XII

Het was reeds lang duister; in de straten der stad Brugge heerschte eene

volledige stilte.

Dakerlia, gansch in rouwgewaad, zat voor eene tafel in haren Steen. Bij

de smokige vlam der koperen lamp loste haar bleek gelaat zonderling op

haar zwart kleedsel uit. Van tijd tot tijd rolden er nog eenige tranen

op hare wangen; want ondanks de pogingen harer vriendin Witta, die

nevens haar was gezeten, ontstond het beeld haars vader immer opnieuw

voor hare oogen. Zij hoorde zijnen laatsten noodkreet in hare ooren

klinken; zij zag hem met de doodkramp op de lippen en het kruis op de

borst uitgestrekt liggen; zij zag hoe men te midden van het Mariakerkhof

zijn lijk in het graf nederliet; in haar sidderend hart hergalmde nog

het doffe gebons der aarde, door magen en vrienden als een laatste

vaarwel op de lijkbaar geworpen ...

Maar hare bedruktheid was rustig geworden en in eene lijdzame mijmerij

veranderd.

Op eene vertroosting van Witta antwoordde zij met gelatenheid:

"Lieve vriendinne, waarom toch vermoeit gij u, om mijne droeve gedachten

af te keeren? Het is vruchteloos. Zou ik nu een enkel oogenblik mijnen

armen vader kunnen vergeten? Hem, die mij zoo beminde! Toen op den

noodlottigen dag der afkondiging zijne wonde openscheurde, stuurde hij

mij nog eenen blik toe, zoo vol eindelooze liefde, zoo vol treurnis ...

En ik zou er niet aan mogen denken?"

"Daar weent gij nu alweder", zeide Witta. "Gij zijt niet redelijk,

Dakerlia. Uw vader is daarboven bij den Heer. Hij ziet ons ongetwijfeld.

Meent gij dat het zijne zalige ziel verblijden kan dat gij u ziek

maakt?"

"Eilaas, ik weet het wel, Witta, en ik zeg het mij zelve genoeg, dat

tranen dit schromelijk ongeluk niet kunnen herstellen; maar tranen

verlichten mijne smart. Mettertijd zal ik allengs wat moed

terugvinden.... Morgen, niet waar? Morgen zeer vroeg zullen wij naar het

kerkhof gaan en langer nog dan heden op zijn graf bidden?"

"Zoolang gij wilt, Dakerlia; maar spreken wij nu van andere dingen."

[Illustratie: Willem Van Loo ontsteld en stom schouwde hem achterna]

"Van wat kunnen wij spreken?"

"Van mijnen broeder."

"Ja, van Robrecht. Hij insgelijks is ontroostbaar. Zijn medelijden met

mijne smart is oneindig. Toen hij dezen namiddag hier met u was, kon hij

nauwelijks spreken, omdat ik mij door de smart liet overwinnen. Hij zou

mij willen troosten en schijnt geene rust meer te hebben ..."

"Zeker, zijn verdriet is groot; maar dit is het niet", bemerkte Witta

met verdoofde stem. "Wat hem onrustig maakt en hem aanjaagt is een

geheim, dat hem op het hart ligt."

"Een geheim?"

"Ziet gij, Dakerlia, hij is dezen nacht van Veurne wedergekeerd Toen ik

in den vroegen morgen, zonder u te wekken, dezen Steen verliet, om ten

onzent bevelen tot den huisdienst te gaan geven, vond ik mijnen broeder

reeds beneden met het hoofd in de handen en diep in gedachten verzonken.

Ik vroeg hem wat men in den Hoop te Veurne heeft verricht; maar hij gaf

mij afwijkende antwoorden. Ik ken hem, en het was mij gemakkelijk te

raden dat eene zeer gewichtige zaak hem bezighoudt ... Gij luistert

niet, Dakerlia; gij denkt weer aan droeve dingen ..."

"Ach, neen", zuchtte jonkver Wulf, "ik luister ... Welke zaak zou hem

bezighouden? Het is te vermoeden, Witta. De Hoop te Veurne heeft kennis

genomen van het edict op den balfaart. Misschien heeft men daar

besloten, zooals de kastelein Hacket het moest voorstellen, nederige

pogingen bij den graaf aan te wenden om het onrechtvaardig edict te doen

intrekken. Dit slaat Robrecht met spijt en droefheid; want zoo leidt men

de Kerels naar de eindelijke slavernij. Het is zijn gevoelen, en hij

heeft gelijk."

"Ik geloof dat gij u misgrijpt", wedervoer jonkver Sneloghe, "want toen

ik hem dezen morgen van den balfaart sprak en de Kerels beklaagde,

ontschoot eensklaps eene vonk van verontwaardiging zijnen oogen, en met

eenen spotlach op de lippen, riep hij uit: "De balfaart? Nooit, nooit!"

Hij bedwong zich even ras en ging morrend uit de kamer, alsof hij

onwillig iets van het groote geheim had laten ontsnappen ... Gij zwijgt,

Dakerlia. Begrijpt gij niet wat ik zeg? Immer dit treurig droomen!"

"Ik begrijp", antwoordde jonkver Wulf. "Ach, indien mijn goede vader nog

leefde! Hij wiens heldenmoed men roemde! Maar hij kan de vrijheid niet

meer verdedigen; hij ligt in het koude graf."

"Wees zeker, Dakerlia, het gaat oorlog worden."

"Misschien."

"Neen, twijfel er niet aan: mijn broeder heeft heden zijne beste

wapenrusting overzien, en ze op eenen wagen bedektelijk naar Ravenschoot

doen voeren. Dit beduidt toch wel iets, meent gij het niet?"

En zoo, waarschijnlijk haar eigen vermoeden overdrijvend, spande de

goede Witta alle mogelijke pogingen in om de gepeinzen harer vriendin

van den dood haars vaders af te wenden. Het gelukte haar slechts bij

poozen de aandacht van Dakerlia voor een oogenblik te vestigen, doch zij

hield niet op en zette met vindingrijken geest hare liefdetaak voort,

totdat het uur om ter rust te gaan was verschenen. Sedert het overlijden

van Segher Wulf, sliep zij in Dakerlia's woning, om hare arme vriendin

nimmer alleen aan hare treurnis overgeleverd te laten.

