MERGANSER [1].

Shelldrake of schelpeend is de naam waaronder deze eend in 't

Engelsch algemeen bekend staat, ofschoon het moeilijk valt uit

te maken waarom ze zoo genoemd wordt. Waarschijnlijk is die naam

haar door jagers gegeven die haar alleen 's winters zien, wanneer

de honger haar noopt mossels te eten--maar zelfs dan houdt ze veel

meer van waterslakken. De naam visch-eend, dien men wel eens hoort,

is veel eigenaardiger. De lange, dunne bek met zijn gezaagde kanten,

waarvan de tanden in elkander passen als die van een berenval, er

juist op berekend om een glibberigen, kronkelenden visch te grijpen

en vast te houden, toont duidelijk genoeg van welken aard het voedsel

van dien vogel is, zelfs aan wie hem niet heeft zien visschen op de

meren en rivieren die 's zomers zijn verblijfplaats zijn.

Diezelfde snavel is, tusschen twee haakjes, soms een bron van

gevaar. Eens zag ik aan de kust hoe een zaagbek tevergeefs trachtte

tegen den wind in te vliegen, die hem ruw het hooge riet vlak bij

me inwierp. Het volgende oogenblik had Don, mijn oude hond, hem te

pakken. In een hongerig oogenblik had de vogel zijn snavel door de

beide schelpen van een oester gehakt, die tot aan zijn neusgaten

was gegleden of zich naar boven had gewerkt en den vogel totaal

muilbandde met een harden schelpring. De stakkerd kon na wanhopige

pogingen zijn bek nauwelijks wijd genoeg opendoen om te drinken of

het kleinste stukje door te slikken. Hij moest lang in dien toestand

verkeerd hebben, want de snavel was half doorgesleten, en hij was

zoo licht dat de wind hem als een groote veer rondblies wanneer hij

poogde te vliegen.

Gelukkig was Don een goed apporteur en bracht hij me de eend zonder dat

er zooveel als een slagpen aan gekrenkt was, zoodat ik de voldoening

smaakte haar uit haar gevangenschap te verlossen en vrij te laten met

een heerlijke vaart. Maar er stond te veel wind voor haar, zij viel in

't water en zeilde de haven af als een dame met te wijde rokken en een

te grooten hoed in bluisterig weer. Ondertusschen lag Don op het zand

met den kop in de hoogte en opgestoken ooren ongeduldig te janken,

tot ik "apporte" zou zeggen. Toen liet hij zijn kop neerzinken,

haalde diep adem en probeerde te ontraadselen waarom zoo'n man op

een vorstigen dag in Februari toch op een vogel zou uittrekken en

rondsjouwen en roeien en zich nat maken, alleen om hem los te laten

zoodra hij eerlijk gevangen was.

Kwasleko, de zaagbek, leidt een dubbel bestaan. 's Winters is hij bijna

overal langs de kust van Massachusetts en meer zuidelijk te vinden,

waar hij een hondenleven heeft, hoe vroolijk hij er ook uitziet. Een

honderdtal geweren paffen naar hem, waar hij zich maar vertoont. Van

ochtendkrieken tot donker toe heeft hij geen minuut om zijn hapje

visch op te eten of in vrede een uiltje te knappen. Hij vliegt naar den

oceaan en gaat met zijn makkers op de breede, open zandbanken voor alle

veiligheid ter ruste. Maar de oostenwinden blazen en de zandbanken zijn

één ziedende uitgestrektheid van over elkander stortende golven. Ze

smakken hem heen en weer, ze havenen zijn vroolijke veeren, ze maken

zijn slagpennen vochtig, niettegenstaande zijn ervarenheid in het

zwemmen. Dan zoekt hij de kreken en inhammen op.

Langs de kust is een koppel van zijn eigen familie naar 't schijnt

in kalm water voedsel aan 't zoeken. Niets kwaads vermoedend vliegt

hij er recht op aan, terwijl 't morgenlicht vol op zijn witte borst

en zijn helderroode pooten schijnt, als hij zich schrap zet om te

water te gaan. Maar paf, paf! gaan de geweren en klets, klets! vallen

zijn makkers, en uit een hoop zeewier komen een man en een hond te

voorschijn en hij trekt, droevig verbaasd over die geverfde dingen

op het water, af, om dat alles in honger en verdriet te overdenken.

