Shelldrake of schelpeend is de naam waaronder deze eend in 't
Engelsch algemeen bekend staat, ofschoon het moeilijk valt uit
te maken waarom ze zoo genoemd wordt. Waarschijnlijk is die naam
haar door jagers gegeven die haar alleen 's winters zien, wanneer
de honger haar noopt mossels te eten--maar zelfs dan houdt ze veel
meer van waterslakken. De naam visch-eend, dien men wel eens hoort,
is veel eigenaardiger. De lange, dunne bek met zijn gezaagde kanten,
waarvan de tanden in elkander passen als die van een berenval, er
juist op berekend om een glibberigen, kronkelenden visch te grijpen
en vast te houden, toont duidelijk genoeg van welken aard het voedsel
van dien vogel is, zelfs aan wie hem niet heeft zien visschen op de
meren en rivieren die 's zomers zijn verblijfplaats zijn.
Diezelfde snavel is, tusschen twee haakjes, soms een bron van
gevaar. Eens zag ik aan de kust hoe een zaagbek tevergeefs trachtte
tegen den wind in te vliegen, die hem ruw het hooge riet vlak bij
me inwierp. Het volgende oogenblik had Don, mijn oude hond, hem te
pakken. In een hongerig oogenblik had de vogel zijn snavel door de
beide schelpen van een oester gehakt, die tot aan zijn neusgaten
was gegleden of zich naar boven had gewerkt en den vogel totaal
muilbandde met een harden schelpring. De stakkerd kon na wanhopige
pogingen zijn bek nauwelijks wijd genoeg opendoen om te drinken of
het kleinste stukje door te slikken. Hij moest lang in dien toestand
verkeerd hebben, want de snavel was half doorgesleten, en hij was
zoo licht dat de wind hem als een groote veer rondblies wanneer hij
poogde te vliegen.
Gelukkig was Don een goed apporteur en bracht hij me de eend zonder dat
er zooveel als een slagpen aan gekrenkt was, zoodat ik de voldoening
smaakte haar uit haar gevangenschap te verlossen en vrij te laten met
een heerlijke vaart. Maar er stond te veel wind voor haar, zij viel in
't water en zeilde de haven af als een dame met te wijde rokken en een
te grooten hoed in bluisterig weer. Ondertusschen lag Don op het zand
met den kop in de hoogte en opgestoken ooren ongeduldig te janken,
tot ik "apporte" zou zeggen. Toen liet hij zijn kop neerzinken,
haalde diep adem en probeerde te ontraadselen waarom zoo'n man op
een vorstigen dag in Februari toch op een vogel zou uittrekken en
rondsjouwen en roeien en zich nat maken, alleen om hem los te laten
zoodra hij eerlijk gevangen was.
Kwasleko, de zaagbek, leidt een dubbel bestaan. 's Winters is hij bijna
overal langs de kust van Massachusetts en meer zuidelijk te vinden,
waar hij een hondenleven heeft, hoe vroolijk hij er ook uitziet. Een
honderdtal geweren paffen naar hem, waar hij zich maar vertoont. Van
ochtendkrieken tot donker toe heeft hij geen minuut om zijn hapje
visch op te eten of in vrede een uiltje te knappen. Hij vliegt naar den
oceaan en gaat met zijn makkers op de breede, open zandbanken voor alle
veiligheid ter ruste. Maar de oostenwinden blazen en de zandbanken zijn
één ziedende uitgestrektheid van over elkander stortende golven. Ze
smakken hem heen en weer, ze havenen zijn vroolijke veeren, ze maken
zijn slagpennen vochtig, niettegenstaande zijn ervarenheid in het
zwemmen. Dan zoekt hij de kreken en inhammen op.
Langs de kust is een koppel van zijn eigen familie naar 't schijnt
in kalm water voedsel aan 't zoeken. Niets kwaads vermoedend vliegt
hij er recht op aan, terwijl 't morgenlicht vol op zijn witte borst
en zijn helderroode pooten schijnt, als hij zich schrap zet om te
water te gaan. Maar paf, paf! gaan de geweren en klets, klets! vallen
zijn makkers, en uit een hoop zeewier komen een man en een hond te
voorschijn en hij trekt, droevig verbaasd over die geverfde dingen
op het water, af, om dat alles in honger en verdriet te overdenken.