Zij ontstak eene kaars en zeide:

"Nu, Dakerlia, wij hebben lang genoeg gewaakt. De nachtrust versterkt

den mensch. Wij zullen boven nog wat bidden."

Maar nu werd de deur der kamer geopend, en Robrecht Sneloghe trad

binnen.

Hij ging tot zijne verloofde, drukte haar teederlijk de handen en sprak

eenige zoete troostende woorden tot haar.

Na eene wijl stilte zeide hij zeer ernstig:

"Dakerlia, en gij, mijne zuster, ik bid u, luistert met aandacht op wat

ik u ga melden. Morgen vroeg vertrek ik uit Brugge. Het is mogelijk dat

er vele dagen, dat er weken verloopen voordat gij mij wederziet."

"O, hemel, gij verlaat ons!" kreten de beide jonkvrouwen te gelijk, met

angstige verrassing.

"Blijft zonder de minste vrees", ging Kobrecht voort. "Ik heb alles

voorzien en geschikt, opdat geen gevaar in mijn afwezen u bedreige.

Trouwe, verkleefde dienaars zullen waken over uwe rust. Gebeurde er iets

in de stad of in het land, dat u om meerderen steun of om eene veiligere

schuilplaats deed wenschen, gaat naar den burg. In den Steen van mijnen

oom Hacket zijn kamers voor u en voor uwe dienstmeiden in gereedheid

gebracht. De proost van St-Donaas zal u onder zijne bescherming nemen en

u dagelijks meer dan eens bezoeken."

De beide jonkvrouwen zagen hem met verschriktheid aan.

"Het wordt dus oorlog?" vroeg Dakerlia.

"Het geheim van den Hoop moet elkeen heilig zijn, die het kent",

antwoordde Robrecht. "Poog dus niet van mij te weten waarom ik u ga

verlaten."

Dakerlia en Witta begonnen te weenen, doch zonder klagen.

"Ik begrijp en ik gevoel wel aan mijn eigen hart dat dit onverwacht

vaarwel u moet bedroeven", zeide Robrecht, "maar troosten wij ons, in de

gedachte dat ik waarschijnlijk binnen weinige dagen hier reeds terug zal

zijn. Hoe het weze, in deze erge tijden, moet elk onzer zijne rust en

zijne pogingen ten offer brengen voor de vrijheid. Aarzelen is eene

lafheid, weigeren, zelfs door eenen geheimen wensch des harten, is eene

misdaad. Ik mag dus met recht verwachten dat noch mijne verloofde, noch

mijne zuster het zullen afkeuren dat ik, als trouw lid van het Gilde,

mijnen plicht vervul. Gij zijt Kerlinnen en gij bemint uw land!"

Deze strenge woorden brachten eenen plotselijken ommekeer in het gemoed

der jonkvrouwen. Witta stortte nog eenige tranen, ofschoon zij zichtbaar

geweld deed om haren angst te bedwingen. Dakerlia hief het hoofd met

fierheid op, en terwijl een vreemde glimlach op hare lippen verscheen,

zeide zij:

"God dank, ja, wij zijn Kerlinnen, en zullen toonen dat zelfs de diepste

smart ons het niet kan doen vergeten! Ga, Robrecht, ga waar de plicht u

roept. Wij zullen bidden voor u en voor Kerlingaland en met vertrouwen

afwachten wat het lot zal beslissen ... Gij vertrekt morgen zeer vroeg!

Voor zonsopgang?"

"Neen, ik zal den klaren dag afwachten; mijn vertrek is niet zoo

haastig."

"Welnu dan, mijn vriend, waarom zoudt gij nog dezen avond afscheid van

ons nemen? Is er iets dat u belet ons morgen vaarwel te komen wenschen,

wij onderwerpen ons gereedelijk; maar anders zullen wij zeer vroeg

opstaan. Kan het zijn, gun ons nog dit geluk."

"Het zij zoo, Dakerlia", antwoordde de jonge ridder. "Blijft dus met God

tot morgen."

Door zijne verloofde gevolgd, richtte hij zich naar de deur.

Hier drukte hij nog teederlijk hare handen, neigde zijn hoofd over haren

schouder en murmelde aan haar oor:

"Wees tevreden, Dakerlia, wij gaan uwen vader wreken! Ik zal aan u

denken altoos; uw beeld zal mijne star zijn; de vijand, terwijl hij valt

onder mijn zwaard, zal terzelfdertijd uwen naam en den naam uws vaders

hooren. Houd dit geheim!"

De maagd wierp eenen diepen blik in zijne oogen en antwoordde:

"Dank, dank, mijn vriend, doe uwen plicht!"

"Goeden nacht, zuster, tot morgen."

Met deze woorden verliet hij de zaal.

Toen hij op het neerhof kwam, vroeg de schalk, die hem de poort opende,

of hij mher Sneloghe niet met licht zou vergezellen; want het was zoo

donker op de straat dat men de huizen niet kon ontwaren.

Robrecht weigerde dezen dienst; zijn Steen toch was slechts eenige

stappen verwijderd.

De schalk sloot dus de poort achter hem en stak de grendels in.

Terwijl Robrecht nu over de straat stapte en zijne woning naderde,

scheen het hem dat eene menschenschaduw langs den muur voortsloop en

naar hem toekwam. Hierover verwonderd, bleef hij staan, legde de hand

aan het gevest van zijn zwaard, liet den onbekende naderen en vroeg dan

met verdoofde stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde de schaduw zonder aarzelen.

"Mijn oom Hacket! Gij hier op dit uur?"

"Stil!" fluisterde de kastelein, "ik kwam u opzoeken in uwen Steen. Ik

heb eene boodschap u te vertrouwen."

"Het is een wonder dat ik nog niet slapen ben."

"Ik hadde bevel gegeven om u te wekken, mijn neef. Nu, doe de poort

openen."

Robrecht klopte op eene hem gewone wijze, en schier onmiddellijk kwam er

een schalk achter de poort staan.

"Zijt gij het, mher Sneloghe?" vroeg hij.

Op het bevestigend antwoord werd Robrecht met zijnen oom binnengelaten.