Dan wordt het koud weer en een nachtvorst bedekt alle plaatsen waar

hij zijn eten zoekt. Onder zijn mooie veeren steken de botten uit

en bederven de lijn van zijn ronde, welgedane lichaam. Hij is nu

uitgehongerd, kijkt naar de meeuwen, om te zien wat die eten. Wanneer

hij er achter is, vergeet hij zijn behoedzaamheid en zwerft op het

strand rond op zoek naar verdwaalde mossels. Inde lente drijft de

honger hem naar de meren, waar een overvloed van voedsel is--neen

maar, een voedsel! In een week is zijn vleesch zoo sterk, dat een

kraai het nauwelijks zou willen eten. Alles bij elkaar genomen is het

geen groot wonder, als hij, zoodra zijn instinct hem waarschuwt dat

de rivieren van het Noorden open zijn en de forellen stroomop zwemmen,

maakt dat hij in een oord van gelukkiger herinneringen komt.

's Zomers vergeet hij zijn ontberingen. Zijn bestaan is zoo vredig als

een beekje in de wei. Zijn tehuis is de wildernis--een eenzaam meer

misschien, dat sparkelt onder de zomerzon of door den zuidenwind in

duizenden glimlachende rimpels gekust wordt. Of mogelijk is het een

rivier in het bosch, die zich voortslingert langs beboomde heuvels

en grazige landtongen en eenzame cedermoerassen. In verborgen,

ondiepe baaien plassen de jonge broedsels rond, terwijl ze leeren

zwemmen en duiken en zich-in-veiligheid-brengen. Van uit het diepe

water komt het neerplonzen van den vischarend. Een luidruchtige

ijsvogel, rustelooze druktemaker die hij is, ratelt rond van boom

naar boomstomp. 't Gezoem van insecten vervult de lucht met een

dommelig gemurmel. Nu tript een hert sierlijk de landtong af en

kijkt--en luistert--en drinkt. Een groote eland waadt onbeholpen

het water in om zijn kop onder te dompelen en te gaan trekken aan de

leliewortels. Het jonge broed trekt zich echter van die onschuldige

dingen niets aan. Maar soms, als de middag ten einde loopt, draaien

ze hun kopjes achterdochtig om, wanneer de elzen kraken en zwiepen

aan den oever boven hen; een zacht geklok van de moeder zendt ze

alle het gras in om zich te verschuilen. Wat zijn ze vlug verdwenen,

zonder ook maar een spoor achter te laten! Maar het is slechts een

beer, die de helling waar hij heeft liggen slapen afkomt, om eens te

zien of hij voor zijn avondmaal ook een dooden visch kan vinden; en

't is alsof het jonge broed lacht, wanneer weer een zacht geklok hen

haastig uit hun schuilplaats te voorschijn doet scharrelen.

Eens komt er misschien een echte schrik, wanneer hun geoefendheid

van zoo'n heelen zomer op de proef wordt gesteld. Ze hooren een

ongewoon geluid--en om de bocht glijdt een schorskano met 't gerucht

van menschenstemmen. De jongen maken samen dat ze wegkomen en de

rivier achter hen schuimt als het zog van een stoombootje, wanneer de

snel-zich-roerende pooten hen bijna uit het water heffen. Visioenen

van den oceaan, de geweren, vallende vogels en den strengen winter

brengen de moeder buiten zichzelf. Ze fladdert wild om de jongen heen,

nu eens de leiding nemend, dan weer dapper zich tegen het monster

te weer stellend; nu een zwakken, kleinen treuzelaar voortduwend,

dan weer wiekkleppend alsof ze gewond was in de buurt van de kano,

om de aandacht van de jongen af te leiden. Maar eindelijk zijn ze

de landtong om en verstoppen ze zich onder de elzen. De kano komt

aanglijden en doet geen poging hen te vinden. Stilte heerscht weer

over het bosch. Het kleine grut komt naar 't ondiepe water terug,

terwijl de moeder er klapwiekend omheen zwemt om nog eens en nog eens

te tellen of er ook eentje ontbreekt. De ijsvogel komt uit zijn hol in

den oever. De rivier stroomt verder als te voren, de rust keert weer,

en over 't geheel ligt de geheimzinnige bekoring van de wildernis en

de vrede van een zomerdag.

