De titel zal den meesten jongens een lijn op den najaarshemel bij
zonsondergang voor den geest roepen, waar iets geheimzinnigs aan is;
of anders een donkeren driehoek die zich hoog en snel zuidwaarts
beweegt, tegen Dankdag. Enkelen, die bosschen en velden om hun
woonplaats goed kennen, mag hij doen denken aan een eenzaam vijvertje,
waaruit een donkere vogel snel opstijgt, ver buiten zijn bereik,
die de waterrimpels achterlaat spelend tusschen het riet. Aan wie
gewend zijn goed uit te kijken zal hij nog vijf of zes vogels te
binnen brengen, kleine, donzige beestjes, die veilig tusschen wortels
en gras wegschuilen, zoo stil, dat iemand zelden hun aanwezigheid
vermoedt. Maar de eend, zooals het meeste jachtwild, houdt van de
eenzaamheid, en de jongens moeten zich tevreden stellen met slechts
af en toe een glimp.
Dit geldt vooral van de donkere eend, meer algemeen onder den naam
van zwarte eend bij de jagers bekend; want zij is een echte wilde
eend, zoo wild dat je haar met een geweer moet bestudeeren en lang
bestudeeren eer je veel van haar afweet. Op een gewonen zwerftocht
met een kijker, de oogen goed open, zou je haar in de verte kunnen
zien, een zeldzaam gezicht, maar slechts wie haar winter voor,
winter na als jager volgt, met heel wat meer ontmoediging dan succes,
leert allerlei kleine bijzonderheden uit haar intieme leven kennen;
want de schuwheid is haar aangeboren en er is geen ervaring met een
mensch toe noodig om die te ontwikkelen. Op de eenzame meren midden
in een Canadeesch woud, waar ze den mensch misschien voor het eerst
ontmoet, is ze dezelfde als wanneer ze nestelt aan het uiteinde van
den een of anderen molenvijver in 't gezicht van een drukke stad
in Nieuw-Engeland. Andere eenden kunnen bijtijds tam gemaakt worden
en als lokeend gebruikt, maar zij niet. Verscheiden keer heb ik het
met gekortwiekte exemplaren geprobeerd, maar de uitslag was altijd
hetzelfde. Ze werkten dag en nacht om te ontsnappen, terwijl ze alle
voedsel, zelfs water weigerden, tot ze hun omheining uitbraken of
bijna stierven van honger, en dan liet ik ze los.
Zeker voorjaar besloot een boer met wien ik soms ga jagen het eens
met jonge vogels te probeeren. Hij had het nest van een zwarte eend
in een dicht begroeid moeras vlak bij een zoutkreek gevonden en had
de eieren met wat andere onder een tamme eend laten uitbroeden. Elken
keer dat hij het hok naderde doken de kleintjes weg en verscholen zich,
en ze konden er niet toe gebracht worden zich te vertoonen, ofschoon
hun tamme kameraadjes heel tevreden aan 't pikken en ronddribbelen
waren. Na een paar weken, toen hij meende dat ze eenigszins aan hun
omgeving gewend waren, liet hij 't heele broedsel den oever afgaan
stroomaf, net voorbij zijn huis. Nauwelijks waren ze vrij, of de
wilde vogels scharrelden haastig het riet in, zoodat je ze niet meer
zien kon, en hoe angstig de moedereend van haar kant ook kwaakte,
ze vermocht ze niet in gevangenschap terug te brengen. Hij heeft ze
nooit weergezien.
