Heil in Gode. LODEWIJK[74]

Deze brief verwekte eene korte opschudding onder de hoofdmannen. Het

waren de aanhangers van Willem Van Loo, die luidop riepen, dat de koning

zich door lasteraars had laten bedriegen. Willem was niet van onechten

bloede; zijne moeder zaliger was eene Kerlinne, en dus geene onvrij

geborene, zooals de brief het valschelijk beweerde. Al de Kerlinnen,

buiten de steden, waren zij ook edel en rijk als vorstinnen, hadden de

gewoonte en den plicht te werken; en, omdat de moeder van Willem Van Loo

schapen wol had gekaard, was zij niet min edel dan of zij haar leven in

ijdele werkeloosheid had gesleten.

Mher Gervaas Van Pract en de voorschepen daalden van de stelling

tusschen de hoofdmannen. Zij maanden hen aan, de brieven des konings te

eerbiedigen, en deden hen begrijpen dat, indien iets daarin hun niet

gegrond voorkwam, zij desniettemin vrij in hunne keus bleven en zelfs

voor Willem Van Loo konden stemmen, indien zij zulks goed vonden.

Min of meer bevredigd, gingen de hoofdmannen tot hunne gezellen om de

stemming te doen beginnen.

Men hoorde welhaast ten allen kant op het plein een groot geraas en

geroep ontstaan, naarmate de hoofdmannen aan de menigte mededeelden wat

de veldheer hun vanwege den koning had voorgelezen.

Ondertusschen begon de stemming, en deze werkzaamheid duurde zeer lang

voort.

Terwijl men er nog mede bezig was, galmden eensklaps, in de baan naar

Thourout, de klanken van eenige hoorns, als wierd de nadering van

krijgslieden aangekondigd.

Even ras zag men een twintigtal ridders te paard, door eene tamelijke

sterke bende wapenknechten gevolgd, op het plein treden en zich naar de

stelling richten. Iedereen keek met nieuwsgierigheid deze ridders

achterna; doch in de meening dat zij, evenals vele anderen, die

dagelijks in Brugge kwamen, slechts hier verschenen om deel aan het

beleg te nemen, zette men, na eene korte onderbreking, het opnemen der

stemmen weder voort.

De aangekomene ridders beklommen de stelling. Baudewijn Van Aelst, die

hun aanleider scheen, begon in stilte met mher Gervaas Van Praet en met

den voorschepen te spreken.

Ongetwijfeld deelde hij hun gewichtige dingen mede; want de veldheer

scheen spijtig en betuigde zijne ontevredenheid door bittere woorden.

"Zouden wij klagen, veldheer", zeide hem Baudewijn Van Aelst, "omdat de

koning de poorters van den balfaart en van eenige andere schattingen wil

ontslaan? Hij en de nieuwe graaf, van eenen anderen kant, beloven, dat

zij al de eigendommen der Erembalds en hunner aanhangers aan de ridders

tot belooning zullen schenken. Daarin zult gij eene ruime vergoeding

vinden voor het verlies van uw recht op sommige poorters. Komt, heeren,

de zaak eischt spoed; eerbiedigen wij den wil des konings. Geef den

bazuinblazers bevel om de hoofdmannen te zamen te roepen. De stemming is

gelukkiglijk nog niet afgeloopen; anders mochten wij moeielijkheden

ontmoeten, welke het onze plicht is te voorkomen."

Eene wijl daarna stonden de geroepene hoofdmannen weder voor de stelling

en keken verwonderd op, elkander vragende wat zwaarwichtige tijding er

toch mocht gekomen zijn, daar men de kiezing opschorste om hun iets

nieuws mede te deelen.

Baudewijn Van Aelst trad vooruit en, na de stilte door eenige

bazuinklanken was bevolen geworden, zeide hij tot de hoofdmannen:

"Poorters van Brugge, ik ben tot u gezonden door den koning van

Frankrijk. Hoort, wat hij u schrijft."

Een perkament ontplooid hebbende, las hij den volgenden brief, hem bij

de lezing in het Dietsch vertalende:

"Lodewijk, de koning van Frankrijk, groet minnelijk al zijne goede

zonen, de inwoners van het graafschap Vlaanderen, en kondigt hun aan dat

hij van Atrecht is vertrokken om tot hen te komen, aan het hoofd zijner

koninklijke legers, vervuld met dapperheid en met de kracht Gods, zijne

onverwinnelijke hulp. Bedroefd omdat wij voorzagen dat de moord des

graven uw land in het verderf zou storten, hebben wij besloten onze

wraak uit te oefenen met eene onverbiddelijke strengheid en door

lijfstraffen, tot nog toe ongehoord. Wij hebben, om uw land voor

grootere onheilen te behoeden, u eenen graaf gekozen. Opdat dezen den

vrede in het graafschap zou kunnen herstellen en den verloren voorspoed

doen herbloeien, gehoorzaamt en doet wat mher Baudewijn Van Aelst, mijn

bode en uw vriend, ingevolge mijnen wil, dien hij kent, u zal raden en

gebieden[75]."

