XXIII

De Kerels verwachten zich des anderen daags aan het voortzetten der

bestorming; ook stonden zij bij de eerste morgenschemering reeds

strijdvaardig, om de aanvallen des vijands met onverzwakten moed af te

weren of hem ten minste elken stap voorwaarts duur te doen betalen.

Maar dien dag, en insgelijks de twee volgende dagen, werden zij niets

anders verontrust dan door pijlen, welke de wapenknechten nu en dan naar

den toren schoten, en die de schildwachten der Kerels verplichtten zich

achter de kanteelen verborgen te houden.

Zij hadden door eenen hun toegeschoten brief de reden van deze

opschorsing der aanvallen tegen de kerk vernomen. De koning van

Frankrijk, wien waarschijnlijk was bericht geworden dat het Kerlenleger

Brugge naderde, was met het grootste gedeelte zijner heirkracht in de

richting naar Yperen getogen, om Willem Van Loo op te zoeken en hem den

veldslag aan te bieden.

Het heil van Kerlingaland en de redding der belegerden hingen dus af van

het lot eener enkele worsteling! Bleef Willem Van Loo in dezen eersten

schok der beide legers overwinnaar, dan zou niets meer aan de dappere en

verbitterde Kerels kunnen wederstaan; zij zouden de Franschen dwingen

Vlaanderen te verlaten en zouden dan onmiddellijk zegevierend naar

Brugge komen afgezakt, de Isegrims verpletten of verstrooien en hunne

broeders verlossen, die zoolang reeds schier zonder hoop, doch met

onplooibaren heldenmoed zich tegen twee legers hadden verdedigd.

Het bericht van des konings veldtocht in Kerlingaland had hun eenig

vertrouwen teruggeschonken. Dewijl men hun tevens had laten weten dat de

Isegrims waarschijnlijk gedurende de afwezigheid des konings geenen

ernstigen aanval tegen hen zouden beproeven, was hun de tijd gegund om

te rusten, ten einde weder krachten te verzamelen tot latere

worstelingen; maar zij lieten integendeel geen oogenblik voorbijgaan

zonder aan het scheppen van nieuwe verdedigingsmiddelen te arbeiden.

In de vrees dat de Isegrims misschien zouden pogen de vensters der kerk

te beklimmen, bouwden zij achter elk venster eene poort van stelling,

waarop een tiental mannen de wacht konden houden, niet alleen om de

bewegingen des vijands te bewaken en zijne inzichten af te spieden, maar

tevens om den wapenknechten door het schieten van pijlen alle nadering

te beletten.

Onder de vensters, op den vloer der kerk, legden zij vele balken, waarin

puntige houten, stalen pennen, zwaarden en moordpriemen bevestigd waren,

zoodat deze altezamen, als een gebosch van dreigende lansen, in de

hoogte staken en onfeilbaar elken ridder of wapenknecht, die door het

venster in de kerk wilde dalen, moesten doorboren.

De buitenpoort des tempels was zeer zwaar. Om echter te beletten dat ze

door den beukram wierd ingeworpen, vulden de Kerels het nauwe

voorportaal tusschen de twee deuren geheel met steenen en met alle zware

voorwerpen, welke in hun bereik waren; ja, zij braken met dit inzicht in

den tempel zelven zekere binnenmuren uit, waarvan zij tevens de minst

zware steenblokken in de kapelle en op den toren droegen, om ook van

daar den vijand te kunnen treffen.

Zij hadden, zonder ernstig te zijn gestoord geworden, aan deze

toebereidsels drie of vier dagen besteed, toen zij in den nacht van den

vijfden dag verontrust werden door een dof en verwijderd gerucht, als

het gebons van zware mokers en den scherpen slag van den hamer op

ijzeren keggen.

Dit gerucht vernamen zij op de hoogte der kapelle, in de richting van

den gang, langs waar graaf Karel gewoon was geweest van zijn paleis ter

kerk te komen.

Het scheen hun duidelijk dat men ergens, langs den kant van het

klooster, bezig was met pogingen te doen om eenen muur te doorboren en

zoo op de gaanderij der opperkerk hen aan te vallen.

