon van verbittering dien gij nu tegen

mij voert, dwingt mij u te herinneren, wat ik voor u heb trachten

te zijn. Ik kwam herwaarts heen om in studiën en onderzoekingen, die

altijd mijn lust waren, afleiding te zoeken voor veel leeds dat anderen

mij hadden berokkend. Uw vader bood mij zijn huis tot verblijf aan;

het gezellig leven gewoon, nam ik het met dankbaarheid aan. Ik zag u,

en ik meende in u te zien een stug en verwilderd kind, dat door Sir

John met onverantwoordelijke nalatigheid was verwaarloosd. Ik leerde

u nader kennen en ontdekte in u gaven en krachten die mij verrasten en

verblijdden en die ik getracht heb te ontwikkelen. Gij hadt maar eenige

vorming noodig om met goed gevolg in de wereld op te treden. Mijne

hand gaf u die vorming, mijne hand voerde u in dien nieuwen kring,

en gij zijt alles geworden wat ik van u kon wenschen of wachten. Gij

hebt mij eene volgzaamheid, eene aanhankelijkheid betoond, die ik

gemeend heb u te vergelden, want ik heb met betere zorg en trouw over

u gewaakt dan uw vader zelf; maar daaruit volgt immers nog niet, dat

ik u had moeten spreken over alles, wat mij persoonlijk betrof, van

dien zwaren last des levens dien het niet aan u was met mij te dragen;

van dien smaad en die schande die mij uit Engeland wegdreven, om het

onbescheiden medelijden mijner vrienden, den spot en het leedvermaak

mijner vijanden te ontgaan. Hoe ik bedreigd werd door een opzienbarend

proces, waarvan mijn naam (geen naam zonder beteekenis in mijn land,

Francis! maar dien uw vader hier alleen kent en kennen zal), voor

het groote publiek, dat naar schandalen hunkert, nog het piquante zou

hebben verhoogd. Had ik u van dat alles moeten inlichten mijn kind? U,

die ik in alles heb willen sparen! Had ik de kwellingen, het hartzeer,

dat mij alleen gold en dat ik zorgvuldig voor de gansche wereld

verborg, aan u, juist aan u, moeten blootleggen, om de gulden droomen

uwer lente te verduisteren door de droeve nevelen van mijn herfst!"

"Wel dicht en droevig moeten die nevelen zijn, Mylord!" riep ik uit,

evenzeer verbaasd als geërgerd over den toon van hooghartige rust,

dien hij aannam bij zijne toespraak. "Wel dicht en droevig, want zij

hebben uw scherpen blik verhinderd te zien wat voor oogen lag: dat ik

in de onwetendheid, waarin men mij hield, uit gebrek aan ervaring,

mij al heel licht illusiën zou scheppen, wier verwezenlijking eene

onmogelijkheid zou zijn. Welnu! weet dan, Mylord! gij, die met

zooveel trouwe zorge over mij hebt gewaakt, dat ik aan dit gevaar

niet ben ontkomen en dat juist nù de gulden droomen mijner lente op

het wreedste zijn verstoord!"

Een gebaar van schrik en verwondering ontsnapte hem, maar hij schudde

zwijgend het hoofd. Dat ongeloof deed de vlam van mijn toorn en

verontwaardiging in vollen gloed uitslaan! Ik barstte los in verwijten

en klachten, die mijns ondanks mijn smartelijk geheim verrieden. Uit

geheel zijne houding bleek het mij, dat mijne bekentenissen, in den

vorm van een scherpe aanklacht tegen hem geuit, hem troffen als eene

ontzettende verrassing.

Hij liet zich neervallen op den divan tegenover mij en bedekte het

gelaat met beide handen, als van smart en schaamte overmeesterd;

maar de gloed, die op zijn voorhoofd brandde, was tot een doodsbleek

verschoten. Daar viel het mij plotseling in, dat hij onschuldig was,

dat hij het niet had geraden, wat mij zelve nog zoo lang verborgen

was gebleven, tot een schrikwekkend licht in mij was opgegaan. En

juist dat was het, wat mij 't pijnlijkst trof. Had hij medegevoel

betoond voor de smart die ik hem klaagde, had hij schuld beleden,

en mij vergiffenis gevraagd voor 't geen hij mij onwillens had

toegebracht, ik zou mijne voldoening gehad hebben, en, al ware 't

met een verscheurd hart, hebben berust in 't geen van nu aan eer en

plicht ons voorschreef; maar het tegenovergestelde vond plaats.

Hij liet mij uitspreken, ik zou moeten zeggen uitrazen, tot ik in

luide snikken uitbarstte, zonder mij met een enkel woord in de rede

te vallen. Intusschen had hij zich van de eerste verbazing hersteld,

en hij rees op uit zijne verslagen houding, als een veranderd man. Weer

liep hij met rassche schreden het vertrek op en neer, zonder een blik

van deernis op mij te werpen en, eerst toen ik zweeg, omdat de tranen

mijne stem verstikten, kwam hij weer naar mij toe en sprak mij aan

op kalmen, zelfs wat strengen toon.

"_My child_, er is zonderlinge overdrijving in alles wat gij mij

daar zegt. Uwe verbeelding is getroffen, en gij laat u door haar

medeslepen, om zelve te gelooven wat gij beweert; maar ik verzeker u

dat gij u vergist. Gij zijt van eene natuur voor levendige indrukken

en heftige opvattingen vatbaar, maar gij zijt nog veel te jong om

den hartstocht te kennen. En dat is heel gelukkig want ik weet niet,

wie van ons het gekste figuur zou maken, als men zoo iets van u kon

vermoeden. Gij moet tegen die inbeelding strijden, uit alle macht,

en ik wil u gaarne daarin behulpzaam zijn. Ziet gij, Francis, op uw

leeftijd hebben de meeste jonge meisjes reeds iets als eene amourette

gehad met den een of anderen aankomenden jonkman, waarmee ze gedanst

hebben; gij gelukkig niet, want die eerste lentebloesems vallen in den

regel af zonder dat ze ander spoor achterlaten dan zekere ervaring die

voor de vruchten van het rijper seizoen niet schaadt. Gij daarentegen

zijt door uwe forsche onvrouwelijke opvoeding beveiligd geweest tegen

diergelijke aanvallen van sentimentaliteit, maar daardoor waart ge

aan eene andere dwaling blootgesteld, waarop _ik_ niet verdacht was,

en die nu eigenlijk voor mijne rekening komt; het is deze, dat gij u

hechten zoudt aan den eersten man den besten die zich met meer dan

vluchtige belangstelling aan u gelegen liet liggen; het trof zoo,

dat _ik_ die man was, en dat ik de onvoorzichtigheid beging (want

ik moet er dàt nu wel in zien), schoon het met de beste intentiën

geschiedde, om u in te wijden in de geheimenissen der poëzie en uw

smaak trachtte te vormen voor de hoogere genietingen die zij biedt. Wij

lazen Shakespeare! nu is het niet vreemd, dat een jong meisje, 't welk

men de schoonheden van zijne tragediën doet opmerken, zich zelve voor

een Juliet gaat houden; maar daarom is hij die haar de gelieven van

Verona leert verstaan, zelf nog geen Romeo! En ik vraag u, Francis,

als gij er ernstig over nadenkt, of ik het voor u zou kunnen zijn;