Beiden begaven zich in eene zaal, waar eene brandende lamp aan het

gewelf hing. De kastelein sloot de deur langs binnen, trok eenen

gezegelden brief uit zijne tasch, en dien den jongen ridder toereikende,

zeide hij:

"De proost is niet van zijn voornemen af te brengen. Nadat gij ons hadt

verlaten, is hij er weder op teruggekomen en heeft eindelijk, ondanks

mijnen raad, besloten toch eenen brief aan Willem Van Loo te schrijven.

Dien brief zult gij hem overhandigen De proost verzoekt u de boodschap

op uwe borst te verbergen; want, werd zij door 's graven lieden verrast,

onze vijanden zouden het geheim van den Hoop geheel kennen."

"Heb geene vrees: ik zal de boodschap trouw volbrengen. Mag ik weten,

oom, wat de brief behelst?"

"Gij kunt het wel vermoeden. Mijn broeder dringt bij Willem Van Loo op

alle wijzen aan, om hem de vijandelijkheden te doen uitstellen, zelfs

dan nog wanneer het Kerlenleger zal vergaderd zijn. Hij laat hem weten

dat onze graaf Karel het oor schijnt te willen leenen aan het voorstel

om hem eene aanzienlijke bede uit den Gildenschat toe te staan."

"Maar mijn oom de proost bedriegt zich!" riep Robrecht met ongeduld.

"Veinst men aan het hof van goeden wil te zijn, het is slechts om tijd

te winnen en ons in slaap te wiegen!"

"Zoo denk ik er nu insgelijks over, gij weet het, neef. Daarom evenwel

moogt gij mij niet weigeren den brief aan Willem Van Loo af te geven.

Hij kan dan nog beslissen wat hij wil."

"Inderdaad, oom. Ik zal doen wat de heer proost verlangt."

"Hij verzoekt u daarenboven zijne voorstellen bij Willem te ondersteunen

en alle mogelijke pogingen aan te wenden om hem te doen aanvaarden."

"Dit kan ik niet", zeide Robrecht ontevreden. "Ik weiger volstrekt deze

zending. Volgens mijne vaste overtuiging valt er niet meer te aarzelen.

De omstandigheden schijnen ons zeer gunstig; men moet zonder omzien er

gebruik van maken. Bij al dit omzien en dralen verliezen wij den moed en

worden de Kerels hunnen vijand ten spot. Mijn oom de proost weet wel dat

ik daarover van een geheel ander gevoelen ben dan hij."

"Doe naar uw goeddunken, neef."

"Maar zeg mij, ik bid u, kastelein, kent gij den inhoud van den brief

dien ik dragen ga?"

"Ja, ik heb hem gelezen."

"Hoe noemt de proost daarin mher Willem?"

"Hij noemt hem burggraaf."

"Maar het is gevaarlijk; met allen eerbied voor mijnen oom zou ik schier

durven zeggen dat hij zijnen gildeneed ontrouw is. De Hoop heeft te

Veurne beslist dat al de Kerels Willem Van Loo als graaf van Vlaanderen

zullen erkennen. Waarom weigert de proost hem graaf te noemen?"

"Gij weet het, Robrecht," antwoordde de kastelein, de schouders

ophalende. "Mijn broeder heeft zich, in den vorigen oorlog voor de

kroon, tegen mher Willem verklaard. Er bestaat tusschen hen, van

wederzijde, een verborgene, doch diepe wrok. Het bedroeft hem oneindig

dat men in den Hoop zulke gevaarlijke beslissing heeft genomen."

"En bedroeft het mij niet, oom? Maar de onderwerping aan de besluiten

van den Hoop is eene heilige wet, waarvoor alle Kerels, grooten en

kleinen, moeten bukken. Mher Willem, de graaf van Vlaanderen,--zoo noem

ik hem--zal, bij het lezen van den brief, verbitteren, wanneer hij zal

zien dat de proost weigert hem als graaf te erkennen."

"Ik heb er geene schuld aan, Robrecht; de proost heeft mijnen raad niet

willen volgen. Hij kan er niet toe besluiten, mher Willem nu reeds als

vorst te begroeten. Hij zal het later doen. Gij kondet de graaf

uitleggen dat de proost nog geene bijzondere tijding over de

verrichtingen van den Hoop heeft ontvangen."

"Het zij zoo, ik zal mijnen oom pogen te verontschuldigen ... Maar

indien graaf Willem den proost eenige bevelen zendt, zal hij

gehoorzamen?"

"Zonder twijfel, Robrecht. Wat mij betreft, ik verzoek u, mher Willem te

melden, dat ik alles geheimelijk in gereedheid breng om den burg van

Brugge voor de Kerels te behouden, en ik zijne bevelen afwacht om, waar

het zijn kan, ze getrouwelijk te volbrengen. Blijf nu in vrede, mijn

neef, en vergeet niet, wanneer gij in het leger zijt, ons zoo dikwijls

als het mogelijk is tijding van u te zenden. Goeden nacht en goede

reis!"

Robrecht vergezelde zijnen oom tot buiten de poort van den Steen. Dan

keerde hij terug naar de zaal, legde zijn zwaard af en zette zich neder,

met den elleboog rustend op de tafel en de oogen onvast in de ruimte

gericht.

Hij overwoog het zonderling gedrag van zijnen oom Bertulf en voorzag dat

uit den verborgen haat, dien hij en Willem Van Loo elkander toedroegen,

nog ongelukkige verwikkelingen voor de Erembalds en misschien voor

Kerlingaland konden ontstaan.

Dien dag was Disdir Vos op den burg gekomen en had lang met den proost

over de beslissingen van den Hoop gesproken. De oude Bertulf had zijne

ontevredenheid en zijnen afkeer van mher Willem niet verborgen. Indien

de nieuwe graaf door Disdir Vos of door iemand anders daarvan kennis

kreeg, zou hij dan niet de Erembalds vijandig worden? De proost, anders

zoo wijs en zoo voorzichtig, liet zich nu door een gevoel van haat

verblinden.

Terwijl mher Sneloghe daar bij de tafel zat en in verslondenheid den

gevaarlijken toestand der zaken overdacht, stonden achter St-Janskapelle

twee mannen, die in stilte doch met zekere driftigheid van hem spraken.

Nevens den muur der kapelle, was de duisternis nog dikker; geen mensch

hadde kunnen zien dat iemand zich daar bevond; evenwel hadde men ze

kunnen hooren, want zij spraken zeer stil.