Er heerschte eene groote stilte onder de luisterende hoofdmannen Zij

hielden zwijgend de oogen op den koninklijken bode, van wien zij eene

uitlegging over de zonderlinge tijding schenen te vragen.

Baudewijn Van Aelst nam het woord en sprak:

"Hoort, poorters van Brugge, wat de koning van Frankrijk mij belast

heeft u te boodschappen. De ridders van Frankrijk en de ridders van

Vlaanderen hebben, op raad en bevel des konings, tot graaf van

Vlaanderen gekozen en verheven Willem, den jongen hertog van Normandië."

Er rees een hevig gemor en ook wel hier en daar een luid geroep van

ontevredenheid tusschen de hoofdmannen.

Een hunner zeide zelfs verstaanbaar:

"Wat? Een Normandiër graaf van Vlaanderen? De Isegrims hebben ons weder

verraden. Het was te voorzien: zij zijn altoos de dienaars en vleiers

der vreemdelingen geweest!"

Een nieuw bazuingeschal herstelde de stilte, en Baudewijn Van Aelst

zette dus zijne rede voort:

"Wij allen, ridders, die nu tot u gekomen zijn, en vele anderen nog,

hebben Willem van Normandië tot graaf gekozen en hem als zulken eed

gezworen en hulde bewezen. Hij, tot onze belooning, heeft den ridderen

van Vlaanderen al de landen en eigendommen geschonken die tot nu toe

hebben toebehoord aan de moordenaars van graaf Karel en aan degenen die

hen aanhangen of verdedigen. De verraders zijn door den koning

veroordeeld tot den wreedsten en schandelijksten dood, en geen hunner

zal worden gespaard. Ik, in naam des konings, gebied en raad u, poorters

van Brugge, en al wie hier tegenwoordig zijn, voor uwen wettigen vorst

te aanvaarden Willem van Normandië, die door ons is gekozen en door den

koning met de grafelijke kroon is begiftigd."

Weder ontstond er luid gemor en driftig gewoel onder de hoofdmannen;

maar Baudewijn Van Aelst verhief de stem en ging voort:

"De koning en de nieuwe graaf, om den lieden van Brugge hunnen goeden

wil te betuigen, hebben besloten dat voortaan geen poorter nog eenige

persoonlijke schatting zal betalen. Alle belastingen hoegenaamd ook, of

balfaart of beste hoofd, of staande op huizen of op neringen, zijn en

blijven afgeschaft ten eeuwigen dage. Daarenboven zullen de burgers van

Vlaanderen voortaan macht en vrijheid hebben om hunne eigene wetten en

gebruiken te behouden, of ze te veranderen volgens hun goeddunken[76]."

Zulke volledige vrijmaking van alle schatting en dus ook van de teekens

der dientsbaarheid, was eene gift en eene weldaad, waaraan de poorters

zich des te minder vanwege den koning konden verwachten, daar hunne

eigene graven sedert langen tijd nooit opgehouden hadden pogingen te

doen om het volk der steden dieper en dieper in slavernij te dompelen.

Ook werd dit besluit door de meeste hoofdmannen met onverborgene vreugd

en zelfs met luid gejubel onthaald.

Er waren evenwel nog eenigen die zich ontevreden toonden en luidop

riepen dat zij in zulke beloften niet geloofden, aangezien de koning en

de graaf, die willekeurig hun dit recht toestonden, even willekeurig het

hun konden ontnemen.

Baudewijn Van Aelst, om deze laatste tegenwerpingen te versmachten

gebood nog eens de stilte en sprak:

"De koning van Frankrijk is nu op reis naar Vlaanderen, aan het hoofd

van twintigduizend uitgelezene krijgslieden. Binnen eenige dagen zal hij

zelf met den nieuwen graaf te Brugge komen, en zijne beloften u in het

openbaar bij eede bezweren. Wie zich tegen zijnen wil opwerpt en weigert

Willem van Normandië als vorst te erkennen, zal aanschouwd werden als

een aanhanger der moordenaars en dezelfde straf onderstaan, dit is te

zeggen dat hij zal worden ter dood gebracht en zijne goederen verbeurd.

Gaat nu, deelt uwen mannen mede wat de koning u door mij heeft

geboodschapt. Beveelt hun zich vreedzaam naar huis te begeven. Gij, als

overheid op hen hebbende, blijft verantwoordelijk voor de rust der stad,

die, werd ze gestoord, op uitdrukkelijk bevel des konings, door het

geweld der wapenen zou worden hersteld."

De gedane beloften van den eenen kant en de schrikkelijke bedreigingen

van den anderen hadden voor gevolg, dat de hoofdmannen stilzwijgende

zich van de stelling verwijderden, om hunnen gezellen de verrassende

tijding der benoeming van eenen nieuwen graaf te gaan mededeelen.