De kastelein Hacket en Robrecht Sneloghe deden al hunne beschikbare

mannen in de kapelle te zamen komen; en, terwijl zij immer de doffe

galmen van den geheimzinnigen arbeid des vijands afluisterden, hielden

zij zich gereed om hem duchtig te onthalen, indien hij er werkelijk in

gelukte eene opening in den muur te maken.

Den ganschen nacht hoorden zij den slag der hamers. Het werk der

Isegrims moest evenwel zwaar en moeielijk zijn en scheen weinig te

vorderen; want het gerucht bleef even verwijderd en onduidelijk tot den

morgen, en hield dan geheel op.

De Kerels meenden zelfs te mogen gelooven dat de vijand zijne poging had

opgegeven, en zij waren gereed, nu de eerste dag-klaarte zich vertoonde,

om beneden in de kerk hunnen arbeid tot verdediging te gaan hernemen,

toen een schildwacht van den toren daalde en hun kwam boodschappen dat

zwarte rookwolken tot hen opklommen en zij vreesden dat de vijand de

kerk aan brand gestoken had.

De oversten der Kerels liepen op de torengaanderij, en keken bekommerd

naar beneden.

Was het slaan der hamers eene list geweest om hunne aandacht af te

keeren, terwijl men langs eenen anderen kant de middelen tot eenen

aanval bereidde? Waarschijnlijk, want zij zagen nu dat men, gedurende

den nacht, voor de buitendeur der kerk, met dikke balken een soort van

dak had getimmerd, waarop de zwaarste steenbonken onmachtig afbotsten.

Daaronder hielden zich vele vijanden ongetwijfeld? Maar wat deden ze in

deze schuilplaats? En wat beduidde de rookwolk die kronkelend van daar

langs den toren opsteeg? De morgenschemering en de mistige lucht

beletteden de Kerels duidelijk te onderscheiden welk nieuw gevaar hen

bedreigde.

Bij zijn vertrek had de koning van Frankrijk den veldheer Gervaas Van

Praet gelast de belegering voort te zetten, en de vaste hoop uitgedrukt

dat, eer eene week verloopen ware, alles te Brugge zou gedaan zijn en de

Vlamingen hem in Kerlingaland zouden komen vervoegen, indien de oorlog

daar niet met eenen enkelen slag wierd beslist en gesloten.

Na zijne mannen eenige dagen te hebben laten rusten en den nieuwen

aanval rijpelijk te hebben berekend, had de veldheer de noodige bevelen

gegeven om de kerk van St-Donaas te bestormen en kost wat kost in te

nemen.

Terwijl een gedeelte der Gentenaars zouden arbeiden, om dwars door

eenige muren de opperste gaanderij des tempels te bereiken, zou een

ander gedeelte, door de wapenknechten en ridders ondersteund beproeven

of men de groote buitenpoort niet bij middel van vuur zou kunnen

vernietigen, en dus eenen vrijen doorgang bekomen om de Kerels in de

kerk zelve aan te tasten.

Om dit te bewerkstelligen, hadden zij in de duisternis de poort der kerk

met eene dikke laag vet en teer bedekt, en pik en harst en hout tot

eenen hoop er voor te zamen gedragen.

Intusschen hadden zij hunne mannen in al de omliggende gebouwen

vergaderd en hun de noodige bevelen gegeven, om op het eerste sein de

kerk binnen te stormen.

Nu de dag ging aanbreken, hadden zij het vuur aan de licht ontbrandbare

stoffen gestoken, en smeten nog immer, van uit hunne sterke

schuilplaats, olie en pik in den gloed, om de verterende vlammen te

voeden.

Wel wierpen de Kerels van boven onophoudelijk zware steenbonken brandend

stroo en kokende olie op het dak; maar de dikke balken waaruit het was

samengesteld, en de versche ossenhuiden waarmede men het overdekt had,

verijdelden al hunne pogingen.

Intusschen verslond het vuur de deur wel langzaam doch voortdurend en de

vlammen knaagden zoo onweerstaanbaar in het eikenhout, dat het, na een

uur tijds, gansch verkoold bij brokken nederviel, en de steenen en de

aarde ontdekte, waarmede de Kerels het voorportaal hadden opgevuld.

Deze dam, geenen steun meer hebbende, rolde gedeeltelijk naar beneden;

en het overige was in korten tijd geheel weggeruimd door eene bende

Gentenaars, welke men tot dit einde had doen naderen.

