Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had
met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de
gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden
geworden.
Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname
Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds
hunne hulde bewezen.
Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende
zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was
hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met
elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de
kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.
Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte
berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en
warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte
aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij
in zijn graafschap hoog was geëerd en algemeen bemind, stemde de
zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met
zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt,
te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in
te slaan.
De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende
vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf.
Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten
hertog van Normandië, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin
van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd
vereerd en ontzien.
Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen;
maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest
bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn
gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.
Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden,
en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps
in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen
van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.
Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet
was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange
baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.
De hertog van Normandië, toen zij meer genaderd waren, keek met eene
bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem
voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.
"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken",
zeide de graaf.
"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandië. "Zij hebben
waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"
In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der
vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje
bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat
aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen,
het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver
waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen
glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de
vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare
versiersels.
Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne
scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met
zilveren drijfwerk was opgeluisterd.
Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen
hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet
hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking
hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het
voorbijrijden.
"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandië
verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij
edelgeborenen?"
"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men
dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij
te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men
nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om
het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij
zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije
geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten
dooden dan hun zwaard af te leggen."
"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij
weigeren u eenige schatting te betalen?"
"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der
dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan
onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken
zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of
van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken
mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen
Gildenschat noemen."
"En zij zouden kunnen weigeren?"
"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."
"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch
uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."
"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in
geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij
verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner
zaken."
"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"
"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn
graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem
ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden,
hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een
rechtsgebied, dat zij een _Ambacht_[32] noemen, en de bewoners van zulk
Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en
hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige
onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven
van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of
verrichten."
"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem
van Normandië, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon
bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer
overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen
zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der
wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"
"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels
hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb
gezworen te eerbiedigen."
"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou
een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land
of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"
"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer
bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd
krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven;
maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak
is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en
voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."
"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men
kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos
terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit
opstaan."
"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de
Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"
"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande
gekomen?"
"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te
Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij
weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied.
Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in
Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds
onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is
Engeland, veroverden."
"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"
"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van
Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne
spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en
die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot
op de grenzen van uw hertogdom Normandië."
"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners
van Engeland?"
"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels
hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in
Engeland vindt."
"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot
onderwerping te dwingen, heer graaf?"
"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en
den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die
gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot
Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van
Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds
zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en
dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der
Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne
oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot
nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en
ridders."
"En zijn er geene edelen onder hen?"
"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere
voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo
hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig
is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en
zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een
hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien
uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."
"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer
graaf!" kreet Willem van Normandië. "De gansche ridderschap zal u
betichten van zwakheid!"
"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand
zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel
te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan
dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede
wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat
ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig
overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De
Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers,
werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog
tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen
vernietigen."
"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandië verwonderd, "gij
spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar
schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van
moordenaars en dieven."
"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het
schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht
der Erembalds is."
"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem;
"mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid
miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de
verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan
zijnen vorst."
"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar
voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten
drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."
Willem van Normandië wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn
paard nevens de vorsten.
"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt
gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer
graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."
"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de
hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durven beweren dat zijne
al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene,
woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met
schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..."
"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert
lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden
niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor
alsnu daarvan te zwijgen."
"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende,
terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong
achteruit te blijven.
Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze
meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis,
voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf
Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het
hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke
woorden te hebben gewisseld.
"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van
Normandië.
"Hij is een Kerel", zeide de graaf.
"Een Kerel? Onmogelijk!"
"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn
vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere
vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd
verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe.
Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien
wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."
Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg.
Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge
bereiken ...
Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij
afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en
luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met
vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte
rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had
opgetimmerd.
Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van
dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner
leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke
zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte
kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.
De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen
en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden
sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en
daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de
leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren
herhaald.
Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide
een standaard met de wapenteekens van den bewoner.
Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk
van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een
dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan
onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat
blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst
des graven met blijdschap werd afgewacht.
De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters,
reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of bruine verf hunner
kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij
droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze
beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van
de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en
van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.
Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen
gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich
meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.
De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche
beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid
met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen
aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.
Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel
niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters
verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon
reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van
iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.
Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar.
Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden
der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende
waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.
"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich
zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"
"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de
proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen
van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"
"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre
terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer
uitblijven."
"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het
Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort
die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot
op deze stelling geleiden."
"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden
zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."
"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste
plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de
graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen.
De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit
gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."
Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen
ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de
menigte te kunnen heenzien.
Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.
"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"
De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den
vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer
stil:
"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met
zwarten baard?"
"Ja, zeer wel", antwoordde zij.
"Herkent gij hem?"
"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."
"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"
"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij
misgrijpt u: die man is Warad niet."
"Hij is het, zeg ik u, Strena."
"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting
op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"
"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen
broeder niet ongewroken laten."
"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm
vattende.
"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is
plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u
alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet,
dan kom ik onmiddellijk bij u terug."
Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.
De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van
angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden?
Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds
daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de
hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede
te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon
het weten?
Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en
blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit
dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.
"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik
hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet
het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."
"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."
"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben;
maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten
gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."
"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op
eenen anderen dag?"
"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou
mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij
God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen
... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt
ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt,
kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel
mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."
Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de
Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en
bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en
welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.
Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige
geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en
lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en
geurige wolken in de hoogte deden stijgen.
Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge,
vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.
Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood
fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze
plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.
Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun
midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven
hield.
Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen,
gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van
goudlaken was behangen.
Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige
wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht
alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen
liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest
begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en
poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf
Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en
onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".
Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne
oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen
en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar
daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden
helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing
een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van
gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar
kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen
had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken
was van zijne tochten in het Heilig Land.
Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van
Normandië. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer
van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.
Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van
Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester;
Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van
Aelst en Daniël Van Dendermonde.
De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden
vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder
herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den
ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene
vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij
reden zichtbaar van elkander gescheiden.
Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst
ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met
vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein
vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige
galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en
daar het volk zijnen groet toestuurde.
Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door
het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap
te betuigen en den graaf te verwelkomen.
Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om
eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de
schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf
zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de
talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle
anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar
hare blijde kreten herhaalde.
De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in
stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandië, wanneer
deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem
betuigde.
Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een
feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen
voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de
man met het fluweelen kussen.
De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben
aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam
der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwel in
eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de
vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden.
De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de
sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden
toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad
Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der
rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte
der redevoering niet had gehoord.
De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en
zij daalden half mismoedig de trede af.
Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de
aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij
zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars
niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te
begiftigen.
Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout
zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit
belangrijk gesticht in te roepen.
Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst
toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met
spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam
onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er
vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk
geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?
Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige
poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels
tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in
de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met
eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de
Markt deed hergalmen[33].
Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot
stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden
"kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd
beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had.
Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon
geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide
kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.
"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem
levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des
volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"
Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats
waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te
leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat
hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen.
Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en
betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem
geweld aandeed.
Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den
woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:
"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"
"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de
moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer
kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."
"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter
kwaad te vermijden."
"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal
mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."
"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u
onderdanig uit voorzichtigheid."
"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor
hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede
stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling
vooruitstapte.
Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den
vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en
beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.
"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen
plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de
straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld,
ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten
toon hangen!"
Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering
in de oogen, dat deze verrast murmelde:
"Vermetele, gij gelooft het niet?"
"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt
niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord
hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"
"Spreek", morde de vorst met ongeduld.
"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer
graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door
iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte
in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem
eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens
onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne
weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en
wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een
onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet
scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der
weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den
zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het
gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare
hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht
verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht."
"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen
afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele
woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.
[Illustratie: ...viel met gekloofd hoofd ten gronde. (Bladz. 95.)]
"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere
gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen
en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en
evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp
geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard
onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb
gedaan."
"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid
verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den
Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."
"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op
de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal
komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen
der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als
ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten
wie het deed vergieten!"
Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel
met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun
dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook
gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.
De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in
tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne
aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier
belachelijk.
"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge
de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne
ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."
Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond,
sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van
zijn zwaard.
"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne
oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om
hem te naderen.
Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te
midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden
en gebeden dat zij zich nog stilhielden.
Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te
laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling,
naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:
"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij
brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar.
Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht.
Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen
gilden-eed!"
"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel,
eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis
zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de
vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."
"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts.
"Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar
verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."
De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en
twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit
het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom
op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop
morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide
dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne
vrienden tot bedaren.
Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de
plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de
paarden bij te brengen en den stoet te vormen.
Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen,
welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.
Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf
in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd
scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het
verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In
zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet
of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren.
De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der
dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne
vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.
Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den
vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch
gevolg van de trede.
Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in
dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle
tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de
tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd
en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren
eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen.
Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de
markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen
rondom hem geschiedde.