"Nu, waarom wijkt gij terzijde? Waarom blijft gij staan?" vroeg de eene.

"Zeg wat gij wilt", antwoordde de andere, "zoo sla mij Thors hamer,

indien gij ons niet eene gevaarlijke dwaasheid doet begaan!"

"Maar, neen", wedervoer de eerste fluisterende. "Het is tot het bereiken

van ons doel volstrekt noodig dat Robrecht Sneloghe ons helpe."

"Hij zal weigeren."

"Geenszins."

"Hij eerbiedigt te veel zijne ooms, en dezen schrikken terug van alle

krachtdadigheid."

"Dit is grondig veranderd. Robrecht staat op tegen zijne ooms en

beschuldigt ze van lauwheid en ontrouw. Ik heb hem dezen morgen luidop

tegen den proost hooren roepen dat hij, Robrecht, voor niets meer

achteruitwijken wil en bereid is, met blinde onderwerping onzen nieuwen

graaf te gehoorzamen; ja, dat hij voor hem zonder aarzelen goed en bloed

zal ten offer brengen."

"En evenwel kan ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat wij eene domheid

begaan."

"Gij hebt mijne redenen goedgekeurd, gij en onze vrienden. Waarom dwingt

gij mij nu ze alweder te herhalen? Wat wij gaan ondernemen belaadt ons

met eene schromelijke verantwoordelijkheid. Om te beletten dat de

proost en de kastelein zich tegen ons keeren, moeten wij mher Sneloghe

met ons doen samenspannen en samenwerken. Zoo zullen dan de hoofden der

Erembalds, uit verkleefdheid en liefde voor hem, ons allen beschermen en

verdedigen Zeg Robrecht, dat onze graaf het beveelt of verlangt, en gij

zult zien dat hij onmiddellijk zal toestemmen. Of twijfelt gij daaraan?"

"Ik weet waarlijk niet", gromde de andere, half schertsende, "waarom gij

zoo vurig en zoo onverwinnelijk aandringt om Robrecht deel aan onze

onderneming te geven. Ik zou haast gaan denken dat gij de zaak voor eene

gevaarlijke halsbrekerij aanziet, en daarom mher Sneloghe het spel wilt

doen wagen. Uit genegenheid zeker niet, gij haat hem."

"Neen, ik heb alle vijandschap afgelegd. Geene andere beweegreden drijft

mij aan dan alleenlijk de voorzorg om het gelukken onzer poging, ook na

den slag, te verzekeren."

"Welaan, het zij dan zoo. Wij zullen zien hoe hij het voorstel onthaalt.

Aanvaardt hij het, hij zal zijn woord getrouw blijven tot het einde.

Daarvan ten minste mogen wij zeker zijn. Gedragen wij ons evenwel

voorzichtig met hem. In zijnen Steen zullen wij hem het ontwerp niet te

kennen geven. Als hij Willem Van Wervick, Isaac Van Reninghe en Ingelram

Van Eessen ziet, zal hij beter gelooven dat de zaak niet roekeloos door

mij wordt gewaagd ... Kom nu, laat ons gaan, maar zwijgen wij!"

Zij stapten met looze treden de St-Jansstraat in, keerden achter den

hoek der Ridderstraat, en slopen dan voort door de onpeilbare duisternis

tot voor de poort van sher Robrechts Steen.

Een hunner liet den ijzeren klopper driemaal met zekere berekende

tusschenpoozen nedervallen.

Dewijl men daarbinnen nog waakte, kwam schier onmiddellijk een schalk

achter de poort staan.

"Wie daar?" riep hij door het kijkgat.

"Spreek stil", werd hem geantwoord. "Ga, zeg uwen meester dat vrienden

hem wenschen te spreken. Hij kome zelf om ons te herkennen."

Na eene korte wijl vroeg hem eene andere stem:

"Vliegt de Blauwvoet?"

"Storm op zee!" antwoordde een hunner. "Doe ons open, Robrecht."

"O, mijn God, Burchard!" morde iemand achter het kijkgat.

"Stil, stil, en ontsluit de poort!"

Robrecht opende metterhaast en leidde de twee ontijdige bezoekers zonder

spreken tot in de zaal, welke hij zooeven had verlaten. Hij sloot de

deur en zeide met verrassing:

"Burchard, gij hier! Vreest gij dan niet voor uw leven? Indien men u

herkende!"

Burchard antwoordde schertsend:

"Zonderlinge vraag op het oogenblik dat wij allen lijf en have voor de

vrijheid van Kerlingaland gaan wagen! Vreest mijn vriend Disdir Vos

eenen banneling in de straten van Brugge te vergezellen? De tijd is

gekomen dat elke Kerel moet spotten met den dood!"

"Het is waar", bevestigde Robrecht. "Gij hebt mij ongetwijfeld iets

bijzonders te melden, heeren; want zoo, te midden van den nacht, bezoekt

men toch zijne vrienden niet zonder gewichtige redenen."

"Ik kom vanwege den graaf van Vlaanderen tot u."

"Vanwege graaf Willem!" kreet Robrecht twijfelende.

"Vanwege den eenig wettigen graaf van Vlaanderen", herhaalde Burchard

met nadruk. "Gij weet het, of anders maak ik het u bekend, ik geniet

gansch zijne gunst en ben zijn vertrouweling. Hij heeft mij met eene

moeilijke onderneming belast. Wat ik u kom vragen, Robrecht, is of gij

bereid zijt, op mijn verzoek en ten dienste van Kerlingaland, alles te

wagen, zelfs uw leven."

"De vraag is kwetsend!" morde de jongeling.

"Hij heeft gelijk", zeide Disdir Vos. "Gaf mher Sneloghe ooit iemand

recht om aan zijne onversaagdheid te twijfelen? In deze zaak is eer en

roem te behalen. Hoe zou hij kunnen weigeren?"

