XXVII.

Dakerlia zat gevangen in het Gyselhuis op den burg. Een enkel verheven

venstertje liet in haren engen kerker eenen flauwen lichtstraal

nederdalen, en men moest zijne oogen aan den twijfelachtigen schemer,

die er heerschte, gewend hebben, vooraleer er de voorwerpen duidelijk te

kunnen onderscheiden.

Ongetwijfeld wilden de vorsten of de ridders, die over het lot der jonge

Kerlinne beschikten, haar niet met de uiterste strengheid behandelen;

misschien was er iemand die haar geheimelijk beschermde, want in haren

kerker stonden een paar stoelen en eene tafel en, in den duisteren hoek,

verre van het licht, had men eene soort van bed geschikt, om haar eene

gemakkelijke rustplaats te bezorgen.

Het was de vierde dag, nadat de Kerels van den toren waren gedaald en

zich in de handen hunner vijanden hadden overgegeven op voorwaarde dat

men hen door eene wettelijke rechtbank zou doen onderhooren en

vonnissen.

Dakerlia zat op haren stoel nevens de tafel en, met het hoofd op de hand

rustende, schouwde zij droomend in de ruimte.

De bewegingen haars gelaats getuigden dat velerlei gedachten haar door

den geest stroomden. Nu zweefde er een glimlach op hare lippen, dan liep

er eene angstige siddering haar door de leden of bevochtigde een traan

haar oog; dan weder hief zij den blik ten hemel en vouwde de handen tot

een gebed.

Wie haar dus gezien hadde, zou geraden hebben dat haar hart over en

weder vlotte tusschen hoop, schrik en medelijden. Waren de rechters

onpartijdige lieden,--mijmerde zij in zich zelve,--dan zouden zij

Robrecht wel eene straf opleggen, omdat hij, ter vervulling van eenen

onverbiddelijken bloedplicht, den moordenaar Burchard had helpen

verdedigen; zij zouden misschien zijne goederen verbeurd verklaren, om

de gierigheid en den haat der Isegrims te bevredigen; maar zijne dood

zouden zij niet eischen, en hem in vrijheid laten gaan of hem uit het

graafschap bannen. Was de rijkdom wel noodig tot hun geluk? Hoe arm

Robrecht mocht worden en waar hij zich ook bevonde, zij zou zijne

echtgenoote zijn en haar leven toewijden aan het verzachten, aan het

verhelderen van zijn lot. Misschien zou zij hem dan den geleden

rampspoed kunnen doen vergeten, misschien waren hun door den

barmhartigen God nog schoone, vreedzame dagen voorbewaard?

Bij zulke gepeinzen rees er een stille glimlach op hare lippen en

ontschoot eene vonk van vertrouwen aan hare vochtige oogen; maar weldra

versomberde eene kommervolle overweging haren geest. Zouden de

valschhartige Isegrims, in hunnen onverbiddelijken wrok, de rechtbank

niet doen samenstellen uit vijanden der Kerels? Eilaas, dan zou een

doodvonnis den armen Robrecht treffen, en het zwaard des beuls zou dit

edel en dierbaar hoofd van het bloedige kapblok doen rollen!

Schrikkelijke gedachte, die Dakerlia deed ijzen en haar eenen angstkreet

ontrukte ... Evenwel, haar beweegbaar en sterk gemoed kwam onmiddellijk

in opstand tegen de wanhoop; en dan bief zij de oogen ten hemel, als om

de plaats te zoeken waar hare ziel welhaast met de ziel van Robrecht en

met andere dierbare zielen zou vereenigd zijn.

Zij bedwong op dit oogenblik hare ontsteltenis, en eene uitdrukking van

blijde verwachting beglansde haar gelaat. Het gerucht van sleutels en

zware stappen in den gang kondigde haar aan dat Reinbert, de

gevangenbewaarder, haar met het morgeneten tijding van Robrecht ging

brengen.

Reinbert, die nu de deur des kerkers opende en met eene kruik en een

weitebroodje in de hand binnentrad, was een reeds bejaarde man, wiens

gelaat niet van gevoeligheid getuigde; maar hij had vroeger in den

oorlog onder het bevel van mher Wulf gestaan, en herinnerde zich met

erkentenis den heldenmoed en de goedheid van zijnen overste. Daarom

behandelde hij nu zijne dochter in het ongeluk met eerbied en

genegenheid, en verschafte haar, niet zonder gevaar voor zich zelven,

wat haar lot in deze treurige plaats kon verzachten.

"Jonkver Wulf", zeide hij bij zijne intrede, "ik heb hier warme melk en

van het fijnste brood dat er in Brugge te vinden is. Dezen middag zal ik

..."

Maar Dakerlia, door haar ongeduld aangejaagd, onderbrak zijne

vriendelijke rede:

"Dank, dank; God zegene u, Reinbert, voor uwe goedhartigheid! Hebt gij

heden reeds mher Sneloghe gezien?"

"Ik heb hem gezien, jonkvrouw."

"En hoe vaart hij?"

"Wel, tamelijk wel."

"Gij zegt het zoo twijfelachtig! Treurt hij?"

"Ja en neen, jonkvrouw. Als hij tot zijne gezellen spreekt, glanzen

zijne oogen van mannelijke trotschheid, en hij boezemt allen de

verachting des doods in, met eene onweerstaanbare welsprekendheid

Sterven op zulke wijze dat men den onplooibaren heldenmoed der Kerels

tot den einde toe bewondere, schijnt zijn eenige droom en zijn eenig

doel; maar zoohaast hij het woord tot mij richt, wordt hij droefgeestig,

en niet zelden schieten hem dan tranen in de oogen."

"Waarom toch? Zegt gij hem bedroevende dingen, Reinbert?"

"Neen, jonkvrouw; maar mij spreekt hij immer van u, van u alleen. Uw

tegenwoordig lot, het lot dat u nog te wachten staat, verschrikt hem. De

tranen, welke hij met zooveel geweld op zich zelven poogt te bedwingen,

zijn tranen van medelijden en van liefde."