De ridders bleven op de stelling staan en keken in het ronde. Zij

wilden, vooraleer deze plaats te verlaten, naspeuren welke de houding

der poorters en ambachtslieden zou zijn bij het vernemen van 's konings

boodschap.

In den eersten bemerkten zij wel eenig gewoel en hoorden zij hier en

daar afkeurend gemompel; maar het duurde evenwel niet lang, of zij zagen

de poorters en ambachtslieden in scharen over het plein trekken en bij

gedeelten juichend de poort ingaan.

Dan daalden de ridders insgelijks van de stelling, om zich naar de stad

te begeven.

De veldheer, die alleen met Baudewijn Van Aelst de anderen

vooruitstapte, zeide, na eene wijl in stille overweging te zijn

verslonden gebleven, tot zijnen gezel:

"Onder ons durf ik het u wel bekennen, mher Baudewijn, 's konings

boodschap bedroeft mij diep."

"Betreurt gij den keus die wij hebben gedaan?" morde Baudewijn

"Neen; mher Willem van Normandië is een jong vorst, die de eer van het

ridderschap zal staande houden. Daarom verwondert het mij des te meer,

dat hij nu den poorters der steden eene volledige vrijheid vergunt. Weet

hij dan niet, dat onze goede graaf Karel is vermoord geworden,

alleenlijk omdat hij de ridderschap wilde verheffen en de onedele

menigte in dienstbaarheid houden? Ha, kon Karel van Denemarken uit zijn

graf opstaan, hoe zou hij klagen over de zonderlinge wijze waarop de

koning zijne gedachtenis meent te wreken!"

"Zulke overweging is insgelijks in mij opgestaan", zeide mher Baudewijn,

"en ik heb mij zelfs verstout bij den koning eenige opmerkingen in dien

zin te wagen. Hij heeft mij doen begrijpen dat men iets moet opofferen

om de poorters der steden van Vlaanderen gunstig te stemmen. Wat het

verlies betreft van den balfaart dien de ridders op vele poorters van

Brugge beweren te mogen heffen, dit zal na onderzoek tiendubbel vergoed

worden, bij middel der uitdeeling van de verbeurde rijkdommen en

grondbezittingen der Erembalds en hunner aanhangers. Daarenboven, mher

Gervaas, wat is gemakkelijker, indien de poorters een slecht gebruik van

de hun verleende rechten maken, dan hun die rechten weder te ontnemen?"

De veldheer stapte mijmerend voort.

"Maar zeg eens, mher Gervaas", vroeg Baudewijn Van Aelst, "mij heeft de

koning nog eenen anderen last opgelegd. Ik ging het haast vergeten.

Karel van Denemarken was rijk. Waar is zijn schat gebleven?"

"De Kerels hebben 's graven rekenmeester gedwongen hun dien schat ter

hand te stellen."

"En zij bezitten hem nog?"

"Zeker: vele duizenden marken zilvers en kostbare juweelen."

"De koning eischt dat die schat hem overgeleverd worde."

"Met den besten wil der wereld is het ons vooralsnu onmogelijk den

koning hierin te gehoorzamen. Hij zal moeten wachten totdat wij de

Kerels, die nog op den burg zijn, geheel hebben overwonnen."

"Wel hoe? Men heeft mij daar, op het plein, gezegd, dat gij den burg na

eene hevige bestorming hebt ingenomen!"

"Inderdaad, mher Baudewijn, maar wij krijgen hem niet geheel. De Kerels

bezetten op den burg nog de proostdij, het klooster en de kerk van

St-Donaas."

"Dit verwondert mij!" mompelde mher Baudewijn. "Indien gij zegevierend

binnen den burg kondet dringen, waarom hebt gij uwe overwinning dan niet

voortgedreven? Wat kon u daarin beletten?"

"Gij hebt gelijk", antwoordde de veldheer, "eene beklaaglijke

omstandigheid heeft ons te midden der overwinning teruggehouden Men had

den Gentenaars en onze wapenknechten beloofd hun den burg ter plundering

over te geven. Zoohaast waren wij er niet binnen, of al onze mannen, in

stede van de Kerels te vervolgen en tot het einde toe te bestrijden,

zijn in verwarring en door de gierigheid verblind, naar de veroverde

gebouwen geloopen en hebben beginnen te plunderen. Het was ons,

ridderen, niet meer mogelijk iets gedaan te krijgen van mannen, die tot

bezwijkens toe beladen waren met buitgemaakte voorwerpen. Onderwijl

hebben de Kerels zich binnen de geestelijke gestichten van den burg

opnieuw versterkt. Deze gestichten zijn omringd met wallen, gaanderijen

en torens, als eene afzonderlijke vesting."

"Maar indien gij nu opnieuw eenen algemeenen storm geboodt?"