"Nu, laat ons klaar zijn; de tijd is kostelijk", viel Burchard hem in de

rede. "Ziehier, Robrecht, waarom wij tot u gekomen zijn. Iemand heeft

onzen graaf Willem een ontwerp medegedeeld dat, kan het uitgevoerd

worden, de vrijheid der Kerels voor altijd moet redden en waarschijnlijk

den oorlog nog zal voorkomen. In alle geval zal het de macht onzer

vijanden eenen ontzaglijken slag toebrengen. De graaf heeft dit ontwerp

goedgekeurd en mij belast in Brugge eenige moedige ridders op te zoeken

om het uit te voeren. Het is een moeilijk waagspel, dit wil ik u niet

verbergen; er is onversaagdheid, zelfs vermetelheid toe noodig. Ik heb

gedacht, Robrecht, dat ik, naar manhaftige ridders zoekende, het recht

niet had u te vergeten."

Robrecht stapte naar eenen hoek der zaal en zeide:

"Ik trek mijn maliehemd aan; want men kan ..."

"Neen, neen, nuttelooze voorzorg", onderbrak hem Burchard; "de

onderneming is niet voor heden. Nu gaan wij slechts naar eene

vergadering van vrienden, die op u wachten om te beraadslagen over de

beste middelen tot gelukken. Daar zal men u kennis geven van het

ontwerp. Binnen een uur zijt gij hier terug."

"Welaan, ik volg u, heeren", zeide Robrecht, terwijl hij zrijn zwaard

aangordde. "Gij twijfeldet aan mijne bereidwilligheid? Is er waarlijk

eene poging, hoe vermetel ook, ten voordeele van Kerlingaland te

beproeven, ik zal u toonen dat niets mij kan doen aarzelen; integendeel,

ik ben u innig dankbaar omdat gij in zulke omstandigheid aan mij hebt

gedacht."

"De graaf weet dat gij van de onzen zult zijn. Hij zelf duidde u aan."

"Hoe is het mogelijk, Burchard? Kent hij mij?"

"Wie kent u niet onder de ridders van Kerlingaland?"

"In alle geval, ik zal bewijzen dat ik zijn vertrouwen waardig ben.

Vertrekken wij!"

Toen zij bij de poort waren en in de straat zouden stappen, fluisterde

Burchard:

"Zwijgt nu en volgt mij. Langs de St-Jansstraat mogen wij niet gaan.

Laat ons afdalen tot op de Spiegelrei: daar is de weg gansch eenzaam."

Na eenigen tijd door de duisternis te hebben voortgeslopen, kwamen zij

in de Grauwwerkersstraat voor eenen grooten Steen, waarvan de poort op

een enkel teeken van Burchard werd geopend.

Men leidde Robrecht over den neerhof tot in eene zaal, die in de diepte

van het gebouw was gelegen.

Burchard sloot de deur en stak bedektelijk den sleutel in zijne tassche.

Hier zaten rondom eene tafel drie ridders, die Robrecht kende als zeer

manhaftige Kerels, en wier ouderdom en goede faam hem een vol betrouwen

in hunne oprechtheid moesten inboezemen. Het waren Ingelram Van Eessen,

Isaac Van Reninghe en Willem Van Wervick.

Deze ridders betuigden eene groote blijdschap bij de intrede van

Robrecht; zij stonden van hunne zetels op, gingen hem te gemoet en

drukten hem de handen, met allerlei vleiende bewoordingen hem lovende

voor zijne bereidwilligheid.

Het was bovenal Isaac Van Reninghe, die meer dan anderen prijs aan de

tegenwoordigheid van mher Sneloghe scheen te hechten.

"Maar, heeren", vroeg Robrecht met eenige spijt in de stem "twijfeldet

gij aan mijnen moed?"

"In het geheel niet", antwoordde Willem Van Wervick, "maar het ontijdig

uur, de bijzondere, de ongewone aard onzer onderneming ..."

"Hoe het zij, heeren", morde Robrecht, "ik zal mij wreken over uw

mistrouwen, door u te toonen dat ik niet gierig ben op mijn bloed."

"Het is Burchard die ons wilde doen gelooven dat gij niet zoudt komen",

bemerkte Isaac.

"Mher Sneloghe is tot nu toe toe min of meer van het gevoelen zijner

ooms geweest", zeide Burchard, "die gelooven dat men Kerlingaland kan

redden met voor zijne dwingelanden te knielen en om genade te smeeken.

Heb ik mij aangaande mijnen vriend Robrecht misgrepen, het verheugt mij,

en ik wensch hem uiterharte geluk. Nooit heb ik aan zijne dapperheid

getwijfeld."

"Mij toch kan mher Sneloghe niet beschuldigen", riep Disdir Vos.

"Getuigt het, heeren, dat ik van den beginne af mij borg heb gesteld

voor zijnen moed en zijne bereidwilligheid."

"Ik dank u, Disdir", murmelde Robrecht, zonder eenig mistrouwen de hand

van zijnen geheimen bloedvijand drukkende.

"Nu, zitten wij neder, heeren", sprak Ingelram Van Eessen. "Deze

betwisting is overbodig: onze blijdschap over de tegenwoordigheid van

mher Sneloghe moet hem bewijzen hoe wij allen hem liefhebben en

eerbiedigen. Gaan wij over tot de zaak welke ons hier doet vergaderen."

En toen allen gezeten waren, hernam hij:

"Is mher Sneloghe bereid om met ons de handen te zamen te leggen, als

eenen eed van getrouwheid jegens elkander, en als eene belofte dat hij

verborgen zal houden wat hij hier gaat vernemen?"

"Ik ben er toe bereid", antwoordde Robrecht. "Ziedaar mijne hand,

heeren; ik beloof u te helpen als een trouw gezel, en verbind mij tot

het geheimhouden van alwat ik hier kan vernemen."

Allen stonden op en traden in het midden der kamer, waar zij met

Robrecht de handen te zamen legden. Dit was onder de Kerels de vorm van

den duursten eed, en daardoor verbonden zij zich te gader en elk jegens

al de anderen tot het trouw vervullen der aldus bezworene beloften.

Ieder nam weder zijne plaats bij de tafel.

"Nu gaat gij alles weten, mher Sneloghe", zeide Ingelram Van Eessen. "De

verklaring der zaak eischt niet veel woorden. Tweeduizend ridders,

gevolgd door talrijke benden wapenknechten zijn uit Atrecht vertrokken

om ons het slavenjuk te komen opdwingen. Dit leger zal te Yperen zijn

voordat de Kerels der Ambachten in het Wolvennestbosch kunnen

vergaderen. Kerlingaland is dus beslissend verloren, indien wij het niet

redden door eenen stouten slag. Met goedkeuring van onzen graaf en

veldheer Willem Van Loo, gaan wij dien slag wagen. Overmorgen, in den

namiddag, geeft Karel van Denemarken eenen grooten maaltijd ter eere der

twee gezanten, die vanwege den Keizer aan zijn hof zijn gekomen.

