[Voetnoot 30: "De Kerels droegen het haar kort en den baard lang ... de
ridders droegen het haar lang en schoren hunne kin."
_Ann. du Com. fl. de Fr.,_ tome VIII, pag. 68.]
[Voetnoot 31: Zie daarover VICTOR DE RODE, pag. 147.]
[Voetnoot 32: Het woord _Ambacht_ is later te zamen getrokken tot_Ambt_
en in het Duitsch tot _Amt._ Zie J. CRIMM, _Worterbuch_ bij _Amt._
LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, t. I. pag. 583, zegt: "Tot de
oudste districts-benamingen, die het Engelsche _Shire_ voorafgingen,
behoorde nog _maegthe_, een land, dat de leden van een geslacht of van
ene _maegschap_, gelijk zij in den oorlog te zamen gestreden en veroverd
hadden, ook in den vrede te zamen bezaten."
Dan zal wel het woord Ambacht niets zijn dan het oud-Saksische _maegt_,
met het samenvoegend voorzetsel _an_ of _am_, dus _Ammaegt,_ waarvan
_Ambacht_.]
[Voetnoot 33: _Harop, Harop,_ voces Belgicae quae et clamorem ob crimen
perpetram, DUCANCE, _Gloss._
"Convictus ex _dousslach et harop_ emendabit comiti III libras"
_Keure van Veurne van 1240._]
[Voetnoot 34: "Van eenen min begrijpelijken aard was de wederzijdsche
verantwoordelijkheid der leden van eene maagschap (_de mageborge,
maegburh_), dat voornamelijk de verplichting begreep tot het wreken der
moorden, de bescherming der weezen, enz."
LAPPENBERG, _Geschichte von Engeland_, vertaald door Thorpe. t. II, pag.
332.]
[Voetnoot 35: _Keurmans, Keurlieden, Keurheers_, waren bij de Kerels de
bestierders en rechters, die door _Keure_ of kiezing werden aangesteld.]
V
Dakerlia Wulf, de schoone Kerlinne, zat in haars vaders Steen, bij een
venster, met een borduurwerk op den schoot.
Wel hing nog de gulden draad aan hare vingeren, doch de naald was haar
ontglipt. Zij arbeidde niet en scheen geheel verslonden in diepe
gepeinzen. Haar gelaat was bleek en de droefheid had nevens hare wangen
eenen lichten rimpel geplooid.
Nu en dan ontsnapte haar een zucht en murmelde zij eenige afgebrokene
woorden, waartusschen de namen van Placida en Robrecht alleen met eenige
duidelijkheid waren uitgesproken; maar die namen, als stonden zij tegen
haren wil op haren mond, deden haar telkens spijtig het hoofd schudden,
en dan slechts verroerden hare leden met eene korte doch krachtige
beweging van ongeduld.
Langen tijd was zij weder in stille mijmering bedolven gebleven toen de
deur der kamer werd geopend en eene jonge maagd met uitgestrekte armen
tot haar kwam.
Zij stond op en zeide na eene blijde omhelzing:
"Ach, Witta lief, hoevele uren wacht ik reeds op u! Allerlei angstvolle
gedachten bestormen mij. Ik vreesde dat gij ziek geworden waart.
Gisteren heb ik u van den gansenen dag niet gezien, en nu is het reeds
middag!"
"Veel bezigheid ... een onverwacht geval hield mij terug, Dakerlia",
antwoordde jonkver Sneloghe, als aarzelde zij om eene klaardere
uitlegging te geven. "Maar laat ons nederzitten en spreken wij van u,
vriendinne. Hoe gaat het heden met u?"
"Wel genoeg, gij ziet het."
"Nog zoo bleek! Gij hebt alweder geweend!" bemerkte Witta verwijtend.
"Gij bedriegt u", zeide Dakerlia met eenen pijnlijken glimlach, "ik heb
niet geweend; maar droef was ik toch onuitsprekelijk. De mensch,
vriendinne, is zoo zwak in den strijd tegen zijn eigen hart!"
"Maar, Dakerlia, gij moet verduldig u onderwerpen aan het lot. Zoudt
gij dus jaren lang gaan treuren over iets dat niet te veranderen is?"
"Neen, neen, niet jaren, niet maanden. Een ongeluk dat nog moet komen
verschrikt ons en ontrooft ons allen moed; een ongeluk dat geheel en al
onwederroepelijk is volbracht, geeft ons kracht en moed terug ..."
En zij voegde daarbij op den toon der diepste wanhoop:
"Eilaas, nog drie weken, eene eeuw van smart en angst!"
Witta greep hare hand en zeide troostend:
"Kom, vriendinne, wees redelijk. Gij weet dat ik even droef ben als gij.
Het zoet en vroolijk leven dat wij sedert onze kindsheid te zamen
genoten, is voor altijd verloren. Ik zit nu alleen, immer alleen in
mijne kamer ... maar, hoe het zij, er is niets aan te doen. Wees gij
insgelijks verduldig, Dakerlia, anders zult gij u zeker ernstig ziek
maken, en hoe ongelukkig zou dan uw arme vader niet zijn, indien hij
zijn eenig kind zag verkwijnen? Eergisteren toen ik u verlaten had,
sprak hij mij over uwe onpasselijkheid met de tranen in de oogen. Hij
wilde van mij weten wat toch de reden van uw onbegrijpelijk verdriet kon
zijn; maar ik heb ze hem niet durven openbaren ..."
"Ik zelve heb ze hem geopenbaard, Witta."
"Gij hebt de reden uwer smart hem bekend?"
"Ja, geheel en zonder de minste terughouding."
"Zoo? en wat heeft hij gezegd, Dakerlia?"
"Het heeft hem verblijd; hij heeft met mijn verdriet gelachen."
"Dit kan ik niet gelooven! Uw vader bemint u te veel om bij uw lijden
ongevoelig te blijven."
"Het is te begrijpen, Witta. Hij vreesde dat eene erge ziekte mij
bedreigde en was daarom, uit liefde tot mij, zeer bekommerd; maar nu hij
weet wat mij ontstelt, is hij geheel gerust. Liefdezaken? Men sterft
daar niet van, zegt hij."
"Hij heeft gelijk, meen ik, Dakerlia."
"Ik heb hem niet tegengesproken; het hadde hem te veel leed gedaan!"
zeide jonkver Wulf op zonderlingen toon.
Robrechts zuster aanschouwde haar verschrikt en murmelde: "O, Hemel,
Dakerlia, gij, die zoo sterk zijt, gelooft gij inderdaad, dat men van
zulk verdriet kan sterven?"
Jonkver Wulf legde zich de hand op het hart, terwijl zij eenen klagenden
blik ten hemel stuurde.
"De sterkste zielen", zeide zij, "lijden het wreedelijkst, omdat zij
dieper gevoelen en niet zoo spoedig onder het gewicht der smart
ontspannen. Maar wees om mij niet bekommerd, Witta. Nog drie weken!
Wanneer dan alles onherroepelijk is volbracht, zal ik de kracht vinden
om mij in de uitspraak van het lot te getroosten."
Er heerschte eene wijl stilte. Dakerlia zag hare vriendin in de oogen en
scheen iets te vragen, doch daar zij geen antwoord bekwam, zuchtte zij:
"Kom, Witta, spreek mij toch van hem. Hoe gaat het met hem?"
"Tamelijk wel. Hij aanvaardt verduldig het lot."
"Ja, hij is man, Witta; de mannen zijn niet, als wij, slaven van het
hart. Hij heeft het gezegd: Placida is schoon; hij zal hopen haar te
beminnen en hij zal er in gelukken. De arme Dakerlia zal vergeten
worden, zooals het behoort ... en ze zal verkwijnen misschien in den
harden, nutteloozen strijd om te kunnen vergeten!"
Zij sloeg zich de handen voor het aangezicht en verborg dus de tranen
die haar in de oogen schoten.
"Gij zijt onrechtvardig, Dakerlia", morde Robrechts zuster verwijtend.