zie mij aan en bedenk hoe slecht mij die pretensie zou afgaan. Ik

heb den leeftijd van uw vader; mijne haren zijn reeds met zilver

vermengd," en hij lichtte zijne zware, donkere lokken op om mij te

toonen, hoe zij aan de slapen reeds grijsden; "zoo ik niet leed aan

eene kwaal, die mij met geheele vermagering bedreigt, zou ik de jaren

hebben waarin men tot gezetheid komt; dat is alles behalve poëtisch,

niet waar? Ik meende daarbij in uwe oogen de achtbaarheid te hebben

van een getrouwd man, al zag ik er geen nut in, uwe deernis op te

wekken voor mijn treurig huwelijkslot. Laat uw verstand spreken,

Francis, dat maar een oogenblik door de verbeelding is overstemd,

en gij zult de eerste zijn om toe te stemmen dat ik, _ik_ niet de

held kan zijn voor een liefdesroman!"

Hij zweeg en scheen een antwoord te wachten, dat ik niet geven kon;

want ik had eene gewaarwording of er ijsschotsen rondom mij opgestapeld

werden, waaronder ik verstikken zou.

Toen kwam hij naar mij toe, legde beide handen op mijne schouders,

zag mij diep in de oogen, met eene mengeling van ernst en weemoed,

en sprak op zachten toon:

"Ik ben nog een jaar vroeger gehuwd dan uw vader, ik kon eene dochter

hebben van uw leeftijd; ik ben kinderloos! ik heb mij zelven wel

eens betrapt op den wensch in u eene dochter te zien, maar gij hebt

mij de verwezenlijking van die illusie nu onmogelijk gemaakt; voor

't oogenblik althans, want ik ben er zeker van, gij zult eenmaal

terugkomen van den waan waarin gij nu verkeert; laat u niet langer door

een hersenschim in de war brengen; het hart, in dien zin als gij dat

verstaat, is er buiten, geloof mij daarin, mij die de verwoestende

macht der hartstochten heb leeren kennen," hij zuchtte diep, "tot

mijne schade, en die weet, tot welken diepen val zij de vrouw neer

rukken die de kracht mist om er tegen te strijden. Gij behoeft mij

daarom niet de genegenheid te onttrekken, waarop ik geloof recht

te hebben van uwe zijde, en die ik zelf de eerste ben geweest u te

betoonen. Had ik een zoon gehad, geloof mij, ik zou niet tot nu toe

gewacht hebben om voor hem uwe hand te vragen; maar ik heb niets dan

een neef, een neef van uw leeftijd en die mijn erfgenaam moet zijn;

zoo gij 't wilt zal ik sir John over die verbintenis spreken; gij

kunt het sieraad zijn van iederen kring waarin gij optreedt, als gij

maar wilt. Op den duur zijt gij hier toch niet op uwe plaats; denk

er eens rijpelijk en met kalmte over na, en als gij besloten zijt,

laten wij master William uit Engeland overkomen en...."

"Wees gedankt, Mylord!" viel ik uit, "ik heb volstrekt niet uwe

tusschenkomst verzocht om mij een echtgenoot te bezorgen, en ik zal

nooit kunnen besluiten om in u mijn _oom_ te zien!" En ik barstte

uit in een smadelijken lach, de reactie van eene onuitsprekelijke

verbittering, en liep in ijlende vaart zijne kamer uit naar de

mijne. Toevallig lag daar op tafel een deel van Shakespeare's

prachteditie, die hij mij eens ten geschenke had gegeven. Zoodra dat

mij in 't oog viel, moest ik mijne woede koelen aan het onschuldige

boek, dat in flarden gereten en op den grond werd geworpen. Na die

wraakoefening wierp ik mij zelve als eene radelooze daar nevens;

ik weet niet hoe lang ik in dien toestand was gebleven, toen de stem

van mijne kamenier, die aan de kamerdeur had getikt zonder antwoord

te bekomen, mijn gehoor trof; ik sprong op in onbeschrijfelijke

verwarring.

"De freule moest toch schellen als zij onwel was," knorde zij

goedhartig. "Ik ben, geloof ik, flauw gevallen, Annette."--"De freule

moest zich kras houden. Ik kom met het nieuwe baltoilet, 't is tijd

om de freule te kleeden."

Het was waar, ik moest dien avond nog eene partij bijwonen met Lord

William. Ik deed het mogelijke om de sporen van de doorgestane smart

te verbergen en liet mij werktuigelijk optooien; maar eens onder de

wapens, nam ik het kloeke besluit om eene houding aan te nemen, die

niemand, zelfs hem niet, het recht zou geven mij te beklagen of eene

onbescheidene vraag te doen. Als gewoonlijk reden wij gezamenlijk naar

de partij, en ik was vast besloten ditmaal zijn arm te weigeren en mij

door grootvader te laten binnenleiden. Ik kreeg hartklopping, reeds

bij de gedachte aan die wraakneming en aan den indruk dien zij op hem

zou maken. Dan, de wijze, voorzienige Heer had er anders over besloten.

Wij reden aan bij den Engelschen consul; Mylord stapte daar af en

zou wat later komen!

Sir John onderhield zich daarop met Majoor von Zwenken, ik denk wel

met zeker opzet, over mijn gast. "Het blijkt dat hij tot een besluit

is gekomen, en dat er haast is bij de uitvoering. Hij neemt afscheid

van den consul, hij heeft postpaarden besteld voor morgen, om hem naar

de havenstad te brengen, waar morgenavond een stoomboot afvaart die

rechtstreeks naar Londen gaat." Dit alles vernam ik, zonder dat het

eigenlijk tot mij werd gericht; het viel mij als brandend lood op het

hart, en toch was ik dankbaar dat ik het zoo vernam, en dat niemand

bij machte was in de duisternis van het rijtuig de gemoedsbeweging

op mijn gelaat gade te slaan.