Dan bracht men in het voorportaal eenen draagbaren beukram, en begon

daarmede zoo hevig tegen de binnendeur in te loopen, dat de gansche kerk

er van dreunde.

Dewijl het hout dezer deur niet dik was, kon zij niet lang aan het

geweldig bonzen wederstaan en viel welhaast verbrijzeld neder.

De Gentenaars, die in het voorportaal stonden, zonden eenen schallenden

zegekreet in de hoogte en sprongen de kerk in; maar het gejuich was van

korten duur. Daar stonden een honderdtal Kerels gereed om hen te

onthalen, en nauwelijks hadden deze roekelooze Gentenaars hun zwaard

kunnen verheffen, of zij lagen allen met gekloofd hoofd of afgehakte

leden op den vloer.

Nu galmden de bazuinen op het plein van den burg, en een zwerm vijanden

liep uit al de omliggende gebouwen naar de kerk om de Kerels te

verpletten. Zij vervulden de lucht met vroolijk krijgsgeschreeuw, en

meenden als een onweerstaanbare vloed de kerk binnen te stormen; maar,

hoe zij ook elkander verdrongen en vooruitstuwden, zij werden in hunne

woeste vaart gestuit door den hardnekkigen tegenstand der Kerels, die

als een ondoordringbare muur den nauwen ingang afsloten en alles

nederhakten wat hen naderde.

Na eene wijl lag het voorportaal vol lijken, en vloeide het bloed in

beken onder de voeten der aanvallers.

Zij, die nog op het plein zich bevonden en poogden vooruit te dringen,

wisten niet hoevelen hunner makkers in deze enge plaats reeds het leven

hadden verloren. Zij juichten, hitsten elkander aan en deden niets dan

roepen:

"Vooruit! Vooruit! Zege! Zege!"

Hun onweerstaanbaar gedrang had dan eindelijk voor gevolg dat de Kerels,

hoe schrikkelijk zij ook onder de Isegrims hakten, voor den druk der

aanvallers moesten wijken en dus gedwongen werden hunnen vijand den

vrijen doorgang te bieden.

Zij hadden alles voorzien en de kansen hunner verdediging sedert lang

berekend. Nu deinsden zij door eene eenparige beweging als op een geheim

bevel, tot onder de zijbeuk der kerk, met den rug tegen de deur van den

nauwen trap, langswaar men tot de kapelle opklom. Zij zouden dus dezen

weg naar de opperkerk zoolang mogelijk verdedigen en, moesten zij den

strijd opgeven, langs daar de gaanderij bereiken, waar zij nieuwe

middelen tot wederstand moesten vinden.

Ridders en wapenknechten waren nu, onder het aanheffen van triumfkreten

en wraakgeroep, den tempel binnengestroomd; en wie plaats kon vinden om

de Kerels te naderen, had hen met woede aangevallen.

Het ging er lijf om lijf; men zag hier en daar zelfs Kerels en

Isegrims, door het gedrang belet hun zwaard te nemen, elkander

aangrijpen en, ten gronde rollende, ijselijke pogingen doen om hunnen

vijand te versmachten, totdat ze beiden werden verpletterd of doorboord.

Dewijl de Kerels in eenen dichten hoop stonden en van alle kanten eene

heldhaftige tegenweer boden, was het den aanvallers niet mogelijk hunne

gelederen te breken. Nog een ander en even groot voordeel had voor hen

deze wijze van strijden; want zoo beletteden zij het grootste gedeelte

der Isegrims werkelijk aan de worsteling deel te nemen.

Dit schromelijk gevecht in de kerk duurde bijna een half uur voort, met

immer klimmende woede en wreedheid. De vloer des tempels lag bezaaid met

honderden lijken, en de strijdenden plasten hier en daar tot aan de

knoesels in het gestorte bloed[81].

Bij dezen onverwachten tegenstand en bij het gezicht van zulk verlies

aan dooden en gekwetsten, huilden ridders en wapenknechten van razernij

en wraakzucht, en drongen telkens met nieuwe drift elkander naar den

hardnekkigen vijand vooruit.