"Onmogelijk, mher Baudewijn. Wij hebben schrikkelijke verliezen geleden.

Mijne mannen moeten rusten; de stormtuigen en ladders kunnen zonder

herstelling niet meer dienen."

"De koning heeft mij nochtans gelast u te zeggen dat gij zonder verwijl

alle mogelijke pogingen hoeft te beproeven om den schat des graven uit

de handen der moordenaars te krijgen. Hij weet, door mher Frumold

zelven, dat zij hem bezitten, en vreest dat zij hem bedektelijk naar den

zeekant zullen zenden of, vooraleer te bezwijken, hem op eene andere

wijze zullen doen verdwijnen. De koning belooft u door mij niet alleen

het kasteleinschap van Brugge, maar nog uitgestrekte leenen, indien hij

door uw toedoen 's graven schat bekomt."

"Het onmogelijke kan ik evenwel niet!" zuchtte de veldheer.

Na eenige oogenblikken de zaak bedacht te hebben, zeide mher Baudewijn:

"Die hardnekkige Blauwvoeten, wat hopen zij? Hebben zij nog niet de

minste neiging getoond om zich over te geven?"

"Zich overgeven? De Kerels? Het zijn ontembare leeuwen Zij zullen zich

tot den laatste toe op hunne wallen laten doodslaan. Van hen is er niets

te verhopen dan door geweld!"

"En indien gij hun de vrijheid aanboodt, op voorwaarde dat zij u des

graven schat geheel en volledig ter hand stellen?"

"Dit is onmogelijk; al wilde ik het doen, ik zou niet kunnen",

antwoordde mher Van Praet. "Oordeel zelf: wij, ridders, die allereerst

te wapen geloopen zijn om den dood van onzen graaf te wreken, hebben

elkander met duren eede toegezworen niet te dulden dat één der

moordenaars of hunner vrienden, in één woord, dat één der Erembalds

gespaard worde of hem genade des levens worde verleend. Allen moeten

sterven!"

"Maar, veldheer, de koning wenscht zoo vurig des graven schat te

bezitten, dat hij u zeker zou goedkeuren en mild beloonen, indien gij,

om den schat hem te kunnen leveren, deze weinige Kerels in vrijheid liet

gaan."

"Onmogelijk, ik herhaal het u, mher Baudewijn; mijne ridders zouden

tegen mij opstaan, en ik geloof zelfs niet dat de koning in persoon,

hoezeer wij hem ook eerbiedigen, machtig genoeg zou zijn om hen daarin

te doen toestemmen."

Zij waren nu tot op de Groote Markt gekomen en naderden het huis, dat de

veldheer sedert de overrompeling der stad tot zijn verblijf had gekozen.

"Ziedaar mijne woning", zeide mher Van Praet. "Gelief mij te volgen,

mher Baudewijn. Het middaguur is reeds voorbij. Gij moet vermoeid en

hongerig zijn. Wees mijn gast."

Baudewijn hield hem staan en zeide in gedachten, als hadde hij geene

acht op deze uitnoodiging geslagen:

"Er moet evenwel een middel zijn om 's graven schat uit hunne handen te

krijgen! Om den wensch des konings te volbrengen zou men hemel en aarde

willen verroeren."

"Welk middel? Ik weet er geen."

"Wij zullen er nog eens goed over nadenken, veldheer. Men heeft mij een

uwer ridders, die hier achter ons komt, aangewezen als een doortrapt en

spitsvondig man ..."

"Mher Disdir Vos?"

"Ja, geloof ik. Die weet misschien raad ... Kom, ik aanvaard uwe minzame

uitnoodiging; want waarlijk, ik gevoel eenen koortsigen eetlust na de

reis."

Door eenige andere ridders gevolgd, traden zij in de woning des

veldheers ...

Een paar uren later verliet Disdir Vos dit huis. Hij keerde welhaast

terug met eenen wapenbode en twee bazuinblazers.

Baudewijn Van Aelst, vergezeld door vijf of zes ridders, kwam hem

vervoegen; en na de veldheer hun geluk had gewenscht in hunne

onderneming, gingen zij te midden der Markt en deden de bazuinen

aanheffen en eenen witten wimpel in de hoogte steken.

De Kerels liepen te zamen boven den vestingmuur en toonden kort daarop

eene vredevlag, om te betuigen dat zij in de opschorsing der

vijandelijkheden toestemden en den bode zouden aanhooren.

Baudewijn Van Aelst, Disdir Vos en hunne gezellen begaven zich naar den

kant der Hofstraat en traden welhaast op het plein van den burg.

Hier hadden de Gentenaars, om den vijand van nabij te kunnen

bewaken,--zonder gevaar te loopen van door zijne pijlen te worden

getroffen--eenen langen dam opgeworpen, schier van manshoogte en als met

een dak tegen alle werptuigen beschut. Dus konden zij op het plein over

en weder gaan, zoo dicht bij den muur der proostdij, dat zij, door de

stem te verheffen, met de Kerels uitdagingen en scheldwoorden konden

wisselen.