Zoo komt me dat alles daar voor als ik aan den overkant onder

den grooten spar de vogels door mijn verrekijker gadesla, zelf

onzichtbaar. Dag in dag uit heb ik zulke schooltjes bespied,

onopgemerkt door den argeloozen moedervogel. Soms was het de

a-b-c-klasse: nietige, donzen dingetjes, die les kregen in 't zich

verstoppen op een lelieblad en nooit een belooning voor verdienste in

den vorm van een jonge forel ontvingen, of ze moesten zich zoo goed

verscholen hebben dat de leerares (wel wat over-critisch, vond ik)

tevreden was. Dan weer waren het de candidaten, die hun talenten

ten toon spreidden voor den ongevraagden bezoeker, door als een

flits uit het gezicht te verdwijnen en het water te doorklieven

als een lichtstraal, om op den bodem een jonge forel te grijpen

met de snelheid en de zekerheid bijna van de leermeesteres. Het was

wonderbaarlijk, dat duiken en zwemmen, en de moeder keek toe en gaf

kwakend haar tevredenheid te kennen: nu waren ze volleerd. Dit is

ook wat bijzonders: 's winters zijn de vogels stom; ze vinden hun

stem slechts voor de jongen terug.

Terwijl die zorgvuldige opvoeding thuis plaats heeft, is 't

mannetje ginder ergens op de meren met zijn vroolijke vrienden

aan 't plezier-maken en veronachtzaamt geheel zijn vaderlijke

verantwoordelijkheid. Ik heb wel eens groepjes van vijf of zes

gevonden, lustige maatjes alle, die onder elkaar aan een eind van

een groot meer woonden, waar 't vischwater best was. Den heelen zomer

zwerven en dolen ze rond zonder zorg, blij als zomersche kampeerders,

en laten ondertusschen de moedervogels achter om hun kroost eten te

geven en op te voeden. Slechts ééns heb ik gezien dat een mannetje

deelde in de verantwoordelijkheid voor zijn gezin. Ik heb drie

dagen op de loer gelegen om achter de reden van zijn toewijding te

komen, maar den derden avond verdween hij en ik heb hem nooit weer

gezien. Of de mannetjes lui zijn en zich uit de voeten maken, of

dat ze de bloeddorstige gewoonte van veel manlijke vogels en andere

dieren hebben om hun jongen te dooden en daarom door de wijfjes worden

weggejaagd, heb ik niet kunnen uitmaken.

Deze vogels zijn buitengewoon schadelijk in water waar forellen

zitten. Dat een kampeerder ze 's zomers spaart is uit belangstelling

voor de jongen en vooral om de toewijding van de moeder. Als ze

het minderwaardige mannetje echter aantreffen, wordt hij netjes op

't menu gezet bij andere lekkernijen. 't Gebeurt wel eens dat je een

broedsel overvalt op een snel stroomende rivier. Dan zijn ze eerst

recht van streek! Zoodra ze maar een glimp van de kano zien, maken ze

dat ze wegkomen en zwiepen het water tot schuim in hun vlucht. Niet

aleer ze om de bocht uit het gezicht zijn, hooren ze 't geklok dat

hun zegt weg te schuilen. Sommige vinden niet gauw een schuilplaats

op het vreemde water. De moeder haast ze en verwilderd jagen ze rond

als de snel voortglijdende kano de bocht om komt. Op een noodkreet

van haar gaan ze er alle weer van door, want zelfs den zwakste wil

ze niet met rust laten. Weer verdwijnen ze om den hoek en trachten

zich te verstoppen, weer haalt de kano ze in, en zoo gaat het verder,

mijl na mijl, tot een zijtak of moeraswater dat in de rivier uitmondt

een weg tot ontsnapping biedt. Dan zoeken de kleintjes als een pijl

uit den boog de beschutting van de oevers en glijden geruischloos

stroomop, terwijl de moedervogel net voor de kano de rivier af blijft

fladderen. Als ze die naar haar meening ver genoeg voor de veiligheid

heeft weggelokt, gaat ze vliegen en keert naar haar jongen terug.

Hun uithoudingsvermogen is merkwaardig. Eens, op de Restigouche,

verschrikten we laat op den middag een broed jongen. We dreven voort

in een flinken stroom, op zoek naar een plaats om te kampeeren,

en hadden weinig aandacht voor de vogels, die ons nooit ver genoeg

vóór konden komen om zich veilig te verschuilen. Vijf mijlen [2]

ver bleven ze ons voor, terwijl ze bij elke nieuwe baan uit het water

flodderden en ons ver achterlieten, met een vaart die rechtaan rechtuit

ging. Terwijl we onze tenten opsloegen, waren ze nog stroomaf van

ons. Bij het invallen van de schemering zat ik onbeweeglijk aan de

rivier, toen een lichte beweging ginds bij den tegenovergestelden

oever mijn aandacht trok. Daar was de moedervogel, die onder de

neerhangende struiken heimelijk stroomop gleed. De jongen kwamen er

in een enkele rij achteraan. Nu was er geen watergeplas. Schaduwen

waren niet geruchtloozer.