Hoe de Kerels ook de Isegrims bij hoopen nedervelden, zij zelven zagen

insgelijks velen hunner gezellen onder de slagen des vijands bezwijken,

en hun getal was eindelijk zoozeer verminderd dat men niet kon twijfelen

of zij zouden welhaast geheel worden verpletterd.

Op een bevel van den kastelein Hacket weken zij langzaam en even moedig

strijdend naar den trap der gaanderij, sprongen allen te gelijk naar

boven en wierpen de trapdeur toe.

Terwijl eenigen hunner, die men op voorhand had aangewezen, den ganschen

trap opvulden en verstopten met daartoe gereedgelegde steenen en zakken

aarde, liepen de anderen naar de kapelle.

Hier op de verhevene gaanderij staande, begonnen zij in den dichten

drom hunner vijanden zoodanig met steenbonken te werpen, met pijlen te

schieten en met kokende olie, die de Kerlinnen hadden bereid, in het

ronde te gieten, dat de Isegrims binnen eene korte wijle tijds meer

hunner makkers zagen vallen dan zij er gedurende de lange en bloedige

worsteling hadden verloren. De plaats was voor hen niet langer te

behouden, wilden zij zich niet nutteloos aan eene geheele verdelging

blootstellen.

Een bazuingalm riep hen terug onder de tegenoverstaande zijbeuk der

kerk, waar de werptuigen hunner vijanden hen niet konden bereiken.

Intusschen bleven de Kerels boven de gaanderij waakzaam om alwie zich

langs dien kant der kerk dorst wagen neer te schieten of te

verpletteren; maar de Isegrims hielden zich schuil onder de zijbeuk en

schenen daar onder elkander over iets te raadplegen.

Dakerlia kwam met uitgestrekte armen tot Robrecht geloopen en juichte

over zijne behoudenis; maar een grievende angstschreeuw ontvloog de

ontstelde jonkvrouw, toen haar verloofde, stom en met eenen traan in de

oogen, den vinger naar de benedenkerk richtte en daar op een lijk wees

dat met verpletterd hoofd ten gronde lag uitgestrekt.

"Wee, wee, Yorg Koevoet!" zuchtte Dakerlia. "Hij heeft Kerlingaland, hij

heeft onze vrijheid zijne heldenbloed gegeven! De goede God weze zijne

arme ziel genadig!"

Robrecht durfde nauwelijks in de kapelle rondzien; want zeker, vele

vrienden vermisten zij, en de berekening van hun verlies zou hen met

eene eindelooze droefheid slaan. De kastelein was aan het hoofd gekwetst

en verzekerde nu glimlachend zijnen makkers dat zijne wonde slechts

oppervlakkig en niet erg was.

Eensklaps traden van onder de zijbeuk een bazuinblazer en een wapenbode

vooruit. Deze laatste stelde den Kerels eenen wapenstilstand tot den

avond voor, om de gekwetsten te kunnen oprapen en de dooden buiten de

kerk te voeren. Hij beloofde hun, in naam van sher Baudewijn Van Aelst,

die als overste hier gebood, dat men, zoolang de dag duurde, geene de

minste daad van vijandelijkheid tegen hen zou plegen.

De Kerels gaven hunne toestemming, op voorwaarde dat slechts eenige

wapenknechten vrij door de kerk zouden mogen gaan om de lijken weg te

nemen. Al de anderen zouden onder de zijbeuk blijven of, wilden zij de

kerk verlaten, nevens den muur naar de poort stappen. Wie langs de

zijde, waarboven de kapelle was, zich waagde, zou oogenblikkelijk van

boven worden nedergeschoten of met steenen verpletterd.

Deze overeenkomst aldus gesloten en aanvaard zijnde, begonnen de

Isegrims hun werk, en voerden dooden en gekwetsten buiten den tempel.

Zich in het geheel niet op de beloften hunner vijanden betrouwende,

hielden de Kerels nauwe wacht op hun gaan en komen en bleven den

ganschen dag gereed om allen aanval af te slaan, intusschen immer

werkzaam om op de gaanderij allerlei werptuig bijeen te dragen.

Toen de avond was gevallen, zaten zij bijna allen te zamen in de

kapelle, waar eenige lampen brandden, of lagen hier en daar, in hoeken

of op banken, worstelende tegen den slaaplust en denkend aan den

noodlottigen strijd van dien rampspoedigen dag.