Dan wordt het koud weer en een nachtvorst bedekt alle plaatsen waar
hij zijn eten zoekt. Onder zijn mooie veeren steken de botten uit
en bederven de lijn van zijn ronde, welgedane lichaam. Hij is nu
uitgehongerd, kijkt naar de meeuwen, om te zien wat die eten. Wanneer
hij er achter is, vergeet hij zijn behoedzaamheid en zwerft op het
strand rond op zoek naar verdwaalde mossels. Inde lente drijft de
honger hem naar de meren, waar een overvloed van voedsel is--neen
maar, een voedsel! In een week is zijn vleesch zoo sterk, dat een
kraai het nauwelijks zou willen eten. Alles bij elkaar genomen is het
geen groot wonder, als hij, zoodra zijn instinct hem waarschuwt dat
de rivieren van het Noorden open zijn en de forellen stroomop zwemmen,
maakt dat hij in een oord van gelukkiger herinneringen komt.
's Zomers vergeet hij zijn ontberingen. Zijn bestaan is zoo vredig als
een beekje in de wei. Zijn tehuis is de wildernis--een eenzaam meer
misschien, dat sparkelt onder de zomerzon of door den zuidenwind in
duizenden glimlachende rimpels gekust wordt. Of mogelijk is het een
rivier in het bosch, die zich voortslingert langs beboomde heuvels
en grazige landtongen en eenzame cedermoerassen. In verborgen,
ondiepe baaien plassen de jonge broedsels rond, terwijl ze leeren
zwemmen en duiken en zich-in-veiligheid-brengen. Van uit het diepe
water komt het neerplonzen van den vischarend. Een luidruchtige
ijsvogel, rustelooze druktemaker die hij is, ratelt rond van boom
naar boomstomp. 't Gezoem van insecten vervult de lucht met een
dommelig gemurmel. Nu tript een hert sierlijk de landtong af en
kijkt--en luistert--en drinkt. Een groote eland waadt onbeholpen
het water in om zijn kop onder te dompelen en te gaan trekken aan de
leliewortels. Het jonge broed trekt zich echter van die onschuldige
dingen niets aan. Maar soms, als de middag ten einde loopt, draaien
ze hun kopjes achterdochtig om, wanneer de elzen kraken en zwiepen
aan den oever boven hen; een zacht geklok van de moeder zendt ze
alle het gras in om zich te verschuilen. Wat zijn ze vlug verdwenen,
zonder ook maar een spoor achter te laten! Maar het is slechts een
beer, die de helling waar hij heeft liggen slapen afkomt, om eens te
zien of hij voor zijn avondmaal ook een dooden visch kan vinden; en
't is alsof het jonge broed lacht, wanneer weer een zacht geklok hen
haastig uit hun schuilplaats te voorschijn doet scharrelen.
Eens komt er misschien een echte schrik, wanneer hun geoefendheid
van zoo'n heelen zomer op de proef wordt gesteld. Ze hooren een
ongewoon geluid--en om de bocht glijdt een schorskano met 't gerucht
van menschenstemmen. De jongen maken samen dat ze wegkomen en de
rivier achter hen schuimt als het zog van een stoombootje, wanneer de
snel-zich-roerende pooten hen bijna uit het water heffen. Visioenen
van den oceaan, de geweren, vallende vogels en den strengen winter
brengen de moeder buiten zichzelf. Ze fladdert wild om de jongen heen,
nu eens de leiding nemend, dan weer dapper zich tegen het monster
te weer stellend; nu een zwakken, kleinen treuzelaar voortduwend,
dan weer wiekkleppend alsof ze gewond was in de buurt van de kano,
om de aandacht van de jongen af te leiden. Maar eindelijk zijn ze
de landtong om en verstoppen ze zich onder de elzen. De kano komt
aanglijden en doet geen poging hen te vinden. Stilte heerscht weer
over het bosch. Het kleine grut komt naar 't ondiepe water terug,
terwijl de moeder er klapwiekend omheen zwemt om nog eens en nog eens
te tellen of er ook eentje ontbreekt. De ijsvogel komt uit zijn hol in
den oever. De rivier stroomt verder als te voren, de rust keert weer,
en over 't geheel ligt de geheimzinnige bekoring van de wildernis en
de vrede van een zomerdag.