"Mijn arme broeder is treuriger nog dan gij."
"Ja, troost mij", antwoordde Dakerlia met droeve scherts. "Het is soms
edelmoedig bedrukte lieden te bedriegen. Gisteren heb ik den ganschen
dag nutteloos op u gewacht, gehoopt, gebeefd geleden; maar gij hadt
niets mij te zeggen ... en zoo zal het in de toekomst gaan. Tusschen u
en mij en uwen broeder zal het lot eenen afgrond delven; en zij die aan
de eene zijde van de kolk staan, zullen voor immer vergeten wie er aan
de andere zijde treurt en verkwijnt."
"Mijn broeder heeft mij gebeden hier van hem nooit te spreken", zeide
Witta, "en ik gevoel wel dat de plicht mij het insgelijks gebiedt: maar
uw bitter lijden, Dakerlia, uwe sombere wanhoop, die ik wel doorgrond,
dwingen mij tot zondige onbescheidenheid."
"O, spreek, spreek uit medelijden!" smeekte jonkver Wulf.
"Welnu, hoor dus wat ik u meende te verzwijgen. Mijn broeder heeft, met
vele andere ridders, onzen heer graaf uitgeleide gedaan tot Yperen, en
is daar zelfs gebleven tot des vorsten vertrek naar het leger.
Gisterenmorgen, bij zijne terugkomst, moest mijn broeder onmiddellijk
naar Placida Van Woumen gaan. Het was zijn plicht, en ik raadde hem aan
dien te vervullen. Hij was zoo ontmoedigd en zoo treurig, dat hij op
zijne kamer is gegaan en langen tijd daar in eenzaamheid bleef zitten.
Dan heeft hij eenen bode naar sher Rijkaards Steen gezonden om jonkver
Placida te melden dat hij onpasselijk was en niet kon uitgaan.
Inderdaad, hij is den ganschen dag te bed gebleven. Ik was zeer angstig
bij de gedachte dat eene erge ziekte hem bedreigde ..."
"Ziek? hij ziek? O hemel!" kreet Dakerlia met den glimlach der
blijdschap op de lippen en tevens den strakken blik der verschriktheid
in de oogen.
"Ik geloofde dat eene zware ziekte hem had overvallen", hernam Witta.
"Verre in den avond, toen hij hoorbaar sliep ging ik vol kommer nevens
zijn bed zitten, om te waken en bidden. Hij heeft gedroomd, luidop
gedroomd. Wat hij zeide verstond ik niet; maar van tijd tot tijd zweefde
uw naam Dakerlia op zijne lippen, en dan lachte hij zoo zoet in zijnen
slaap, dat mij het hart van ontroering klopte. Ook morde hij wel eens
den naam van jonkver Placida, en dan trok zijn mond tot eenen grijns van
smart te zamen en zwoegde zijne borst en stak hij de handen vooruit als
om iets te verwijderen dat hem verschrikte ..."
Dakerlia slaakte eenen blijden kreet.
"Ach, dank! dank!" zuchtte zij. "Zulke woorden alleen kunnen mijne smart
verlichten."
"Blijf bedaard, vriendinne", zeide Witta.
"Neen, laat mij dien troost genieten. Ik meende alleen, gansch alleen te
lijden, en hij, hij tevens bezwijkt onder het gewicht der treurnis!"
"Maar, Dakerlia, gij verbaast mij! Hebt gij dan nog de hoop behouden dat
Placida Van Woumen zijne echtgenoote niet zal worden?"
"Of ik nog eenige hoop heb behouden?" herhaalde jonkver Wulf met
plotselijke ontmoediging. "Eilaas, neen, vriendinne, niet de minste
hoop. Verschoon mij: mijne hersens zijn ontsteld, ik ben
zinneloos,--zinneloos genoeg om mij in de ziekte van Robrecht te
verblijden ... ik, die al mijn bloed zou geven om hem gelukkig te weten!
Moge de barmhartige God mijne schuldige ontsteltenis mij vergeven en hem
spoedig laten genezen!"
"Maar hij is niet ernstig ziek, Dakerlia."
"Ha, ik begrijp: het hart alleen doet hem wee, niet waar? Schromelijk is
die ziekte der ziel!"
"Heden is hij opgestaan en heeft mij gezegd dat hij na den middag
jonkver Placida een bezoek zal brengen. Ik hoor wel aan den treurigen
toon zijner stem dat dit bezoek hem onaangenaam is; maar hij kan het
niet uitstellen. Mher Rijkaard Van Woumen, die onzen heer graaf tot
Rijssel heeft vergezeld, moet dezen morgen teruggekeerd zijn; en gij
begrijpt wel, Dakerlia, dat Robrecht niet mag nalaten hem te gaan
begroeten. Nu zou ik moeten huiswaarts keeren; ik ben slechts gekomen om
te vernemen hoe het met u gaat."
"Gij verlaat mij reeds? Ach, Witta, dan ben ik weder zoo gansch alleen!
Blijf, ik smeek u!"
"Onmogelijk, mijn broeder staat gansch gereed om zijn bezoek bij mher
Rijkaard te brengen."
"Wat doet het? Hij zal daarom niet laten uit te gaan. Heb medelijden met
mij!"
"Ik kan niet blijven, Dakerlia. Mijn broeder wacht mij."
"O, God!" riep jonkver Wulf eensklaps met blijdschap, "het is dus
Robrecht die u tot mij gezonden heeft? Gij zeidet dat hij nooit meer van
mij spreekt ... en hij wacht om te weten hoe het met mij gaat! O,
bevestig mij in die hoop!"
"Welaan, ja, hij is bekommerd over uwe gezondheid. Laat mij nu
vertrekken: ik zal in den morgen hier wederkeeren."
"Ga, ga, spoedig!" murmelde Dakerlia, hare vriendin bij de hand tot de
deur lijdende. "Stel hem gerust; verzeker hem dat mijne gezondheid niet
in het minste is bedreigd. Dat ik droef ben en onder eene diepe smart
gebukt lig, zeg hem dit niet; hij zal het wel voelen aan zijn eigen
hart. Tot straks, tot straks!"
Jonkver Sneloghe haastte zich naar hare woning.
Toen zij binnentrad, vond zij haren broeder in de zaal zitten, met den
blik nederwaarts en zoo diep in zijne overweging bedolven dat hij het
hoofd slechts ophief toen zij voor hem stond.
"Welnu, zuster?" vroeg hij.
"Zij is veel beter, broeder; zij zal niet ziek worden."
"De goede God zij er om geloofd!" murmelde Robrecht.
Na een oogenblik stilte zeide hij, als sprake hij tot zich zelven:
"Wel gebiedt de plicht mij nimmermeer aan haar nog te denken; maar ik
ben toch mensch en heb geen steenen hart. Vreezen dat de trouwe vriendin
onzer kindsheid van treurnis kan verkwijnen, en alle medelijden in onzen
boezem moeten versmachten, het is iets dat mijne krachten te boven gaat.
Is deze zwakheid een zondig vergeten van den plicht, de hemel zal mij
vergiffenis schenken in aanzien mijner onderwerping aan zijn besluit."
Robrecht had deze woorden op zulken lijdzamen, smartelijken toon
gesproken, dat Witta de handen voor de oogen had geslagen en luidop
snikte.
"Ween niet, zuster lief", zeide hij, "er is niets aan te doen. Het lot
is wreed jegens mij; maar in het gevoel van den plicht vindt een man
eindelijk de kracht om het leven te dragen, hoe bitter het zij."
Met eenen zucht voegde hij er bij:
"Eilaas, ik waande mij zelven sterker: ik hoopte dat ik allengs mijne
vroegere gedachten geheel zou hebben overwonnen; maar mijne ziel dwaalt
immer weg in treurige droomen ... in de pijnlijke beschouwing van het
verloren geluk ..."