Dakerlia zweeg eene wijl; een zucht ontsnapte haar en hare oogen

glinsterden van ontroering.

"Maar, Reinbert", vroeg zij in gedachten, "gelooft dan mher Sneloghe,

gelooven de andere Kerels dat men de doodstraf tegen hen zal

uitspreken?"

"Zij schijnen inderdaad weinig hoop op het behoud des levens te

koesteren", antwoordde de gevangenbewaarder, "en zij hebben wel reden,

dunkt mij, om zich vanwege hunne vijanden aan het ergste lot te

verwachten. Arme Kerels, hunne onzekerheid zal niet lang meer duren!"

Door deze koele bevesting harer vrees verschrikt, hief Dakerlia de

handen in de hoogte en riep kermend uit:

"Genade, genade voor hem, almachtige God! Hij is onschuldig. Ach, wreek

den gruwelijken moord niet op hem. Laat hem leven, ik zegen Uwen

heiligen naam tot mijnen laatsten snik!"

"Jonkver Wulf, vertwijfel zoo niet", zeide de gevangenbewaarder "Hoor

mij aan, ik bid u. Worden de andere Kerels ter dood veroordeeld, men zal

naar alle waarschijnlijkheid mher Sneloghe het leven sparen."

"Gij wilt mij troosten en poogt mij te bedriegen, uit goedheid des

harten!" murmelde Dakerlia ongeloovig.

"Neen, jonkvrouw, ik heb u reeds gezegd dat de schepenen en voorname

poorters niet ophouden bij den koning allerlei pogingen aan te wenden om

genade voor mher Sneloghe te bekomen. Gisterenavond heb ik hier, in de

groote zaal van het Gyselhuis, twee ridders,--mher Gervaas Van Praet,

die nu kastelein van Brugge is geworden, en een Fransch overste van 's

konings raad over deze zaak hooren spreken en twisten. Uit hunne

woorden kon ik verstaan dat de koning geneigd is om mher Sneloghe in

genade te ontvangen, en hij het reeds zou hebben gedaan, indien de

Isegrims hem tot nu toe niet hadden wederhouden. Wie zal hier overwinnen

de poorters of de Isegrims?"

"De rechtvaardigheid of de haat?" mompelde Dakerlia.

"Men zal het waarschijnlijk heden nog weten, jonkvrouw."

"Heden?"

"Het gerucht loopt dat dezen morgen een gerechtshof van daartoe door den

koning aangewezen ridders in de Loove zal vergaderen om de Kerels te

vonnissen. Het is zeker dat er iets gewichtigs gaat geschieden: de burg

is sedert een paar uren vol wapenknechten en eene menigte ridders hebben

zich in de Loove begeven Zelfs de Markt is overdekt met Fransche benden,

die gisteren met den nieuwen graaf uit Kerlingaland zijn teruggekeerd

..."

"Ons arm Kerlingaland is gansch onderjukt!" zuchtte de maagd.

"Dit kon men wel voorzien, jonkvrouw. Zoo aangevallen door de

krijgsknechten van gansch Vlaanderen en van het groote Frankrijk ..."

"Ja, ja, en van God verlaten tot boete eener afschuwelijke misdaad ..."

"Kon Kerlingaland slechts zijnen heldenmoed betoonen en dan bezwijken

... Maar, wat mher Sneloghe betreft, jonkvrouw, hebt gij alle redenen om

te hopen. Hij zal ongetwijfeld voor het gerechtshof der ridders zijne

onschuld bewijzen, en de koning, door de smeekingen der poorters tot

mildheid gestemd, zal hem genade schenken. Wie kan het weten? Misschien

zult gij nog met Sneloghe vreedzame en gelukkige dagen slijten ...

Vaarwel, jonkver Wulf; verneem ik iets gewichtigs, ik zal pogen een

oogenblik te vinden om het u te komen zeggen."

Onder het uitspreken der vurigste dankbetuigingen vergezelde Dakerlia

hem tot bij de deur.

Toen deze weder gesloten was, bleef de maagd langen tijd te midden van

den kerker staan, en overwoog wat de gevangenbewaarder haar had gezegd.

Zij kwam door hare gepeinzen tot het besluit dat er inderdaad nog veel

hoop op eenen gunstigen uitslag bestond; haar gemoed was verlicht.

Zij ging tot de tafel, schonk de melk in eene kleine kom en begon van

het brood te eten ...

Daar hoorde zij weder den sleutel in de deur steken. Zij stond met

blijdschap op en trad eenige stappen vooruit, in de verwachting dat

Reinbert terugkeerde, om haar eenig belangrijk nieuws van Robrecht te

brengen.

Toen de deur werd geopend, ontsnapte haar een kreet van verschriktheid,

en zij deinsde met eene uitdrukking van afkeer terug naar de tafel, waar

zij zich op den stoel liet nederzakken.

Disdir Vos stond voor haar.

Op een teeken van hem ging de gevangenbewaarder uit den kerker.

Haar met eenen bitteren grimlach in de oogen starende, zeide Disdir Vos:

"Ik kom tot u uit edelmoed, uit medelijden; en gij, Dakerlia, ik zie het

wel, gij haat hem altijd even vurig, den mensch, die, door loutere

liefde tot u vervoerd, zich in gevaar bracht zijn leven en zijne eer te

verliezen."

"Verrader, verkooper van Kerlingaland!" morde de maagd. "Voltrek uw

verfoeilijk werk: doe hem sterven, den Kerel, wiens edelheid, wiens

trouw aan land en vrijheid uwe lage ziel moeten beschamen!"

"Het is hij, het is Robrecht, niet waar", wedervoer Disdir Vos met

spottende koelheid, "die mij dus bij u heeft beschuldigd? Niets kon

Kerlingaland van den val behoeden. De ware oorzaak dezer ramp is de

langwijligheid, de lijdzame traagheid van den proost Bertulf, van den

kastelein Hacket, van Robrecht Sneloghe en van alwie met hem den Kerels

hebben belet tegen de Isegrims en tegen den graaf het geweld der wapenen

in te roepen, toen het nog tijd was."

