XXVI

De koning van Frankrijk was lang met den Gentschen gewerkmeester Arnold

in samenspraak gebleven, en had met hem overwogen welke middelen men zou

kunnen uitdenken om de Kerels, die nog op den toren waren, levend of

dood in handen te krijgen, zonder tot dit einde een al te groot getal

zijner ridders en wapenknechten te moeten opofferen.

De uitslag dezer beraadslaging was, dat er geen ander middel bestond dan

de toren te doen vallen, of ten minste de Kerels met dien val tot

zooverre te dreigen dat zij, in de zekerheid van onder de puinen te

worden verpletterd, zich in de genade des konings overgaven.

Men zou den voet van den toren ondermijnen, en daartoe eenen ontzaglijk

zwaren beukram bouwen. Om de arbeiders en wapenknechten tegen de steenen

en pijlen der Kerels te beschutten, kon men het groote werktuig binnen

in het klooster stellen, daar, waar de refter van achter tegen den toren

raakte. Dus onder dak staande, zouden degenen, die den beukram moesten

bewegen of bestieren, geheel buiten bereik des vijands blijven, en men

zou geene of zeer weinige mannen verliezen.

Dit ontwerp bekwam des konings goedkeuring. Hij gelastte meester Arnold

een groot getal timmerlieden en smeden aan het werk te stellen, opdat de

ram binnen eenige dagen vaardig ware. Bleven de Kerels weigeren zich op

genade over te geven, welnu, de toren zou dan nederstorten en deze

hardnekkige, verstokte lieden onder zijne puinen begraven!

Meester Arnold had na weinige dagen de balken en gebinten van zijn

gestel in gereedheid gebracht, en deed ze stuk voor stuk in het klooster

dragen.

Toen eindelijk de reusachtige balk met het ijzeren ramshoofd werd

aangevoerd, bemerkten de Kerels, ofschoon nog onduidelijk, wat de vijand

voornemens was tegen hen te beproeven. Dat men den toren wilde doen

vallen, of dat die val mogelijk ware, zulke gedachte was zoo

buitengewoon en zoo ongegrond, meenden zij, dat ze eenen glimlach op

hunne lippen verwekte. Wat was dan het doel hunner vijanden? Zouden zij

op zekere hoogte in den toren een gat boren, om de trap te bereiken en

dus tot hen op te klimmen? Maar deze vooronderstelling was even

onwaarschijnlijk.

In deze onzekerheid moedigden zij elkander aan om voor niets te

zwichten. Zij hadden het nu reeds zoolang volgehouden, twee machtige

legers getrotst en hunne vijanden beschaamd; het was toch oneindig

schooner en heerlijker tot den laatste toe vrij en met het zwaard in de

vuist te bezwijken, dan gemarteld en door de Isegrims vertreden en

bespot, te moeten sterven.

Alhoewel zij slechts weinige pijlen nog bezaten en reeds groote holten

in den toren hadden gebroken, om zich werptuigen te verschaffen poogden

zij elken vijand, die onder hun bereik kwam, met steenen of schichten te

treffen.

Dagelijks sneuvelden er dus eenige Franschen en Vlamingen, ridders en

wapenknechten. Dit verlies vergramde den koning uitermate en vuurde

dusdanig zijn ongeduld aan dat hij bij dag zijn intrek in de Loove nam

en niet zelden binnen het klooster ging om de arbeiders tot vlijt en

haast aan te drijven.

Nu was hij weder met eenige ridders in het klooster getreden, omdat men

hem de voltooiing van den grooten beukram was komen aankondigen. Met

genoegen beschouwde hij het ontzaglijk gestel, dat waarschijnlijk in

weinig tijd de Kerels tot overgaaf zou dwingen of door den akeligsten

dood een einde aan hunnen onbeschaamden trots zou maken.

De refter van het klooster was bijna hoog als de beuk eener kerk. Daar

hing nu, in evenwicht tusschen eene timmering van opgaande balken, een

zware eikeboom, nauwelijks van zijne schors ontbloot en vooraan met een

ijzeren ramshoofd beslagen.

Aan het achterst einde waren vele zelen gehecht en aan elk dezer zelen

stonden vele arbeiders en wapenknechten. Om te beuken, moesten deze

lieden achteruitloopen, den balk hoog uit zijn evenwicht trekken en dan,

op een sein of een woord, allen te gelijk de zelen loslaten. Dan schoot

de balk, om zijn evenwicht te zoeken, vooruit tegen den torenmuur en

verbrijzelde de steenen en schokte het gebouw tot in zijne grondvesten.

Toen alles gereed was, gaf de koning zelf het eerste sein. Wel was de

schok geweldig en sprong het vuur uit den verstaalden ramskop; maar de

brokkelingen, welke hij van den muur deed vallen, waren zoo weinig

aanzienlijk, dat de koning met ongeduld en mismoed het hoofd schudde.

Nog drie of vier schokken deed hij in zijne tegenwoordigheid beproeven,

met even geringen uitslag.