Hij blikte in stilte ten gronde en scheen diep neerslachtig; doch bijna
onmiddellijk hief hij het hoofd weder op en morde met treurig ongeduld:
"Ach, wat geschiedt mij? Is alle gemoedskracht mij ontvallen? Vergeet ik
dat Kerlingaland, dat de vrijheid van mijn geslacht dit offer van mij
vergt? Weg, weg, die aarzeling! De plicht is de opperste wet. Zal ik tot
eenen lafaard ontaarden? Neen, neen, gehoorzamen wij, en weze dit de
laatste klacht die mijnen boezem ontsnapt!"
Hij omhelsde zijne weenende zuster, zeide nog eenige geruststellende
woorden om haar te troosten, verliet in allerhaast zijnen Steen en
keerde om den hoek der Ridderstraat.
Onder den invloed der gepeinzen vertraagde allengs zijn stap; hij bleef
zelfs, onder de boomen der Spiegelrei, een oogenblik staan en schudde
zuchtend het hoofd, waarna hij even mijmerend weder zijnen weg
vervorderde.
Hij kon niet begrijpen hoe, ondanks zijnen vasten wil en zijne heldere
rede, eene geheimzinnige macht hem beheerschte. Wist hij niet dat dit
huwelijk hem was opgelegd als eene opoffering die de vrijheid van
Kerlingaland kon redden? Was hij niet overtuigd dat het voltrokken moest
worden en niets op aarde het nog kon beletten? Hij had die verbintenis
aanvaard en zich met goeden wil aan het onverbiddelijk lot onderworpen;
ja, hij had gehoopt dat allengs in zijn hart eenige genegenheid voor de
schoone Placida Van Woumen zou zijn ontstaan. En nu? Nu boezemde Placida
hem afschrik in, nu deed het gepeins dat hij in hare tegenwoordigheid
ging verschijnen hem sidderen! Nu liep er koude door zijne aderen,
wanneer hij in de verbeelding haar helder oog op zich gevestigd zag! En
hij gevoelde geenen haat voor haar; niets dan een onuitlegbaar gevoel
van vrees, eenen ziekelijken schrik ... Maar het mocht daarbinnen in
zijn hart gaan zooals het kon, hij moest toch uit dezen strijd opstaan
met de noodige gemoedskracht om zijnen plicht te volbrengen ...
Zoo vervuld met onverwinnelijke droefheid, doch welberaden om niets te
zeggen of te doen dat Placida of hare ouders kon kwetsen, bereikte hij
sher Rijkaards Steen.
Op zijne vraag zeide hem de schalk, die de poort opende, dat mher Van
Woumen sedert gisterenavond was teruggekeerd, maar nu daareven den Steen
had verlaten. Jonkver Placida was te huis en wachtte zelfs op mher
Robrecht, meende de schalk.
Hij leidde den jongen ridder over den neerhof en opende voor hem de deur
eener kamer, waar Placida bij het venster was gezeten met hare oude
dienstmeid Martha.
Op de tafel bemerkte hij met verwondering de dooze die zijne beloftegift
bevatte. Placida had het juweel nog onlangs in de hand genomen,
misschien had zij zich er mede versierd?
Hij keerde zijn oog van de dooze om zijne verloofde te groeten; maar de
jonkvrouw richtte op hem eenen bijzonderen strengen blik verwijtend en
zoo zonderling diep, dat Robrecht er gansch van ontstelde.
Hij boog zich voor de maagd en murmelde:
"Jonkver Van Woumen, ik bid u om verschooning. Zeker, mijn eerste plicht
en mijn eerste wensch na mijnen terugkeer van Yperen, moesten zijn u een
bezoek te brengen; maar zooals mijn bode u gemeld heeft, ik was gisteren
onpasselijk, zeer ziek zelfs."
De jonkvrouw deed hare dienstmeid een teeken dat zij de kamer zou
verlaten. Dan wendde zij zich tot haren verloofde.
"En mher Sneloghe is heden gansch genezen?" vroeg zij op eenen toon van
half verborgen spot en met eene spijtigheid die Robrecht verbaasde. Hij
aanschouwde haar zwijgend.
"Waarom mij bedriegen?" zeide zij. "Gij waart niet ziek, heer. Iemand
anders moest gij bezoeken, niet waar?"
"Ik begrijp u niet, Placida", mompelde Robrecht. "Geloof mij, ik was
gisteren zoo onpasselijk dat ik van den ganschen dag mijn bed niet kon
verlaten."
"En niemand hebt gij gezien of gesproken?"
"Niemand dan mijne zuster."
Jonkver Van Woumen schudde ongeloovig het hoofd, terwijl een vinnige
glimlach op hare lippen sidderde.
"Uw strenge blik beschuldigt mij", stamelde Robrecht. "Heb ik iets
gedaan dat u op mij kon verbitteren, het was dan onwetend; want
waarlijk, Placida, ik wensch niets meer dan al wat in mijne macht is aan
te wenden om u te behagen."
"Ah, daarin juist bestaat uwe valschheid", zeide de jonkvrouw met eene
gramschap die zij niet poogde te bedwingen.
"Mijne valschheid!" herhaalde Robrecht, wiens oog plotselijk eene
genster van verontwaardiging uitschoot.
Maar hij bedaarde even spoedig en sprak:
"Placida, een man zou mij die beschuldiging niet ongestraft toesturen;
in u evenwel eerbiedig ik niet alleen mijne verloofde, maar tevens de
vrouw. Men heeft u bedrogen, ongetwijfeld; men heeft kwaad van mij
gesproken en gij, gij hebt het geloofd! Ik had recht op meer vertrouwen
van uwentwege. Mijne valschheid! Gij acht mij valsch?"
Jonkver Van Woumen bleef eene korte wijl stilzwijgend, als raapte zij
hare stoutheid of hare gemoedskracht te zamen tot het uitvoeren van een
gewichtig besluit.
"Neen, beweer niet, heer, dat gij u oprecht jegens mij gedraagt", zeide
zij. "Hoe? gij laat mij gelooven dat ik uwe genegenheid geheel zal
bezitten? Ik aanvaard uwe hand.--Ah, dit zou men geene valschheid moge
noemen?--Wetens en willens veroordeelt gij mij om mijn treurig leven te
slijten met eenen echtgenoot wiens gedachten verre van mij zijn en die
het mij nimmer vergeven zou aan zijne zijde de plaats eener andere vrouw
te hebben ingenomen. Het is zulk lot dat gij mij wilt bereiden?"
Robrecht werd door deze onverwachte aantijging diep getroffen. Hij zag
de jonkvrouw zwijgend en met verbaasden blik aan.
"Het is dus waar! Gij bekent het!" kreet zij met eenen spotlach.
Eenen geweldigen strijd doorstond de jonge ridder. Hij voelde zich
bloedig gekwetst en worstelde tegen zijne mannelijke waardigheid die hem
aandreef om den hoon af te weren; maar dan overwoog hij hoe zijn oom en
al de zijnen hem zouden beschuldigen van lafheid of van zelfzucht,
indien hij eenige redenen gaf tot het verbreken der huwelijksbelofte.
Dan zouden de Erembalds in Rijkaard Van Woumen niet eenen machtigen
vriend, maar eenen onverzoenbaren vijand vinden, en hij, Robrecht, zou
misschien de schuld van der Keerlen verderf zijn. Deze gepeinzen sloegen
hem met droefheid en spoorden hem aan tot eindeloos geduld.
"Jonkver Placida", zeide hij zonder driftigheid, "onze ouders hebben
geoordeeld dat een huwelijk tusschen ons wenschelijk was voor het
welzijn van beide geslachten. Zij hebben onze harten niet geraadpleegd;
zij konden het niet doen, wij kenden elkander nauwelijks. Wat mij
betreft, ik heb uit plichtgevoel die verbintenis aanvaard met de hoop,
bijna met de zekerheid dat ik u zou beminnen. God heeft u begaafd met
schoonheid ..."
"Hoe kondet gij dit hopen, heer?" onderbrak Placida, "dewijl uw hart
geheel is ingenomen door hetzelfde gevoel voor eene andere vrouw?"
Robrecht, gemarteld door eene pijnlijke verlegenheid, murmelde eene
onverstaanbare terechtwijzing.