"Valsch, valsch!" kreet Dakerlia verontwaardigd. "De ware oorzaak is de

moord van graaf Karel, afschuwelijke misdaad, waartoe gij, door uwen

raad, hebt geholpen, en die ons God en de gansche wereld tot vijanden

heeft gemaakt!"

"Ik ben niet gekomen om daarover te twisten", zeide Disdir, zich op

eenen stoel nederzettende. "Mijn tijd is kort; hoor met aandacht,

jonkver Wulf, wat ik u te melden heb ... De ridders, door den koning

benoemd om mher Sneloghe en zijne gezellen te vonnissen, gaan in de

Loove vergaderen. Het is slechts veinzerij, om in schijn ten minste te

voldoen aan de voorwaarde door de Kerels op hunne overgaaf gesteld. Men

zal zelfs zich niet gewaardigen de Kerels te onderhooren. Allen zullen

worden veroordeeld tot den schrikkelijksten marteldood. Gij schijnt mij

niet te gelooven?"

"Ware het zoo, welnu, zij zouden sterven zonder beven!" antwoordde

Dakerlia. "Maar zulk vonnis is niet zeker; gij zoudt nog kunnen bedrogen

worden in uwen onverbiddelijken haat. Indien de koning van Frankrijk

genade wil schenken aan Robrecht?"

"De koning van Frankrijk?"

"Ja, de koning."

"Aldus, men heeft u hier veropenbaard wat er in de Loove geschiedt?"

mompelde Disdir Vos, het hoofd schuddende. "Gij streelt u met eene

ijdele hoop, Dakerlia. Wel schijnt de koning geneigd om toe te geven aan

de smeekingen der schepenen; maar de veldheer, Gervaas Van Praet, in

naam van al ds Vlaamsche ridders, eischt den dood van mher Sneloghe, en

de koning zelf heeft betuigd dat hij zonder hunne toestemming geenen

enkelen Kerel het leven zal laten behouden. Hij is daartoe door zijnen

eigen eed verbonden. Robrecht zal dus sterven in de wreedste

martelpijnen, en zijn lijk zal onder de voeten der wapenknechten worden

vertreden ..."

"Mijn God, mijn God, zulk akelig lijden, zulke vernedering in den dood!"

kreet de maagd terugschrikkende. "Ach, kan niets, niets het gruwelijk

noodlot dan verbidden?"

"Ja, Dakerlia, gij alleen op aarde kunt Robrecht nog het leven redden."

"Ik, o hemel!"

"Hem redden en hem de vrijheid terugschenken."

"Eilaas, gij bedriegt mij door eene valsche hoop; gij wilt mij

verrassen!" zuchtte de maagd, terwijl zij, gansch ontmoedigd, het hoofd

op de borst liet vallen.

"Ziet gij, Dakerlia", sprak Disdir Vos, "ik heb den veldheer Gervaas Van

Praet groote diensten bewezen. Hij is mij nog daarvoor eene uitstekende

belooning schuldig. Vraag ik van hem, als kwijtschelding zijner belofte

jegens mij, levensgenade voor mher Sneloghe, dan zal hij zonder twijfel

mij mijne bede toestaan en den koning de goedwilligheid jegens Robrecht

aanraden. Zoudt gij mij dankbaar zijn, indien ik, alle andere gunsten

verzakende, de verlossing van Robrecht Sneloghe als het eenige loon

mijner zelfopoffering eischte?"

Dakerlia stond op en trad eenen stap vooruit; zij zag Disdir aan met

eenen smeekenden glimlach, die vriendschap of erkentenis scheen te

ademen.

Hij, door dien eersten straal van mogelijke genegenheid tot hem verrast

en ontroerd, greep Dakerlia's hand; maar als hadde deze aanraking haar

door een gevoel van afschuw tot bewustheid van haren toestand

teruggeroepen, de jonkvrouw ontrukte hem sidderend hare hand.

"Gij blijft onverbiddelijk voor mij!" gromde Disdir gekwetst. "Het zij

dan zoo, vergiet gij zelve het bloed van Robrecht uit haat tegen mij. Ik

vertrek en ga het woord uitspreken dat hem een doodvonnis moet zijn. Nog

een uur en zijn trillend lijk zal op het Zand, verminkt en verpletterd,

door de wapenknechten met voeten worden getreden ..."

Hij meende den kerker te verlaten; maar Dakerlia liep tot hem en

weerhield hem, terwijl zij bevend kermde:

"Disdir, Disdir, ach, wees barmhartig! Genade, genade voor hem!"

"Genade voor hem?" morde mher Vos, zich omkeerende. "Gij alleen,

Dakerlia, kunt hem het leven nog redden; een enkel woord van u is

daartoe genoeg."

"Een enkel woord? Welk woord?" stamelde de maagd met angstig

vooruitzicht.

"Zeg, dat gij na het vertrek van Robrecht,--want indien men hem het

leven spaart, zal hij zeker gebannen worden,--zeg, dat gij toestemt mij

tot echtgenoot te aanvaarden."

Een doffe schreeuw van afgrijzen ontsprong uit Dakerlia's benauwde

borst, en zij deinsde wankelend naar de tafel, waar zij met de hand

eenen steun zocht.

"Ik eisch niet", ging Disdir voort, "dat dit huwelijk in de eerste

maand voltrokken worde. Ik wil u den tijd gunnen om u aan de gedachte

van dit nieuw lot te gewennen. Beloof mij slechts op dit oogenblik, dat

gij aan uwe liefde voor mher Sneloghe verzaakt en laat mij de hoop dat

ik u ten altaar zal mogen leiden, zoohaast de herinnering aan uwe

tegenwoordige beproevingen genoeg zal verzwakt zijn, om in uw hart

plaats voor een ander gevoel te maken. Gij ziet het, ik ben toegevend

tot het uiterste; maar langer kan ik in dezen kerker niet blijven. Neem

een besluit: van dit opperst ja of neen hangt het leven van Robrecht af.

Zult gij mijne vrouw worden of niet?"

Dakerlia staarde hem aan met eenen zuren spotlach en met oogen die

eensklaps van heldhaftige trotschheid blonken.