De ridders gingen op raad van Disdir Vos eerst achter den dam. De

verrader zeide hun dat de Kerels valsche lieden waren en men niet

roekeloos zich aan hunne wraak mocht blootstellen.

Zijne woorden deden de ridders glimlachen. De vervaardheid van Disdir

Vos scheen hun natuurlijk, en zij erkenden in hun gemoed dat, indien de

Kerels, zelfs verraderlijkerwijze, hem eenen pijl door den boezem dreven

of hem het hoofd met eenen steen verpletterden, hij slechts zou hebben

wat hij ten minste jegens hen verdiende.

Baudewijn Van Aelst gaf den wapenbode bevel om, buiten den dam, tot aan

den voet van den muur der proostdij te naderen en daar de bazuin te

blazen. Hij volgde hem zonder vrees met twee andere ridders.

Na eene wijl verschenen de oversten der Kerels boven den muur: Bertulf

de proost, zijn broeder de kastelein, zijn neef Burchard Knap, Yorg

Koevoet en eenige anderen. Robrecht Sneloghe was niet met hen, alhoewel

men hem de komst van den wapenbode had gemeld.

De jonge ridder was sedert het verlies zijner zuster, wier lot hij niet

kende, zeer treurig en in schijn aan alles onverschillig geworden. Wel

hield hij zich gereed om, bij het eerste sein, naar de wallen te vliegen

en zijn leven te wagen; maar zoohaast zijne tegenwoordigheid niet op de

muren werd vereischt, ging hij naar de kamer waar Dakerlia den

gekwetsten Eggard verzorgde, en bleef daar uren lang over zijne zuster

spreken of bad met zijne verloofde voor de ziel van het arme meisje,

wanneer de gedachte, dat zij waarlijk dood was, zijn lijdend hart kwam

bestormen.

Toen de kastelein Hacket den ridders vroeg wat de reden hunner komst

was, riep Baudewijn Van Aelst hem toe:

"Ik spreek tot u als afgezant des konings van Frankrijk, die met een

leger van twintigduizend man op weg is om naar Brugge te komen. Mij

heeft hij belast van u de teruggaaf van 's graven schat te vragen, en

mij gemachtigd u daartoe al zulke voorwaarden aan te bieden als ik zal

goedvinden. Ontsluit eene der poorten en laat mij binnen, opdat ik met u

over mijne zending onderhandele."

De Kerels antwoordden hem van boven dat zij wel wilden aanhooren wat hij

hun te zeggen had, doch het hun volstrekt onmogelijk was eene poort te

openen, aangezien alle uitgangen zoodanig van binnen waren gebalkt en

met steenen bedamd, dat een gansche dag arbeid ontoereikend zou zijn om

zelfs den minsten toegang vrij te maken. Had 's konings bode hun iets

bijzonders te melden, zij konden niet anders dan van boven den muur hem

aanhooren.

"Het zij zoo!" riep mher Baudewijn. "Hebt gij des graven schat met u?"

"Ja, wij hebben hem hier met ons", werd hem geantwoord.

"Geheel?"

"Ongeschonden en geheel, zooals Frumold, des graven rekenmeester hem

volgens eene door hem geteekende lijst ons heeft ter hand gesteld."

"Welnu", zeide mher Baudewijn, "luistert wat ik u voorstel als

gemachtigd door den koning van Frankrijk en door den nieuwen graaf,

dien hij heeft verheven. Indien gij mij des graven schat overlevert,

zonder er iets van achter te houden, zult gij allen in vrijheid dezen

burg en de stad mogen verlaten, met de eenige verplichting u na den

oorlog voor het wettelijk gerecht aan te bieden, wanneer gij daartoe

wordt gedagvaard."

Dit voorstel verraste en verwonderde de Kerels zoodanig, dat zij

elkander een oogenblik zwijgend aanzagen. Zoohaast zij echter een klaar

denkbeeld van de zaak zich hadden gevormd, borsten eenigen in eenen

schaterlach uit, en de anderen morden eene grammoedige weigering; maar

de proost Bertulf gebood zijnen gezellen de stilte, en vroeg aan 's

konings bode:

"Sluit gij niemand uit? Zijn wij allen in uw voorstel begrepen?"

"Allen."

"En mher Burchard Knap?"

"Hij insgelijks. Wil hij het land van Vlaanderen ten eeuwigen dage

ontruimen, het staat hem vrij. Anders zal hij voor zijne daden na den

oorlog verantwoorden."

"Wij zullen uw voorstel onderzoeken en er over raadplegen; gun ons den

tijd daartoe!" riep Bertulf.

"Ik zal wachten. Overweegt dat binnen eenige dagen het Fransche leger te

Brugge komt en er voor u geen ander uitzicht overblijft dan eene

onmiddelijke nederlaag en de schrikkelijkste dood!"