"Wie toch kon weten", schertste Placida met misprijzen op de lippen,
"dat gij u vereerd zoudt achten met de hand eener edelgeborene
jonkvrouw? Gij zijt een Kerel; een Kerlinne alleen is uwer liefde
waardig! Dakerlia wone dus op Ravenschoot! Wees zeker, heer, ik benijd
de dochter van Segher Wulf dit geluk niet!"
"O, ik smeek u", riep Robrecht met sombere ontstelde stem, "hoon jonkver
Dakerlia Wulf niet in mijne tegenwoordigheid! Laat mij bedaard blijven.
Ik zal alles verdragen, alles lijden, maar eerbiedig Dakerlia!"
"Genoeg, ik weet genoeg", wedervoer Placida. "Nu ben ik overtuigd dat
men mij de waarheid heeft gezegd. Gij zelf, heer, ontkent het niet.
Alles zij dus gedaan tusschen ons. Neem uwe beloftegift terug ..."
"Eilaas, jonkver Placida, wat doet gij?"
"Neem uwe gift terug; ik ontsla u van uwe belofte: gij zijt vrij."
"Maar wat zal uw heer vader zeggen?"
"Mijn vader weet wat ik voornemens was heden te doen. Hij betreurt mijn
besluit, doch wil mij niet dwingen."
"En hij zal ons ten vijand worden?"
"In het geheel niet. Neem uwe beloftegift terug, heer!"
"Maar berekent gij dan niet, Placida, dat mijne maagschap, dat de
Erembalds het breken dezer verbintenis als eenen bloedigen hoon zullen
beschouwen? Wat al ongelukken kunnen daaruit ontstaan!"
"Gij bedriegt u, heer. Mijn vader zal uwen oom, den proost, gaan spreken
en hem doen begrijpen dat ik alleen de schuld ben van alles; dat ik dit
huwelijk van de hand wijs, ondanks den wensch mijner ouders. Uw oom en
uwe magen zullen, meen ik, den wil eener vrouw eerbiedigen, en mijnen
vader daarom niet haten ... Neem uwe beloftegift terug, heer!"
"Eilaas, het zij zoo!" zuchtte Robrecht, de juweeldoos van de tafel
nemende.
"Alles is dus tusschen ons verbroken?" vroeg hij droef.
"Alles", was het koele antwoord.
"Onherroepelijk en voor altijd?"
"Voor altijd!"
"Blijf dus met God, jonkver Van Woumen. Hij late u gelukkig zijn, dit is
mijn oprechte wensch", murmelde Robrecht, terwijl hij de doos in zijne
tassche stak en aarzelend nog bleef staan.
"Geene hoop meer?" zuchtte hij.
"Geene. Vaarwel!"
Robrecht groette nog diep en verliet sher Rijkaards Steen.
Toen hij in de straat kwam, helde zijn hoofd voorover en hij stapte eene
lange wijl als bewusteloos voort; maar dan verhelderde allengs zijn
blik, totdat hij eensklaps het hoofd ophief en met eenen begeesterden
lach op het gelaat in zich zelven mompelde:
"Vrij? vrij? Ik heb mijnen plicht betracht, hoon en laster verdragen, de
slachtoffering verduldig aanvaard tot het uiterst einde ... en toch ben
ik vrij! Ha, dank, o God, dat gij mij dit leven van eeuwige treurnis
hebt gespaard ... Dakerlia! Dakerlia!"
En onder den invloed dezer blijde gedachten verhaastte hij zoodanig
zijnen stap dat hij weinige oogenblikken daarna de Spiegelrei bereikte.
Hier zag hij tusschen de boomen eene vrouw wier nederige kleeding eene
dienstmeid scheen aan te kondigen. Zij trad in zijne baan, als wachtte
zij hem af, liet hem nader komen, schikte zich nevens hem en vroeg met
verdoofde stem:
"Heer, herkent gij mij niet?"
"Ja, gij zijt Brigitta, de dienstmeid van jonkver Placida", mompelde
Robrecht, haar beziende.
"Ik heb u iets te zeggen, heer. Verraad mij nimmer. Wat ik doe is uit
eerbied, uit liefde tot u, en ik waag er misschien mijn leven aan ...
Mijne jonkvrouw heeft uwe beloftegift u teruggegeven niet waar? Heeft
zij u niet beschuldigd eene andere vrouw, eene Kerlinne, uwe liefde te
hebben geschonken?"
"Hoe weet gij dit? Gij waart niet tegenwoordig!" vroeg Robrecht
verwonderd.
"Dit is wat ik u wilde verklaren, heer. Gisterenavond is mijn meester
van de reis te huis gekomen. Hij heeft zich met jonkver Van Woumen in
eene kamer opgesloten om haar over iets gewichtigs te onderhouden. Ik
heb schier alles gehoord. Mher Van Woumen zeide dat gij eene andere
jonkvrouw bemint en bijna al uwen tijd in haar gezelschap slijt. Hij
noemde daarbij vele malen eenen mher Tancmar en andere ridders, die hem
te Rijssel dringend aangeraden hebben de huwelijksbelofte zijner dochter
te breken. Men besloot het te beproeven, maar dewijl mher Van Woumen de
wraak uwer bloedverwanten niet op zich wilde laden, zou men jonkver
Placida pogen over te halen om uit eigene beweging het huwelijk af te
wijzen. Daarom moest men haar tegen u verbitteren. Men deed mijne
jonkvrouw roepen en men overtuigde haar dat gij sedert lang eene zekere
Dakerlia Wulf bemint. Mijne jonkvrouw, door deze lasterlijke aantijging
bedrogen, stemde in alles toe. Gij ziet het dus wel, heer, men heeft
eenen verraderlijken aanslag tegen u gesmeed en mijne jonkvrouw
bedrogen. Alle hoop is niet verloren. Bewijs uwe onschuld: het moet u
gemakkelijk zijn; jonkver Placida zal terugkomen op haar besluit ... Nu
keer ik spoedig weder naar onzen Steen. Bedank mij niet: ik ben nu eene
slavinne, maar mijne ouders waren vrije Kerels. God geleide u, heer!"
Robrecht zag haar eene wijl denkend achterna. Dan keerde hij zich om,
vervorderde haastig zijnen weg, en zeide in zich zelven, met eenen
helderen glimlach op het gelaat:
"Ha, ha, het is te Rijssel dat men besloten heeft dit huwelijk te
beletten! Ik heb er dus geene de minste schuld aan. Mijn geweten is
onbeladen en mijn oom kan mij niets verwijten. Tancmar, altijd die
Tancmar! Hij vervolgt ons zonder verpoozing. Die bloedvijand van ons
geslacht heeft nu toch zijn doel gemist. Hij meende mij diep te honen en
doodelijk te bedroeven ... en hij maakt mij den gelukkigste der
menschen! Nu heb ik mijne vrijheid weder. Er is niet meer op terug te
komen. Geene macht op aarde kan mij nog dwingen mij voor Placida Van
Woumen te vernederen. Dakerlia, Dakerlia zal mijne levensgezellinne
zijn!"
En nog meer zijnen stap bespoedigende, bereikte hij welhaast het einde
der Ridderstrate.
Hij klopte aan de poort van zijnen Steen, ging den schalk zonder
spreken voorbij en liep tot in de zaal waar zijne zuster, voor een
kruisbeeld geknield, in een innig gebed was verslonden.
Zijne verwarde zegekreten deden haar verbaasd opspringen, en zij wilde
hem vragen wat hem dus was overkomen; maar hij sloot haar in zijne armen
en zeide:
"Witta, de Hemel is ons barmhartig! Ik trouw niet met Placida; zij zelve
heeft onze belofte verbroken en mijne gift mij doen terugnemen. Het is
onherroepelijk. Ik ben vrij, Dakerlia zal met ons wonen, zij zal mijne
bruid en uwe zuster zijn, totdat de dood ons scheide!"