"Gij antwoordt niet?" vroeg bij. "Gij veroordeelt dus Robrecht tot den

schandelijksten marteldood?"

"Uwe vrouw?" antwoordde de maagd. "Ik, Dakerlia Wulf, ik, eene Kerlinne,

uwe vrouw? Nooit, nooit! Doe ons allen sterven. God zal mij daarboven

met Robrecht, mijnen bruidegom, voor eeuwig vereenigen. Ha, gij meent

mij vatbaar voor vrees? Neen, neen, onze onplooibare standvastigheid tot

op het kapblok zal onze vijanden nog verbazen en de verraders van

Kerlingaland beschamen!"

"Gij bedriegt u in uwe zinnelooze hoop, jonkvrouw", schertste Disdir,

wiens hart met woede en spijt was vervuld. "Men heeft mij reeds uwe

genade toegestaan; noch gij noch de andere gevangene Kerlinnen zult

sterven. Gij moet leven, leven om mijne vrouw te worden!"

"Nooit, nooit!"

"Gij blijft in mijne macht; worstel zooveel gij wilt tegen een

onvermijdelijk noodlot, gij zult het onderstaan, met goeden wil of tegen

dank, ik heb het gezworen en ik herhaal u dien eed. Vaarwel, Dakerlia;

het bloed van mher Sneloghe valle terug op haar die weigert hem door een

enkel goed woord te redden. Ziet gij mij hier terug, het zal zijn om u

den dood van Robrecht aan te kondigen."

Hij stapte uit den kerker, en zelfs toen de deur was gesloten, hoorde

hij nog het woord "nooit! nooit!" hem achternaklinken.

Eene uitdrukking van haat en gramschap deed zijne scherpe lippen beven

en, terwijl hij over het plein van den burg stapte, mompelde hij sombere

bedreigingen tegen Robrecht en zelfs tegen Dakerlia.

Voor de poort der Loove trok Disdir Vos zijn zwaard en meende zich als

overste aan het hoofd van een gedeelte der wacht te stellen; maar zijn

plaatsvervanger zeide hem dat het gerechtshof reeds sedert eenigen tijd

was vergaderd en de koning zelf daar zooeven mher Gerhard Van Audenaarde

met eenige wapenknechten had gezonden om den gevangen Robrecht Sneloghe

voor de rechtbank te brengen.

Deze tijding bekommerde Disdir. Zou men de Kerels onderhooren? Was de

koning voornemens Robrecht genade te schenken en hoopte hij, in de

woorden van den jongen ridder het middel te vinden om aan de smeekingen

der poorters toe te geven? In alle geval, er moest in de besluiten der

ridders eene verandering gekomen zijn. Indien men Robrecht Sneloghe ging

sparen!

Disdir stak zijn zwaard in, gaf het bevel aan zijnen plaatsvervanger

over en trad binnen de Loove.

In de groote zaal, waar het gerechtshof zetelde, was een gedeelte

voorbehouden om den ridders toe te laten het uitspreken van het vonnis

bij te wonen.

Het was Disdir Vos gemakkelijk tot tegen de balie door te dringen; maar

hier dwong de tegenwoordigheid des konings hem tot eerbied en tot

stilte; en, hoe hij het ook vurig wenschte, hij kon den veldheer Gervaas

Van Praet, die tusschen de rechters zetelde, niet naderen, en moest zich

vergenoegen met hem, door herhaalde wenken en door gebaren, tot

onverbiddelijke strengheid aan te drijven.

In het diepe der zaal, onder een kostbaar verhemelte van roode zijde,

zat de koning van Frankrijk, Lodewijk de Dikke; nevens hem, aan de eene

zijde, Willem van Normandië, de nieuwe graaf, door hem benoemd, en aan

de andere Gervaas Van Praet, die om zijne uitstekende diensten tot de

waardigheid van kastelein van Brugge was verheven geworden.

Van wederkanten des troons zaten de rechters. Tusschen hen kon men de

heetste Isegrims, die onverbiddelijkste vijanden der Kerels; ja zelfs

Rambold Tancmar die, door den koning geroepen, in Brugge was

teruggekeerd.

Van zulke rechters was zeker geen onpartijdig vonnis voor de Kerels te

verwachten; tenzij nochtans in geval de wil des konings, stellig

uitgedrukt, hen tot toegevendheid had overgehaald; want zij waren den

Franschen vorst genoeg onderworpen om, zelfs tegen dank, een in schijn

zachtmoedig oordeel uit te brengen.

Op dit oogenblik doorliep eene siddering de leden van Disdir Vos. Zijne

herhaalde wenken en gebaren had mher Gervaas Van Praet nu door een

droevig schokschouderen beantwoord, als wilde hij beduiden dat de zaak

eene ongunstige wending had genomen, maar dat hij zich onmachtig

gevoelde om den wensch des konings langer te weder streven.

Disdir meende door nieuwe teekens zijne afkeuring te betuigen en den

veldheer tot krachtdadigheid aan te manen; maar nu werd er eene zijdeur

geopend, en Robrecht Sneloghe, door eenige wapenknechten geleid,

verscheen te midden der zaal.

Elkeen aanschouwde in stilte den jongen ridder, wiens gescheurde

kleederen en uitgeholde wangen getuigden van alwat hij had geleden

gedurende het beleg der kerk en des torens.

Hij hield het hoofd rechtop en aanschouwde den koning en de ridders met

eenen rustigen blik die, alhoewel trotsch en ontzagwekkend, toch niet

van zekere zachte verduldigheid was beroofd.

Een ridder, die nevens den graaf van Vlaanderen was gezeten en hier het

ambt van maarschalk vervulde, begon op een teeken des konings den

beschuldigde dus te ondervragen:

"Uw naam is Robrecht Sneloghe?"

De jonge ridder knikte bevestigend.

"Gij zijt een Kerel?"

"Ja, ik ben een Kerel!" antwoordde Robrecht, de stem met fierheid

verheffende.

"En gij beweert een vrij man te zijn?"