Dan betuigde hij zijne ontevredenheid aan meester Arnold; maar deze,

door zijne eerbiedige uitleggingen, deed den vorst begrijpen dat de

steen van den toren uitnemend hard was en daarom de ram, ondanks zijne

zwaarte, bij elken afzonderlijken slag zoo weinig uitwerksel had. Het

was evenwel slechts eene zaak van tijd, en hij kon de verzekering geven,

dat na twee of drie dagen arbeids, de toren zou ten gronde liggen,

indien de Kerels zich niet vroeger in 's konings genade overgaven.

De vorst verwijderde zich half tevreden over deze verklaring, en meester

Arnold zette met ijver het begonnen werk voort; ja, om zijne mannen moed

in te boezemen, deed hij hun wijn bij volle kannen schenken, en zong

onder den arbeid een zeker lied, waarvan de maat de bewegingen der

beukers eenstemmig regelde. Gansch door het dak van den refter beschut

en door den wijn aangejaagd zongen zij welhaast allen te samen en waren

vroolijk als op eene kermis.

Evenwel in den namiddag werd hunne vreugde eensklaps op eene bloedige

wijze gestoord ... Een geweldige slag en een schrikkelijk gekraak liet

zich hooren, en er viel een zwaar voorwerp, als een rotsbonk, door het

dak en door het welfsel.

Toen de verschrikte arbeiders door de stofwolk konden heenzien bevonden

zij dat drie hunner makkers verpletterd dood lagen en vier of vijf met

gebroken leden om hulp kermden.

Terwijl men naderde, om de dooden en gekwetsten op te rapen, viel weder

zulk voorwerp met ijselijk gebons op het dak, doch ditmaal weerstond het

welfsel, en het voorwerp rolde neder op een keukendak, dat onder den

slag instortte en een tiental wapenknechten verpletterde of verwondde.

Er rees een algemeen noodgeroep in het klooster op, en al de ridders en

wapenknechten, die zich daar of in de Loove bevonden, grepen naar hunne

wapens en liepen dooreen, als waanden zij zich door eenen machtigen

vijand verrast of bedreigd.

Na eene wijl kwam de veldheer Gervaas Van Praet in het klooster, om te

vernemen wat er geschiedde. Hij vond meester Arnold, met de armen

overeen en als verbaasd nederziende op een groot brok metaal, dat ten

gronde lag.

Op des veldheer ondervraging, zeide Arnold:

"Het zijn ware duivels daarboven, mher Van Praet. Daar hebben zij nu met

mokers eene klok uit den toren aan twee stukken geslagen en deze als

dondersteenen ons op het lijf geworpen! Zie het gat daar in het welfsel!

Hoe zij zulke bonken metaal over de gaanderij kunnen porren, dit weet

God![87]"

"En wat gaat gij nu beginnen?"

"Ha, veldheer, het voorzichtigste is ons werk voor heden te laten

steken, en gedurende den nacht naar middelen uit te zien om het dak met

balken te sluiten."

"Het is om schaamrood van te worden!" mompelde de veldheer "Vijftig man

die ons blijven tergen en ons zooveel spels leveren als een groot leger!

De koning zal wel ontevreden zijn, meester Arnold, indien hij verneemt

dat gij het beuken wilt staken."

"Wat mij betreft, ik ben bereid om het werk voort te zetten, veldheer;

maar de heer koning heeft mij bevolen de mannen zoo weinig mogelijk in

gevaar te brengen."

Er kwam een overste geloopen, en deze riep op verstoorden toon tot

Arnold:

"Welnu, meester, waarom staakt gij het werk? Ga voort, ga poort, kost

wat kost, de koning wil het zoo! Men zal u nog meer wapenknechten

zenden: de ram moet beuken, nacht en dag![88]"

"'s Konings wil zal geschieden", antwoordde meester Arnold.

Hij verliet de ridders, vergaderde de arbeiders en zeide hun hoe zij

den ram wat zijdelings zouden trekken, om niet onder de opening van het

dak te staan.

Eene wijl daarna waren zij weder aan het werk, en beukte de ram opnieuw

met korte tusschenpoozen tegen den toren.

Waarschijnlijk hadden de Kerels geene klokken meer om naar beneden te

werpen, of waren deze te zwaar om te worden verbrijzeld of verplet.

Althans er verliepen ten minste twee uren zonder dat de beukers door

iets werden gestoord of bedreigd.

Wel was iemand hun komen zeggen dat men boven op de gaanderij van den

toren veel rook zag opgaan en vuren zag vlammen; maar dewijl men niet

raden kon wat de vijand daarmede in den zin had, onderbrak men het werk

van den ram daarom niet.

Buiten het klooster was men min gerust. De ridders die in de Love waren,

en zelfs de koning zagen met zekere bekommerheid naar den toren en

vroegen elkander wat toch die razende en onuitputtelijke Kerels nu weder

aan het uitvinden waren om hunnen beslissenden val te vertragen.

De zaak was echter zeer eenvoudig. Toen de Kerels, na het werpen der

klok, den ram zijn werk hoorde hervatten, begrepen zij dat zij door dit

middel het dak, dat de Isegrims voor hunne pijlen beschutte en aan hun

gezicht onttrok, niet zouden kunnen verbrijzelen. Na eenige overweging

waren zij dan op de gedachte gekomen eene poging te doen om dit dak door

het vuur te vernietigen.