Het jonge meisje, door deze tijding gansch buiten zich zelve van
gelukkige verrassing, hief de handen in de hoogte en riep uit:
"O, dank, dank, God, Gij hebt mijn gebed verhoord!"
Maar Robrecht greep haar den arm en trok haar naar de deur, terwijl hij
haastig zeide:
"Kom, kom, zuster: Dakerlia moet het weten."
Het meisje weerstond hem eensklaps.
"Dakerlia?" morde zij, "o, neen, nog niet!"
"Zij is droef, zij lijdt, Witta."
"Ja maar, die onverwachte tijding ..."
"Welnu?"
"Die onverwachte tijding zou haar kunnen ziek maken, haar kunnen doen
sterven. Zij is zoo uiterst gevoelig."
"Gij verschrikt mij! inderdaad ..."
"Laat mij alleen tot haar gaan", zeide Witta. "Ik zal het haar
voorzichtig bekend maken. Eenige woorden zijn genoeg om haar te behoeden
voor eene plotselijke ontsteltenis. Kom gij dan straks."
"Ga, ga, zuster, uw raad is wijs en goed; maar haast u toch, ik smeek
u!"
Het meisje begaf zich naar sher Wulfs Steen.
Toen zij de achterzaal binnentrad, zag zij Dakerlia met eenen witten
doek in de hand voor het venster zitten. De hopelooze had waarschijnlijk
in hare droeve eenzaamheid alweder tranen gestort.
Robrechts zuster meende tot haar te loopen en hare treurnis door eene
onmiddellijke veropenbaring van het gelukkig nieuws te verdrijven; maar
zij weerhield zich, naderde tot Dakerlia, nam haar de hand en zeide:
"Nu, ween niet meer, vriendinne ..."
"Ach, ik kan mijne smart niet bedwingen; ik zal zeker ziek worden, ik
gevoel het wel!" riep jonkver Wulf.
[Illustratie: "Aanvaard het uit mijne hand." (Bladz. 123.)]
"Ik kom om u iets te zeggen, Dakerlia ..."
"Gij hebt nooit afgunst gevoeld, Witta; de minnenijd heeft nooit u den
boezem verteerd.
O, behoede de barmhartige God u voor zulk akelig lijden! Het is eene
slang die om ons hart gekronkeld ligt en het vezel voor vezel verbijt en
verscheurt."
"Maar laat mij spreken", morde Witta, hare klacht onderbrekende. "Ik heb
eene verrassende tijding u mede te deelen. Het schijnt dat het huwelijk
mijns broeders met Placida Van Woumen eenig beletsel ontmoet."
Dakerlia zag haar als verschrikt aan en begon te sidderen.
"O, hemel, wat zegt gij?" mompelde zij schier onverstaanbaar. "Spreek,
spreek!"
"Gij zijt zoo ontsteld, vriendinne; ik zeg immers niet dat dit huwelijk
verbroken is?"
Eenen zwaren zucht slakende, riep Dakerlia klagend uit:
"Ach, Witta, Witta, waarom pijnigt gij mij zoo wreedelijk?"
Jonkver Sneloghe verkeerde in eene lastige verlegenheid. Haar broeder
ging komen; zij moest zich haasten en de groote ontstelbaarheid van
Dakerlia maakte hare taak zoo moeilijk! Tot een besluit gedwongen,
verzamelde zij haren moed en zeide:
"Dakerlia, ik heb gewichtige dingen u te openbaren: maar gij moet
bedaard blijven of ik verlaat u oogenblikkelijk ... Het is
waarschijnlijk dat de huwelijksbelofte mijns broeders zal verbroken
worden."
"Waarschijnlijk?" herhaalde Dakerlia, met eenen hoopvollen lach van
haren zetel opstaande.
"Bijna zeker."
"Ach, mocht dit geschieden, hoe zou ik God zegenen!"
"Het is geschied, Dakerlia: het huwelijk is verbroken."
Jonkver Wulf vloog hare vriendin aan den hals en lachte en stortte
tranen, als hadde deze tijding haar van blijdschap zinneloos gemaakt.
De deur werd geopend, en Robrecht trad binnen.
Een kreet ontsnapte Dakerlia; zij rukte zich los uit de armen harer
vriendin en meende met uitgestrekte handen Robrecht te gemoet te loopen;
maar een hevig schaamrood klom op haar voorhoofd en zij bleef, met
neergeslagen blik, te midden der kamer staan.
Dezelfde ontsteltenis had den jongeling getroffen; maar hij, het eerst
de bewegingen van zijn hart bedwingende, ging tot haar, nam haar de hand
en sprak op schier plechtigen toon:
"Dakerlia, mijne zuster heeft u gezegd, niet waar, dat ik verlost ben
van den dwang die mij ongelukkig maakte. De wreede beproeving, welke wij
moesten onderstaan, heeft ons toegelaten in elkanders hart te lezen. Na
zulke bekentenis hoef ik u niet te vragen, Dakerlia, of uwe ziel
dezelfde wenschen voedt als de mijne. Ik kan niet meer leven zonder u
te zien, zonder uwe stem te hooren, zonder mijn heil uit uwen zoeten
blik te putten. Vrienden als te voren kunnen wij niet meer zijn. Wij
moeten iets anders voor elkander worden. Stemt gij toe?"
Dakerlia wilde antwoorden; maar de spraak verstikte in hare keel en zij
begon overvloedig te weenen. Deze onverwachte vraag had haar zoodanig
ontsteld, dat zij wankelend tot haren zetel liep en met de handen voor
de oogen er zich op liet nedervallen. Maar de stilte die haar omringde
riep haar tot bewustzijn terug.
"Ach, Robrecht, Witta, vergeeft het mij!" kreet zij. "Er is een geluk
zoo eindeloos groot dat het ons verplettert. Komt, komt hier bij mij,
geeft mij de hand ... Laat mij ademhalen. Waarom stort de genadige God
... dus in eens over mij ... al de zaligheden van een gansch leven
uit?... Zoo, zit zoo nevens mij!"
"Bedaar toch, lieve Dakerlia", murmelde mher Sneloghe.
"Ach, hoe duister mijne hersens! Alles draait in mijn hoofd. Gij hebt
mij iets gevraagd, Robrecht. Zou ik wel begrepen hebben? Is het eene
begoocheling mijner zinnen?"
"Wilt gij mijne bruid worden?" vroeg de jonge ridder.
"Ik uwe bruid? Onmogelijk! Het is een droom!"
"Ja, ja, Dakerlia, het is de zoete droom onzer harten die zich
verwezenlijken gaat."
"Het zou waar zijn? Ik, Dakerlia, ik zou uwe echtgenoote worden? Ik zou
met u leven, u nimmer verlaten, uwe vreugde, uwe smarten deelen, nevens
uwe zijde staan tot aan het graf? Ach, ik kan aan zooveel geluk niet
gelooven!"
Robrecht nam de juweeldoos uit zijne tasch, opende ze en reikte de
jonkvrouw het kostbare halssnoer.
"Dakerlia", zeide hij, "gij weet tot welk einde mijne moeder op haar
sterfbed mij dit juweel heeft geschonken. Aanvaard het uit mijne hand."
De dwalende maagd greep het glinsterende snoer en drukte het aan hare
lippen en op haar hart, terwijl zij hijgend uitriep:
"Het is waar, het is waar, ik kan niet meer twijfelen! Hoe looft mijne
ziel, o, God! Aan mij dit pand, aan mij voor altijd!"
En Witta opnieuw in hare armen sluitende, begon zij te juichen van het
geluk dat hen allen wachtte, van de eeuwige vriendschap, van de
onverstoorbare liefde waarin zij te zamen zouden leven als in eenen
immer wolkenloozen hemel. Robrechts zuster en hij zelf voegden nu en dan
een woord bij hare verblindend schoone schildering der toekomst, maar
zij liet hun niet veel zeggen en kon geen oogenblik zwijgen, zoo zeer
gevoelde zij den dringenden nood tot uitstorting haars harten.