Zoo komt me dat alles daar voor als ik aan den overkant onder
den grooten spar de vogels door mijn verrekijker gadesla, zelf
onzichtbaar. Dag in dag uit heb ik zulke schooltjes bespied,
onopgemerkt door den argeloozen moedervogel. Soms was het de
a-b-c-klasse: nietige, donzen dingetjes, die les kregen in 't zich
verstoppen op een lelieblad en nooit een belooning voor verdienste in
den vorm van een jonge forel ontvingen, of ze moesten zich zoo goed
verscholen hebben dat de leerares (wel wat over-critisch, vond ik)
tevreden was. Dan weer waren het de candidaten, die hun talenten
ten toon spreidden voor den ongevraagden bezoeker, door als een
flits uit het gezicht te verdwijnen en het water te doorklieven
als een lichtstraal, om op den bodem een jonge forel te grijpen
met de snelheid en de zekerheid bijna van de leermeesteres. Het was
wonderbaarlijk, dat duiken en zwemmen, en de moeder keek toe en gaf
kwakend haar tevredenheid te kennen: nu waren ze volleerd. Dit is
ook wat bijzonders: 's winters zijn de vogels stom; ze vinden hun
stem slechts voor de jongen terug.
Terwijl die zorgvuldige opvoeding thuis plaats heeft, is 't
mannetje ginder ergens op de meren met zijn vroolijke vrienden
aan 't plezier-maken en veronachtzaamt geheel zijn vaderlijke
verantwoordelijkheid. Ik heb wel eens groepjes van vijf of zes
gevonden, lustige maatjes alle, die onder elkaar aan een eind van
een groot meer woonden, waar 't vischwater best was. Den heelen zomer
zwerven en dolen ze rond zonder zorg, blij als zomersche kampeerders,
en laten ondertusschen de moedervogels achter om hun kroost eten te
geven en op te voeden. Slechts ééns heb ik gezien dat een mannetje
deelde in de verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Ik heb drie
dagen op de loer gelegen om achter de reden van zijn toewijding te
komen, maar den derden avond verdween hij en ik heb hem nooit weer
gezien. Of de mannetjes lui zijn en zich uit de voeten maken, of
dat ze de bloeddorstige gewoonte van veel manlijke vogels en andere
dieren hebben om hun jongen te dooden en daarom door de wijfjes worden
weggejaagd, heb ik niet kunnen uitmaken.
Deze vogels zijn buitengewoon schadelijk in water waar forellen
zitten. Dat een kampeerder ze 's zomers spaart is uit belangstelling
voor de jongen en vooral om de toewijding van de moeder. Als ze
het minderwaardige mannetje echter aantreffen, wordt hij netjes op
't menu gezet bij andere lekkernijen. 't Gebeurt wel eens dat je een
broedsel overvalt op een snel stroomende rivier. Dan zijn ze eerst
recht van streek! Zoodra ze maar een glimp van de kano zien, maken ze
dat ze wegkomen en zwiepen het water tot schuim in hun vlucht. Niet
aleer ze om de bocht uit het gezicht zijn, hooren ze 't geklok dat
hun zegt weg te schuilen. Sommige vinden niet gauw een schuilplaats
op het vreemde water. De moeder haast ze en verwilderd jagen ze rond
als de snel voortglijdende kano de bocht om komt. Op een noodkreet
van haar gaan ze er alle weer van door, want zelfs den zwakste wil
ze niet met rust laten. Weer verdwijnen ze om den hoek en trachten
zich te verstoppen, weer haalt de kano ze in, en zoo gaat het verder,
mijl na mijl, tot een zijtak of moeraswater dat in de rivier uitmondt
een weg tot ontsnapping biedt. Dan zoeken de kleintjes als een pijl
uit den boog de beschutting van de oevers en glijden geruischloos
stroomop, terwijl de moedervogel net voor de kano de rivier af blijft
fladderen. Als ze die naar haar meening ver genoeg voor de veiligheid
heeft weggelokt, gaat ze vliegen en keert naar haar jongen terug.
Hun uithoudingsvermogen is merkwaardig. Eens, op de Restigouche,
verschrikten we laat op den middag een broed jongen. We dreven voort
in een flinken stroom, op zoek naar een plaats om te kampeeren,
en hadden weinig aandacht voor de vogels, die ons nooit ver genoeg
vóór konden komen om zich veilig te verschuilen. Vijf mijlen [2]
ver bleven ze ons voor, terwijl ze bij elke nieuwe baan uit het water
flodderden en ons ver achterlieten, met een vaart die rechtaan rechtuit
ging. Terwijl we onze tenten opsloegen, waren ze nog stroomaf van
ons. Bij het invallen van de schemering zat ik onbeweeglijk aan de
rivier, toen een lichte beweging ginds bij den tegenovergestelden
oever mijn aandacht trok. Daar was de moedervogel, die onder de
neerhangende struiken heimelijk stroomop gleed. De jongen kwamen er
in een enkele rij achteraan. Nu was er geen watergeplas. Schaduwen
waren niet geruchtloozer.