"Onze voorvaderen waren vrijgeboren lieden, en evenals zij komen hunne

zonen vrij ter wereld."

"Gij hoort toe aan het maagschap der Erembalds?"

"De proost van St-Donaas was mijn oom."

"Een Erembald, Burchard Knap, heeft den gruwelijksten moord gepleegd op

den wettigen graaf van Vlaanderen, Karel van Denemarken?"

"Het is waar."

"Gij zijt beschuldigd, ten minste door uwen raad tot de ijselijke

misdaad te hebben geholpen."

"Wie tegen mij getuigt is een valschaard", antwoordde Robrecht. "Ik

eerbiedigde graaf Karel als eenen vriend mijns vaders zaliger, en had

nooit de hoop verloren dat hij den Kerels rechtvaardigheid zou laten

wedervaren. Bij zijnen dood heb ik tranen van rouw en medelijden

gestort, en ik heb niet opgehouden mijnen afschuw voor zijne moordenaars

te betuigen."

"Gij hebt integendeel den moordenaar tegen de Vlaamsche ridders en zelfs

tegen den koning van Frankrijk verdedigd."

"Inderdaad; maar het is voor de Kerels een bloedplicht, hunne magen bij

te staan en tegen alle geweld te verdedigen, zoolang niet eene

wettelijke vierschaar over het verbreken heeft gevonnist."

"Dit is alles wat gij tot uwe verdediging hebt in te brengen?"

"Anders niet dan dat ik onschuldig ben aan den moord van graaf Karel en

zelfs ten prijze van al mijn bloed de afschuwelijke misdaad, die den val

van mijn vaderland heeft veroorzaakt, hadde willen beletten."

De maarschalk zag op naar den koning om hem te berichten dat de

ondervraging was geëindigd en zijne bevelen in te roepen.

Na eenige woorden met den graaf en met Gervaas Van Praet te hebben

gewisseld, verhief de Fransche vorst de stem en richtte zich tot

Robrecht Sneloghe.

"Gij hebt tienmaal den dood verdiend", zeide hij. "Te Veurne naamt gij

als aanleider een werkelijk deel aan eene samenspanning tot opstand

tegen uwen wettigen graaf; in dezen burg hebt gij weken lang den

moordenaar en zijne aanhangers verdedigd, en gij zijt meer dan anderen

de schuld dat er zooveel kostbaar bloed is moeten vergoten worden, om

wraak te nemen over den dood van graaf Karel. Gaven wij slechts gehoor

aan onzen plicht, wij zouden u onmiddellijk tot den pijnlijksten dood

moeten veroordeelen; maar de gebeden en smeekingen der goede lieden van

Brugge doen ons tot zachtmoedigheid jegens u overhellen. Wij zijn bereid

u het leven te schenken, op voorwaarde dat gij hier in het openbaar

erkennet dat de Kerels geene vrijgeboren lieden zijn, en gij verklaret

in alle geval, voor u en uw geslacht de vrijheid te verzaken[92]".

Een stille glimlach bewoog Robrechts lippen.

"Ik mij dienstbaar erkennen? Het juk der slavernij voor mij en mijn

geslacht aanvaarden? Onmogelijk, heer koning, liever twintigmaal den

dood dan zulke vernedering, dan zulke schande. Mijne voorvaderen zien

uit den hemel op mij neder; zij zullen daar niet te blozen hebben over

de lafhartigheid van hunnen zoon."

"Zinnelooze!" riep de koning, over zulke koele hardnekkigheid verbaasd,

"gij wilt mij dus dwingen u in de handen der beulen te leveren?"

Robrecht zweeg.

"Spreek een goed woord; de koning wenscht u het leven te sparen", zeide

hem Willem van Normandië.

"De koning kan mij niet redden", antwoordde Robrecht. "Er is eene

hoogere macht dan de zijne."

"Waarom? Wat wilt gij zeggen?" vroeg de graaf met verwondering.

"Omdat God zelf heeft beslist dat ik en mijne dappere gezellen moeten

sterven tot boete voor de snoode misdaad van Burchard Knap. Na onzen

dood zal de Heer des hemels misschien verzoend worden en zijne wrekende

hand oplichten van Kerlingaland."

"Kerlingaland heeft zijne vrijheid beslissend verloren en zal nimmer

opstaan uit de dienstbaarheid!" morde Rambold Tancmar, met eenen

zegevierenden spotlach.

Robrecht hief eensklaps het hoofd op en, terwijl zijne oogen van

ontroering glansden, sprak hij met luider stemme:

"Menschen kunnen bezwijken, een volk kan neergedrukt worden voor eenigen

tijd;--wij Kerels hebben dit lot reeds dikwijls onderstaan,--maar wat

niet kan versmacht worden, wat niet kan sterven, is de vrijheid. Wat gij

ook aanwendet om die ingeboren zucht der bewoners van Vlaanderen uit te

roeien, zij zal immer, als een onuitdoofbaar vuur opnieuw ontvlammen en

eindelijk hare vijanden verslinden. Uit het bloed der martelaars zelven

zal de verlossing opdagen, en eens zullen de zonen van het volk, dat gij

nu met voeten treedt, u dwingen tot eerbied voor zijn aangeboren recht

... Doet met mij naar uwen wil, ik ben bereid!"

Vooraleer hij deze laatste woorden had kunnen uitspreken, waren van alle

kanten wraakkreten tegen hem opgegaan, en de meeste ridders riepen

woedend:

"Ter dood, ter dood, de onbeschaamde!"

Maar de koning, door een teeken zijner hand, legde hun de stilte op en

zeide:

"Heeren, mij behoort het na beraadslaging der rechtbank over het lot van

den beschuldigde te beslissen. Men voere hem terug naar de gevangenis!"

Mher Sneloghe werd ter zaal uitgeleid en door de wapenknechten in den

grooten kerker gebracht, waar de andere Kerels, sedert zijn vertrek,

niet zonder angstige nieuwsgierigheid zich vroegen wat toch zijn

wedervaren voor het gerechtshof zou zijn.