Robrecht stond op en zeide:
"Dakerlia, de zorg voor ons geluk dwingt mij u te verlaten. De dag zal
niet lang meer duren. Mijn oom moet weten wat er is geschied; uit mijnen
mond slechts mag hij vernemen aan wie ik nu mijne beloftegift heb
aangeboden. Vrees niet meer. Uw vader zal mijn besluit toejuichen. Ik
zal komen om mijnen plicht jegens hem te vervullen. Geene menschelijke
macht kan ons nog van elkander scheiden. Blijf met mijne goede
zuster.--Later zullen wij met meer bedaardheid doch met evenveel
blijdschap ons toekomend leven overwegen."
Hij drukte Dakerlia teederlijk de handen en terwijl de verrukte maagd
met tranende oogen zijnen naam liefdevol herhaalde, ging hij ter zaal
uit.
Hij stapte met haast door de Hoogstraat en richtte zich naar den Burg.
Hier vond hij zijne ooms Bertulf, den proost van St-Donaas, en Hacket,
den kastelein van Brugge, te zamen in eene kamer der proostdij. Zij
schenen tevreden en welgemoed.
"Ah, goeden dag, mijne lieve neef", riep Bertulf. "U zijn wij
dankbaarheid verschuldigd. Uwe opoffering heeft hare vruchten reeds
gedragen. Ik heb tijdingen van Yperen. Mher Van Woumen heeft ons bij den
graaf verdedigd en velen onzer vijanden tot zwijgen gebracht. Uw
huwelijk met de dochter van dien machtigen ridder is een onschatbaar
geluk voor ons en voor geheel Kerlingaland!"
"Mijn huwelijk? Mijn huwelijk is verbroken, heer proost", stamelde
Robrecht, die wel voorzag welken pijnlijken indruk deze tijding zou
doen.
"Verbroken? Uw huwelijk met jonkver Placida verbroken?" kreten zijne
beide ooms.
"Ja, onherroepelijk verbroken; jonkver Van Woumen zelve dwong mij tot
het terugnemen mijner beloftegift."
"Dan heeft het u aan moed of aan goeden wil gefaald", viel Bertulf
beschuldigend uit. "Ik heb het gevreesd!"
"Uwe vrees was onrechtvaardig en ongegrond, oom", wedervoer Robrecht met
stille fierheid. "Ik heb mij laten vernederen en honen met een geduld
dat aan lafheid grensde, alleenlijk om in mijn geweten de overtuiging te
hebben dat ik tot het einde mijnen plicht heb betracht, ten minste tot
zooverre de menschelijke krachten reiken. Deze overtuiging heb ik."
"Maar welke reden gaf dan mher Van Woumen tot zulk onverwacht besluit?"
vroeg de kastelein.
"Mher Rijkaard was niet tegenwoordig", antwoordde Robrecht. "Men had het
zoo geschikt dat ik mij alleen met jonkver Placida bevond. Zij brak onze
huwelijksbelofte, mij beschuldigende haar niet te beminnen en mijn hart
eene andere vrouw te hebben geschonken."
"Valsche uitvindingen onzer vijanden!" morde de oude Bertulf. "Hoe komt
het dat gij dien laster niet oogenblikkelijk hebt vernietigd?"
"Het was geen laster; ik kan niet liegen", antwoordde Robrecht. "Gij
vergeet, heer oom, dat ik u aangaande jonkver Dakerlia Wulf heb gezegd
..."
"Maar hadt gij mij niet beloofd aan deze neiging uws harten te
verzaken?"
"Inderdaad, en ik heb met oprechtheid en vasten wil deze belofte pogen
te vervullen. Sedert mijn eerste bezoek bij jonkver Placida heb ik
Dakerlia niet meer gezien; en ik wilde zelfs haren naam niet meer hooren
uitspreken. Ik had besloten mij op te offeren voor het heil van
Kerlingaland en, wat het mij ook moest kosten, ik zou de opoffering
trouw volvoerd hebben. Nu dank ik den barmhartiger God, die mij verlost
heeft van een pijnlijk leven; want, oom, men overwint zijn hart niet in
éénen dag. Integendeel, de dwang doet het sluimerend gevoel tot eene
beheerschende drift ontvlammen, evenals de wind de smeulende kolen tot
een verterenden gloed aanblaast. Ik bemin Dakerlia Wulf uit al de
krachten mijner ziel ..."
"Zwijg, zwijg", onderbrak hem de oude Bertulf met spijt, "Wilt gij dan
de vijanden van Kerlingaland de zegepraal verzekeren? Ach, ik heb dit
ongeluk gevreesd van het oogenblik af dat de arglistige Tancmar in de
stad was verschenen!"
"Nu begrijp ik", zeide de kastelein, "waarom Rambold, Tancmars neef, zoo
vol vertrouwen overal verzekerde dat Robrechts huwelijk met jonkver Van
Woumen niet zou voltrokken worden. Hij wist het dus op voorhand!"
"Daarin misgrijpt zich mijn oom, de kastelein", zeide de jonge ridder.
"Het is te Rijssel dat het verbreken van onze huwelijksbelofte werd
besloten, en het is de hofraadsheer Tancmar met de Isegrims van 's
graven gevolg, die Placida's vader er toe hebben overgehaald. Hoe het
zij, ooms, nu het lot mij de vrijheid heeft teruggeschonken, moet ik het
u verklaren: ik bemin Dakerlia Wulf, en geene andere vrouw op aarde
wordt ooit mijne bruid!"
"Maar, maar het afbreken met jonkver Placida, met het machtige huis der
Van Woumen kan niet beslissend zijn", morde de proost, spijtig het hoofd
schuddende.
"Het is beslissend en onherroepelijk", bevestigde Robrecht.
"Wij zullen mher Van Woumen gaan spreken", zeide de kastelein. "Hij zal
erkennen dat hij de speelbal is van arglistige vijanden der Kerels en
dat men hem heeft bedrogen."
"Nutteloos, nutteloos", wedervoer Robrecht. "Wat men te Rijssel heeft
besloten zal men hier niet veranderen. Daarenboven, ik weiger volstrekt
alle nieuwe poging. Er is voor den man die zich zelven eerbiedigt een
grenspaal aan het geduld en aan de vrijwillige vernedering. Men verwijt
mij in sher Rijkaards Steen dat ik een Kerel ben. Welnu, deze Kerel
buigt het hoofd niet voor trotschaards die zijn geslacht misprijzen!"
"Het wordt duister in onze toekomst!" zuchtte de proost met mismoed. "Ik
had op onze verbintenis met het machtige geslacht der Van Woumens mijne
schoonste hoop gebouwd. Tancmar zegeviert alweder over al mijne
berekeningen, over al mijne moeite! Nu zal Rijkaard Van Woumen ons zeker
een onverzoenbare vijand worden?"
"Toch niet, heer oom", antwoordde Robrecht. "Men heeft jonkver Placida
doen veinzen dat zij dit huwelijk door eigene beweging verbreekt, om ons
geene redenen tot vijandschap tegen mher Van Woumen te geven. Placida
heeft mij zelfs verzekerd dat haar vader u zal komen spreken om zich bij
u te verschoonen."
"Maar is het zoo, mijn neef, laat mij nog eene poging bij hem
beproeven."
"Neen, neen, oom, ik heb u gehoorzaamd en mijnen plicht gedaan. Nu wil
ik van dit huwelijk niet meer hooren en ik bevestig het u nog eens:
Dakerlia Wulf wordt mijne bruid!"
"Eilaas, kan het anders niet!... Wij zullen zien nochtans."
"Ik heb haar reeds mijne beloftegift aangeboden."
"Hoe? wat zegt gij? En zij heeft ze aanvaard?"
Mher Sneloghe knikte bevestigend.
"Alles, alles mislukt ons!" klaagde de oude Bertulf. "Er drijft een
onweder boven onze hoofden te zamen. Wanneer zal het losbarsten? Ik weet
het niet. Misschien is het nog af te keeren, ondanks wederwaardigheid en
tegenspoed. Voorzichtig moeten wij zijn en waakzaam als de zeeman die
zijn schip door golven en klippen in de haven hoopt te brengen. Daarom,
Robrecht, beloof mij dat gij uw voornemen om Dakerlia Wulf tot bruid te
nemen niet openbaar zult maken voordat ik mher Van Woumen heb
gesproken."