Die gewoonte van de jonge vogels om zich onzichtbaar te maken door
weg te duiken, is een veiligheidsmaatregel dien ze herhaaldelijk
toepassen. Op bijna elken afgelegen vijver of meer in Nieuw-Engeland
waar de vogels in 't vroege voorjaar hun nesten komen bouwen is
zoo'n broedsel te vinden. Wie van een verscholen plekje aan den oever
toekijkt ziet ze duiken en rondzwemmen in de grootste vrijheid, overal
op jacht naar eten. Het volgende oogenblik verspreiden ze zich en zijn
zoo plotseling verdwenen, dat je je bijna de oogen uitwrijft om je te
vergewissen dat de vogels werkelijk weg zijn. Wie dicht genoeg in de
buurt is (niet waarschijnlijk, tenzij hij heel behoedzaam te werk ging)
heeft een zacht geklok van de oude moeder gehoord, die nu met haar hals
rechtop uit het water zoo stil zit, dat zij makkelijk voor een van
de oude stronken of uitsteeksels waar ze hun voedsel tusschen zoeken
gehouden kan worden. Ze kijkt rond om te zien of de kuikens alle goed
verscholen zitten. Na een poosje klinkt er weer een geklok dat heel
veel op het eerste lijkt, en kleine donzige diertjes komen uit het riet
duikelen of van vlak naast de stronken, waar je een oogenblik te voren
nog keek zonder iets te zien. Dit wordt met herhaalde tusschenpoozen
overgedaan, want de bedoeling is klaarblijkelijk de jonge vogels er
aan te wennen onmiddellijk weg te schuilen zoodra een gevaar nadert.
Maar de oude vogel is zoo waakzaam, dat er maar zelden onraad dreigt
zonder dat zij er van weet. Zijn de jongen goed verstopt op de eerste
aankondiging van den vijand, dan vliegt ze op en laat ze achter,
om als 't gevaar geweken is terug te keeren en ze nog roerloos in
hun schuilhoek gedoken te vinden. Wanneer ze overvallen wordt, doet
ze als andere vogels die gejaagd worden--floddert onder veel geplas
voort met een vleugel slepend alsof ze gewond was, tot ze je weggeleid
heeft van de jongen, of je aandacht lang genoeg bezig gehouden heeft
en ze veilig verscholen zijn; dan vliegt ze op en laat je achter.
De gewoonte om zich te verschuilen komt er bij de jonge vogels zoo
vast in, dat ze er nog op vertrouwen lang nadat de vleugels gegroeid
en zij zelf in staat zijn vliegend te ontkomen.
Ik heb in 't vroege voorjaar den boeg van mijn kano wel eens bijna over
een volwassen vogel gejaagd die in een graspol verscholen lag, voordat
hij de lucht in schoot. Een maand later kon dezelfde kano nauwelijks
die plaats tot op een kwart mijl naderen of hij sloeg op de vlucht.
Als ze eenmaal op hun vleugels hebben leeren vertrouwen, geven
ze 't wegschuilen op voor de snelle vlucht. Maar ze vergeten hun
jeugdoefening nooit en wanneer ze gewond zijn, verstoppen ze zich
zoo listig dat het merkwaardig is. Tenzij je een goeden hond hebt,
is het bijna nutteloos om een aangeschoten eend te zoeken als ze de
een of andere dekking kan bereiken. Zich verstoppen onder een oever, in
't hol van een muskusrat krabbelen, zich een weg wurmen onder een hoop
dor gras of een pak bladen, steeds om een groep struiken heenzwemmen
net buiten den gezichtskring van haar vervolger, duiken en weer boven
komen achter een pol gras--ziedaar enkele van de manieren waarop ik
weet dat een zwarte eend tracht te ontsnappen. Twee keer heb ik van
oude jagers gehoord dat ze een vogel hadden gevonden, die zich onder
water aan een bosje gras vastklemde, ofschoon ik het nooit gezien heb.