Tweemaal heb ik ze sindsdien zoo zien doen. Ik twijfel er niet aan

of ze zijn dien avond heelemaal naar de plek waar ze aan 't eten

zoeken waren en waar wij ze den eersten keer opgeschrikt hadden

teruggekeerd, want evenals bij de ijsvogels schijnt elke vogel zijn

eigen gedeelte van de rivier te hebben. Hij vischt nooit in het water

van zijn buurman en zal het nooit dulden dat er in het zijne gestroopt

wordt. Op de Restigouche vonden we om de paar mijlen een broedsel;

op andere rivieren, minder goed van forel voorzien, zijn ze niet

zoo talrijk. Op meren is er dikwijls aan weerskanten een broedsel,

maar ofschoon ik ze zorgvuldig heb gadeslagen, ik heb ze nooit naar

elkanders vischwater zien oversteken.

Op de Groote Toledi zag ik eens een eigenaardig staaltje van hun

opvoeding. Ik pagaaide op een dag over het meer, toen ik zag hoe een

zaagbek haar jongen een kleine baai binnenleidde, waar ik wist dat

het water ondiep was, en dadelijk begonnen ze daar kopje te duikelen,

hoewel erg onbeholpen. Ze kregen klaarblijkelijk hun eerste onderricht

in het duiken. Den volgenden middag was ik daar weer in de buurt. Ik

had met visschen--of liever met kikkersvangen--gedaan, had de kano

in wat hoog gras uit het oog geduwd en zat daar maar zoowat te luieren.

Een muskusrat kwam er aan, wreef met haar neus langs de kano en

knabbelde een leliewortel op, voordat ze mij merkte. Een school

voorntjes speelde tusschen het riet vlak bij. Een waterjuffer stond op

haar kop tegen een riethalm--wat me een heel moeilijke kunst leek. Ze

was net met een kronkeling bezig die me onbegrijpelijk voorkwam, toen

een hert langs den oever kwam trippen en me niet eens zag. Niets doen

is loonend onder zulke omstandigheden, al was het alleen maar om de

kijkjes die het op het dierenleven geeft. Het gebeurt zoo zelden dat

we in de natuur een onbevangen dier zien.

Toen kwam Kwasleko weer met haar jongen in de ondiepe baai en

onmiddellijk begonnen ze net als den vorigen keer kopje te duikelen. Ik

vroeg me af hoe de moeder ze toch liet duiken, tot ik door mijn kijker

keek en zag dat de kleintjes af en toe wat naar boven brachten om te

eten. Maar in dat warme, ondiepe water was toch stellig geen visch te

vangen. Plotseling kreeg ik een ingeving en ik duwde de kano het gras

uit, wat het troepje in wilde verwarring het meer overjoeg. Daar, op

den zwarten bodem, lag een dozijn jonge forellen, alle pas gevangen

en alle met de zwemblaas door den scherpen snavel van de moeder

stukgepriemd. Wel had ze hun middagmaal geschaft, maar ze had het

naar een geschikte plaats gebracht en liet ze duiken om het te krijgen.

Toen ik naar het kamp terugpagaaide, dacht ik aan de manier waarop

de Indianen hun jongens leerden schieten. Ze hingen hun eten in de

boomen buiten hun bereik en lieten ze het touw waaraan het vastzat

met een pijl doorschieten. Hebben de Indianen dat bedacht, vraag

ik me af, met hun juisten kijk op de dingen, bijna even natuurlijk

als die van de vogels, of was het denkbeeld daartoe lang geleden een

Indiaanschen jager ingefluisterd, toen hij Merganser bezig zag haar

jongen te leeren duiken?

Van alle broedsels, die ik in de wildernis heb aangetroffen, was er

geloof ik maar één dat mij en mijn kano ooit zóó leerde kennen, dat

het minder bang voor me was dan de andere. Het was op een meertje in

't hart van de bosschen, waar we op onzen tocht lang bleven hangen,

deels bekoord door de schoonheid van het plekje en deels door het feit

dat er twee of drie beren rondzwierven, die ik soms in de schemering

op den oever van het meer ontmoette. De jongen waren even wild als

van andere broedsels, maar ik trof ze dikwijls en ze vonden mijn kano

soms onbeweeglijk en onschadelijk in hun buurt liggen, zonder dat ze

precies wisten hoe die daar kwam. Na een dag of wat bekeken ze mij

slechts met onrust en nieuwsgierigheid, tenzij ik te dichtbij kwam.