Voor het eerst trad ik in de wereld op zonder hem; het was of alles

rondom mij ledig was, en of al die opgeschikte mannen en vrouwen, die

daar om mij heen woelden niets voor mij waren dan wassen beelden, in

wier midden ik mij bevond, zonder iets met hen gemeen te hebben. Toch

moest ik dansen, en ik wilde dat, liever dan praten. Met wie zou

ik spreken, en waarover? Daarbij, als hij kwam moest hij mij zien

in opgewekte stemming, moest hij mij niet zien als eene treurende

verlatene; niets had hij voor mij gevoeld, niets dan mededoogen, dat

er hem toe gebracht had mij zijn steun en bescherming te bieden; hij

moest het nog weten, dat ik het eerste niet behoefde, en de laatste

ontberen kon. Wij waren ten huize van een voornaam bankier, een der

_gros bonnets_ van de provincie, wiens vrouw meer dan eenige andere

dame uit den kring zich met zekere moederlijke goedhartigheid mijner

had aangetrokken. Zij had maar een kind, een zoon, op wien ik juist

niet veel had gelet, maar van wien men mij zeide, dat hij het gansche

seizoen rondom mij heen geloopen had als smeekeling, om de kruimpjes

mijner gunst op te vangen. Ditmaal als zoon van den huize, had hij een

recht mij het eerst ten dans te vragen, en ik had mijne redenen om zijn

voorkomendheid niet af te stooten; ziet gij, Leopold! ik wil mij zelve

niet beter voorstellen dan ik ben; ik liet mij niet slechts zijne hulde

welgevallen, ik moedigde die aan. Als Lord William binnenkwam, moest

hij mij treffen in een coquet, geanimeerd gesprek, of in een wilden,

vroolijken galop; zoo viel het werkelijk uit. Maar toen hij eens dáár

was, ondanks de tuimeling van den dans moest mijn oog hem toch volgen,

alsof een magnetische attractie er mij toe dwong. Hij zelf, kalm en

waardig als altijd, ging enkele dames van leeftijd toespreken en nam

daarop plaats aan de speeltafel, waar hij, zooals ik later hoorde,

eene belangrijke som verloor aan den majoor von Zwenken! Des anderen

daags verscheen Mylord niet als gewoonlijk bij het luncheon; hij had

nog veel te regelen voor zijn afreis, hoewel zijn kamerdienaar met

de koffers later zou volgen. Ik begreep dat de gelegenheid om een

vertrouwelijk woord met hem te wisselen mij met opzet zou benomen

worden, en in waarheid, wij hadden elkaar niets meer te zeggen;

als ik het tegendeel meende en nog eenmaal zijn boekvertrek wilde

binnengaan, waar ik toch wist alles in verwarring en hem niet meer

alleen te vinden, bleef ik als aan den grond genageld staan; neen,

het was zóó beter, hij kon niet blijven, hij kon zelfs geen afscheid

nemen. Sir John nam mij na 't ontbijt ter zijde en kondigde mij aan,

dat ik bezoek had te wachten in dienzelfden voormiddag. De bankier had

accès gevraagd voor zijn zoon. Sir John, die het eene goede partij

achtte, had dit toegestaan! Gij begrijpt hoe ik dat opnam. Van een

Lord William neer te dalen tot een Karel Felters!"

"Karel Felters!" herhaalde ik onwillekeurig.

"Ja! weet gij daar ook al van?" vroeg zij met zekere bitterheid.

"Denkelijk niet het rechte; ik bid u Francis, ga voort," sprak ik

met eene gejaagdheid, die ik niet wist te verbergen.

"'t Is niet heel mooi, wat er volgt, dat moet ik zelve zeggen. Ik

verweet Sir John dat hij zulk eene beslissing had genomen zonder er

mij in te kennen."

"Ik meende niets anders of de pretendent stond u wel aan, en de oude

heer was dringend."

"Gij hebt u vergist; ik wil hem niet hebben, en ik wil hem zelfs

niet ontvangen."

"Wat dat laatste betreft, Francis! dat _moet_ zijn," sprak Sir John

met gezag, en de enkele maal dat hij dien toon tegenover mij aannam,

wist ik dat hij onderwerping eischte. "Gij zoudt mij een gek figuur

laten maken; gij hebt dien jonkman aangemoedigd, zie nu zelf hoe

gij hem zijne illusie ontneemt, maar ik waarschuw u, dat de wijze

waarop men zulk een eerste aanzoek afslaat, licht voor het vervolg

decideert. Als gij goed geëtablisseerd wilt worden, zorg dan dat uwe

afwijzing in behoorlijken vorm geschiede."

"Ik wensch niets dan mijne onafhankelijkheid te bewaren voor

het leven," antwoordde ik, terwijl ik juist lord William zag

binnentreden. "Ik heb noch dien jonkman, noch iemand anders noodig

voor mijn geluk, en ieder die zich over mijne toekomst meent te moeten

bekommeren, kan zich daarnaar regelen."

Gij begrijpt hoe ik dien armen Karel Felters ontving. Alles liep

samen, om mij als eene furie te doen verschijnen voor de oogen

van den overbluften sukkel, die maar niet begrijpen kon dat zijne

coquette danseres van den vorigen avond plotseling in zulk eene woeste

mannenhaatster was omgetooverd. Want ik zorgde wel hem te zeggen, dat

hij zijn _échec_ niet voor zich zelven alleen behoefde te nemen. Hoe

het kwam weet ik niet, maar hij bleef toch ongeloovig aarzelend,

en kon maar niet besluiten heen te gaan. Dat prikkelde mijn reeds

zoo geschokt zenuwgestel op het heftigst; ik wist niet hoe hem weg te

krijgen, en hij moest toch weg, want ieder oogenblik kon lord William

binnenkomen om afscheid te nemen, en die beiden daar samen, dat was

te veel. Het toeval wilde dat ik Karel had moeten ontvangen in de

kamer van Sir John, die als zeeofficier nog pronkte met trofeeën van

wapenen. In de overspanning van 't oogenblik, woest van gejaagdheid,

nam ik een paar schermdegens van een rek, bood den sidderenden en

verbaasden jonkman er een aan, nam den anderen, zette mij in postuur

en viel op hem uit; de ongelukkige bloodaard, die in zijn angst niet

eens scheen te merken, dat het onschadelijke wapens waren, wierp het

zijne weg en vlood in allerijl terwijl ik hem toeriep:

"_Allons donc!_ wie Majoor Frans vragen durft, moet ten minste den

degen weten te hanteeren!"

"Ik heb van dit heldenfeit gehoord," zei ik lachend; "de arme Karel

Felters loopt nog, naar men mij heeft verteld."

"_C'est ainsi qu'on écrit l'histoire_," hernam Francis, nu met den

kalmen glimlach van eene die er reeds boven stond. "Ik heb ook gehoord

dat hij een reis rondom de wereld zou ondernemen, om mij niet weer

tegen te komen. Maar de waarheid is, dat het wittebroodskind maar

een uitstapje naar de Rijnprovinciën heeft gemaakt, waar hij zich

een tijdlang schuil gehouden heeft voor zijne vrienden en bekenden

en eene allerliefste pfarrersdochter heeft leeren kennen, die hem

tot een gelukkig echtgenoot en huisvader heeft gemaakt, hetgeen

niet heeft belet dat de geheele familie en al hare adherenten sinds

een wrok behouden heeft tegen Majoor Frans en niet hebben verzuimd

deze door allerlei kleingeestige _represailles_ te koelen. En toch,

al ware er nooit een lord William voor mij geweest, zoo'n flauwerd

had nooit mijn consort kunnen zijn! Maar, gij moet nog hooren hoe

het verder met mij afliep op dien onvergetelijken dag. Terwijl ik,

met een gelaat gloeiend van ergernis en oogen fonkelend van toorn,

en de fleuret nog in de hand, Karel zag vlieden, stond daar plotseling

lord William in de geopende deur en staarde mij aan. Ik behoef u niet

te beschrijven, Leo, met welk een blik van afkeuring."