Zij brachten daartoe al het was, al het vet en zelfs de weinige boter

die hun overbleef te zamen. De zelen der klokken hakten zij aan stukken

en ontwonden en openden ze; lijnwaad, zakken en zeildoeken werden

bijgehaald.

Dan begonnen zij met hout, dat zij uit den toren braken, vuren te stoken

en de vette stoffen in ketels te smelten. Hierin doopten zij al de

bijgebrachte brandstoffen en legden ze terzijde, totdat alles klaar zou

zijn.

Het waren deze vuren en al deze bewegingen die de ridders en den koning

door het voorgevoel van eenig groot gevaar bekommerden.

Nu waren de Kerels gereed tot het uitvoeren van hun ontwerp.

Allen te gelijk hieven zij de ingevette brandstoffen boven de vuren,

lieten ze goed vlammen en wierpen ze dan naar beneden op het dak van het

klooster, in zulke hoeveelheid, dat ze daar in hoopen op elkander vielen

en een groot gedeelte van het dak met golvende vlammen overdekten.

Dan begrepen de ridders ten volle het inzicht en het doel hunner

hardnekkige vijanden: zij wilden al de geestelijke gebouwen door den

brand vernielen en dus de beukers en de wapenknechten van alle

beschutting berooven.

Een groot geroep rees op; de bevelen klonken verward door elkander, en

de oversten der Isegrims en der Franschen poogden hunnen mannen het

gevoel in te drukken dat men, ondanks alle gevaar, moest pogen den brand

te blusschen, wilde men niet den ganschen burg in asch te zien vergaan.

De wapenknechten, evenals hadden zij op het slagveld tegen den vijand te

strijden, liepen in menigte naar boven met al wat water kon bevatten, en

sprongen door de zoldervensters op de daken.

Maar de Kerels, die zulks wel hadden voorzien, wierpen zoo duchtig met

steenen en schoten zoo onophoudend met hunne laatste pijlen, dat een

groot getal wapenknechten doorboord of verpletterd werden en onder het

slaken van doodskreten nedervielen in het vuur zelf dat zij wilden

blusschen.

De wind blies tamelijk sterk en hitste de vlammen aan[89].

Dank aan wanhopige pogingen en ten prijze van vele menschenlevens

gelukten de wapenknechten er in den brand boven den refter uit te

dooven; maar op hetzelfde oogenblik sloegen de vlammen met nieuw geweld

uit het dak van een ander gedeelte des kloosters ...

Dit geschiedde nog herhaalde malen. Toen men eindelijk den brand geheel

meester was geworden, lagen verscheidene daken neergevallen; maar de

Kerels hadden evenwel hun voornaam doel gemist, aangezien het dak boven

den beukram, dat men allereerst had gebluscht, was behouden gebleven.

De koning van Frankrijk had dit gansche schouwspel, van uit een venster

der Love, met diepe verbittering gevolgd. Hoe werd hij nu tegen de

Kerels verbolgen, toen hij onder zijne oogen zoovele gekwetsten zag

wegdragen, alsof men tegen een vijandelijk leger had slag geleverd! Hij

zwoer zich op die uitzinnige Kerels wreedelijk te wreken. Geen enkele

zou het schromelijkste lot ontsnappen: allen zouden den marteldood

sterven!

Toen hij de Loove tegen den avond verliet, herhaalde hij nog deze

onmeedoogende veroordeeling tot groote vreugd der Isegrims, die aldus de

verzekering kregen dat al de grondbezittingen, zoowel van Robrecht

Sneloghe als van de andere Erembalds, hun tot belooning zouden worden

uitgedeeld.

Den ganschen nacht bleven de Franschen en de Isegrims werkzaam om de

geledene schade zooveel mogelijk te herstellen en nieuwe gevaren van

dien aard te voorkomen. Het dak van den refter werd overdekt met versche

of natgemaakte ossenhuiden, en hier en daar van binnen met balkwerk

versterkt. Nog werden vele mannen door de steenen of de pijlen der

Kerels getroffen; maar het was een waar gevecht, en niemand meende het

te mogen ontwijken.

Reeds des anderen daags in den vroegen morgen begon de ram zijn werk

opnieuw.

Nog poogden de Kerels hunne vijanden door het werpen van zware steenen

of van brandstoffen te verontrusten; maar alles botste op de vochtige

ossenhuiden af, of verteerde zonder eenig uitwerksel. Eindelijk, na alle

mogelijke middelen te hebben beproefd erkenden zij hunne onmacht en

staakten hunne pogingen. Buiten vier of vijf, die de wacht hielden, om

nog de ridders en de wapenknechten te treffen, die zich roekeloos onder

hun bereik waagden, bleven de Kerels van dan af gansch ondadig. Zij

legden zich hier en daar binnen ten toren ter ruste of luisterden in

sombere stilzwijgendheid op de holle slagen van den beukram, of keken

mijmerend in de verte over burg en stad naar het betreurde Kerlingaland,

als waanden zij nog dat van daar verlossing kon komen.

Den derden dag moest het werk der beukers reeds verre gevorderd zijn,

want bij elken stoot van den ram beefde de toren nu op zijne

grondvesten; schouwde men in de hoogte, dan zag men op zulk oogenblik

hoe het kruis en de haan op de torenspits over en weder waggelden.