Hij verhaalde hun hoe de koning van Frankrijk hem de genade des levens

had aangeboden, op de enkele voorwaarde dat hij de Kerels als in

dienstbaarheid geboren erkende, en verklaarde voor zijn geslacht alle

aanspraak op vrijheid te verzaken.

"Het is dus de dood ... de onvermijdelijke dood!" mompelden zijne

gezellen.

De meesten schenen bij deze schrikkelijke overtuiging geenszins

ontsteld. Slechts eenigen, die ongetwijfeld eene vrouw of kinderen of

andere geliefde wezens zouden achterlaten, bogen het hoofd en zonken weg

in eene sombere mijmering.

Het bleek evenwel schier onmiddellijk dat geen hunner, ware het zelfs om

meer dan één dierbaar leven te redden, zich bekwaam gevoelde tot het

aanvaarden der eeuwige slavernij. Werden zij voor de rechtbank geroepen,

zij zouden den koning en den Isegrims hetzelfde koel en trotsch antwoord

geven, dat zij uit den mond van mher Sneloghe hadden bekomen. Zij

wisten wel dat dit waarschijnlijk hun doodvonnis zou zijn; maar, zooals

Robrecht het zeide, hun bloed moest vlieten als een boetoffer, om den

vertoornden God met Kerlingaland te verzoenen.

[Illustratie: Robrecht hief eensklaps het hoofd op ... (Bladz. 519.)]

Zij besloten, als ware Kerels, onverschrokken en met eenen glim van

misprijzen op de lippen, alles te onderstaan, zelfs de wreedste

martelingen. Niemand hunner zou de minste klacht slaken, noch eenige

acht op de scheldwoorden of verwijten hunner vijanden slaan. Ja, zij

verbonden zich jegens elkander door eene plechtige belofte, in het uur

des doods zich gansch gevoelloos te toonen en geen enkel woord te

spreken, ten einde de verdrukkers van Kerlingaland door hunne koele

hardnekkigheid te beschamen. Zij zouden zelfs niet hoorbaar bidden, en

slechts op het laatste oogenblik hunne ziel in den grond des harten Gods

bevelen, voor hem getuigende, dat zij wilden sterven als zoenoffers

voor het heil en de vrijheid van Kerlingaland.

Met ongeduld wachtten zij nu dat men hen voor de rechtbank riepe; maar

wel een gansch uur ging er voorbij zonder dat zij iemand zagen

verschijnen.

Robrecht Sneloghe stapte met aangejaagdheid over en weder, om de wreede

ontroering zijns harten meester te blijven. Dakerlia zweefde voor zijne

oogen; zijne lippen murmelden een treurig en pijnlijk vaarwel. Hij zou

haar wellicht niet meer zien op aarde! Maar bij zulk gepeins voelde hij

dat er tranen in zijne oogen wilden opwellen, en hij sprak eene vuriger

taal nog tot zijne makkers, opdat de invloed zijner eigene woorden zijne

treurende ziele de macht leende om niet onder het gewicht der smart te

bezwijken.

De kerker werd eindelijk geopend, en een overste, door wapenknechten

vergezeld, riep bij name Ivo-den-wolvenjager en Benkin-den-schutter op,

om hem voor de rechtbank te volgen.

Men drukte den geroepenen de handen en herinnerde hun de gedane belofte

tot onplooibaren moed.

Ivo en Benkin volgden de wapenknechten, wel besloten den koning en den

Isegrims door hunne manhaftige taal te toonen dat tusschen den dood en

de slavernij een Kerel niet in zijne keus kon aarzelen.

Buiten het Gyselhuis gekomen, vonden zij daar nog andere wapenknechten,

aan wier hoofd Disdir Vos als overste zich bevond. Zij werden te midden

der wacht gesteld en over het plein geleid.

Hun scheen het zonderling dat de poorten van den burg gesloten waren en

men geenen enkelen poorter bemerkte. Bijna gansch het plein was overdekt

met gewapende benden.

Wat ging hier geschieden? Zou men, nog denzelfden dag en binnen den burg

hen ter dood brengen? Alles kondigde het hun aan. Deze gedachte deed hen

zwijgen en, zelfs toen Disdir Vos met barschheid Ivo-den-wolvenjager

voortstuwde, sprak deze geen woord, ofschoon hij den verkooper van

Kerlingaland kende en zijn hart van spijt en verontwaardiging

overstroomde.

Men bracht de twee gevangenen in de kerk van St-Donaas; zij meenden,

zooals het in dien tijd nog geschiedde, dat de koning en de ridders in

den tempel zouden vergaderd zijn; maar nauwelijks waren zij onder de

poort doorgetreden, of op een sein van Disdir Vos grepen een tiental

wapenknechten hen aan en bonden hun de handen op den rug.

Daar traden van onder de zijbeuk vier ongewapende mannen, wier

opgestroopte mouwen en gespierde armen getuigden dat zij gereed waren

tot het volvoeren van een werk dat lastig kon zijn en geweld vorderen.

Waren zij de beulen, die de Kerels moesten martelen?

Inderdaad, degene die onder hen de meester scheen, vatte

Ivo-den-wolvenjager bij den schouder en duwde hem naar de trap van den

toren, terwijl hij zeide:

"Makkers, alle tegenstand is nutteloos; gij zijt veroordeeld tot den

dood en moet sterven."

Een scherpe glimlach van misprijzen was het eenige antwoord der Kerels,

en zij volgden hunne beulen op de trap zonder den minsten onwil te

toonen.

Toen zij de groote gaanderij hadden bereikt, leidde men hen tegen de

leuning naar den kant die over de opene achterplaats van het klooster

uitzag.

"Beveelt uwe ziel aan God", morde de beul, "en haast u!"

Hij wees naar beneden en zeide:

"Ziedaar voor u de weg der eeuwigheid!"

Men zou dus de arme Kerels van den toren naar beneden werpen en zij

zouden daar op de vloersteenen, met hoofd en leden verbrijzeld, een

akelig einde vinden!