Mher Baudewijn verwijderde zich met zijne gezellen achter den dam.

De Kerels, boven den muur, begonnen het voorstel van 's konings bode te

overwegen. Velen spotteden er mede als met iets belachelijks, anderen

wilden de zaak in ernst onderzocht hebben, ofschoon zij geneigd waren om

te denken dat er bedrog onder dit verrassend aanbod schuilde.

Bertulf was van een geheel ander gevoelen. Bedrog vermoedde hij in het

geheel niet; want het was volgens zijne meening onmogelijk dat de

Fransche koning, in aanzien der gansche wereld, zijn gegeven woord zou

breken. Zou deze machtige vorst, met tot zulke vuige listen zijne

toevlucht te nemen, zijnen naam van eerlijk en trouw ridder willen

schenden? Zeker, indien men eenige kans zag, om het gedeelte van den

burg, dat zij nog bezaten, tot de komst van Willem Van Loo te behouden,

dan zou hij, Bertulf, zelf het volstrekt verwerpen van alle voorstellen

aanraden; maar die kans zag hij niet. Hij had reeds bericht ontvangen

over hetgeen er dien morgen op het Zand was geschied, en hij wist voor

waar dat er inderdaad een Fransch leger van twintigduizend man op gang

was om naar Brugge te komen. Door zulke macht aangevallen zouden de

Kerels in den burg wel zeker bezwijken en tot den laatste toe worden

vermoord. Wat nut kon hunne dood op zulke wijze Kerlingaland toebrengen?

Geen het minste. Bijaldien zij integendeel den burg nu verlieten, konden

zij zich in het leger van mher Willem Van Loo begeven; en wie, zooals

hij en zijn broeder en neven, uitgestrekte landgoederen bezat, kon de

Ambachten doorloopen en overal de lieden tot den algemeenen landstorm

opwekken.

In den eerste werden zijne redenen door gemor en tegenspraak onthaald;

de gedachte, dus de proostdij en het klooster den vijand te leveren,

kwetste den hoogmoed der Kerels.

Burchard bovenal gromde en tierde; maar de proost schetste hem met

schrikkelijke kleuren den marteldood af, die hem wachtte, indien zij,

zooals het zeker was, onder den aanval van het Fransche leger bezweken.

Hij deed hem insgelijks begrijpen dat hij aan de zijde van mher Willem

Van Loo, in het open veld, zijn land en de vrijheid meer ware diensten

kon bewijzen dan besloten achter muren, die bestemd waren om onder de

aanvechting des vijands te vallen.

Eindelijk stemde Burchard Knap in alles toe, en zoo deden insgelijks de

meesten zijner gezellen.

Op dit oogenblik naderde Robrecht Sneloghe, dien de proost had doen

roepen.

Men deelde hem mede wat hier was verhandeld. Hij verwierp het voorstel

met verontwaardiging, en betuigde dat hij liever op de muren van den

burg sneuvelde dan door eene daad van zwakmoedigheid ja van lafheid den

naam der Erembalds te onteeren. Indien mher Willem Van Loo nu met het

Kerlenleger voor Brugge kwam, en vernam dat zij den vijand den burg

hadden geleverd, wat zou hij van hen zeggen?

Bertulf en Hacket vereenigden hunne pogingen om Robrecht in hun

gevoelen te doen deelen. Zij herhaalden de redenen welke zij reeds

hadden doen gelden en beriepen zich beurtelings op zijne vriendschap

voor hen, op hunne overheid en op het belang van Kerlingaland en van de

vrijheid, voor welker heil en behoud men zelfs de menschelijke eer ten

offer moest brengen.

Zooverre brachten zij het, dat Robrecht Sneloghe hun antwoordde:

"Ik ben niet machtig genoeg op mijn gemoed om het voorstel goed te

keuren en vrijwillig de schande te aanvaarden; maar, ooms, vermits gij

meent dat ik ongelijk heb, laat mij mijn gevoelen behouden en handelt

volgens uw goeddunken: ik zal mij onderwerpen, ofschoon met schaamte en

verdriet."

Dan wendden de proost en de kastelein zich weder tot andere Kerels, die

opnieuw zich onwillig toonden en tegenwerpingen maakten.

Robrecht, in gedachten naar beneden kijkende, bemerkte en herkende den

verrader Disdir Vos die, eenigszins verstout, bij eenen doorgang van den

dam een paar stappen was vooruitgetreden en spotlachend tot hem opzag.

"Ha, daar zijt gij, Disdir Vos, valsche verkooper van uw land!" riep hij

hem toe. "Gij zijt het die den raad tot het vermoorden des graven hebt

gegeven; en nu, nu gij ons in den nood ziet, nu verblijdt gij u over ons

ongeluk! Gave de hemel dat ik u kon bereiken! Ik zou u dwingen tot een

gevecht om leven en dood; en, wees zeker, ik zou haar het hoofd

verpletten, de vuige slang die ons arm Kerlingaland bezoedelt met haar

venijn. God zelf roep ik hier tot getuige, dat gij een verachtelijk

booswicht zijt; want eerst hebt gij uw vorst verraden, en nu verraadt

gij uw eigen geslacht en uw vaderland!"