Natuurlijk zullen de voornaamste Isegrims, de gezworene vijanden der

Kerels, aan den disch zitten. Het feestmaal zal lang duren; de dagen

zijn kort; het wordt vroeg donker. Welnu, een vijftigtal onbevreesde

Houtkerels, meer, indien het noodig is, wachten slechts een bevel van

ons, om bedektelijk in de stad te vergaderen. Wij stellen ons aan hun

hoofd, sluipen, door de duisternis begunstigd, op den burg, stormen in

de feestzaal, vallen op de Isegrims en dooden al de dischgenooten,

behalve de afgezanten des Keizers ..."

"En de graaf?" morde Robrecht ontsteld.

"Onze eerste slag is voor Karel van Denemarken; hij vooral moet sterven,

de dwingeland!"

Mher Sneloghe sprong recht; hij was bleek en scheen te beven.

"Maar het is een sluipmoord, eene afschuwelijke misdaad!" riep hij uit.

"En gij hoopt dat ik mijne handen zal doopen in het bloed van vorst

Karel? Bij verrassing? als een struikroover die nederstort op een

weerloos slachtoffer? Nooit! nooit!"

"Uw eed; gij zijt verbonden!" kreet Burchard.

"Gij hebt mij bedrogen, door listige woorden mij verleid", wedervoer

Robrecht. "Het is eene snoodheid. Ik moodenaar? Ha, nu begrijp ik uw

mistrouwen en ik roem er op! Ja, heeren, gij waart rechtvaardig jegens

mij, toen gij vreesdet dat ik zou weigeren deel te maken van zulk

gruwelijk verbond."

"Gij hebt gezworen en zijt slaaf van uwen eed!" zeide Ingelram Van

Eessen.

"Dien eed hebt gij door vuige list mij ontrukt. Ik verbreek hem. Hoe?

Gij komt mij vragen of ik bereid ben mijn leven voor de vrijheid van

Kerlingaland te wagen ... en nu eischt gij dat ik het helpe vermoorden

door de schandelijkste euveldaad?... Ja, vermoorden! De gansche wereld

zal tegen ons opstaan; de Kerels der Ambachten zelven zullen

terugschrikken; de wapens zullen hunne handen ontvallen; uit schaamte

zullen zij het hoofd buigen en moedeloos het juk aanvaarden, als eene

rechtvaardige straf der ijselijke misdaad!..."

"Gij hebt te Veurne onzen graaf Willem eene blinde gehoorzaamheid

beloofd", zeide Burchard.

"Ha, daarin bestaat vooral uw bedrog", wedervoer Robrecht met

verontwaardiging. "Gij wilt mij doen gelooven dat graaf Willem dezen

moord goedkeurt? Welnu, het is niet waar, het kan niet waar zijn! Gij

lastert hem. Hij zou u geboden hebben Karel van Denemarken te dooden?

bij verrassing? als laffe sluipmoordenaars?"

"Het vonnis is geveld, Karel moet sterven!" gromde Willem Van Wervick.

"Welnu, neen, hij zal niet sterven!" riep Robrecht met kracht. "Uw

afschuwelijk opzet wil ik beletten. Morgen vroeg reeds zal de proost van

St-Donaas weten wat hier is beraamd ... en, moest ik zelf tot graaf

Karel gaan om hem te waarschuwen, ik zou niet terugtreden voor zulke

daad!"

Isaac Van Reninghe was opgestaan en legde nu den arm over Robrechts

schouder.

"Kom, mijn vriend, bedaar toch; gij dwaalt", zeide hij. "Er is geen

ander middel meer om Kerlingaland voor eeuwige slavernij te behoeden.

Karel van Denemarken is de valschte mensch der wereld, hij verdient

honderdmaal den dood. Wees beter beraden; aanvaard de dwingende

noodzakelijkheid."

Robrecht, door eene plotselijke gemoedsomkeering ontroerd, stiet

langzaam den arm van sher Ingelram terug, aanschouwde met diepe

droefheid de andere ridders en hief de handen als eene klacht ten hemel.

"Wat? Tranen in zijne oogen!" schertste Willem Van Wervick "Hij bemint

wel vurig den dwingeland, dat de gedachte zijns aanstaanden doods hem

doet weenen[51]!"

"Ik ween, ja", antwoordde Robrecht, "van afgrijzen, van medelijden!

Mijne tranen vlieten over Kerlingaland, dat gij ten prooi gaat geven aan

de vermaledijding der gansche Christenheid; over u, die u zelven en de

Kerels gaat bevlekken met eeuwige schande ..."

Hij meende te bemerken dat Disdir Vos en Isaak Van Reninghe hem met min

onwil dan hunne gezellen aanhoorden. Dit boezemde hem eenige hoop in.

Hij trad een paar stappen vooruit en sprak biddende:

"Ach, vrienden, hoort mijnen raad aan! Gij zijt de speelbal van den

boozen geest, die u met verblindheid slaat. Karel van Denemarken eenen

koningszoon, eenen telg onzer graven, vermoorden laffelijk, bij verraad?

O, ik smeek u, doet het niet! Het is nog tijd; keert terug op uw

noodlottig besluit. Ik bezweer u, doodt toch niet zoo uitzinnig onze

vrijheid en ons vaderland!"

"IJdele woorden, wat besloten is zal uitgevoerd worden!" antwoordde

Ingelram met somberen toon. "Al haddet gij gelijk in uwe voorspelling,

Kerlingaland is toch verloren. Welnu, het verga veeleer gewroken dan

machteloos en vernederd. Noodlottige gedachte die ons deed besluiten de

hulp te vragen van iemand wien de sterkmoedigheid ontbreekt om den

reddenden slag te wagen!"