"Miss Francis!" sprak hij, "als Sir John mijn raad had ingeroepen,

zou men u van dit aanzoek ter kwader ure hebben verschoond en u eene

onvoorzichtigheid bespaard hebben. Nu is het geschied, en ik begrijp

heel goed dat er iets in u is wat zich lucht moet geven, ook dat het

u invallen kon, dat op deze wijze te zoeken; maar het is zeer verkeerd

van u, juist op zulk een onschuldig offer los te trekken. _For shame_,

Francis! op een stumperd die mogelijk nooit een fleuret in de hand

heeft gehad! Mij dunkt, gij hebt degelijker oefening noodig en een

tegenstander die iets meer te beteekenen heeft, om er voldoening van

te hebben. Ik meende wel, u een en ander te hebben geleerd, maar ik

verzuimde nog uw talent in 't schermen op de proef te stellen. Sta

mij toe u de revanche te geven die de ongelukkige vluchteling in

den steek liet." En zonder mijn antwoord af te wachten, nam hij mij

de fleuret uit de hand en bood mij met eene buiging eene degen aan,

dien hij van het wapenrek had genomen. Hij zelf nam het wapen op dat

Karel Felters had weggeworpen.

Ik wilde iets antwoorden; de stem stokte mij in de keel. Ik aarzelde,

ik wilde tegenstribbelen; het bleek hem ernst. Hij wierp zijn reisjas

uit, zag mij aan met een blik, welks beteekenis niet te miskennen was,

en riep: "_en garde!_"

Ik was gedwongen het zonderlinge duel werkelijk aan te nemen.

Allerlei gedachten en gewaarwordingen kruisten zich bij mij in hoofd

en hart; ik wilde nu niet terugtreden; ik wilde niet dat hij met

mij spotten zou; ik wilde hem toonen dat hij niet te doen had met

eene onhandige. Ik verbeeldde mij, dat hij, een man van studiën en

letteren, niet veel werk zou gemaakt hebben van eene kunst, zoo weinig

in harmonie met zijne liefste oefeningen; maar ik bemerkte ras, dat

ik mij zonderling had vergist. Hij voerde den degen al spelende,

doch met even vaste als lichte hand. Hij liet mij aanvallen en

pareerde slechts, maar zoo vlug en ferm dat hij mij geen kans liet

hem te treffen. Zelfs viel hij niet uit dan om mij aan te vuren en

af te matten door al die vergeefsche schermutselingen. Dat laatste

gelukte hem dan ook zoo goed, dat ik machteloos en bijna verlamd van

vermoeienis wel gratie had willen vragen. Maar toch het nu zóó tegen

hem op te geven, dat wilde ik niet.

"'t Is eene mannelijke oefening, miss! Er behoort meer dan vrouwelijke

kracht toe," sprak hij met tergende koelbloedigheid, terwijl hij een

mijner aanvallen ontweek, die door mijne hartstochtelijkheid telkens

wilder en onhandiger werden; want de wensch om er een einde aan te

maken bracht mij buiten mij zelve.

"Geef acht, Mylord! Gij veracht uw partij wat al te veel," voegde ik

hem toe, en mikte op zijn borst, alleen beschermd door het plastron

van een batist overhemd. In plaats van mij af te weren, schudde hij

glimlachend het hoofd en gaf zich geheel bloot. Het menschelijk hart is

arglistig, Leo! maar toch, met de hand op het mijne mag ik betuigen,

dat de zucht om hem leed te doen mij niet dreef in dien oogenblik;

dat ik er zelfs niet aan dacht, hoe ik gevaarlijker wapen voerde

dan een gewone schermdegen; maar getergd door dit bewijs dat hij mij

niet telde, vervuld door de zucht om hem den strijd te zien opgeven,

daar ik het oogenblik voelde naderen waarop ik van vermoeienis den

degen zou moeten neerwerpen, drong ik snel en forsch op hem aan. Hij

scheen niet op te letten, hij pareerde niet ik trof hem--een dunne

straal bloed schoot door het witte linnen heen. Meer was er niet

noodig om mij verplet van schrik en berouw aan zijne voeten te doen

zinken. Op hetzelfde oogenblik trad Sir John binnen, gevolgd door

mijn grootvader. De eerste stiet eene verwensching uit, die mij gold,

want hij schreef alles toe aan mijne onbeteugelde drift; de laatste

wilde den gewonde hulp bieden, die hem afwees.

"Het is niets, mijne heeren, volstrekt niets," sprak Mylord, terwijl

hij mij met de eene hand oprichtte, en met de andere zijn zakdoek tegen

de borst hield. "'t Is maar een schram die niets te beteekenen heeft:

eene kleine satisfactie die ik miss Francis schuldig was, en die haar

mogelijk voor goed zal genezen van de zucht om onvrouwelijke wapens

te hanteeren."

"Nooit, nooit weer!" bracht ik uit in de heftigste ontroering,

ziende hoe de fijne witte zakdoek in een oogwenk van bloed was

doortrokken. En, Leo! zoo hij bedoeld heeft mij zulk een afschrik

in te boezemen, is het uitgevallen zooals hij voorzag. Ik heb later

nooit weer naar een wapen gegrepen, nooit weer van een duel kunnen

hooren zelfs, of dat verschrikkelijk schouwspel van dien bebloeden

zakdoek komt mij voor den geest, en mij, mij, Majoor Frans, is het

meermalen gebeurd, te sidderen en te verbleeken onder gesprekken,

waarbij andere vrouwen, om hare beminnelijke schuchterheid geëerd,

gretig bleven toeluisteren, in hare onwetendheid nieuwsgierig en

hunkerend naar emoties, waarvan ik meer dan verzadigd was.

En toch, zooals vanzelf spreekt, was mijne reputatie als onverschrokken

duelliste van toen af gevestigd; Karel Felters en de zijnen zwegen

niet, en de kamerdienaar van Mylord zweeg ook niet; ondanks het verbod

van zijn meester. Het was of onze bedienden door het sleutelgat

hadden getuurd en of ze door de reten der deuren het licht hadden

opgevangen over het gebeurde tusschen Mylord en mij. Zij fluisterden

het elkander toe, wat zij geraden hadden of meenden te begrijpen,

anderen die niets wisten vonden uit en zoo kwam het gerucht,

vermeerderd en verbeterd, onder de menschen. Ik bemerkte het aan de

houding, die men tegenover mij aannam, dat men mij vreesde en schuwde,

toen ik weer in het gewone leven optrad. Toen, ik beken het, heb ik

het mijne gedaan om de zonderlinge reputatie te handhaven. Ik zag,

dat de menschen laag en laf waren, en de zwakheid niet ontzagen. Ik

achtte het wijsheid hen te trotseeren en schrik in te boezemen,

sinds ze mij toch geen vrouwelijk hart toekenden, en ik voor mij geen

reden vond om naar hunne liefde te dingen. Lord William had mij voor

iedere deugd kunnen vormen, met alle menschen kunnen verzoenen, als

hij maar gewild had. Hij had mij teruggestooten, hij had mij alleen

zijne deernis geschonken, die ik niet had gevraagd. Van nu aan was ik

voor allen en voor alles onverschillig geworden en luisterde voortaan

slechts naar mijne eigene invallen!"