Nu begonnen de Kerels te vermoeden wat hunner vijanden inzicht was. De

schrikkelijke gedachte, dat men den toren kon doen nederstorten, om hen

allen onder de puinen te verpletteren, ontstelde hen in den eerste; maar

zij twijfelden nog aan de mogelijkheid van zulk ontwerp; en moest het

zich verwezenlijken, welnu, zij waren bereid om dezen gruwelijken dood

zonder klagen te aanvaarden. Allen te zamen sterven, was in hunnen

hachelijken toestand nog een geluk.

Toen de avond van dien dag zichtbaar begon te dalen, werden zij door den

vijand zelven uit hunne onzekerheid getrokken. Een wapenbode stuurde

hun, in name des konings van Frankrijk, het woord toe. Hij zeide hun,

met vele bedreigingen, dat de ram reeds bijna de helft van des torens

voet had uitgebeukt, en dit gebouw welhaast in gruis zou nederstorten.

Al de Kerels zouden onder zijne puinen worden begraven. Wilden zij zich

op genade des konings overgeven, men zou hen beneden laten komen;

weigerden zij, de beukram zou onmeedoogend zijn werk voltrekken. Men

gunde hun een vierendeel uurs.

Op dit voorstel antwoordden de Kerels met koele fierheid, dat zij

volstrekt weigerden zich over te geven, tenzij de koning en de ridders

hun de reeds meermaals uitgedrukte voorwaarden toestonden. Weigerde men

dit voorstel, het was een bewijs dat men voornemens was, zonder vonnis

hen te dooden, en in dit geval stierven zij nog liever als vrije Kerels

onder de puinen van den toren.

De wapenbode sprak in naam des konings eene vermaledijding en een

doodvonnis tegen hen uit, en keerde dan terug naar de Loove.

Onmiddellijk daarop begon men in het klooster met nieuwe kracht te

beuken, tot verre in den avond. Dan echter werd het werk der vernieling

gestaakt, ongetwijfeld omdat men vreesde den toren onverwachts te zien

instorten, en men wilde vermijden dat zulks gedurende den nacht

geschiedde.

Ondanks de ijselijkheid van het lot dat hen dreigde, begaven de Kerels

zich ter rust; en dewijl nu het bonzen van den beukram hen niet stoorde,

sliepen er velen zeer vast tot in den morgen van den volgenden dag.

[Illustratie: ...het hoofd op de leuning der gaanderij gelegd. (Bladz.

497.)]

De zon was reeds sedert een goed uur boven de kim gerezen, toen Robrecht

ontwaakte. Hij voelde zijnen geest verzwaard door den langen, loomen

slaap, en stapte naar buiten, om op de gaanderij eene verfrissching voor

zijn neergedrukt gemoed te zoeken.

Daar zag hij eensklaps aan den zuiderkant des torens Dakerlia op eene

houten bank in het stralend morgenlicht zitten. De maagd had het hoofd

op de leuning der gaanderij gelegd en hield de oogen gesloten. Was zij

onder de koesterende warmte der zon ingesluimerd of mijmerde zij in

vergetelheid van het verloren geluk en van den akeligen dood die haar

jong leven ging verslinden?

Mher Sneloghe naderde tot op twee stappen van haar, bleef daar staan,

vouwde de armen over de borst en staarde zuchtend op zijne verloofde.

Welke eindelooze wereld van gedachten en herinneringen stormde hem op

dit oogenblik door de hersens! Alwat hij had gedroomd, gehoopt,

gevreesd, geleden, warrelde als een spokig gezicht hem voor de oogen.

Wat was toch de mensch in de handen Gods? Zandkorrel dien het lot mede

voert, evenals de wind een vlokje stof! Hij, Robrecht, was de rijkste

ridder van geheel West-Vlaanderen geweest, hij had toebehoord aan een

vrij land en een edel geslacht. Hij was schoon en sterk geweest als man,

geacht en bemind als mensch. Hij had eene zuster gehad, zoet, eenvoudig

en lieftallig als eene duive. Zijne ziel had eene zuivere, beminnende

ziel ontmoet; de huwelijkszegen moest hen onafscheidbaar vereenigen en

hun leven tot een paradijs van liefde en zoet genot herscheppen ...

Eenige sombere dagen slechts waren voorbij--en van dit alles bestond

niets,--niets meer! Kerlingaland was bezweken, de vrijheid, het erfdeel

der edele voorvaderen, verloren! Hij, die de gelukkige bruidegom der

aangebeden maagd moest worden, ging den dood vinden onder de puinen van

St-Donaastoren ... Van de Erembalds zou zelf in 's lands geschiedenis

niets overblijven dan eene gevloekte gedachtenis! en dit alles tot boete

eener afschuwelijke misdaad, waaraan zij vreemd gebleven waren,--tot

betaling der bloedschuld van den moordenaar Burchard Knap!

Eene wijl bleef nog de blik des jongelings strak en dof, als ware de

denkingskracht in hem opgeschorst geweest.

Allengs nochtans vormde zich op zijne lippen een onduidelijke glimlach,

en hij hield de oogen met eene soort van treurige bewondering op het

gelaat van Dakerlia gevestigd.