Eens heb ik, verdekt opgesteld, een zwarte eend naar den oever
zien zwemmen, landen en in een kleine groep boschbessen zien
verdwijnen. Karl, dien ik bij me had, draafde er heen om haar te
krijgen, maar gaf het na een halfuur zoekens op. Toen probeerde ik het,
maar gaf het ook op. Een uur later zagen we den vogel uit dezelfde plek
komen waar we gezocht hadden en 't water ingaan. Karl schoot met een
kreet te voorschijn en de vogel verborg zich weer in de struiken. Weer
doorzochten we de groep aan alle kanten, maar we konden geen eend
ontdekken. We keerden ons een tweeden keer af, toen Karl uitriep:
"Kijk eens!"--en daar, in 't volle gezicht, bij den eigen witten
steen waar ik haar had zien verdwijnen, was de eend, of liever de
roode poot van de eend, die uit een wirwar van zwarte wortels stak.
Bij de eerste felle vorst, die dreigt de vijvers, waar ze den
zomer in doorgebracht hebben, met een ijslaag te bedekken, gaan de
inlandsche vogels naar de zeekust, waar het den heelen winter zoo'n
beetje heen-en-weer trekken is. De groote massa der eenden beweegt
zich langzaam aan naar 't Zuiden als 't een strenge winter wordt;
maar als er een overvloed van voedsel is, overwinteren ze langs de
heele kust. Dan kunnen ze het best bestudeerd worden.
Overdag zijn ze opgeborgen in stille meertjes en schuilplaatsen,
of rusten ze in groote scharen op de zandbanken goed buiten bereik
van land en gevaar. Als het mogelijk is kiezen ze het eerste, omdat
dit hun frisch water in overvloed verschaft, wat een dagelijksche
behoefte is, en omdat ze, anders dan de duikeenden [4], die dikwijls
in grooten getale op dezelfde zandbanken worden aangetroffen, er niet
van houden zoo eindeloos op de golven rond te dobberen. Maar achter
in den herfst verlaten ze de meren en worden daar zelden meer vóór
de lente aangetroffen, zelfs al is het water open. Ze zijn heel bang
ingevroren te raken of ijs aan hun veeren te krijgen en hebben hun
versche water liever bij de mondingen van kreken en sprengen.
Met al hun voorzichtigheid--en ze zijn heel goede weerprofeten,
die de getijden en de komst van stormen net zoo wel kennen als de
dagen dat stroomend water bevriest--komen ze toch soms bedrogen
uit. Eens heb ik een koppel van vijf in grooten nood aangetroffen,
die terwijl ze sliepen stellig in het dunne ijs waren vastgevroren
met hun kop in de vleugels gestoken. Een anderen keer vond ik één
vogel die rondfladderde met een groot stuk ijs en modder aan zijn
staart. Hij had waarschijnlijk bij ebbe een massa insecten ergens in
de zachte modder gevonden en was daar te lang gebleven, terwijl de
thermometer op 't vriespunt stond.
's Nachts is hun etenstijd. Aan de kust komen ze met de schemering
't land invliegen om voedsel te halen. Mist maakt dat ze de kluts
kwijt raken, en geen vogel vliegt graag in den regen, omdat deze de
veeren zwaar maakt; dus op mistige of regenachtige namiddagen komen
ze vroeg of heelemaal niet 't land in.
De meest geliefkoosde plek voor hun maaltijden is een zout moeras
met bronnen en kreken van brak water. Zaden, wortels, zacht gras
en slakken en insecten, die in de modder achter zijn gebleven bij
laag tij, zijn hun gewone wintervoedsel. Als die schaarsch worden,
gaan ze met de duikeenden naar de mosselbanken; dientengevolge wordt
hun vleesch sterk en vischachtig.