"Maar de reis van Mylord kon toch niet doorgaan?"

"Hij zelf dacht er anders over. Hij wilde alles vermijden wat opzien

kon baren. Hij verkoos niet dat men een heelmeester zou laten roepen;

zijn kamerdienaar was handig genoeg om die lichte wonde te verbinden;

hij zou maar een uurtje rust nemen en daarmee zou alles in orde

zijn. Toch moest hij den arm van Sir John nemen om het vertrek te

verlaten; en zijn gelaat was vaalbleek toen hij mij toeknikte. Ik week

naar mijne kamer met een gevoel van Kaïnschuld, om de verwijtende

en nieuwsgierige blikken van de omringenden te ontgaan. Ik was vast

besloten hem nog eenmaal weer te zien en vergiffenis te vragen. Maar de

heftige schokken die ik had doorgestaan en de vreeselijke overspanning

waartoe ik mij had opgewonden wreekten zich nu. Overmeesterd door

eene zonderlinge loomheid, viel ik op eene canapé neer en sliep

in--een onrustige koortsachtige slaap, die door mijne kamenier met

bezorgdheid werd gadegeslagen.

"Toen ik ontwaakte was lord William vertrokken."

"En daarna?"

"Daarna werd ik ziek wat niet te verwonderen was, en mijn grootvader,

die ondanks alles van mij hield, voerde mij naar de Werve om in de

buitenlucht beter te worden. Toen ik hersteld naar huis keerde,

zeide Sir John tot mij, dat ik een krassen degen moest voeren,

of dat lord William een zonderlinge goedwilligheid had betoond om

zich door mij te laten treffen, want reeds te Eton was hij bekend

door zijne vaardigheid in het schermen, en zijn vertrek uit Engeland

stond in verband met een duel, waarin hij het ongeluk had gehad zijne

tegenpartij, een kapitein van de _horse guards_, doodelijk te wonden.

"Ik had nooit gedacht dat Mylord een duellist was," antwoordde ik.

"Dat was hij ook niet; maar zijne eer was er mede gemoeid, dat hij

de beleediging van dien kapitein niet ongestraft liet. Het was een

vriend van zijne vrouw, en die vriendschap ging wel wat ver. William

zou eigenlijk beter gedaan hebben, zoo hij de Lady den dood had

gegeven. Zij had het verdiend, en geen Engelsche rechtbank zou

hem veroordeeld hebben. Nu zijn ze verzoend en vereenigd, voor het

uiterlijk althans; maar hij heeft mij geschreven dat hij reizen gaat,

altijd reizen, de vijf werelddeelen door.

Ik dankte God in mijn hart voor deze mededeeling. Mijn geweten was van

eene bloedschuld verlost. Maar dat de ernst des levens toch in volle

zwaarte op mij bleef drukken, zult gij wel van mij gelooven, Leo!"

"Ja, Francis! dat begrijp ik. En gij hebt zelve nooit meer bericht

gehad van dien edelman?"

"Nooit meer. Daarbij, ik kende zijn familienaam niet, zooals ik u

gezegd heb, anders hadden de nieuwspapieren mij een of ander kunnen

mededeelen. Welhaast volgden allerlei veranderingen en gebeurtenissen

elkander op. Mijn vader stierf bijna plotseling; grootvader werd in

rang verhoogd en wij trokken naar Z., waar ik mij voornam eens een

geheel ander leven te beginnen. Doch men kan met zijne antecedenten

breken--ze zijn daarom niet uitgewischt. Maar niet meer hiervan,

nu wij zoo dicht bij huis zijn."

Werkelijk waren wij de brug over en tot het voorplein genaderd. Er

was licht in de zijkamer.

"De heeren zitten al bij de thee," hernam Francis; "en nu eer wij

binnengaan, nog een verzoek Leo! Zoo gij er belang in stelt, zult gij

later meer van mij hooren, want het verlicht mij u dat vertrouwen te

schenken; maar spreek er mij nooit van uit u zelven, want er zijn

oogenblikken waarin ik dat niet verdragen kàn, oogenblikken waarin

het mij zoo goed is te vergeten!"

"Ik versta u, Francis! wees er gerust op," sprak ik ernstig, maar

somber, en drukte maar even de hand die zij mij reikte.

Eigenlijk had zij mij gedaan, wat Lord William haar had

toegebracht. Zij had mij eene illusie benomen. Het was eerlijk,

het was waardig, dat moet ik bekennen, maar het viel mij hard,

harder dan ik mij had kunnen voorstellen dat zulk een blik in haar

verleden mij treffen kon. Ik was er op verdacht geweest, dat er veel

in haar hart was omgegaan. Zelve had zij mij terstond bekend dat zij

"campagnejaren had doorgemaakt," bittere levenservaringen had opgedaan;

het hart was daar niet buitengebleven, dat sprak vanzelf. Had zij

mij eene gewone liefdesgeschiedenis verteld met ongunstigen afloop,

mij gesproken van teleurstellingen met of zonder hare schuld, van een

gebroken engagement, van eene passie waarvan de vlamme nog lichtte,

ik had mij kunnen troosten, ik zou de hoop gevoed hebben haar over

dit alles heen te zetten en den moed gevat om een smartelijk verleden

door een heldere toekomst te helpen uitwisschen. Maar dezen lord

William had ik niet kunnen voorzien, en juist deze was het die mij

de meeste ergernis gaf. Ik had indruk op haar gemaakt, ik was er

zeker van; al kon ik niet wachten dat ik de eerste man zou zijn die

haar hartstocht inboezemde, ik meende de eerste te zijn voor wien zij

achting gevoelde en aan wien zij hare toekomst zou vertrouwen, omdat

zij in hem haar meerdere zag. Ik schrijf het neer, Willem! wat mij

door hoofd en hart ging, al zie ik u mogelijk glimlachen over mijne

aanmatiging of mijne naïviteit. Welnu, juist diezelfde stelling,

die mij de noodigste, de begeerlijkste scheen bij eene verbintenis

voor het leven, had de Engelschman reeds bij haar ingenomen. Hij

had die niet kunnen en niet mogen behouden, dat is waar, en hij had,

zooveel ik uit haar mededeelingen oordeelen kon, _a fair play_ met

haar gespeeld, mogelijk ten koste van zwaren, mannelijken strijd;