"Uwe hoop is ijdel, heer oom: ik blijf onplooibaar in mijn besluit."
"Beloof mij dat gij het evenwel nog eenige dagen zult geheimhouden."
"Daarin ben ik bereid mij volgens uwen wensch te gedragen."
De kletterende stappen van een dravend paard hergalmden tot in de zaal.
"Daar is nu onze neef Burchard!" zuchtte de proost ontevreden. "Wat zal
dien onbedwingbare woestaard ons te melden hebben?"
Hij had deze woorden niet geheel geëindigd, toen Burchard binnentrad en
zijne ooms en Robrecht met eenen glimlach groette.
De reusachtige Kerel liet zich op eenen stoel vallen en zeide vroolijk:
"Ha, ik breng goede tijding."
"Zoo! het is een wonder", mompelde de kastelein.
"Ja; ik ben te Oudenburg, te Ghistel, te Moere en in de omstreken
geweest. Gij hadt moeten zien en hooren hoe de Kerels daar om wraak
riepen en naar eenen onmiddellijken oorlog wenschten, zoohaast ik hun
had gezegd dat de Isegrims zich bereiden om hun den balfaart op te
dringen. Zij zijn moedig, onze Kerels der Ambachten; zij snakken naar
het oogenblik dat het hun toegelaten worde de burchten der Isegrims af
te branden en te verdelgen tot in den grond. Laat onze vijanden maar
komen! Al stond de graaf zelf aan hun hoofd, geen enkele zal levend
terugkeeren uit Kerlingaland!"
"En gij noemt dit eene goede tijding?" schertste de kastelein. "Beter en
wijzer ware het dat gij u stilhieldet. Wij hebben moeite genoeg om den
landsvrede in de Ambachten te doen eerbiedigen. Door uwe roekeloosheid
zult gij den graaf aandrijven om den raad onzer vijanden te volgen."
"Zoo, zoo! Meer zou het u behagen misschien dat ik u kwame zeggen: de
Kerels hebben den moed verloren en zullen als lafaards met het hoofd in
den schoot de slavernij aanvaarden? Gij gelooft dat alles met
lijdzaamheid en geduld te winnen is? Gij zult het zien. Laat den boog
maar plooien, altijd plooien, en als het oogenblik komt dat gij hem moet
gebruiken zal hij zijne laatste veerkracht verloren hebben. Wat mij
betreft, liever breken: anderen breken of zelf breken; maar niet
laffelijk buigen, als waren wij vreesachtige vrouwen! Ha, was ik
meester!"
"Gij zoudt onfeilbaar ons de ongelukken op den hals halen die wij reeds
zoolang door voorzichtigheid hebben afgeweerd", bemerkte de kastelein.
"Met wijsheid kunnen wij misschien Kerlingaland beslissend tegen de
aanslagen onzer vijanden behoeden."
"Ja, ja, mijne ooms, gij zijt de verduldigheid zelve", lachte Burchard.
"Blijft maar op den edelmoed der Isegrims hopen, en den eenen of anderen
dag zullen de Kerels ontwaken met de keten der slavernij aan de beenen.
Gij zult verwonderd staan, woedend worden misschien; maar dan zal uw
beschuldigend geweten u toeroepen: te laat! te laat!"
"Burchard heeft gelijk!" riep Robrecht Sneloghe met eene uitdrukking van
verontwaardiging. "Wij zijn te lijdzaam; men zal haast gaan denken dat
de Kerels niets dan melk in de aderen hebben!..."
"Gij ook, mijn neef!" viel de proost half spottend hem in de rede. "Hoe
laat gij u toch zoo spoedig verleiden door de grootspraak van Burchard?
Het zijn al dwaasheden die hij uitkraamt. Wij zullen wachten en
voorzichtig toezien totdat de graaf van het leger zij teruggekeerd.
Zoolang de vorst afwezig blijft, hebben wij niets te vreezen. Wij kunnen
zijne eindelijke beslissing niet vooruitzien. Zouden wij door
gewelddadigheid hem redenen geven tot wettige verbittering tegen ons?"
"Welnu, ooms, blijf bij uw gevoelen", zeide Burchard. "De toekomst zal
bewijzen wie er gelijk had."
De hand tot Robrecht reikende, sprak hij:
"Ha, mher Sneloghe, laat mij toe u geluk te wenschen over uw schitterend
huwelijk met jonkver Van Woumen."
"Mijn huwelijk is verbroken", antwoordde de jonge ridder. "Gij schudt
het hoofd en gelooft mij niet, Burchard? Placida heeft mij mijne
beloftegift teruggegeven."
"Doemenis, ik heb gedacht dat het zoo zou eindigen!" kreet Burchard met
plotselijke woede. "Waar een Tancmar omtrent kan mag een Erembald zich
aan hoon of onheil verwachten. Gij zijt het slachtoffer eener snoode
kuiperij, Robrecht. Misschien wist gij het niet; maar Ghyselbrecht
Tancmar heeft insgelijks naar de hand van jonkver Placida gestaan. Van
daar komt u deze vernedering."
"Inderdaad, het is op den raad van mher Tancmar dat de huwelijksbelofte
werd verbroken."
"Dien hatelijken Ghyselbrecht zal ik wel vinden", gromde Burchard. "Wees
zeker, hij zal sterven door mijne handen!"
"Bah, bah, het is altijd hetzelfde met u", schertste de kastelein.
"Ik zal hem vermoorden zeg ik u!" bulderde Burchard. "De tijd der wraak
zal wel eens verschijnen. Rust zal ik toch in mijn leven niet meer
vinden voordat ik den laatste dezer booze Tancmars het hoofd gekloofd
hebbe!"
"Gij spreekt als een redelooze woestaard", bemerkte de proost. "Al wat
men uit uwen mond hoort is vermoorden, verdelgen, verpletteren. Wat
recht hebben wij om over onze vijanden te klagen indien wij wreeder,
boozer en gewelddadiger zijn dan zij?
Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den
hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben."
"Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te
zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik
ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst
bewezen en mij gelukkig gemaakt."
Burchard zweeg eene wijl en zeide dan eensklaps, zich met de hand op het
voorhoofd slaande:
"Ik ging het vergeten; maar de nieuwe snoodheid der Tancmars doet er mij
aan denken. Het is eene zaak die mij geheel persoonlijk is en dus
niemand anders aangaat; maar ik wilde er u van spreken om u niet te
laten denken dat ik ze met inzicht u heb verzwegen."
"Wat zal het nu weder zijn?" mompelde de proost met kommer.
"Gij weet het niet", ging Burchard voort. "Sedert het laatste bezoek van
den graaf te Brugge, is Rambold Tancmar met zijnen vader den burcht te
Straten komen bewonen. Daar stak iets achter dat zich welhaast zou
openbaren. Men moest mij honen en mij tergen. Terwijl ik naar Rodenburg
was gegaan, om mijnen vader te bezoeken, is Rambold Tancmar met vele
werklieden te Bethferkerke verschenen en heeft begonnen den grond die
mij ten onrechte wordt betwist, met paalwerk te omsluiten. Mijne
gezellen wilden zich tegen die aanmatiging verzetten, maar zij werden
mishandeld en moesten onderdoen voor de overmacht, bovenal omdat ik hun
wel strengelijk had verboden zich tot geweldige twisten met Tancmars
lieden te laten verlokken. Gij weet dat ik een zoontje van mijn zuster
zaliger met mij te Bethferkerke heb. Een onnoozel kind van veertien
jaar, met Kerlenbloed in de aderen toch; want hij weerstond het langste
aan Tancmars lieden. Men heeft den kleinen Eric zoo onmenschelijk
geslagen, dat hij er van te bedde ligt."
"Laffe wreedheid!" riep Robrecht. "Ha, gij hebt het arme kind gewroken,
niet waar?"