Tweemaal heb ik ze sindsdien zoo zien doen. Ik twijfel er niet aan
of ze zijn dien avond heelemaal naar de plek waar ze aan 't eten
zoeken waren en waar wij ze den eersten keer opgeschrikt hadden
teruggekeerd, want evenals bij de ijsvogels schijnt elke vogel zijn
eigen gedeelte van de rivier te hebben. Hij vischt nooit in het water
van zijn buurman en zal het nooit dulden dat er in het zijne gestroopt
wordt. Op de Restigouche vonden we om de paar mijlen een broedsel;
op andere rivieren, minder goed van forel voorzien, zijn ze niet
zoo talrijk. Op meren is er dikwijls aan weerskanten een broedsel,
maar ofschoon ik ze zorgvuldig heb gadeslagen, ik heb ze nooit naar
elkanders vischwater zien oversteken.
Op de Groote Toledi zag ik eens een eigenaardig staaltje van hun
opvoeding. Ik pagaaide op een dag over het meer, toen ik zag hoe een
zaagbek haar jongen een kleine baai binnenleidde, waar ik wist dat
het water ondiep was, en dadelijk begonnen ze daar kopje te duikelen,
hoewel erg onbeholpen. Ze kregen klaarblijkelijk hun eerste onderricht
in het duiken. Den volgenden middag was ik daar weer in de buurt. Ik
had met visschen--of liever met kikkersvangen--gedaan, had de kano
in wat hoog gras uit het oog geduwd en zat daar maar zoowat te luieren.
Een muskusrat kwam er aan, wreef met haar neus langs de kano en
knabbelde een leliewortel op, voordat ze mij merkte. Een school
voorntjes speelde tusschen het riet vlak bij. Een waterjuffer stond op
haar kop tegen een riethalm--wat me een heel moeilijke kunst leek. Ze
was net met een kronkeling bezig die me onbegrijpelijk voorkwam, toen
een hert langs den oever kwam trippen en me niet eens zag. Niets doen
is loonend onder zulke omstandigheden, al was het alleen maar om de
kijkjes die het op het dierenleven geeft. Het gebeurt zoo zelden dat
we in de natuur een onbevangen dier zien.
Toen kwam Kwasleko weer met haar jongen in de ondiepe baai en
onmiddellijk begonnen ze net als den vorigen keer kopje te duikelen. Ik
vroeg me af hoe de moeder ze toch liet duiken, tot ik door mijn kijker
keek en zag dat de kleintjes af en toe wat naar boven brachten om te
eten. Maar in dat warme, ondiepe water was toch stellig geen visch te
vangen. Plotseling kreeg ik een ingeving en ik duwde de kano het gras
uit, wat het troepje in wilde verwarring het meer overjoeg. Daar, op
den zwarten bodem, lag een dozijn jonge forellen, alle pas gevangen
en alle met de zwemblaas door den scherpen snavel van de moeder
stukgepriemd. Wel had ze hun middagmaal geschaft, maar ze had het
naar een geschikte plaats gebracht en liet ze duiken om het te krijgen.
Toen ik naar het kamp terugpagaaide, dacht ik aan de manier waarop
de Indianen hun jongens leerden schieten. Ze hingen hun eten in de
boomen buiten hun bereik en lieten ze het touw waaraan het vastzat
met een pijl doorschieten. Hebben de Indianen dat bedacht, vraag
ik me af, met hun juisten kijk op de dingen, bijna even natuurlijk
als die van de vogels, of was het denkbeeld daartoe lang geleden een
Indiaanschen jager ingefluisterd, toen hij Merganser bezig zag haar
jongen te leeren duiken?
Van alle broedsels, die ik in de wildernis heb aangetroffen, was er
geloof ik maar één dat mij en mijn kano ooit zóó leerde kennen, dat
het minder bang voor me was dan de andere. Het was op een meertje in
't hart van de bosschen, waar we op onzen tocht lang bleven hangen,
deels bekoord door de schoonheid van het plekje en deels door het feit
dat er twee of drie beren rondzwierven, die ik soms in de schemering
op den oever van het meer ontmoette. De jongen waren even wild als
van andere broedsels, maar ik trof ze dikwijls en ze vonden mijn kano
soms onbeweeglijk en onschadelijk in hun buurt liggen, zonder dat ze
precies wisten hoe die daar kwam. Na een dag of wat bekeken ze mij
slechts met onrust en nieuwsgierigheid, tenzij ik te dichtbij kwam.