maar dat alles nam niet weg dat hij bezeten had juist datgene waar ik

naar stond--een invloed ten goede, waaraan zij met blijdschap gehoor

gaf en die haar hart voor liefde had ontsloten. Al had hij uit wijze

voorzorg, uit edele zelfverloochening, haar omtrent haar zelve trachten

te misleiden, gelukt was het hem niet. Hij had haar slechts van toorn

tot bitterheid opgewekt, en sinds hadden tijd en afwezendheid haar wel

kalmer gestemd, maar--was er rust gekomen, geene vergetelheid. Zij was

hem hare stille vereering blijven wijden, en mogelijk was het dit,

juist dit, wat haar voor alle verdere aanzoeken doof had gemaakt,

en blind voor alle verdienste die in haar oog de vergelijking met den

afgod niet kon doorstaan. Misschien had zij met mij haar vertrouwen te

schenken nog iets anders bedoeld dan oprechtheid; had zij bedoeld mij

af te schrikken van iedere onderneming op haar hart; had zij bedoeld

mij als zonder opzet te zeggen, dat ik er niet op rekenen moest dit

beeld uit haar hart te verdringen; juist omdat ik haar een oogenblik

had zien wankelen en zij zelve dat gevoelde, had zij zich opnieuw

willen vastzetten in dat besluit. Wat er ook van ware, ik had een

indruk ontvangen die mij pijnlijker trof dan hare bruske uitspraak

bij onze eerste kennismaking: "dat zij mij midden op de hei zou

laten staan als zij te vreezen had dat ik met een huwelijksvoorstel

aankwam." Nu ze mij kende, nu ik reeds zoover gevorderd meende te

zijn, dat ik maar een gunstig oogenblik had af te wachten om haar

te spreken van mijne wenschen en onze vooruitzichten, wierp ze mij

haar lord William voor de voeten, en ik voelde mij teleurgesteld

niet slechts, maar ontmoedigd. De andere was haar held geweest; wat

kon ik nog voor haar zijn? De vertrouwde, aan wien zij haar Iliade

uitklaagde, als in het oude treurspel. Ik had eene gewaarwording of ik

verminderd moest zijn in hare oogen; ik verloor in mijne houding die

kalmte en die vrijmoedigheid, waarin het geheim had gelegen van het

overwicht, dat ik aanving op haar te verkrijgen. Dit maakte mij dien

ganschen avond stroef en teruggetrokken. Zij moest het mij aanzien

dat ik worstelde met hinderlijke bijgedachten, en het kwam mij voor,

dat zij zelve ook gedrukt en neerslachtig was; het oproepen van die

smartelijke herinneringen had haar zeker veel gekost, en nog bleef

zij als onder den slag van dat verleden gebukt, en zat neer onder

ons alsof zij niet meer van de onzen was. Ditmaal sloeg zij hare

piano niet open, noch verraste mij met een balkostuum, maar hield

zich bezig met een dameshandwerkje, dat haar juist niet vlug afging

en dat haar geheele aandacht scheen in te nemen; ik plaagde haar een

weinig met hare _gaucherie_; zij zag mij aan met een verwijtenden

blik, terwijl zij mij toefluisterde: "Dàt moest gij nu niet doen,

Leo! nu gij weet waarom ik zoo onhandig ben."

Zij had gelijk; ik was wreed, ik was kwelziek, ik zag altijd lord

William voor mij in de gedaante van Willem III, wiens portret

ongelukkig _en médaillon_ boven het schoorsteenstuk prijkte, lord

William, die tusschen haar en mij in stond en die mij uitlachte

omdat ik te laat kwam. Ik wist niet met haar te praten, ik zag

niet hoe ik kon blijven zwijgen. Uit verdriet, uit verveling,

gaf ik mij ten prooi aan den generaal en zijn compère bij de

speeltafel, in stilte dankbaar, dat Francis zich er buiten hield,

maar zeer onvoldaan over mijn eigen houding, toen ik ten laatste de

vrijheid vond om naar mijne kamer te trekken. Ik zal u niet vervelen,

Willem, met al de tobberijen waarmee ik toen mijn slapeloozen nacht

vervulde. Ik schaamde mij over mij zelven. Waar waren mijn moed, mijne

volharding, mijn vaste wil om deze onderneming tot een gelukkig eind

te brengen? Helaas! toen ik die vatte, vrij van geest en van haat,

nog niet aangetast door de kwalen der liefde, der jaloezie, die mij

de helderheid van geest benevelden. Ik zou bij Francis verloren

zijn, als zij mij in mijne zwakheid had kunnen zien. Zoo kon het

niet blijven. Ik stond op met een kloek besluit. Ik wist nu wie en

wat ik tot mededinger had; het bleek uit alles, dat geen ander tot

hiertoe dien lord William had verdrongen. Geen ander wellicht was

ook zijn weg met haar gegaan; ik had dien uit mij zelven ingeslagen;

het was in elk geval geen dwaalspoor, al was het pijnlijk een ander

na te treden; het was de weg naar haar hart; hij had het gewonnen,

maar hij had het onbevredigd gelaten, hij was teruggetreden, en hij

moest het, waar ik vrij en moedig kon voortgaan. Hij was het ideaal

geweest dat niet kon verwezenlijkt worden, ik was de werkelijkheid,

die de vervulling van al hare wenschen kon bieden. Het was tien jaar

geleden; die schim kon wel op den achtergrond worden gedrongen; zij

was nu geen dweepend kind meer, dat de hand van den Mentor kuste

en dat een Romeo meende te zien in een veertiger; zij was nu in

vollen jonkvrouwelijken bloei; zij was nu de schalke, weerbarstige

Katharina, die haar Petruccio met blijdschap in de armen zou vallen

als zij eens in hem haar overwinnaar had erkend. Hoe kon ik mij toch

zoo verontrusten over den Engelschman! Wat had men niet al gelasterd

dat mij niet had teruggeschrikt, en deze, juist deze, had mogelijk

juist mijne zegepraal voorbereid. Was het niet mogelijk dat ik op de

eene of andere wijze zijne herinnering bij haar verlevendigd had en

dat de vergelijking mij niet schaadde?

Ik moest er de zekerheid van hebben; ik kon niet lang dus wankelen

tusschen hoop en vreeze; op gevaar af van eene onvoorzichtigheid te

begaan wilde ik haar vragen, of zij het spoorloos verdwijnen van lord

William een volstrekt onvergoedbaar verlies achtte. Maar dien dag had

iedereen op de Werve het druk met het feest van den volgenden. Francis

was onophoudelijk in besogne met den kapitein en zoo goed als

ongenaakbaar voor mij; het kwam mij zelfs voor, dat ik zoo wat als

_facheux troisième_ werd beschouwd, en om niet in den weg te loopen

wilde ik naar mijne kamer gaan, toen Francis mij ter zijde riep en

een biljet in de hand duwde, waarmee ik van het hulppostkantoor een

aangeteekenden brief voor haar moest afhalen. "Het was beter dat de

generaal daar niets van merkte, en zelve had zij vandaag geen tijd,"

sprak zij, niet zonder eenige verlegenheid over den dienst dien zij

mij vergen moest.