Zij hadden hunne overblijvende mannen geteld. Eilaas, meer dan de helft

hunner trouwe makkers hadden den dood in de bloedige worsteling

gevonden! Van de vijfhonderd Kerels en poorters die met hen de

verdediging van den burg hadden begonnen, leefden er nog zeventig!

De kastelein Hacket was zeer bleek ten gevolge van het bloed dat hij had

verloren, en scheen afgemat en mismoedig.

Burchard Knap zat met het hoofd op de handen in eenen halfduisteren hoek

en bulderde schrikkelijke vermaledijdingen tegen Willem Van Loo en tegen

de Kerels, die hun niet ter hulp kwamen, maar bovenal tegen Disdir Vos,

den verrader, zonder wiens hulp de vijand nooit binnen Brugge zou

geraakt zijn. Hij zwoer bij duren eede dat, indien hij ooit zijne

vrijheid terugbekwam, hij geene rust zou genieten voordat hij Disdir Vos

het valsche hart uit den boezem hadde gerukt.

Terwijl hij dus in zich zelven morde en gromde, wierp hij sombere

blikken in het ronde, als waande hij in zijne makkers zelven vijanden te

zien. En waarlijk, daarin bedroog hij zich niet geheel; want buiten

eenige Houtkerels beschouwden allen hem in hun gemoed als de oorzaak der

ongelukken die hen zelven en Kerlingaland bedreigden.

Robrecht Sneloghe alleen poogde door zijne woorden den Kerels nog

vertrouwen op redding in te boezemen. De veldslag tusschen den koning

van Frankrijk en Willem Van Loo moest nu geleverd zijn of ging geleverd

worden. Niet van hunne verdediging te dezer plaatse hing hun lot af;

maar van dien beslissenden strijd in het open veld. Alle uren konden zij

de zegepraal van het groote Kerlenleger vernemen, en die zegepraal moest

ook het einde zijn van hunne gevaren en van hun lijden.

Zoo bleven degenen, die niet onder de vermoeidheid en onder den

slapensnood bezweken, elkander troosten en aanmoedigen tot diep in den

nacht.

Dan hoorden zij eensklaps eene stem die van buiten de gaanderij tot hen

scheen te komen en op versmachten toon hun toeriep:

"Storm op zee! Stil, stil, ik ben een vriend, een Blauwvoet!"

Robrecht deed zijnen makkers een teeken dat zij beweegloos zouden

blijven.

Hij zag een menschenhoofd boven de gaanderij opdagen.

"Hemel!" mompelde hij, "bedriegen mij mijne oogen? Ivo-de-wolvenjager!

Zonder baard? Gekleed als een wapenknecht?..."

Ivo legde zich den vinger op den mond en stapte over de leuning der

gaanderij.

Terwijl de Kerels hem met verbaasdheid bezagen, trok hij met dezelfde

geheimzinnige stilte eene lichte ladder in de hoogte en legde ze ten

gronde.

Dan liet hij zich op eene bank nedervallen en zeide op treurigen toon:

"Vrienden, laat mij ademscheppen.... Ik heb mij als een wapenknecht

verkleed en vele gevaren getrotst om tot u te komen. Ach, mijne arme

gezellen, ik vervul eenen droeven plicht.... Ik ben een ongeluksbode....

De oude Bertulf de proost is dood...."

"Dood! De proost van St-Donaas?" kreten allen te gelijk door eenen

plotselijken angst aangegrepen.

"Ja, dood; gemarteld, ijselijk gemarteld!"

Degenen die in de verre hoeken zaten, naderden den bode; men wekte zelfs

de slapenden, en allen omringden Ivo-den-wolvenjager en overlaadden hem

met vragen. Hacket stortte tranen over zijnen ongelukkigen broeder,

Robrecht beweende zijnen oom; bleek en met kloppend hart hielden zij de

oogen gericht op Ivo-den-wolvenjager, die zijne verklaring aanving en ze

met eenige onderbrekingen dus voortzette:

"Wij zijn door Walter Van Lillers behouden buiten de stad geleid, en

ondernamen met moed en met vertrouwen onze lange reis door de

nachtelijke duisternis. De oude proost, die niet gewoon was te voet te

gaan en elk oogenblik struikelde, bezeerde zich dikwijls en begon al

spoedig van vermoeidheid te klagen. Wij mochten echter niet rusten;

want, bereikten wij voor den morgenstond het leger der Kerels niet, dan

liepen wij groot gevaar van in handen der Fransche krijgsknechten te

vallen. Ik ondersteunde den heer proost zooveel ik kon, ja, droeg hem,

om zoo te zeggen, gedurende de twee laatste uren, want zijne voeten

waren gewond en bloedend.... Toen de eerste dagschemering zich aan den

hemel begon te vertoonen, verlieten wij de baan omtrent Roozebeke, en

traden op eene hofstede waar een goed vriend van mij woont. Zeker, de

man zou naar het leger zich begeven hebben; hij is een onversaagde

Kerel, een verkleefde Blauwvoet, die vurig wenschte zijn bloed voor de

verdediging onzer vrijheid te mogen vergieten; maar zijne vrouw en

kinderen zouden op de hofstede zijn. Daar zou de heer proost kunnen

rusten en eenig voedsel tot versterking gebruiken. Tot mijne groote

verwondering vond ik den Kerel te huis. Toen ik hem zeide dat mijn oude

gezel niemand anders was dan de proost van St-Donaas te Brugge, deinsde

de Kerel met eene grijns van gramschap en misprijzen terug en mompelde:

"Een Erembald, een moordenaar, een verrader van Kerlingaland!"--Door

goede woorden wekte ik zijn medelijden op en bracht hem tot bedaren.

Terwijl de proost, door dit slecht onthaal mismoedig, wat brood en melk

poogde te nuttigen, vernam ik over den toestand der zaken in

Kerlingaland zeer bedroevende dingen. De tijding van den moord des

graven heeft de tweespalt tusschen de Ambachten gezaaid, waarvan velen

geweigerd hebben te wapen te komen, om de verantwoordelijkheid der

misdaad zelfs niet in schijn te aanvaarden. Men beschuldigt algemeen de

Erembalds van Brugge onze vrijheid en Kerlingaland te hebben verraden;

want door den moord hebben zij de beslissingen, die in den Hoop te

Veurne genomen waren, onuitvoerbaar gemaakt en op voorhand

verijdeld.--Het zijn de woorden van mijnen vriend.--In de Ambachten

zelve, die hunne mannen ter beschikking van Willem Van Loo hebben

gesteld, zijn vele Kerels te huis gebleven; en zij, die opgetrokken zijn

en zich in het leger bevinden, vermaledijden niet min de Erembalds als

de oorzaak van 's lands ongeluk."

"Door elkeen gehaat, door de gansche wereld vervloekt als laffe

moordenaars!" zuchtte Robrecht.

"Ga voort, laat al dien praat van bloode lieden achter en zeg ons wat

mijnen oom den proost is geschied!" gromde Burchard Knap met beklemde

woede.

De anderen, zeer ontsteld en nieuwsgierig om het einde dezer verklaring

te hooren, luisterden in stilte.

Ivo-de-wolvenjager hernam:

"De woorden van mijnen vriend deden ons twijfelen aan den goeden uitslag

onzer zending. Er was echter niet te aarzelen, en alhoewel de arme heer

proost schier niet meer kon gaan, wilde hij toch de pijnlijke reis

voortzetten.--Wij geraakten, met overspanning onzer krachten, eindelijk

in den morgen te Zonnebeke. De heer proost kon niet verder en viel daar

in eene herberg bijna machteloos op eene banke neder. Al de paarden,

karren en voertuigen der omstreken waren in het leger, dat binnen en

rondom Yperen zich bevond. Ik besloot dan alleen naar deze stad te gaan,

om mher Willem de komst van den proost bekend te maken en hem te

verzoeken mij een rijtuig te doen geven om hem naar Yperen te doen

voeren. Ik volbracht mijne boodschap. Een wagen, door een twintigtal

Kerels, met eenen overste vergezeld, volgden mij naar Zonnebeke.--Daar

vielen de Kerels op mij en ontrukten mij mijn zwaard. Terwijl men mij

vasthield om mij alle beweging onmogelijk te maken, greep men, onder het

bulderen van allerlei smaadwoorden, den ouden proost aan, bond hem de

armen op den rug en smeet hem barschelijk op den wagen. De zweep werd op

de paarden gelegd, en wij vertrokken naar Yperen. Mij had men insgelijks

gebonden; maar de overste, die mij goed kende, zeide mij dat men mij van

niets beschuldigde. Indien ik mijn woord wilde geven dat ik mij zou

stilhouden en niet pogen te ontvluchten, zou men mij zonder banden den

gevangen proost laten vergezellen. Ik aanvaardde.--Toen wij Yperen

gingen naderen, vonden wij, zelfs buiten de stad, eene menigte poorters

en Kerels, die nevens de baan op ons schenen te wachten. Ach, hoe zal ik

het u zeggen, wat den armen proost daar en tot op de Markt van Yperen

wedervoer? Eerst overlaadde men hem met vermaledijdingen en riep men

onophoudelijk, zoo luid en zoo woedend, dat het over de velden

hergalmde: "Ter dood, ter dood, de laffe moordenaar! Versmoort hem in

het slijk, den verrader van Kerlingaland!"--Bij de poort der stad rukte

de razende menigte den proost van den wagen en dwong hem te voet te

gaan. Dan begon men hem met modder en met steenen te werpen ..."

Een gemor van ijzing en angst vervulde de kapelle; de kastelein Hacket,

door het akelig lot zijns broeders verpletterd, had het hoofd gebogen en

de handen voor de oogen gelegd. Robrecht en Dakerlia hielden hunne

strakke blikken op Burchard gevestigd en schenen hem te verwijten dat

hij de schuld was van Bertulfs ongeluk.

Zoo ontsteld en aangegrepen door het verhaal van Ivo, hoorden de Kerels

niet dat de doffe hamerslagen, naar de zijde van het klooster, weder

waren hervat. Misschien meenden zij het gevaar dezer poging niet nabij

genoeg, om er nu eene bijzondere acht op te slaan.

De wolvenjager ging voort:

"De proost, alhoewel ziek en uitgeput, stapte met opgeheven hoofd

tusschen den razenden volkshoop; hij had, zooveel zijne banden het hem

toelieten, de handen samengevoegd en scheen te bidden. Wij kwamen te

midden der Markt, en vonden daar Willem Van Loo met de oversten der

Kerels. Mher Willem verweet den proost met hevige gramschap, dat hij tot

den moord van graaf Karel had geholpen, en door deze afschuwelijke daad

der Kerlen macht had gebroken. De proost beschuldigde integendeel mher

Willem en beweerde dat hij zelf aan zijnen neef Burchard bevel had

gegeven om Karel van Denemarken te dooden. Mher Willem loochende en

zwoer dat hij niets er van had geweten; maar dewijl de proost zijn

gezegde staan hield en de waarheid er van poogde te bewijzen, werd mher

Willem zoo woedend, dat hij luidop bevel gaf om den ouden proost ter

dood te brengen ... Mocht ik hier mijne openbaring eindigen! Mijn hart

beeft en mij spookt nog het ijselijk schouwspel voor de oogen ... Op een

kruis genageld, met ijzeren tangen verscheurd, door de menigte met

modder overdekt, gehoond, bespot, vermaledijd, de oogen tot God en voor

zijne beulen biddend ... zoo is de oude proost van St-Donaas

gestorven[82] ."

Ivo-de-wolvenjager borst in tranen. Er bleef gedurende eene wijl eene

doodsche stilte heerschen, zoo diep waren allen onder schrik en

droefheid neergedrukt.

"Ach, Burchard, ongelukkige, wat hebt gij gedaan!" riep de kastelein.

"Gij zijt niet alleen de schuld van mijns broeders gruwelijken dood,

maar tevens van het verderf uws vaderlands! Geheel uw geslacht zal

vernietigd worden tot straf uwer misdaad. Waarom zeidet zij ons dat mher

Willem u had bevolen den graaf te dooden?"

"Willem Van Loo is een snoodaard; hij liegt!" schreeuwde Burchard. "Hij

was de eerste wien het ontwerp werd bekend gemaakt, en hij heeft het

goedgekeurd. Is hij nu valsch genoeg om het pak zich van de schouders te

schudden, ik veracht hem als een lafaard die hij is. Men beticht mij de

zaak van Kerlingaland te hebben verdorven? Het is belachelijk! Neen, wie

onze vijand heeft vermoord, wie ons machteloos ten prooi der Isegrims

heeft geleverd, is niemand dan de proost Bertulf zelf ..."