Zij was toch zoo schoon en zoo ontzagwekkend, zijne verloofde, die daar

op den rand van den waggelenden toren lag te slapen als een onnoozel

kind dat sluimerd op de kruin van eenen vulkaan.

Waren Robrecht en zijne gezellen bleek, vermagerd, gekwetst, vuil en

gescheurd, Dakerlia had geheel het voorkomen der gezondheid van den

zielevrede en der zindelijkheid behouden. Iedereen toch had gewedijverd

om haar tegen de ongemakken van hunnen schrikkelijken toestand te

behoeden; en, hoe zij ook wederstand had geboden, haar voedsel toch was

niet verminderd geworden, en zelfs had men veel van het kostbare

drinkwater opgeofferd, om de Kerlinnen toe te laten, haar met al de

zorgen der netheid te omringen.

Dakerlia's wangen hadden nog iets van hunnen vorigen blos behouden, haar

aangezicht was zuiver en frisch gebleven. Haar zoo op de leuning der

gaanderij onder het zonnelicht ziende rusten, zou men gewaand hebben

eene teeder gekleurde roze te beschouwen, die even door een storm uit

het dal was gerukt geworden en boven op eene naakte rots gevoerd.

Robrechts hart popelde van bewondering en liefde, terwijl hij, van het

gevoel der wezenlijkheid verdwaald, den blik op het zoet gelaat zijner

verloofde hield gevestigd; maar eindelijk toch ontviel hem de

tooversluier der begoocheling, en welhaast sidderde hij onder den slag

van bedroevende gepeinzen.

Zij ook, zij, Dakerlia, ging eenen akeligen dood sterven! Van die

schoonheid, van dat jong leven, van al die hoop op geluk zou niets

overblijven dan ... dan een verpletterd en verminkt lichaam ...

ijselijk, gruwelijk!

Tranen schoten den ontroerden ridder in de oogen; maar hij bedwong deze

teekens der smart met geweld, en zette zich in stilte nevens zijne

verloofde.

Dakerlia ontwaakte en opende de oogen; zij aanschouwde Robrecht eene

wijl met eene soort van onbewustheid en glimlachte dan helder, als stond

er eene verheugende herinnering in haren geest op.

"Gij lacht, Dakerlia?" murmelde de jonge ridder verbaasd, "Uwe sterke

ziel is dus boven alle vrees verheven?"

"Wat schoon, wat heerlijk gezicht!" riep de maagd met begeestering uit.

"Robrecht, ik heb mijn vader en uwe zuster gezien ... gezien en omhelsd

en gesproken!"

"Een droom, lieve, eene begoocheling ..."

"Neen, neen, meer dan dat; eene inspraak van God, een troost in ons

lijden, eene voorspelling van toekomende dingen!"

Robrecht haalde mismoedig de schouders op en zeide met eenen zucht:

"Luister, luister, hoe de ram daarbeneden beukt; voel, Dakerlia, hoe de

toren siddert. Ziedaar, arme vriendinne, de droeve wezenlijkheid!"

"Gij gelooft mij niet?" sprak de maagd, met een gelaat dat van vreugde

straalde, "Ik heb den toren reeds zien vallen ... Zoo zat ik hier bij

den rand der gaanderij: de ram beukte geweldiger nog dan nu, de toren

waggelde op zijne grondvesten en ging nederstorten. Ik was vervaard en

hief de handen biddend ten hemel. Een Engel verscheen aan mijne zijde.

"Vrees niet, Dakerlia," zeide hij; "voor wie ongelukkig is of onrecht

lijdt, is de dood eene verlossing, een nieuw en beter leven." De goede

geest gaf mij moed en versterkte mij tegen den hachelijken stond. Daar

viel de toren met ijselijk gekraak; maar terwijl ik met de puinen naar

beneden stortte, greep de engel mij in zijne armen en vloog met mij naar

den hemel. In eene zaal, die verblindend glansde van goud en licht,

kwamen mijn vader en uwe zuster juichend mij te gemoet geloopen en

omhelsden mij met uitstorting eener onzeglijke blijdschap. Tranen van

geluk ontrolden onzen oogen bij dit vroolijk wederzien. Onze vrienden

Eggard Van IJsendijke, Yorg Koevoet, uw oude oom, de proost, en nog

velen van de dappere gezellen die gesneuveld zijn, kwamen mij omringen

en drukten mij de handen. Eene treurnis slechts benevelde onze vreugd;

allen riepen wij: "Waar is Robrecht? Waar blijft de edele Robrecht?" Ha,

er ging tusschen ons een schallende jubelkreet op. Daar kwaamt gij! Wij

liepen met uitgestrekte handen u toe en sloten u in de armen ... Dan

overstroomde ons eensklaps een stralend licht, en uit den schoot van

dien gloed sprak de stemme Gods zelve tot ons: "Robrecht, Dakerlia,

zielen die op aarde hebt bemind en geleden, weest vereenigd en gelukkig

tot het einde der eeuwen!" En dan, Robrecht, dan ben ik ontwaakt en heb

u nevens mij zien zitten. Het is een droom; ja, ja, een droom; maar hij

zal waarheid worden. Daarboven zullen wij eeuwig te zamen leven, met

mijnen vader, met uwe zuster, in Gods aanschijn!"