"Dat is het minste, Francis, maar waarom maakt gij

nu ook zooveel drukte van dat verjaarfeest?"

"Wat zal ik u zeggen! Die lieden hier zijn dat altijd gewoon

geweest, en als wij nu niets doen is het een al te sprekend bewijs

van verval.... De schoolmeester komt zijn feestgroet brengen met een

keurbende uit de dorpsjeugd, die verzen opsnijen; de Pauwelsen komen

feliciteeren; de notabiliteiten, waarmee we niet in openbaren oorlog

zijn, zooals de ontvanger en dominé, komen hier eten; de mogelijkheid

bestaat, dat er nog de een of andere oude kennis van grootpapa komt

opdagen die den dag onthouden heeft; dat alles moet een weinigje

geregaleerd worden, en dat is niet af te weren tenzij we gezamenlijk

de vlucht nemen, en dat gaat ook niet. Rolf was er op bedacht, en ik

heb hem moeten danken voor zijne voorzienige wijsheid, want het is

morgen Zondag, en dan kan men hier niets gedaan krijgen. Gelukkig ben

ik nu zelve weer _in bonis_ als gij met dien brief terugkeert. Het

ergste is, dat wij voor een paar dagen onze vrijheid missen en dat

ik u zoo wat links moet laten liggen. Maar neem wat geduld; daarna

heb ik weer rust en tijd tot uwe beschikking."

Zoo scheidden wij, zonder te vermoeden wat er al niet tusschen zou

komen eer ons die rust en vrije tijd werden gegeven voor zulk een

vertrouwelijk onderhoud als ik mij voorstelde. Och, al hebben wij

nog zoo'n vasten wil, en de omstandigheden zijn ons tegen, dan zijn

zij de sterksten, daar is niet aan te doen; ik althans heb dat tot

mijne schade ondervonden, al verzekert Potgieter ons:

't _Genie_ blijkt toch de _omstandigheên_ te groot.

Al twijfel ik niet of hij spreekt uit ervaring, ik weet maar al te goed

dat ik zoo'n Hercules niet ben, en zelfs, ik had hem in mijn geval

willen zien, om te weten hoe hij over die verlammende kwelgeesten

zou gezegevierd hebben!

Wij aten laat en vrij eenvoudig dien dag; de kapitein was naar de

stad geweest met het wagentje van Pauwels, en wij hadden naar zijne

terugkomst gewacht met het diner, tot groote ergernis van den generaal,

terwijl Francis besliste, dat het billijk was en zoo zijn moest.

Aan tafel kreeg von Zwenken twee brieven; den eersten verscheurde

hij met eene uitdrukking van wrevel en teleurstelling, na dien even

te hebben ingezien, den anderen reikte hij open aan Francis toe,

terwijl hij zeide:

"Willibald wil hier morgen komen dejeuneeren; kan dat?"

"Het moet kunnen! al zou het veel aardiger zijn zoo het op een

stiller dag trof!" repliceerde Francis; "maar de brave jongen zou

raar opkijken, als we zeiden, dat hij niet welkom was."

Willibald! mij schoot in eens te binnen bij welke aanleiding ik dien

naam voor het eerst had gehoord.

"Is dat een luitenant Willibald?" vroeg ik, Francis aanziende.

"Hij is nu kapitein; is hij u bekend?"

"Als een vermaard leider van den _cotillon_ ......" antwoordde ik

onvoorzichtig.

"'t Is waar, hij is een goed danser, maar hoe weet gij dat?"

"Herinner u, dat ik een ganschen avond in de Z--sche gezellige wereld

heb doorgebracht vóór ik hier kwam".

"En dat was genoeg om u vertrouwd te maken met alle cancans van

voorheen en thans .... en gij zult wijs en wel doen daar behoorlijk

notitie van te nemen en de lieden te houden voor 't geen ze dáár

gelden!" sprak zij, mij aanziende met haar klaren, scherpen blik,

en een ironieke glimlach speelde om haar mond. 't Was of zij raadde

hoe zij toen _les frais de la conversation_ had geleverd, en mij

doorzien wilde om te weten wat er daarbij in mij was omgegaan.

Ik wist mij niet onschuldig, maar ik moest mij goed houden.

"Ik heb dezen naam opgevangen en onthouden, ziedaar alles; maar mijn

bezoek op de Werve bewijst u immers hoe ik de _médisances sociales_

op haar prijs weet te schatten."

"Als gij u daar ook niet boven hadt gesteld, zou ik niet weten

wat van u te denken," fluisterde zij mij toe, want dit aparte, op

halfluiden toon gesproken, ging buiten den generaal om. Nu, gij zult

kapitein Willibald leeren kennen en ik twijfel er niet aan, òf gij

zult bevinden dat hij nog wel wat anders is dan een _beau danseur!_"

Ik boog mij, als vooruit overtuigd, en hierbij bleef het. Rolf en

Francis hadden samen weer conferenties. Ik ging alleen wandelen;

bij de thee ging alles zoo vluchtig toe, dat ik, wel ziende hoe

er van een gezellig avondje niets komen zou, en zonder lust om den

generaal gezelschap te houden, die ons allen boudeerde, omdat Rolf

hem niet als gewoonlijk ten dienste stond, naar mijne kamer trok en

meende nu eens dapper met mijn journaal voort te gaan ...... maar

pas had ik een paar pagina's geschreven, of mijn oog viel, bij 't

verschuiven van een papier, op een pakketje dat aan mijn adres was. Bij

't openen vond ik een kleine portefeuille _en cuir de Russie_, waarop

met gouddraad mijn naamcijfer geborduurd was, en het woord _souvenir_

met F. M. daaronder. Het was hetzelfde handwerkje dat ik den vorigen

dag in aanvang had gezien. Het had haar moeite gekost; zij had er

mogelijk een deel van den nacht voor opgezeten, en ik ondankbare had

zoo onbarmhartig gespot met haar gemis van vaardigheid. Het bleek ten

minste dat het haar niet aan geduld en volharding haperde. Bij het

doorsnuffelen vond ik een muntbiljet in couvert, waarop geschreven

stond: In dank terug, haar naam en de datum, een staaltje van haar

ferme en kloeke hand, dat mij zeer begeerig maakte naar meer; maar

ik vond niets. Het was eigenlijk eene damesportefeuille, en niet eens

geheel nieuw. Het arme eerlijke schepsel had de eerste gelegenheid de

beste waargenomen om hare schuld af te doen en mij hare dankbaarheid te

toonen, en ik was in eene kwade luim geraakt en had haar gekweld! Hier

was al de teerheid en fijnheid van een echt vrouwelijk hart, dat men

kan wonden en krenken, en dat bloeden zal, maar dat zich toch niet

sluit voor wie er eens in is doorgedrongen. En dat was ik, het scheen

mij eene zekerheid; de pijl die zij in 't wilde had geschoten over

het hechten aan praatjes was mij door merg en been gegaan. Ja! zij

had gelijk, ik was zwak en laf met mijne aarzelingen, met mijn

achterdocht, die de volle uiting mijner gevoelens telkens terugdrong;