Deze bloedige verwijten werden door iedereen gehoord, en vele ridders en

wapenknechten zagen Disdir Vos met eenen blik van misprijzen aan. Hij

scheen er geene acht op te slaan, en antwoordde door eenige

scheldwoorden en bespottingen, waarin hij den naam van Robrechts zuster

mengde.

Mher Sneloghe, die den zin zijner onduidelijke bedreigingen niet had

verstaan, werd door eenen hevigen angst getroffen, en kreet met de

handen opgeheven:

"Mijne zuster, mijne arme, onnoozele zuster, hij heeft ze vermoord! O,

God, rechtvaardige God, waarom verbliksemt Gij het monster niet!"

"Neen, neen, gij bedriegt u, mher Robrecht!" riep van beneden een

ridder, ongetwijfeld door een gevoel van medelijden gedreven. "Wanhoop

zoo niet: uwe zuster zit gevangen in sher Jacobs Steen; haar is niets!"

"Zij leeft, mijne zuster leeft!" galmde Robrecht, terwijl hij, door

blijdschap uitzinnig, zijnen vriend Yorg Koevoet juichend aan den hals

vloog.

De oude Bertulf had gedeeltelijk deze laatste uitroepingen gehoord. Een

heldere glimlach kwam nu eensklaps zijn gelaat verlichten, en, als hadde

hij een plotselijk voornemen opgevat, gaf hij eenen Kerel, die nevens

hem stond, bevel om den hoorn te blazen.

Toen Bandewijn Van Aelst weder aan den voet van den muur stond, riep de

proost:

"De veldheer houdt eene jonkvrouw gevangen, die Witta Sneloghe heet en

mijne nicht is. Neemt gij als voorwaarde onzer overgaaf aan dat zij

insgelijks in vrijheid zal worden gesteld?"

Mher Baudewijn begon in schijn over deze vraag met zijne ridders te

spreken. Men kon zien dat Disdir Vos met grammoedigheid zich tegen het

aanvaarden van dezen nieuwen eisch verklaarde maar waarschijnlijk liet

hij zich door des konings afgezant overreden; want deze riep tot den

proost:

"Ja, wij nemen de verbintenis aan de jonkvrouw, uwe nicht, in vrijheid

te stellen en u toe te laten ze met u uit de stad te leiden."

Robrecht drukte zijnen oom met ontroering de handen en dankte hem vurig.

Zich weder tot mher Baudewijn wendende, vroeg de proost:

"Zult gij, voordat wij dezen burg verlaten, ons een vrijgeleide ter hand

stellen, door u geteekend in naam des konings van Frankrijk en in naam

van al de ridders van Vlaanderen?"

"Levert ons des graven schat zonder achterhouding. Zoohaast wij zullen

bevonden hebben dat er niets aan ontbreekt, zal men u zulk vrijgeleide,

onderteekend en bezegeld, doen toekomen, en gij zult vrij, met al wat u

persoonlijk toebehoort, den burg en de stad mogen verlaten."

De Kerels, op bevel van den proost, brachten eenige koffers, schrijnen

en balen boven den muur, en lieten ze bij middel van touwen opvolgend

naar beneden zakken.

Wanneer dus een twintigtal zware kisten en pakken aan den voet van den

muur lagen, riep de proost Bertulf, dat daarin de geheele schat des

graven was besloten. Ten bewijze der waarheid zijner woorden liet hij

allerhaast een perkament nederzakken, waarop eene lijst, door 's graven

rekenmeester onderteekend, de voorwerpen aanwees welke hij den proost

van St-Donaas had ter hand gesteld.

"Het is wel!" riep mher Baudewijn. "Ik zal den schat naar des veldheers

woning doen dragen; wij zullen de voorwerpen met de lijst vergelijken

en, bevinden wij dat er niets achtergehouden is, dan keer ik tot u terug

met het vrijgeleide. Wacht aldus met eenig geduld; wij zullen ons

zooveel mogelijk haasten."

Robrecht daalde van den muur en liep naar de kamer, waar Dakerlia bij

het bed van den gekwetsten Eggard Van IJsendijke waakte.

"Dakerlia, o Dakerlia!" riep hij, "goed nieuws: mijne zuster leeft!"

"Lieve hemel, wat zegt gij daar! Heb ik het wel verstaan? Onze arme

Witta leeft?"

"Ja, ja, en ongedeerd."

"Daarom weze de barmhartige God eeuwig gezegend!" riep Dakerlia, met de

handen in de hoogte, "Waar is zij?"

"Zij zit gevangen in sher Jacobs Steen."