De jonge ridder had zich door de begeesterde taal van Dakerlia tot

begoocheling laten verleiden, en ook op zijne lippen was een zoete

glimlach verschenen; maar zoohaast zij ophield van spreken, keerde hij

tot het gevoel der wezenlijkheid terug en schudde met treurigheid het

hoofd.

"Die schoone voorspelling kan u niet verblijden?" murmelde de maagd.

"Zoudt gij den dood vreezen, Robrecht?"

"Voor mij niet, gij weet het wel", antwoordde hij. "Maar u te zien

sterven, Dakerlia, u, zoo jong, zoo onschuldig, zoo schoon! Eilaas, het

is eene ijselijke gedachte!"

"Vermits ik dit lot zonder beven aanvaard ..."

"Er is nog één middel, Dakerlia; en onze arme gezellen zouden, uit

liefde tot mij en tot u, er in toestemmen."

"Alweder het voorstel dat ik reeds tienmaal heb verstooten?"

"Inderdaad, lieve; maar ik smeek u, aanvaard het, uit medelijden met

mijne smart! Indien ik u gered mocht weten, ik stierve met een gevoel

van geluk, en ik zegende dan den dood als eene weldaad. Laat mij doen:

ik zal den koning onze overgaaf op zijne genade voorstellen, indien hij

zijn vorstelijk woord wil verpanden dat men u in volle vrijheid naar

Kerlingaland zal laten vertrekken."

"Nimmer, nimmer! Ik weiger ..."

"Dakerlia!"

"Met u wil ik leven en sterven. Mijn droom zal waarheid blijven."

"Wees niet onmeedoogend; uwe weigering maakt mij den dood tot eenen

galbeker."

"Ha, Robrecht, hoe is het mogelijk!" kreet het meisje met

verontwaardiging. "Gij wilt dat ik op aarde blijve na uw vertrek? Bemint

gij mij? Waarom dan wenscht gij dat ik blootgesteld worde aan de

vervolgingen van den verrader Disdir Vos? En wierd ik het slachtoffer

zijner boosheid, hoe zou uwe ziel zich beschuldigen de oorzaak te zijn

geweest mijner onzaligheid en mijner schande! Ik ben eene Kerlinne:

zuiver zal ik voor God verschijnen; ik wil het recht behouden mijnen

vader, uwe zuster en u zelven daarboven in de armen te drukken ..."

Tot dan hadden de Kerels, die zich op de gaanderij bevonden, volgens

hunne gewoonte de samenspraak van hunnen overste met jonkver Wulf

geërbiedigd, en waren zij aan de andere zijden van den toren gebleven;

maar nu kwam Ivo-de-Wolvenjager nader en zeide:

"Mher Sneloghe, indien ik mij niet bedrieg, gaat daar beneden iets

gewichtigs gebeuren. In de Hofstraat komen een groot getal voorname

poorters. Zij begeven zich in stoet naar den burg, ongetwijfeld om den

koning te spreken. Wat hun inzicht is kunnen wij niet raden; maar zij

doen verstaan dat zij over ons gaan handelen."

Op dit oogenblik bereikten de poorters het middelplein van den burg, en

Robrecht hoefde slechts het hoofd over de leuning der, gaanderij te

buigen, om op den stoet neder te zien. Hem werden insgelijks teekens

gedaan, doch hij kon er geene andere beduidenis aan toekennen, dan dat

men waarschijnlijk eene laatste poging bij den koning wilde wagen om

levensgenade te bekomen voor de arme Kerels, die andere door den val van

den toren ellendig zouden worden verpletterd.

Inderdaad, hij misgreep zich niet. De schepenen der stad, vergezeld van

wel veertig oversten der gilden en neringen, boden zich op dit oogenblik

voor de poort der Loove aan en verzochten den koning te mogen spreken.

In de tegenwoordigheid des vorsten toegelaten en over de reden hunner

komst ondervraagd, zeide de voorschepen:

"Heer koning, de droeve mare dat men den toren van St-Donaas gaat doen

vallen heeft onze poorters zeer ontroerd. Op hun aandringen komen wij

uwe goedheid afsmeeken en, voor uwe voeten neergebogen, u bidden dit

oudste kerkelijk gebouw onzer stad te willen sparen. Valt deze logge

toren, dan zal hij niet alleen de kerk en de proostdij verpletteren,

maar nog daarenboven zonder twijfel vele menschen dooden."

"Wij begrijpen wel, heeren, dat gij liever den toren zoudt gespaard

zien", antwoordde de vorst. "Maar gij hoopt zeker niet 'dat wij, koning

van Frankrijk, ongestraft onze macht zullen laten hoonen, of van hier

zouden kunnen vertrekken zonder die slechte, hardnekkige lieden tot

overgaaf te hebben gedwongen? Te lang heeft dit belachelijk spel

geduurd; en, vermits er geen ander middel is om die razende Kerels te

doen bezwijken, zal de toren vallen!"