Als de eerste vogels vóór donker aankomen waar ze hun voedsel zoeken,
gaan ze met de grootste omzichtigheid te werk en bespieden niet
alleen het meertje of de kreek maar de heele omgeving, voordat ze
neerdalen. De vogels die volgen vertrouwen op het onderzoek van die
't eerst gekomen zijn en strijken gewoonlijk zoo neer. Daarom is
het goed dat wie ze om dezen tijd poogt waar te nemen, er levende
lokeenden op nahoudt en als 't mogelijk is de hinderlaag waarachter
hij zich verdekt wil opstellen al een dag of wat van te voren gemaakt
heeft, zoodat de vogels, die misschien al op die plek hun voedsel
gezocht hebben, geen ongewoon ding zien als ze er aankomen. Wanneer
het een nieuwe hinderlaag is, zullen alleen vreemde vogels regelrecht
naar de lokeenden toevliegen. Die er eerder geweest zijn zullen òf
vol schrik afzwenken òf anders de schuilplaats heel behoedzaam aan
alle kanten onderzoeken. Als je nu kunt wachten en doodstil zitten,
zullen de vogels ten leste vlak boven de hinderlaag komen vliegen
om er in te kijken. Dat is je eenige kans en je moet er snel gebruik
van maken wanneer je eend voor je middagmaal denkt te eten.
Met maanlicht kun je aan de rivier in 't volle gezicht van je lokeenden
gaan zitten en de wilde vogels zoo lang je wilt bekijken. Het is
slechts zaak doodstil te zitten. Maar het loont niet erg, want je kunt
nooit zien wat ze uitvoeren. Eens had ik er een dertig of veertig op
die manier vlak om me heen. Een plotselinge beweging met mijn hoofd,
toen een vleermuis tegen mijn wang aanflapte, joeg ze alle in wilde
vlucht naar den open oceaan.
Iets merkwaardigs, bij deze vogels vaak waargenomen als ze 's avonds
komen aanvliegen, is dat ze 't in hun macht hebben om hun vlucht al
naar ze willen sterk hoorbaar of bijna geruischloos te maken. Soms is
't geruisch zoo licht dat je het nauwelijks hoort, behalve als het
doodstil in de lucht is; dan weer is het een krachtig wisj, wisj,
dat op een afstand van een kleine tweehonderd meter te vernemen
is. De eenige verklaring die ik aan de hand kan doen is dat het als
een soort sein gebeurt. Overdag en op lichte avonden hoort men het
zelden, maar op donkere avonden heel dikwijls, en het wordt altijd
beantwoord door 't gekwaak van vogels die al aan 't voedselzoeken zijn,
waarschijnlijk om de komenden te leiden. Hoe ze het doen staat niet
vast; waarschijnlijk op een zelfde wijze als de nachtzwaluw haar
eigenaardig snorrend geluid maakt--niet met den open bek, zooals
gewoonlijk verondersteld wordt, maar door even de slagpennen uit de
vleugels te keeren, zoodat de lucht ze doet trillen. Hier kunt ge
de proef van nemen als ge wilt, door tegen de eerste de beste stijve
veer te blazen.
Op stormachtige dagen strijken de vogels, in plaats van op de
zandbanken te gaan rusten, bij een verlaten deel van het strand neer,
en na zorgvuldig een paar uren te hebben rondgespied, om er zeker van
te zijn dat er geen gevaar dreigt, zwemmen ze naar wal en verzamelen
zich in groote klompen op een beschutte plek onder den oever. Het
is wel een verleidelijk schouwspel daar misschien een honderd van
die prachtige vogels dicht op elkaar gepakt op het strand te zien,
de meeste met den kop onder de veeren gestoken, vast in slaap; maar
als je hen wilt verrassen moet je als een slang worden en kruipen
en geduld oefenen. Over het strand aan weerszijden verspreid, staan
eenzame vogels of groepjes die blijkbaar als schildwachten dienst
doen. De kraaien en zeemeeuwen vliegen onophoudelijk langs de lijn van
't getij om voedsel te zoeken, en als ze over een van deze groepjes
eenden vliegen, stijgen ze onveranderlijk in de lucht en kijken over
den heelen oever uit. Je moet goed verscholen zitten wil je aan die
heldere oogen ontgaan. De eenden verstaan de kraaien- en meeuwentaal
uitstekend en stellen groot vertrouwen in deze vriendschappelijke
wachtposten. De meeuwen schreeuwen en de kraaien kaën den heelen dag
door en geen eend licht haar kop uit den vleugel; maar op hetzelfde
oogenblik dat kraai of meeuw, wie ook, haar sein van gevaar geeft,
is elke eend de lucht al in, regelrecht van de kust af.
