[Voetnoot 80: Allen waren afgemat, en terwijl de eenen de _dadsisa_ op
het graf van Karel vierden, hadden anderen, die de kracht van het bloed
der martelaars niet meer loochenden, eene toorts ter eere van Karel
ontstoken. KERVYN DE LETTENHOVE, I, 410.
Over de beteekenis van dit woord _dadsisa_ raadpleegde ik mijnen
geleerden vriend prof. J. F. J. Heremans. Zijn brief daarover aan mij
geschreven schijnt mij belangrijk genoeg om hier te worden medegedeeld.
"Waarde vriend. Het woord, waarover gij verleden Zondag inlichtingen
vroegt, luidt _dad-sisas,_ niet _dadsisa_. Het komt voor in het
_Indiculus superstitionem et paganiarum_ (uit de achtste eeuw): _de
sacrilegio super defunctos, id est dâd-sisâs._ Dit _dâd_, dat gewoonlijk
in het Saksisch _dôd_ wordt geschreven, is stellig ons _dood_, en
_sisas_ is de nominatief meervoud van _sisu._ Maar wat beteekent _sisu?_
J. Grim vermoedt _kuil, graf._ Anderen verklaren het door _treurzang_.
Er bestaat in het oud-Hoogduitsch een woord _sisesang_, dat ook de
beteekenis heeft van _treurzang, doodenzang_. Ook de Angel-Saksen kenden
dit woord, dat ik zou verkiezen boven dódsisu, waarvan het laatste deel
toch steeds een raadsel blijft. Wil men J. Grimm gelooven, dan is
_dâdsisu_ hetzelfde als _doodenkuil_ en komt het begrip van zang in die
samenstelling niet voor. In _sisesang_ is dit begrip stellig
voorhanden." Gent, 26 Januari 1870, J.W. HEREMANS.]