dat temporiseeren ben ik moede; ik zal haar nu in ditzelfde oogenblik

opzoeken, en zeggen wat er in mij omgaat; ik heb mijn pretext om haar

te storen, al stoot ze mij af, ik zal mij niet laten verdrijven vóór

zij het noodigste heeft gehoord; dat is in vijf minuten gezegd, en wij

verrassen den generaal op zijn verjaardag met onze verloving! Reeds

was ik opgesprongen en had de kruk van de deur al in mijne hand,

toen ik een zonderling gerucht aan een der ramen waarnam; de blinden

waren niet gesloten, hoewel er licht brandde; het kwam mij voor of

men aan de ruiten tikte. Ik moest terugkeeren om te zien wat het was,

ik hoorde een schorre stem "Francis! Francis!" roepen, en ik zag eene

hand die zich aan het hout vastklemde.

"Francis! kom mij te hulp of ik zal die vermolmde roeden breken,"

riep de stem.

Ik antwoordde niet en kwam ook niet te hulp; ik wilde zien hoe de

binnendringer zich over het bezwaar heenhielp. Dat ging vlug genoeg;

het oude houtwerk kraakte als riet; een hoofd kwam ras door de opening;

de beide handen leunden op het houten kozijn; er kraakte nog wat hout

en wat glas, en de persoon, die niet tegen inbraak scheen op te zien,

was met een forschen en vluggen sprong binnen.

"Wat wilt ge van de freule Mordaunt?" vroeg ik, den stouten indringer

tegentredende met een wantrouwen, dat nu niet ongerechtigd was.

"Een vreemdeling hier!" riep hij uit, in plaats van antwoord te geven;

"dat verwondert mij; ik dacht niet dat ze meer aan logeergasten deden."

"Mij dunkt ik heb nog meer reden om verwonderd te zijn over de wijze

waarop gij hier binnenkomt ...."

"Ja! die is _somewhat irregular_, dat erken ik; maar ik ben daarom

toch geen dief, geen inbreker; ik kom eenvoudig zoo binnen, omdat ik

in huis geene opschudding wilde maken en zeker meende te zijn Francis

hier te zullen vinden daar ik licht zag, en niet raden kon, dat er

iemand vreemd was. Maar nu ik er eenmaal ben, moet gij mij toestaan

wat te rusten, en te overleggen hoe ik Francis te spreken kan krijgen,"

en hij liet zich neervallen op de groote ouderwetsche sofa.

"Br! dat ding is ook al weer wrakker geworden," gromde hij, toen het

meubel onder zijn zwaarte dreunde, en rondziende, sprak hij halfluid:

"hé, dat staat kaal! de oude familieportretten zijn weg! Zeker door

de mot en de rotten opgegeten met huid en haar."

Alles bewees dat de man hier geen vreemdeling was. Zijne manieren waren

vrij en _sans gêne_, maar niet eigenlijk gemeen; zijne kleeding ook had

niets van een haveloozen vagebond, al was zij eenigszins fantastisch

en opzichtig, een kort zwart fluweelen jasje met metalen knoopen,

een kleurige _foulard_ losjes om den hals geknoopt, een pantalon

collant van paarlgrijs laken en verlakte rijlaarzen met sporen,

zware gemsleeren handschoenen, en de _chapeau croqué_, die op den

grond gevallen was bij zijn woesten sprong, stelden een elegant

rijgewaad daar, zooals een vreemdeling of een student het zich ten

onzent zou veroorloven.

"Hebt gij hier niet wat voor mij te drinken?" vroeg hij, nadat hij mij

den tijd had gegund hem eens goed op te nemen; "al is het maar een glas

water? Ik heb goed drie uur te paard gezeten, om de wandeling naar de

Werve niet mee te rekenen, en ik ben heesch van het stof." Hij sprak

zijn Hollandsch met zeker vreemd accent; hij had het voorkomen van

een vijftiger, hoewel hij mogelijk jonger kon zijn; zijne levendige,

bewegelijke trekken, die nooit in rust waren, de menigte fijne rimpels

op zijn verbrand voorhoofd, en de matte bleekheid van zijn gelaat

getuigden van sterke hartstochten en van: "campagnejaren," zooals

Francis zou zeggen. Een oogenblik viel het mij in of ik hier met lord

William te doen had; maar hij geleek niets op Willem III; integendeel,

hij had veeleer een physionomie à la Rabelais, kort ineengedrongen

met een wipneus, dikke sensueele lippen met een rosachtigen knevel

en grijsachtig groene oogen, die schalk en vermetel rondkeken.

Hoe ongepast zijn optreden ook zijn mocht, ik vond geen reden om hem

een glas water te weigeren; toen ik het hem aanbood kon ik mij niet

onthouden te zeggen:

"Gij schijnt hier met de localiteit bekend te wezen .."

"Ja! nogal, en dat's geen wonder: ik heb hier menig guitenstuk

uitgevoerd in mijne jeugd; maar gij, mijnheer, wie zijt gij eigenlijk;

een adjudant van den kolonel of een _protégé_ van Francis, dat gij

hier zoo logeert!"

"Mij dunkt, ik zou veeleer recht hebben u te vragen wie gij zijt,

dat gij hier zoo binnendringt?"

"Dat is waar, en ik zou het u met pleizier zeggen, maar het is een

geheim dat niet alleen het mijne is, en ik heb mijn reden om het niet

zoo aan de eerste de beste over te leveren; noem mij master Smithson;

dat is mijn pseudoniem voor dit oogenblik."

"Heel goed; maar wat wilt gij dan eigenlijk, master Smithson?"

"Allereerst dat gij hier de blinden sluit, want daar komt

verschrikkelijk veel tocht binnen."

"Het idée is niet slecht; had ik daar eerder voor gezorgd mogelijk

zou ik de eer van uw gezelschap gemist hebben...."

"Hm! dat is nog zoo zeker niet, lieden als ik weten voor alles raad."

"Als dat zoo is zult gij mij verplichten met mij te zeggen hoe gij

het denkt aan te leggen om de freule Mordaunt te spreken."

"Ik zal u verzoeken haar even te waarschuwen dat ik hier ben...."

"Gelooft gij dat die tijding haar genoegen zal doen?"

"Pristie!.... dat mag ik niet verzekeren, maar.... zij zal toch

komen. Zij heeft wel wat voor mij over."

"Hier komen, op mijne kamer!"

"Bah! zij is geen _prude_, onze Majoor Frans...."

Majoor Frans · 第 10 / 17 题