Wel doorliep eene ijskoude siddering de aders der gevangenen, toen zij

den blik nederstuurden in den afgrond die hen aangrijnsde als een

hongerig graf; maar zij bedwongen den opstand hunner menschelijke natuur

tegen den dood, hieven de handen tot God en spraken in stilte het gebed,

waardoor zij Hem hun bloed en hun lijden tot zoenoffer voor hun

vaderland en voor de vrijheid aanboden.

De beul boog zich over de leuning der gaanderij en blikte naar beneden.

Waarschijnlijk zag hij daar eenige wapenknechten over en weder loopen;

want hij riep uit al zijne kracht:

"Van onder! van onder!"

Dan, door zijne drie struische makkers geholpen, greep hij

Benkin-den-schutter om de lenden, hief hem boven de leuning en smeet hem

in de ruimte ...

"Nu gij!" morde hij, de handen tot Ivo-den-wolvenjager uitstekende om

hem te grijpen; maar Ivo sprong met eenen schaterlach over de leuning en

riep, terwijl hij reeds in de ledige ruimte nederzonk:

"Vrij, vrij tot in den dood!"

Disdir Vos, die tot dan een weinig terzijde was gebleven en de wreede

strafpleging had bijgewoond zonder er eenig werkelijk deel aan te nemen,

naderde nu tot den rand der gaanderij en schouwde op de opene plaats van

het klooster. De lijken der twee Kerels lagen daar verbrijzeld; geen lid

verroerde nog aan hen ..., de beulenknechts, die de verminkte lichamen

kwamen wegnemen, sleepten er mede langs den grond als met voorwerpen

waarin nooit eenig leven had gewoond.

Een verwijderd gebruis en onduidelijke galmen deden hem den blik over de

stad richten. Hij zag de markt en alle omliggende straten overdekt met

Fransche krijgsknechten en, daarachter in de verte, de poorters, die de

handen ophieven, als riepen zij nog om genade voor de ongelukkige

Kerels, manhaftige verdedigers der bedreigde volksvrijheid.

Nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, of men bracht twee andere

Kerels op den toren en smeet ze, zonder hun meer dan een oogenblik tot

bidden te gunnen, over de leuning ... en daarna weder twee, en nog twee,

en zoo voorts, totdat er reeds twintig den vloer der opene plaats van

het klooster met hun bloed hadden geverfd[93].

Allen waren gestorven zooals zij het hunnen gezellen hadden beloofd:

zonder tegenstand, zwijgend en onverschrokken en met eenen koelen

glimlach op den mond. Hadden sommigen geweend bij de gedachtenis aan

vrouw of kinderen, hunne tranen hadden in het binnenste van hun

verscheurd hart gevloeid, en niets had hunne ontroering voor het oog

hunner beulen verraden.

Op dit oogenblik kwam er een dienaar van den gevangenbewaarder op de

gaanderij. Tot Disdir Vos naderende, fluisterde hij hem iets in het oor

dat hem scheen te verrassen en diep te treffen; ja, het lokte eenen

blijden glimlach op zijne lippen.

Disdir wenkte eenen overste, die onder hem de wacht gebood, en zeide hem

iets aangaande Robrecht Sneloghe. Dan volgde hij den dienaar, daalde met

hem de trap af en begaf zich met groote stappen naar het Gyselhuis, waar

hij den kerker van Dakerlia deed openen.

"Gij hebt mij doen roepen, jonkvrouw?" zeide hij.

De maagd, wier oogen rood waren van tranen, kwam hem te gemoet geloopen

en kreet met saamgevoegde handen:

"Disdir, Disdir, hij is dood?"

"Nog niet, jonkvrouw", was het antwoord.

"O, red hem, red hem!"

"Onmogelijk, het vonnis is geveld, ik ben onmachtig."

"Hij moet sterven?"

"Straks."

"Mijn God, mijn God, men zal hem van den toren werpen, niet waar?"

"Wie heeft u dit gezegd, jonkvrouw?"

"Ach, ik weet het; reeds tien onzer arme broeders zijn dood."

"Reeds twintig, Dakerlia. Het is te laat!"

"Dus geene genade meer voor hem?"

"Geene; de koning zelf heeft hem veroordeeld."

Dakerlia deinsde een paar stappen achteruit; de bleekheid des doods

ontverfde haar gelaat en zij sidderde in al hare leden, als hadde eene

diepe vrees haar aangegrepen. Misschien schrikte zij terug van hare

eigene gedachten; want zij deed zichtbaar geweld om hare ontsteltenis te

bedwingen.

Eensklaps viel zij geknield neder en, de handen tot Disdir Vos

opheffende, kreet zij:

"O, ik smeek u, wees medelijdend voor mij! Gun mij eene genade, eene

enkele; ik zal u daarvoor dankbaar zijn mijn leven lang!"

"Welke genade? Het is te laat, zeg ik u!"

"Neen, neen; hij sterve, vermits het wreede noodlot zijnen dood eischt;

maar, Disdir, laat mij hem vergezellen, hem troosten tot het einde!"

Verwonderd over deze zonderlinge vraag, schudde Disdir weigerend het

hoofd.

"Ach, dat het mij vergund weze jegens hem ook dezen laatsten plicht der

liefde te vervullen!" riep Dakerlia, tot Disdir op de knieën

voortkruipende. "Ik zal u dankbaar blijven voor deze weldaad ... en, wie

weet, wie weet?... indien ik daardoor de overtuiging kon bekomen dat er

goedheid in uw harte ligt!"

Bij het uitspreken dezer woorden schouwde zij Disdir in de oogen met

eenen blik zoo biddend en zoo vriendelijk, dat hij er tot in de ziel

door werd ontroerd. Dakerlia zou hem kunnen beminnen? Gaven niet hare

woorden hem die hoop? Straalde niet uit hare oogen de belofte dat zij

zou pogen hare dankbaarheid tot een zoeter gevoel te laten vergroeien?

Hij reikte de maagd de hand, hief haar op en zeide:

"Dakerlia, ik wil, ofschoon het gevaarlijk voor mij kan worden, u de

genade toestaan die gij zoo verleidend van mij afsmeekt."

"Dank, dank, Disdir!" murmelde zij.