"Gevangen, eilaas!"

"Ja, maar zij gaat verlost worden, heden nog!"

"Wie bracht u dit gelukkig nieuws?"

"Dakerlia", zeide Robrecht op treurigen toon, "ik heb nog eene andere

tijding, min goed en wel pijnlijk voor mijn Kerlenhart maar het is nu

zoo beslist. Dakerlia, wij gaan straks dezen burg in vrijheid verlaten."

"Mher Yorg is hier geweest; ik weet wat men daarboven heeft verricht",

antwoordde Dakerlia met eenen zucht. "Het doet mij blozen, Robrecht.

Ach, indien morgen onze graaf Willem Van Loo zich voor Brugge met het

Kerlenleger aanbood, zou hij degenen niet veroordeelen die den vijand

dezen burg hebben overgeleverd, wanneer zij hem nog weken lang konden

verdedigen?" "Ja, gij hebt gelijk, vriendinne; maar de proost en de

kastelein hebben het zoo gewild. Gij zult naar Lampernisse of naar

Houthem vertrekken; ik zal mij in het leger te Yperen begeven." "En die

ongelukkige ridder Eggard?" vroeg Dakerlia met medelijden.

"Kan hij vervoerd worden, wij zullen hem medenemen naar Yperen. Is dit

onmogelijk, dan zal ik hier in Brugge eenen poorter zoeken die zich

verbinde hem goed te verplegen. Nu, Dakerlia, maak intusschen u gereed

voor het vertrek; mijne tegenwoordigheid kan boven op den muur noodig

zijn: ik keer terug bij mijne ooms."

Toen hij den muur had beklommen langs de zijde der Hofpoort, waar nu

zijne ooms stonden, zag hij op de Markt eene groote menigte

wapenknechten en ridders staan die, omdat de vredevlag waaide, uit

nieuwsgierigheid den burg waren genaderd of met poorters vermengd aan

het twisten en aan het kouten waren over des graven schat en over de

vrijlating der Kerels.

Wat den proost Bertulf vreemd voorkwam was, dat men, naar den kant van

St-Christoffelskapelle, eene lange schaar schutters in geslotene

gelederen zag staan, met hunne bogen op de schouders als gingen zij ten

strijd trekken.

Eindelijk hoorden de Kerels een bevel herklinken, en de boogschutters,

met mher Baudewijn Van Aelst en eenige ridders vooraan, kwamen verder op

de Markt tot op eenigen afstand van den muur der proostdij.

Een bazuingeschal kondigde aan dat des konings afgezant tol de Kerels

wilde spreken.

Misschien had men den schat des graven niet volledig bevonden en wilde

men hen daarover ondervragen.

Baudewijn Van Aelst, de stem verheffende zooveel hij kon, riep tot de

Kerels:

"Voor u geene genade, moordenaars! Gij hebt op u de eeuwige

vermaledijding der gansche Christenheid geladen; gij zult sterven tot

den laatste. Men is booswichten geene trouw verschuldigd. Wij breken dus

met recht onze belofte, en zullen u bevechten zonder rust, totdat gij

allen de straf der afschuwelijke misdaad hebt onderstaan. Niets, niets

voor u, verwatene Blauwvoeten, dan de wreedste, de schandelijkste dood!"

En de daad bij het woord voegende, gaf hij de schaar der boogschutters

bevel om hunne pijlen naar de Kerels te schieten.

Dit was evenwel slechts eene betooging, want onmiddellijk deed hij ze

verre op de Markt en tot buiten net bereik der Kerels achteruitgaan.

Hier raapte hij eenen stroohalm van den grond en brak hem aan twee

stukken. Zoo deden insgelijks de ridders en wapenknechten. Dit was een

teeken dat zij voortaan alle vriendschap, alle betrekking met de Kerels

afbraken, hun eene eeuwige vijandschap toezwoeren en zonder genade naar

hun leven zouden staan[77].

Bij het gezicht van dit snood verraad hadden de Kerels eene wijl

verbluft gestaan, als konden zij niet aan zulke verregaande valschheid

gelooven.

De proost en de kastelein schenen er door verpletterd; maar even ras was

in het hart der anderen de wraakzucht ontvlamd, en zij riepen luid dat

zij zich over dien uitslag verblijdden en hun leven duur, zeer duur aan

die trouwelooze Isegrims wilden verkoopen.

"Welaan, ooms", riep Robrecht, "nu weten wij dat wij op niets mogen

hopen dan op onze eigene kracht en moed. Het lot is geworpen: de vijand

zal hier niet binnentreden dan door plassen van zijn eigen bloed en op

der Kerlen laatste lijk!"

Bn om den Isegrims te toonen dat hunne bedreigingen hun geene vrees

inboezemden, hieven de Kerels hun strijdlied aan en deden het zoo

machtig klinken, dat het over de gansche stad weergalmde.

De Kerels van Vlaanderen · 第 58 / 85 题