"Hemel! en wat hebt gij gedaan?" zuchtten terzelfder tijd de proost en
de kastelein.
"Gij gelooft", antwoordde Burchard, "dat ik ginder te Straten al
degenen verpletterd heb die zich met de zaak hadden bemoeid. Ik beken
dat het gedurende een geheel uur mijn voornemen was, maar ik heb het
gelaten uit ontzag voor u, mijne ooms."
"Ah, God dank!" riep de proost. "Gij deedt mij beven van schrik."
"En gij hebt van alle wraak afgezien?" vroeg Robrecht Sneloghe
verwonderd.
"Ik heb eenvoudig Tancmars lieden verjaagd, het paalwerk omvergeworpen,
opnieuw bezit van mijn land genomen, er een twintigtal gewapende
gezellen op gesteld en Rambold Tancmar eenen bode gestuurd om hem te
zeggen dat ik voortaan mijn eigendom met geweld zal verdedigen."
"Gij hebt wel gedaan", zeide Robrecht.
"Maar dit is eene oorlogsverklaring!" riep de kastelein.
"Welnu, Rambold mag het nemen zooals hij wil: ik ben bereid."
Er heerschte eene wijl stilte. Wat Burchard had gezegd, vervulde
zichtbaar zijne beide ooms met vrees.
"Eilaas! En wat heeft Rambold Tancmar geantwoord?" vroeg Bertulf.
"Niets; ik heb van hem niets meer gehoord. Gij ziet wel, heer proost,
dat er met lankmoedigheid niets is te winnen. Eene enkele stoute daad
brengt deze in schijn zoo trotsche Isegrims tot zwijgen."
"Het is onnatuurlijk; daar moet eene list onder verborgen liggen",
bemerkte de kastelein.
"Die Tancmars zijn voor ons ongeluk geboren", morde de proost. "Zij
zoeken met eene helsche spitsvondigheid alle gelegenheden op om ons tot
ongeduld en geweld te drijven. Die gelegenheid hebben zij nu gevonden.
Gij meent dat zij ze zullen verzuimen of laten ontsnappen? Gij verlaat
uw landgoed te Bethferkerke alsof gij den terugkeer van Rambold
onmogelijk geloofdet!"
"Mijn eigendom is goed bewaard", zeide Burchard met fieren glimlach. "Ik
vrees Rambold Tancmar niet meer."
"Maar indien hij met overmacht komt? Wat is twintig man? De ondadigheid
van uwen vijand verontrust mij als de kwaadvoorspellende stilte die een
onweder voorafgaat ..."
De deur werd geopend en een huisschalk verscheen bij den ingang der
zaal met eenen zwaren korf aan de hand.
"Mher Burchard", zeide hij, "er is een bode van St-Andries gekomen met
dezen korf. Hij verzocht mij hem u onmiddellijk te behandigen. Het is
een geschenk van Mher Rambold Tancmar, heeft hij gezegd, vruchten van
een nieuwen grond, waarvan het gezicht u zal verblijden."
"Van Rambold Tancmar!" riepen allen verbaasd. "Wat mag het zijn?"
"Wij gaan het weten", morde Burchard, naar de deur stappende.
Hij bracht den korf bij de tafel en terwijl de anderen waren opgestaan
en hunne oogen op zijne handen gevestigd hielden, rukte hij de banden en
den doek van den korf.
"Appelen, schoone appelen, ik ken dit ooft, het is op mijnen grond
gegroeid", sprak Burchard schertsend.
Maar eensklaps bemerkte hij iets dat hem eenen schreeuw van afgrijzen
ontrukte en de anderen deed verbleeken en beven.
Onder deze eerste laag appelen vertoonde zich een afgehakte
menschenvoet, met verkrampte teenen en nog bevlekt met bloed.
Burchard stortte de appelen ten gronde ... nog meer afgehakte yoeten
bevatte de nootlottige korf![36]
Zwijgend en als versteend staarden allen op deze teekens eener
afschuwelijke wraak.
Onderwijl gromde Burchard onverstaanbare vermaledijdingen en, alsof hij
zich zelven wilde tergen, nam hij de loodvervige roeten een voor een bij
de teenen, hief ze uit den korf en telde: één, twee, drie, vier ...
Al deze voeten waren naakt; maar nu haalde Burchard, van den grond der
mande, eenen kleineren voet op die nog een blauw schoeisel droeg.
Een akelige noodkreet bonsde door de zaal; Burchard, de harde de
sterkmoedige Kerel, liet zich op eenen zetel vallen en begon overvloedig
te weenen.
"Eric! Eric! Het kind mijner zuster!" klaagde hij. "Dood, dood! En hem
niet weder levend kunnen maken, zelfs niet in stroomen bloed!"
"Ho, het is gruwelijk!" morde Robrecht, sidderende van verontwaardiging
en toorn. "Bij zulke heuveldaad wordt de wraak een plicht. Geschiedde
wat wil, geduld is hier lafheid!"
De proost en de kastelein hadden Burchards handen gegrepen en poogden
hem te stillen en te troosten.
"Welnu, ooms, wat denkt gij?" zuchtte Burchard met heesche stem. "Nu is
al mijn moed gestorven; maar indien mij nog kracht overbleef, zoudt gij
zeggen: geef toe, wees voorzichtig, verdraag alles?"
"Neen, neen, het is te veel!" antwoordde de oude Bertulf. "Rambold
Tancmar moet zijne wreedheid boeten; maar laat u niet aldus door uwe
wettige woede tot uitzinnigheid vervoeren; in alles moet de mensch met
beradenheid te werk gaan."
Burchard bleef eene wijl hoorbaar hijgen. Dan sprong hij eensklaps
recht, dreef zijne ooms van zich weg en liep buiten de zaal.
"Mijn paard, mijn paard!" klonk het op den neerhof met zooveel kracht,
dat de andere gebouwen van den burg er van weergalmden.
De kastelein was Burchard achterna geloopen en bracht hem nu terug in de
zaal, hem smeekende zich niet zoo in het openbaar ten schouwspel te
geven. Men mocht vreezen dat, indien de misdaad bekend werd, er een
volksoploop zou geschieden en dit moest men, als een even groot ongeluk,
voorkomen.
Hem nogmaals met medelijden de hand nemende, poogde de proost hem te
doen begrijpen dat men, om der wraak zeker te zijn, eenige voorzorgen
moest nemen en niet dwaselijk mocht te werk gaan. Hij zou zijnen neef
helpen, hem de middelen bezorgen om de Tancmars te straffen. Nu was het
te laat voor heden: de avond begon reeds te vallen.
Maar Burchard hoorde niets; hij hield, met eenen lach als een
tijgergrijns op den mond, zijnen blik naar de deur ...
"Nu, Burchard, blijf moedig; wees getroost", zeide hem Robrecht
Sneloghe. "Ik zal mijne mannen van Ravenschoot halen; wij zullen te
zamen naar Straten gaan. Gij zult gewroken worden ..."
Maar Burchard, als antwoordde hij zich zelven, gromde verwardelijk:
"Neen, neen, gij zijt niet wreed genoeg; gij zoudt mijne wraak
wederhouden ... Alleen, alleen ... geene voorzichtigheid ... andere
mannen: Blauwvoeten met baarden! Ha, ik hoor ... daar is mijn paard!"
Hij liep naar den korf, raapte den kleinen voet met blauw schoeisel van
den grond op, stak hem met koortsige haast in zijne gordeltasch en ijlde
dan, door zijne verschrikte ooms gevolgd, naar buiten.
Hier sprong hij op zijn brieschend paard en drukte het de spoor door de
huid. Het dier huilde van pijn en schoot als de pijl uit den boog over
het binnenplein van den burg.
Burchards ooms hadden hem gevolgd tot buiten de proostdij; zij stonden
daar nu klagend en met de armen opgeheven, en riepen hem nog bij zijnen
naam; maar hij hoorde hen niet en verdween uit hun gezicht onder de
hofpoort.