Die voortdurende waakzaamheid van de zwarte eenden is misschien
wel het merkwaardigste aan haar. Wanneer ze 's avonds voedsel aan
't zoeken zijn in een eenzaam moeras, of overdag diep in 't hartje
van het drassige land verscholen liggen, schijnen ze nooit ook maar
een oogenblik te vergeten op hun hoede te zijn, evenmin alleen op
hun schuilplaatsen te vertrouwen voor bescherming. Zelfs als ze
vast liggen te slapen tusschen 't moerasgras, met den kop onder de
vleugels gestoken, is er een zenuwachtige waakzaamheid in de houding
alleen al, die aan gevaar doet denken. Gewoonlijk moet je je tevreden
stellen met ze door een kijker te bestudeeren; maar eens had ik een
heel goede gelegenheid ze van vlakbij te bekijken, ze als 't ware de
loef af te steken in hun eigen spelletje van verstop. Het was op een
grazig meertje, ingesloten door hooge heuvels in de open moerassen van
Nantucket. Het meertje lag midden in een vlakte, misschien een negentig
meter van den naasten heuvel. Geen boom of rots of struikgewas bood
eenige schuilplaats aan den vijand; de eenden konden daar slapen,
even zeker dat ze 't naderend gevaar zouden zien aankomen alsof ze
op den open oceaan waren.
Op een herfstdag kwam ik eens langs die plek, en terwijl ik behoedzaam
over den top van een heuvel keek zag ik een eenzame zwarte eend uit
het moerasgras aan den oever van het meer te voorschijn zwemmen. De
koele bries in mijn gezicht bracht me er toe een poging te wagen naar
beneden te kruipen, tot dicht bij den oever, om te zien of het mogelijk
zou zijn daar vogels te naderen als ik er op mijn volgende jacht wat
vond. Vlak onder me, aan den voet van den heuvel, was een moerassig
stroompje dat naar het meertje vloeide, en gras van bijna een voet
hoog groeide langs zijn kanten. Dat moest ik zien te bereiken. Na
een paar minuten te hebben rondgekeken verdween de eend weer in het
gras en de biezen en ik begon den heuvel af te kruipen met mijn blik
onafgebroken op het meer. Halverwege was ik naar beneden toen er weer
een eend verscheen, en ik liet me plat op de helling vallen in 't
volle gezicht. Natuurlijk zag de eend het vreemde ding wel. Er ontstond
beroering in het gras; hier en daar kwamen kopjes te voorschijn. Het
volgende oogenblik waren er tot mijn groote verbazing wel meer dan
vijftig zwarte eenden in de grootste onrust aan 't rondzwemmen.
Ik bleef doodstil liggen kijken. Vijf minuten gingen voorbij; toen
hield alle beweging in den plas plotseling op; elke eend zat met den
nek rechtop uit het water mij strak aan te kijken. Zoo stil waren
ze, dat men ze makkelijk voor stronken of veenklompen kon hebben
gehouden. Na een paar minuten op deze manier gekeken te hebben schenen
ze voldaan en gleden ze terug in het gras, telkens een paar tegelijk.
Nauwelijks waren ze alle verdwenen of ik liet me den heuvel
afrollen, bereikte het stroompje en werd door en door nat toen
'k er in plaste. Daarna ging 't vooruitkomen zonder ontdekt te
worden gemakkelijker, want zoodra een eend zich vertoonde om rond
te kijken--wat in 't eerst bijna elke minuut gebeurde--kon ik me
onzichtbaar in 't gras laten vallen.