"Alles wil ik wagen, alles wil ik opofferen voor de vrijheid", sprak

Robrecht, fier het hoofd verheffende, "Met blijdschap zou ik sterven

voor Kerlingaland ... in den oorlog, tegen gewapende vijanden, als een

man, als een ridder. Maar weerlooze menschen gaan vermoorden, terwijl

zij aan tafel zijn gezeten? Het denkbeeld zulker lafheid alleen doet mij

sidderen van schaamte ... Gij blijft bij uw afschuwelijk besluit? Welnu,

worstelt dan tegen mij; ik ben uw vijand, ik zal uw verfoeilijk opzet

verijdelen! Neen, neen, gij zult ons dierbaar Kerlingaland niet met u

nederstorten in eenen afgrond van vermaledijding en schande. Hoopt niet

Karel van Denemarken te treffen: Kerels, zoo onversaagd als gij, zullen

waken rondom hem. Vaartwel, ik wil niets gemeens meer hebben met

moordenaars!"

Deze stoute taal trof al de aanhoorders met verbaasdheid. Ingelram Van

Eessen raasde als een dolzinnige, en sprak van niets min dan van

Robrecht het hoofd te klooven, om hem te beletten zijne eedgenooten te

verraden. Isaac Van Beninghe had veel moeite om hem te wederhouden van

zijn zwaard te trekken. Wat Burchard Knap betreft, wonderlijk genoeg,

die scheen te droomen en zeide niets.

Onderwijl was mher Sneloghe naar de deur der zaal gegaan en meende deze

te openen; maar hij vond ze gesloten.

Daar stond hij nu, de andere ridders met vlammende oogen en met eenen

grijns van misprijzen te bezien.

"Beloof ons ten minste dat gij ons geheim zult bewaren", zeide Isaac Van

Reninghe.

"Neen, neen", kreet Robrecht zeer aangejaagd, "integendeel, ik zal het

openbaren! Uwe namen zal ik verzwijgen; maar vorst Karel doen

verwittigen, daarvan weerhoudt mij niemand!"

"Zijt gij dan een verrader? een verborgen vijand der Kerels?" vroeg

Willem Van Wervick.

"De vijanden der Kerels zijn degenen die ons arm vaderland het brandmerk

van den sluipmoord op het voorhoofd willen drukken!"

"Maar, vermetele", bulderde Ingelram, "weet gij niet waartoe uw eed ons

recht geeft? Gij zijt in onze macht. Zoo het ons lustte in uw bloed het

geheim te versmachten dat wij u hebben toevertrouwd?"

"Wat doet mij zulke bedreiging?" wedervoer Robrecht met eenen zuren

spotlach. "Al spookte de dood voor mijne oogen, hij deed mij niet

terugwijken voor het vervullen van mijnen plicht."

"Heeren", zeide Disdir Vos, als hadde hij iets uitgevonden dat alle

moeilijkheid uit den weg kon ruimen, "ik bid u, blijft eene korte wijl

nog bedaard en laat mij toe eenige woorden alleen met mher Sneloghe te

wisselen."

Na een oogenblik wederstand te hebben geboden, gaf Robrecht toe aan zijn

dringend verzoek en volgde hem tot in eenen hoek der zaal, waar beiden

begonnen te kouten, Disdir ernstig en vleiend, Robrecht met onwil en

spijtige gebaren.

Ondertusschen staken de anderen bij de tafel, op eenen wenk van

Burchard, de hoofden bijeen en beraadslaagden geheimelijk over hetgeen

hun te doen stond; want dat mher Sneloghe zou weigeren, daarvan achtten

allen zich zeker.

Disdir Vos keerde tot zijne makkers en zeide:

"Vergeefsche moeite, heeren. Ik zelf begin te twijfelen of onze vriend

Robrecht niet zou kunnen gelijk hebben. Ware het inderdaad niet

raadzamer dat wij met gemeene toestemming van de gevaarlijke onderneming

afzagen?"

En daar hij bemerkte hoe een glimlach van misprijzen Burchards lippen

samentrok, haastte hij zich er bij te voegen:

"De verwijdering van mher Sneloghe bedroeft mij, ik beken het: maar ik

wil evenwel mijnen eed getrouw blijven."

"Welnu, heeren, opent men mij de deur, of niet?" vroeg Robrecht

dreigende. "Moet ik met mijn zwaard het slot verbrijzelen en mij door

geweld eenen vrijen weg banen?"

"Nutteloos, gansch nuttelloos, mijn vriend Sneloghe", zeide Burchard,

opstaande. "Ik heb den sleutel en zal de deur openen, niet voor u

alleen, maar voor ons allen, ongetwijfeld; en gij, Robrecht, zult des te

geruster kunnen slapen, daar gij u zult mogen beroemen ons door uwe

redenen te hebben overwonnen. Bezie mij zoo zonderling niet. Wat ik zeg,

is waarheid. Ik heb op uwe woorden diep nagedacht. Gij hebt mij

overtuigd dat zulke aanval bij verrassing, al gelukte hij ten volle,

meer kwaad dan goed aan onze zaak zou kunnen doen. Waarschijnlijk is

mher Isaac insgelijks van deze meening?"

"Inderdaad", antwoordde Isaac Van Reninghe.

"En indien mher Ingelram wil toestemmen om van de uitvoering van ons

ontwerp af te zien?"

"Alleen kan ik niets ondernemen", morde Ingelram, in schijn verstoord.

"Wat Disdir Vos betreft, die heeft reeds zijnen twijfel bekend", hernam

Burchard. "Aldus vriend Sneloghe, gij ziet het, wij laten op uwen raad

de voorgenomen poging varen. Wees gedankt, gij hebt ons teruggehouden

van eene onvoorzichtige daad. Dat Karel van Denemarken, als verdrukker

der Kerels, den dood verdient, wie zou dit durven loochenen? Maar gij

hebt gelijk, het is niet zoo dat wij zijn bloed moeten vergieten. Laat

ons nu dezen Steen verlaten, heeren, en ieder rustig zijnen weg gaan.

Het is reeds diep in den nacht."

Allen begaven zich naar de deur en verlieten de zaal.

Robrecht sprak niet. Hem verwonderde de plotselijke ommekeer in de

gemoedsstemming zijner gezellen. Lag daaronder eene list verborgen?