"Maar op de strenge voorwaarde dat gij u stil houdet en geen gerucht

maket. Vergezel Robrecht tot op den toren, vermits gij het zoo vurig

wenscht; spreek hem aan, steun zijnen moed; maar blijf bedaard en wek

niet te veel de aandacht der wapenknechten op. Bij de minste

ontstuimigheid in de uitstorting uwer droefheid, zal ik mij verplicht

zien u naar den kerker te doen terugleiden."

"Ik zal bedaard blijven. O, dank, Disdir, voor uw medelijden, voor uwe

toegevendheid!"

"Volg mij dus, Dakerlia, en wees uwe belofte getrouw, heden en in de

toekomst."

De maagd stapte achter hem uit den kerker. Was haar uiterste droefheid

veinzerij geweest? Nu glimlachte zij geheimelijk, en eene vonk van

zegevierende blijdschap glinsterde in hare oogen.

Evenwel, toen zij op het plein trad, ontsnapte haar een versmachte

angstkreet en zij verbleekte van schrik.

Daar zag zij haren verloofde, met de armen op den rug gebonden tusschen

eenige wapenknechten staan. Zij ging met wankelende stappen tot hem,

blikte hem diep in de oogen en meende te spreken, doch de stem verkropte

in hare keel.

"Dakerlia, o, Dakerlia", zuchtte Robrecht, "ik smeek u, spaar mij het

gezicht uwer smart! Laat mij den moed om als een Kerel te sterven!

Vaarwel, mijn uur is gekomen ..."

De maagd liet haar hoofd op zijne borst vallen en murmelde zoo zacht,

dat hij alleen het kon hooren:

"Blijf sterk, Robrecht. Sterven is voor ons geboren worden tot een nieuw

leven. Heden nog zullen wij vereenigd zijn voor eeuwig in Gods schoot.

Ik wil u volgen tot het laatste oogenblik. Stel u niet tegen mijnen

wensch ... Moed, moed! Der Kerlen vijanden moeten u bewonderen tot in

den dood!"

Zij deed eenen stap terug; want op een bevel van Disdir Vos hadden de

wapenknechten mher Sneloghe bij den schouder gegrepen en stuwden hem nu

over het plein voort.

Dakerlia ging nevens hem, en wanneer hij een treurigen blik tot haar

richtte, hief zij hare vochtige oogen met eene genster van begeestering

ten hemel, als om het vrije vaderland der zielen aan te wijzen.

Te midden zijner wacht stapte Robrecht met opgeheven hoofd en koele

beradenheid voort. Zijn blik was evenwel onvast en wijfelend, en zoozeer

scheen hij vreemd aan alles wat rondom hem geschiedde, dat hij niet meer

acht op de tegenwoordigheid van Disdir Vos scheen te slaan, dan of hij

hem ooit hadde gekend. Al zijne denkingskracht was in een enkel gevoel

verslonden. Dakerlia had gezegd: "heden nog zullen wij daarboven

vereenigd zijn." De arme maagd wilde dus sterven uit liefde tot hem? Hij

zag in den geest hoe zij den moordpriem, dien zij op zich droeg om zich

desnoods tegen Disdir Vos te verdedigen, in haren eigen boezem plofte.

Hij meende zelfs, toen men hem in de kerk had gebracht, Dakerlia dien

wreeden aanslag op zich zelven af te raden en haar te bidden haar

dierbaar leven te sparen; maar nu rukten de wapenknechten hem met barsch

geweld naar de trap van den toren en stuwden en trokken hem naar boven.

Terwijl men hem bij de leuning der gaanderij bracht, en de beulen hem

aankondigden dat zijn laatste uur gekomen was, deed Disdir Vos de maagd

op eenige stappen blijven staan.

Dakerlia, nu de akelige stond nader was, liet zich geknield nedervallen

en, alsof zij terugschrikte van het ijswekkend gezicht van Robrechts

dood, sloeg zij de handen met eenen versmoorden kreet voor de oogen.

"Spreek uw laatst gebed; gij gaat sterven", morde de beul tot den

veroordeelden Kerel.

Robrecht hief de oogen ten hemel en bad:

"Barmhartige God, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Aanvaard mijn

lijden en mijn bloed als een zoenoffer. O, laat de vrijheid niet vergaan

in Vlaanderen. Bescherm, bescherm Kerlingaland!"

De naam van den dierbaren geboortegrond was niet gansch van zijne lippen

opgestegen, toen reeds de handen der beulen hem in de hoogte hadden

geheven en zijn lichaam in de ruimte smeten ...

Dakerlia, nog even stil en immer met de handen voor het aangezicht,

hoorde slechts aan het gerucht van den val en aan het zegevierend

gejuich, waardoor men van beneden er op antwoordde, dat de

slachtoffering was volbracht.

Zij ontdekte hare oogen en zag hoe Disdir over de leuning gebogen lag,

waarschijnlijk om vreugde te putten uit de overtuiging dat Robrecht niet

meer leefde.

Opspringend, opende zij de armen als tot eene omhelzing en riep met

blijdschap en begeestering in de stem:

"Disdir, Disdir, ontvang uw loon; ik wil uwe gezellinne zijn. De dood

zelf kan ons niet meer scheiden!"

Hij hief het hoofd op en zag haar aan met eenen glimlach van hoopvolle

verrassing.

Maar de maagd sloeg hem hare armen als twee stalen banden rondom het

lichaam, en hoe hij ook worstelde en om hulp schreeuwde, zij hief hem

door eene overmatige krachtinspanning van den grond, en sprong met hem

over de leuning, terwijl zij uitriep:

"Zoo wreekt eene Kerlinne haar vaderland! God zal ons oordeelen!"

Een schallende angstschreeuw weergalmde op den toren, en beulen en

schildwachten bogen sidderend zich over de leuning, om neder te blikken

op drie lijken ...

Dan werd het op den toren en op de ganschen burg doodstil, als hadde het

gezicht van het gruwelijk schouwspel iedereen met afgrijzen en met

verstomdheid geslagen.

De Kerels van Vlaanderen · 第 77 / 85 题