"Gelieve de heer koning mij oorlof te geven om eene overweging ootmoedig

hem te onderwerpen", hernam de voorschepen. "Het getal der Kerels op den

toren is niet vijftig; wij meenen ons overtuigd te kunnen houden, dat

zij niet boven de dertig sterk meer kunnen zijn. Deze arme lieden zijn

in den oorlog gewikkeld geworden ten gevolge van eenen gruwelijken moord

waaraan geen hunner persoonlijk schuldig was."

"En Robrecht Sneloghe dan?" riep Disdir Vos, die met den veldheer

Grervaas en met andere ridders achter den koning stond.

"De koning late mij toe het te zeggen", antwoordde de voorschepen "mher

Robrecht Sneloghe heeft door al zijne daden bewezen dat hij vreemd is

gebleven aan de misdaad en deze dieper betreurt dan wie het zij; ja, hij

heeft in het openbaar tranen van deernis en rouw op het lijk van graaf

Karel gestort en het met gevaar des levens tegen schennis verdedigd. Is

hij het niet die den moordenaar heeft gedood[90]?

Van allen die bekend zijn als hebbende deel aan de misdaad genomen, is

geen enkele meer op den toren; zij zijn gesneuveld, gemarteld of

gevlucht ... O, machtige koning van Frankrijk, kan de onmiddellijke dood

dezer ellendige lieden eenigen luister voegen bij den glans van uwen

roem? Zeker, de moord van onzen graaf is een afschuwelijke aanslag;

maar, heer koning, in uw grootmoedig hart kan het gevoel der wraak

slechts toegang vinden, voor zooveel het nuttig of geheel rechtvaardig

zij...."

"Hoe?" morde de vorst verwonderd. "Onze wraak tegen deze overmoedige

lieden zou niet rechtvaardig zijn? Hebben zij niet genoeg onzer ridders

en wapenknechten gedood of gekwetst?"

"Inderdaad, heer koning, en het is wel te betreuren; maar indien uw

edelmoedig hart het wilde aanzien als enkelijk geschied tot hunne

verdediging ..."

"Sa, begrijp ik het wel", viel de koning half vergramd uit, "dan zoudt

gij vermetel genoeg zijn om te wenschen en te verwachten dat wij genade

schenken aan deze lieden die ten minste vrienden en handlangers der

moordenaars zijn?"

"Neen, heer koning, genade niet; maar wij durven u smeeken hun de

voorwaarden toe te staan welke zij op hunne overgaaf stellen. Zij

willen zich in de gevangenis begeven en onderwerpen zich op voorhand aan

de straf welke de rechters, na hen gehoord te hebben, over elk hunner

zullen uitspreken. Zij vragen geene genade, zij eischen slechts

rechtvaardigheid. Zeker, grootmoedige vorst, zij zijn in dezen oorlog

uwe vijanden; hun lot is in uwe handen, en, wat gij ook over hen gelieve

te beslissen, elkeen moet met eerbied zich onderwerpen aan uwen wil.

Maar, hebben zij geen recht op uwe genadigheid, wees dan toch den

poorters dezer goede stad Brugge goedgunstig en doe, op hun gebed, wat

gij den Kerels zoudt weigeren. Wij smeeken op de knieën uwe koninklijke

grootmoedigheid af! Spaar, spaar den toren en den tempel van onzen

grooten heiligen Donaas!"

Bij deze laatste aanroeping zonken al de schepenen en poorters geknield

ten gronde en bleven zoo, met neergeslagen blik, voor den koning

gebogen.

De vorst scheen gevoelig aan hunne hulde en aan hunne bede. Hij keerde

zich tot de ridders, waarschijnlijk om hen te raadplegen over de

beslissing welke hij geneigd was te nemen. De Isegrims morden hevig;

hunne gebaren konden laten gissen dat zij den koning poogden over te

halen tot het volstrekt verwerpen van het verzoek der poorters.

Wat ook de indruk dezer korte samenspraak op des vorsten gemoed ware

geweest, hij wendde zich weder tot de schepenen en zeide op minzamen

toon:

"Staat op, heeren. Wat gij van ons vraagt is moeilijk toe te staan. De

Kerels sparen? Zouden dan al onze mannen, die zij gedood hebben,

ongewroken moeten blijven? Evenwel, wij zouden indien het ons mogelijk

ware den toren te behouden, ons gelukkig achten, deze gelegenheid te

vinden om den goeden lieden der stad Brugge een hoog bewijs onzer

bijzondere welwillendheid te geven. Gaat tot uwe mannen, stelt ze gerust

en zegt hun dat wij het werk van den beukram zullen doen opschorsen,

totdat wij met rijp beraad hebben overwogen wat ons mogelijk is, ten

believe der poorters dezer goede stad Brugge te doen. Hebt vertrouwen ik

hoop dat wij den toren van St-Donaas zullen kunnen behouden."

Onder het uiten van dankzeggingen en met blij gemoed, verlieten de

schepenen en hun gevolg de Loove.

Het middelplein van den burg krielde van volk, zelfs tot aan den voet

van den toren; want ieder wist dat de Kerels, sedert den dood van

Burchard Knap, nooit meer op ongewapende poorters schoten.

De schepenen deelden aan de menigte de goede woorden des konings mede.