Zouden de eedgenooten evenwel den beraamden moord pogen te plegen? Hij

kon het beletten en zou niet nalaten dezen plicht te vervullen. Hij

behoefde slechts, zonder iemand te noemen, den kastelein Hacket te

verwittigen van het gevaar dat graaf Karel gedurende het feestmaal kon

bedreigen. Daartoe had hij tijd genoeg, en hij was zelfs niet verplicht

de nachtrust zijner ooms te gaan storen, vermits het bedoelde feestmaal

slechts overmorgen moest gehouden worden. De kastelein zou alle wegen

tot den burg doen bewaken en al de toegangen der Loove met genoegzame

macht bezetten. Indien dan de saamgezworenen op den burg traden, zouden

zij wel bemerken dat hun aanslag was bekend en op voorhand verijdeld.

Maar toen Robrecht in de straat door zijne gezellen nogmaals in schijn

rechtzinnig werd bedankt, en hij hen, na het murmelen van eenen goeden

nacht, ieder zijnen weg hoorde gaan, begon hij meer en meer te denken

dat zij waarlijk door zijne redenen waren overwonnen geworden. Alhoewel

hij nog eenigszins twijfelde, verheugde hem dit gepeins; want hij achtte

zich overtuigd dat hij in dit geval zijn land en zijn geslacht eenen

onschatbaren dienst had bewezen.

Disdir Vos, na afscheid van de anderen te hebben genomen, volgde

Robrecht en ging twee straten verre aan zijne zijde, hem vleiende en hem

prijzende over zijnen wijzen raad en over zijne standvastigheid; maar

mher Sneloghe antwoordde hem niet veel. Sedert dien avond toch was in

hem een onuitlegbaar, doch diep gevoel van afkeer tegen Disdir Vos

ontstaan. Waarom, dit wist hij niet wel; maar er groeide in zijn hart

een vermoeden van valschheid tegen Disdir.

Het was zelfs met eene soort van blijdschap dat hij bij de

St-Janskapelle afscheid nam van zijnen gezel en alleen zijnen weg

vervorderde, om over den Maalberg de Hoogstraat en zijnen steen te

bereiken.

Disdir Vos ging terug over de Kranebrug, maar nauwelijks had hij eenige

stappen in de enge Robijnstraat gedaan, of hij bleef staan en keerde

zich om; zijne gedachten veranderden echter weder en hij zette, in zich

zelven sprekende, zijnen weg voort.

"Ja, dat Burchard en de anderen weder te zamen zijn, daarvan ben ik

zeker", mompelde hij. "Zij hebben zich willen ontdoen van Robrecht en

van mij, die inderdaad nooit den minsten lust had om aan dit helsche

waagspel deel te nemen. Eilaas, ik heb mijnen slag gemist! Hij was zoo

goed berekend nochtans! Had Robrecht tot den moord des graven

toegestemd, ik hadde hem in eenen strik doen vallen, waaruit hij niet

levend zou losgeraakt zijn ... Maar wij zijn nog niet dood ... tijd

genoeg om mij te wreken ... zijn huwelijk is nog niet voltrokken ..."

Terwijl Disdir dus denkend en mijmerend voortstapte, wandelde er op den

Dyver, niet verre van de Eeckhoutstraat, een man over en weder, die met

inspanning zijner gezichtskracht door de duisternis poogde te dringen om

te zien of niemand in de verte naderde.

Hij had reeds eene lange wijl gewacht, toen hij meende een gerucht van

stappen te hooren. Sluipend week hij terug tot tegen de poort van eenen

Steen, op den hoek der Eeckhoutstraat.

Iemand naderde hem.

"Vliegt de Blauwvoet?" murmelde hij.

"Storm op zee!" antwoordde eene grove stem.

Hij duwde de poort open, trad met zijnen gezel binnen en sloot ze weder.

"De vrienden zijn reeds hier", morde de eene. "Wij gingen haast vreezen

dat u een ongeval was geschied."

"Ik dwaalde van mijne baan", antwoordde de andere. "Om de Markt te

ontwijken, sloeg ik het Palmstraatje in. Daar hoorde ik stappen van

menschen. Eene wacht misschien. Ik heb eenen langen omweg gedaan.--Nu,

geenen tijd meer verloren! Leid mij tot de vrienden."

Zij traden schuins door den neerhof en gingen in eene kamer, waar eene

kleine lamp brandde.

"De schalken zouden ons kunnen afspieden", zeide degene die den andere

had ingeleid. "Ik doof het licht uit.--Spreek zeer stil![52]"

Daar zaten zij nu in eene zoo volledige duisternis dat zij elkaar niet

konden zien.

"Gelukkiglijk zijn wij van de twijfelaars verlost", murmelde er een met

verdoofde stem. "Niets kan ons nog verhinderen ons besluit uit te

voeren. Haast gemaakt dus, en geene overbodige woorden."

"Maar de zaak van het feestmaal is verloren. Wat gaan wij doen?" vroeg

iemand.

"Ik heb tijd gehad, om alles te overwegen", antwoordde de man met de

zware stem. "Ziehier mijne meening. Wij moeten ons eerste ontwerp

hervatten. Karel van Denemarken, zijt des zeker, gaat alle dagen ter

vroegmis in de bovenkerk van St-Donaas. Iedereen mag er de mis bijwonen.

Het is met deze korte dagen dan nog bijna donker. Mijn paard staat

buiten de Zandpoort. Ik zal mij haasten naar Bethferkerke. Daar heb ik

eene bende onverschrokken Houtkerels onder de hand. Komt morgen in de

vroegmis op den burg; gij zult mij en mijne mannen daar, verspreid zien

onder de beuken en tusschen de geloovigen; misschien zult gij ons niet

herkennen. Het is gelijk, ik zal het sein geven door den dwingeland te

treffen. Op den roep van 'Harop! Harop!' sluit gij alle uitgangen af.

Geen Isegrim mag ontsnappen. Aanvaardt gij het voorstel, leggen wij dan

nog eens daarop de handen te zamen[53]."

Zij zochten tastend elkander en zwoeren zwijgende den gruwelijken eed.

"Op weg nu! Verlaten wij, de eene na den andere, dezen Steen. Ik vertrek

eerst; want mij is de tijd het kostelijkst. Tot morgen, heeren; ik

betrouw op u als op mij zelven."

Hij werd door een der aanwezigen tot buiten de poort geleid en liep met

lichte doch haastige stappen vooruit in de duisternis.

De Kerels van Vlaanderen · 第 30 / 85 题