"O, mijn God, dat gaat te verre! Zijnen armen oom, zijn slachtoffer

hoonen tot in het graf!" galmde Robrecht, de verkrampte vuist tot

Burchard vooruitstekende.

"Ha, ik vrees uwe bedreigingen niet!" zeide deze. "Het zijn de

toegevingen, de aarzelingen, de vreesachtigheid, de traagheid van den

proost, die de zaak van Kerlingaland hebben verloren."

"Neen", kreet Robrecht, "gij alleen hebt ons verraden; gij alleen hebt

onze vrijheid en ons vaderland vermoord. Indien de gansche wereld ons

vermaledijdt, dan is het omdat gij uwe misdadige handen in het bloed van

graaf Karel hebt gedoopt. Ha, ha, zeg wat gij wilt, maar op uw graf

kleeft nog na vele eeuwen Vlaanderens onuitwischbare vloek!... Laffe,

valsche moordenaar!"

Burchard had zijn zwaard opgeheven en riep bulderend dat hij mher

Sneloghe het hoofd wilde klooven. Robrecht, niet min door woede

ontsteld, wilde insgelijks met uitgetogen wapen naar Burchard springen.

Beiden, door hunne verschrikte gezellen met geweld wederhouden,

worstelden om elkander te kunnen naderen. Maar op dit oogenblik hoorden

zij achter den autaar der kapelle een bonzend gerucht als van eenen hoop

nederrollende steenen, en onmiddellijk daarop den korten toon van eenen

hoorn, die door de donkere kerk weergalmde.

"Harop, harop! De vijand, de vijand!" schreeuwden de Kerels, terwijl

zij, alles vergetend, naar den autaar vooruitsprongen om hun leven te

verdedigen.

Hier begon alweder eene bloedige worsteling. De Gentenaars waren door

den uitgebroken muur in groot getal binnen de kapel gedrongen, en onder

een luid krijgsgeschreeuw vielen zij de verraste Kerels met groote woede

aan. Zij bekochten echter hunne vermetelheid zeer duur: want de eersten

werden onmiddellijk neergehakt en degenen die na hen in de nauwe opening

zich vertoonden smaakten den dood vooraleer zij den voet op den vloer

der kapelle konden zetten.

Gewis, de Kerels zouden het hier zeer lang volgehouden hebben en

misschien des vijands poging geheel verijdeld; want, daar de Gentenaars

door eene lange gang moesten komen om tot hen te naderen, was het hun

gemakkelijk ze allen opvolgend te verpletten Maar terwijl zij door dit

gevecht naar de andere zijde der kapel waren gelokt, kwamen de ridders

en wapenknechten in de kerk met lichte ladders toegeloopen, en beklommen

zonder eenig beletsel te ontmoeten de gaanderij.

Onder het aanheffen van zegevierend krijgsgeschreeuw vielen zij in

groote menigte de Kerels van achter op het lijf; en dezen, dus geheel

ingesloten, moesten onfeilbaar in korten tijd bezwijken. Nog eene wijl

hielden zij het vol en weerden zich met leeuwenmoed, den vloer bezaaiend

met de verminkte lichamen hunner vijanden en met hunne eigene lijken,

totdat de overblijvenden, hun klein getal bemerkende, alle hoop opgaven,

immer strijdend naar eenen kleinen trap weken en hun heil op den toren

zochten[83].

Dewijl zij ook de mogelijkheid zulker vlucht hadden berekend, en op

voorhand de middelen tot redding hadden bereid, was de toegang naarboven

in een oogenblik verbalkt en de enge trap met steenbonken opgevuld.

[Illustratie: "Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!" (Bladz. 453.)]

Toen zij op de gaanderij van den toren kwamen en elkander met wanhoop

riepen, bevonden zij dat zij slechts nog veertig in getal waren;

zevenendertig man en drie vrouwen!

De kastelein Hacket was niet meer met hen!

De Kerels van Vlaanderen · 第 66 / 85 题