Dit bericht ontlokte het volk een schallend gejuich en, terwijl menige

kreet van "Leve de koning!" in de hoogte steeg, poogden eenige stoutere

lieden met de Kerels te spreken en hun door sterk roepen te doen

verstaan dat er nog groote hoop op verlossing voor hen was.

Maar nu traden eenige wapenknechten op het plein en dreigden de poorters

met gevangenis indien zij, tot de Kerels sprekende, het gebod des

konings overtraden.

Het duurde zeer lang eer men iets nieuws vernam. De toevloed der menigte

groeide immer aan, en met ongeduld wachtte een ieder op het besluit des

konings.

Eindelijk liep een blij gemor door het volk, dat zich opende om eenen

wapenbode en eenen bazuinblazer door te laten.

De bode, nadat men de aandacht der Kerels door een kort geschal had

opgewekt, riep hun toe:

"Op de bede der poorters van deze goede stad Brugge en om den toren van

St-Donaas te sparen, vergunt onze heer, de koning van Frankrijk, u de

voorwaarden op welke gij aangeboden hebt u over te geven. Gij zult in de

gevangenis geleid worden en daar afwachten totdat rechters over uw lot

uitspraak hebben gedaan. Laat mij weten of gij deze gunst aanvaardt: ik

wacht uw antwoord."

Na eene wijl onder elkander te hebben geraadpleegd, riepen de

Kerels[91]:

"Wij aanvaarden met vertrouwen in 's konings woord!"

"Komt dan beneden!" zeide de bode. "Men zal den uitgang van den trap

vrijmaken en u in de kerk uwe wapens afnemen!"

"Het zij zoo!" antwoordden de Kerels.

Een lang gejubel klonk over het plein, en herhaalde malen weergalmden er

kreten ter eere van den Franschen vorst.

Ongetwijfeld hadden de Kerels nog druk te arbeiden om zich eenen

doorgang te banen tusschen al de hindernissen waarmede zij tot hunne

verdediging de torentrap hadden versperd.

Schier een uur verliep er, vooraleer een dof gebruis en een koortsig

gewoel onder de menigte aankondigden dat de Kerels gingen verschijnen.

Inderdaad, uit de kerkpoort trad nu eene sterke wacht van wapenknechten;

daarachter stapten de Kerels, ten getalle van slechts zevenentwintig man

en drie vrouwen.--Zij waren sedert meer dan veertig dagen in den burg

opgesloten gebleven, en hadden daarvan zestien dagen op den toren

doorgebracht! Gedurende deze lange tijdruimte hadden zij met

onplooibaren heldenmoed zich verdedigd tegen twee legers en tegen al de

befaamde stormtuigen van den burg van Gent!

Ook was het wel aan hun ellendig opzicht te zien wat zij hadden

doorstaan en geleden. Allen waren geel en mager, met ingevallen wangen

en weggezonken oogen. Velen droegen op aangezicht en handen de roode

litteekens van slecht geslotene wonden; hunne kleederen waren vuil en

hingen aan flarden. Ware het niet hunne trotsche houding geweest, hadde

niet uit hun somber oog nog de vonk der onplooibare trotschheid

ontschoten, men zou voorzeker gewaand hebben eene bende verhongerde

bedelaars te zien.

Dakerlia alleen, met hare rijzige gestalte, hare bekoorlijke

wezenstrekken en reine, nette kleeding scheen eene koningin tusschen

eenen hoop noodlijdenden. Zij stapte aan Robrechts zijde en verbaasde

elkeen door den stillen, zoeten glimlach en door den glans van fierheid

die haar schoon gelaat verlichtte.

Ridders en wapenknechten boden als met eerbied eenen vrijen doorgang aan

deze heldhaftige vijanden, en bekeken hen zonder een enkel hoonend woord

te laten hooren of door eenig zegevierend gebaar hen in hun ongeluk te

bespotten.

Menig poorter, terwijl de arme Kerels hen voorbijgingen, wischte zich

eenen traan van medelijden en bewondering uit de oogen.

Verre hoefden de gevangenen niet te gaan: het Gyselhuis, in welks kerker

men ze ging opsluiten, stond op den burg, schuins over de proostdij.

Toen de Kerels binnen in het Gyselhuis gekomen waren, gebood de overste

der wachten, dat men de mannen in den grooten kerker ter rechterzijde,

en de vrouwen in de cellen ter linkerzijde zou opsluiten.

Een angstschreeuw ontsnapte terzelfdertijd aan Dakerlia en Robrecht en,

als vreesden zij dat dit afscheid eeuwig zou zijn, sprongen hun beiden

de tranen uit de oogen.

Dakerlia hief met een plechtig gebaar den vinger ten hemel, wees dus aan

haren verloofde de baak der hoop en riep:

"Robrecht, Robrecht, er is een beter leven. Vaarwel, tot wederziens

daarboven ... mijn vader, Witta!"

"Vaarwel, dat God u bescherme!" murmelde de jonge ridder, schier

bezwijkende van smart.

De wapenknechten grepen de Kerels en de vrouwen bij de armen en leidden

ze naar de kerkers die hun waren toegekend.

De Kerels van Vlaanderen · 第 75 / 85 题