Er waren er zes in dat broedsel. Vijf waren stevige kwantjes, die
't water achter zich deden koken als ze 't meer overschoten, maar het
zesde was een teer ding. Misschien had een havik het te pakken gehad,
of een groote forel of een mink, of had het een botje doorgeslikt, of
misschien was het wel zoo'n zwak kereltje, zonder dat een oorzaak van
buitenaf hem zoo gemaakt had. Altijd als het troepje opgeschrikt werd,
worstelde hij een poosje dapper om ze bij te houden; daarna bleef
hij steeds achter. Dan kwam de moeder terug om hem aan te moedigen
en te helpen, maar het gaf weinig: hij was niet sterk genoeg. En het
laatste dat ik altijd van ze zag, was een schuimend spoor dat om een
landtong in de verte verdween, terwijl heelemaal in de achterhoede
een waterplooi was, waar het kleine ding nog aandoenlijke pogingen
in het werk stelde om weg te komen.
Eens op een middag gleed de kano om een landtong en was bijna
tot bij het troepje gevaren voor ze haar zagen, zoodat ze
danig schrokken. Oogenblikkelijk maakten ze dat ze wegkwamen:
plasse-plasse-plasse-plas, terwijl ze zich bijna uit het water
beurden met hun snel-zich-roerende pootjes en hun kleine vlerken. De
moedervogel vloog op, keerde terug en kruiste met luid gekwaak voor den
boeg van mijn kano heen en weer. Het zwakkelingetje was achter, als
gewoonlijk, maar in een plotselinge aanvechting van nieuwsgierigheid
of slechtheid--want ik voelde werkelijk met het kleintje mee--liet ik
de kano voorwaarts schieten, bijna tot waar het was. Hij trachtte te
duiken, raakte in zijn angst in een leliestengel verward, dook op,
schoot weer onder, en ik zag het tien voet verder in wat riet weer
bovenkomen, waar het onbeweeglijk en bijna onzichtbaar tusschen de
bladen en de gele stengels bleef zitten.
Wat was het bang! Maar wat zat het toch stil! Wanneer ik mijn oogen
ook maar even van hem afwendde moest ik weer zoeken, soms twee of
drie minuten, eer ik hem daar zien kon.
Ondertusschen gingen de andere bijna tot aan den tegenovergestelden
oever eer ze stilhielden, en de moeder, eindelijk gerustgesteld door
mijn kalmte, vloog naar den overkant en kwam tusschen hen neer. Ze
had het kleintje niet gezien. Door mijn kijker zag ik haar steeds
om hen heen fladderen, om toch maar zeker te zijn dat ze er alle
waren. Toen miste zij het. Dat kon ik uit al haar bewegingen zien. Ze
moet dunkt me geklokt hebben, want de jongen verdwenen plotseling en
ze kwam haastig den weg dien ze gekomen was terugzwemmen, kijkend,
turend overal. Ze ging op een veiligen afstand om de kano heen,
terwijl ze tusschen 't gras en de leliebladen zocht en het zachtjes
toeriep voor den dag te komen. Maar het was heel dicht bij de kano en
hevig verschrikt. De eenige uitwerking van haar geroep was dat het
zich stijver tegen de riethalmen drong, terwijl de heldere oogjes,
groot van angst geworden, op mij gevestigd waren.
Langzaam liet ik de kano achteruitglijden, totdat ik om de landtong uit
't gezicht was, ofschoon ik de moeder nog kon zien door de struiken. Ze
zwom haastig rond, daar waar de kano geweest was, en riep luider;
maar het kleintje had zijn vertrouwen in haar verloren of was te
zeer verschrikt: het wilde niet voor den dag komen. Ten langen leste
ontdekte zij het en met gekwaak en vleugelgeklepper, die me eenigszins
overspannen leken, trok ze het uit zijn schuilplaats. Wat een drukte
maakte ze over hem! Wat haastte en hielp en prees en beknorde ze het
den heelen weg over, en wat flodderde ze voor hem uit en klokte het
troepje uit zijn schuilplaats om het tegemoet te komen! Toen, met al
haar jongen om zich heen, zeilde ze de landtong om, de rustige baai
binnen die hun oefenschool was.
En terwijl ik langzaam in de ondergaande zon over 't spiegelgladde
water het meer opdreef, peinsde ik hoe menschelijk dat alles was:
"Zal hij niet de negen-en-negentig laten, en op de bergen heengaande
het afgedwaalde zoeken?" [3]