In een half uur had ik den rand van een lagen oever bereikt, goed
met grof watergras en biezen bedekt. Voorzichtig schoof ik dat weg,
keek er door, en mijn adem stokte me bijna in de keel, zoo dichtbij
waren ze. Vlak onder me, geen zes voet van me af, was een groote woerd,
met zijn kop zoo dicht tegen zijn lichaam, dat ik me afvroeg wat hij
met zijn nek had uitgevoerd. Zijn oogen had hij dicht; hij was vast
in slaap. Vóór hem waren acht of tien of meer eenden dicht bijeen,
alle met den kop onder de vleugels, overal in het riet verspreid,
die sliepen of bezig waren in hun glimmend zwarte veeren te pluizen.
Behalve 't genot ze gade te slaan, de eerste zwarte eenden die ik
ooit zoo argeloos gezien had, smaakte ik de voldoening te overdenken
hoe prachtig ik ze te slim af geweest was bij hun eigen spelletje van
scherp-uitzien. Wat zouden ze opgevlogen zijn, als ze slechts geweten
hadden wat daar in 't riet lag zoo vlak bij hun schuilplaats! Elk
oogenblik in den beginne, als ik een paar zwarte oogjes knippen of een
kop van onder een vleugel uit zag komen, voelde 'k me ineenkrimpen bij
de gedachte dat ik ontdekt was; maar dat werd na een poosje beter,
toen ik merkte dat de oogjes nog al slaperig knipten en de halzen
alleen te voorschijn gebracht werden om ze uit te rekken, zooals wij
eens op ons gemak zouden gapen.
Eens werd ik op heeter daad betrapt, maar gras en biezen en 't feit
dat ik zoo vlak bij was redden me. Ik had mijn hoofd opgebeurd en
lag met mijn kin in de handen vol belangstelling een jonge eend op
te nemen die heel uitvoerig toilet maakte, toen er van den anderen
kant plotseling een oude vogel in het open water schoot en me in
't oog kreeg, terwijl ik me liet vallen om niet gezien te worden. Er
klonk een zacht, scherp gekwek dat elke eend onmiddellijk klaar wakker
uit haar schuilplaats te voorschijn bracht. Eerst schoolden ze alle
samen aan den anderen kant en staarden recht naar den oever waar ik
lag. Waarschijnlijk zagen ze mijn voeten die uit het riet staken,
want ik lag languit. Toen kwamen ze geleidelijk nader, tot ze weer
binnen den grilligen rand van het moerasgras waren. Sommige van hen
gingen geheel overeind op hun staart zitten door een heftig gebruik
van hun vleugels te maken, en rekten hun halzen uit om over den lagen
oever te kijken. Slechts doodstil te liggen was mijn behoud. Binnen
de vijf minuten waren ze weer rustig; zelfs de jonge eend scheen haar
ijdelheid vergeten en was gaan slapen met de andere.
Een uur of drie lag ik ze daar door het riet te bespieden, en 't was
wel heel onbeleefd dat 'k daar maar zoo in de intimiteit van hun
huiselijk leven neusde. Toen de lange schaduw van den westelijken
heuvel zich over den poel uitstrekte tot ze den oostelijken oever
verduisterde, ontwaakten de eenden een voor een uit haar dutje en
begonnen ze rond te scharrelen om haar vertrek voor te bereiden. Weldra
waren ze midden in het open water verzameld, waar ze een oogenblik
heel stil bleven zitten met opgeheven koppen, klaar. Als er een sein
gegeven is heb ik het niet gehoord. Op één en hetzelfde oogenblik
sloeg elk vleugelpaar met een harden klets op het water en ze schoten
steil naar boven, op die merkwaardige manier die ze hebben, alsof ze
door een sterke veer geworpen worden. Een oogenblik leek het alsof
ze roerloos hoog boven het water in de lucht hingen; toen zwenkten
ze en verdwenen haastig over den oostelijken heuvel naar de moerassen.