Er waren er zes in dat broedsel. Vijf waren stevige kwantjes, die

't water achter zich deden koken als ze 't meer overschoten, maar het

zesde was een teer ding. Misschien had een havik het te pakken gehad,

of een groote forel of een mink, of had het een botje doorgeslikt, of

misschien was het wel zoo'n zwak kereltje, zonder dat een oorzaak van

buitenaf hem zoo gemaakt had. Altijd als het troepje opgeschrikt werd,

worstelde hij een poosje dapper om ze bij te houden; daarna bleef

hij steeds achter. Dan kwam de moeder terug om hem aan te moedigen

en te helpen, maar het gaf weinig: hij was niet sterk genoeg. En het

laatste dat ik altijd van ze zag, was een schuimend spoor dat om een

landtong in de verte verdween, terwijl heelemaal in de achterhoede

een waterplooi was, waar het kleine ding nog aandoenlijke pogingen

in het werk stelde om weg te komen.

Eens op een middag gleed de kano om een landtong en was bijna

tot bij het troepje gevaren voor ze haar zagen, zoodat ze

danig schrokken. Oogenblikkelijk maakten ze dat ze wegkwamen:

plasse-plasse-plasse-plas, terwijl ze zich bijna uit het water

beurden met hun snel-zich-roerende pootjes en hun kleine vlerken. De

moedervogel vloog op, keerde terug en kruiste met luid gekwaak voor den

boeg van mijn kano heen en weer. Het zwakkelingetje was achter, als

gewoonlijk, maar in een plotselinge aanvechting van nieuwsgierigheid

of slechtheid--want ik voelde werkelijk met het kleintje mee--liet ik

de kano voorwaarts schieten, bijna tot waar het was. Hij trachtte te

duiken, raakte in zijn angst in een leliestengel verward, dook op,

schoot weer onder, en ik zag het tien voet verder in wat riet weer

bovenkomen, waar het onbeweeglijk en bijna onzichtbaar tusschen de

bladen en de gele stengels bleef zitten.

Wat was het bang! Maar wat zat het toch stil! Wanneer ik mijn oogen

ook maar even van hem afwendde moest ik weer zoeken, soms twee of

drie minuten, eer ik hem daar zien kon.

Ondertusschen gingen de andere bijna tot aan den tegenovergestelden

oever eer ze stilhielden, en de moeder, eindelijk gerustgesteld door

mijn kalmte, vloog naar den overkant en kwam tusschen hen neer. Ze

had het kleintje niet gezien. Door mijn kijker zag ik haar steeds

om hen heen fladderen, om toch maar zeker te zijn dat ze er alle

waren. Toen miste zij het. Dat kon ik uit al haar bewegingen zien. Ze

moet dunkt me geklokt hebben, want de jongen verdwenen plotseling en

ze kwam haastig den weg dien ze gekomen was terugzwemmen, kijkend,

turend overal. Ze ging op een veiligen afstand om de kano heen,

terwijl ze tusschen 't gras en de leliebladen zocht en het zachtjes

toeriep voor den dag te komen. Maar het was heel dicht bij de kano en

hevig verschrikt. De eenige uitwerking van haar geroep was dat het

zich stijver tegen de riethalmen drong, terwijl de heldere oogjes,

groot van angst geworden, op mij gevestigd waren.

Langzaam liet ik de kano achteruitglijden, totdat ik om de landtong uit

't gezicht was, ofschoon ik de moeder nog kon zien door de struiken. Ze

zwom haastig rond, daar waar de kano geweest was, en riep luider;

maar het kleintje had zijn vertrouwen in haar verloren of was te

zeer verschrikt: het wilde niet voor den dag komen. Ten langen leste

ontdekte zij het en met gekwaak en vleugelgeklepper, die me eenigszins

overspannen leken, trok ze het uit zijn schuilplaats. Wat een drukte

maakte ze over hem! Wat haastte en hielp en prees en beknorde ze het

den heelen weg over, en wat flodderde ze voor hem uit en klokte het

troepje uit zijn schuilplaats om het tegemoet te komen! Toen, met al

haar jongen om zich heen, zeilde ze de landtong om, de rustige baai

binnen die hun oefenschool was.

En terwijl ik langzaam in de ondergaande zon over 't spiegelgladde

water het meer opdreef, peinsde ik hoe menschelijk dat alles was:

"Zal hij niet de negen-en-negentig laten, en op de bergen heengaande

het afgedwaalde zoeken?" [3]

Het Boschvolkje · 第 7 / 19 题