Zoo kwam de stoet op den Burg.
Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar
tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf
bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat
het middenplein van den Burg er van hergalmde.
Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene
poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.
Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge
tot zich en vroeg met dreigenden blik:
"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"
"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u
gelieve hem te ontslaan."
"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den
moordenaarskuil geketend?"
"Neen, heer".
"Waarom niet, kastelein?"
"Hij is een vrij man, heer graaf."
"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil
gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd
u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen
voeren."
De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote
zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stilte, want men
begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de
Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der
Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den
moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond.
Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:
"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de
ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik
vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel
overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen
om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te
beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u
aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te
verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De
leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"
Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandië, stapte door eene
zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede
tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en
toonde Willem van Normandië eenen zetel nevens zich.
Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren,
Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters
en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.
Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:
"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"
"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al
de raadsheeren.
"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is
niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die
door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen,
moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt
zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer
graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van
St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is
dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over
de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en
maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot
opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat
edel is in Vlaanderen ..."
"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de
graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij
sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren.
Wie zal zijn vonnis uitspreken?"
"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van
Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"
"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandië, "mij dunkt dat er reeds te
veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de
plichtige hinge reeds aan de galg."
"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde
de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in
zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn,
aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen
verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen
van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet
onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"
"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in
het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als
een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze
Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den
vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en
ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."
"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer,
Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene
wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst
verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door
doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen
alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het
straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de
beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was
en niets gedaan heeft dan zijnen plicht."
"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer
Tancmar met eenige bitterheid.
"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is
ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te
doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door
hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen?
Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen
en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen
ontkennen?"
"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter
ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken
wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."
"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt
gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden
aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te
verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed
vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele
Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet
niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven
om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering
misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het
ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast
wij het met zekerheid kunnen doen?"
"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de
poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder
hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."
"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!"
schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet
en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk
heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus
in de gevangenis ..."
"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg
Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft
men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen
Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die
onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,--en, willen andere begoede
Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren.
Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar
insgelijks."
De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen
kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne
onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.
"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?"
kreet hij. "Zulke vernedering!"
"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft!
Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"
"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den
overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde
de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen
Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn
Ambacht zullen hem oordeelen."
"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf.
"Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der
hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der
Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van
oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen
mijnen wil."
"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel,
waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij
voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak
op eenen enkelen persoon te plegen."
De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond
op en sprak:
"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen
alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze droeve zaak nog ter
uwer meerdere eere zal worden geëindigd. Laat den Kerel u verschooning
en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe
tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging
de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht,
zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig
vorst."
Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten
bevestigend.
"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen
vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet;
men moet ze breken."
"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold.
"Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."
"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die
zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"
Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem
onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht,
waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde
zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen
vriend zou beslissen.
"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets
belangrijks mede te deelen."
Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan
staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten
gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het
feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop
de wraakneming was geschied.
Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een
vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde
hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.
Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het
Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was
hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne
vrijheid zou terugbekomen.
Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.
Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de
kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de
gevangenis te volgen.
De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de
uitslag van des kasteleins poging zou zijn.
Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij
zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste
moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven
vergiffenis.
Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en
begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het
paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het
hof.
De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal
en wachtte daar een verder bevel.
"Treed nader!" gebood de vorst.
Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de
Kerel vooruit.
"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze
grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"
"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen
plicht gedaan."
"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel
slaande.
"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen,
"Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te
herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag
en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou
betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van
eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te
hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze
omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe
grootmoedige verschooning te gunnen."
"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden over deze ootmoedige
woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te
geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!"
Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep
en welhaast tot op het middenplein hergalmde.
Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam
en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde
tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren
hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil
onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.
Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden,
die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak
afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein
tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen.
Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten elkaar de handen; want zij
hadden zich zelven niet ontveinsd dat de gramschap des graven de
vijanden der Kerels in de hand kon werken, ja, zij hadden zelfs gevreesd
dat zij het sein tot eene erge en noodlottige vervolging kon worden.
Hunne vrees was geheel ongegrond geweest, meenden zij; want indien de
vorst den Kerel in vrijheid liet gaan, dit was wel een bewijs dat hij
niet voornemens was de wetten van Kerlingaland te veranderen, aangezien
hij nu daartoe eene schijnbare reden had, en deze niet gebruikte.
Diensvolgens waren de kwaadvoorspellende berichten, die Isaac Van
Reninghe aangaande de vermoedelijke inzichten des graven hun had
gebracht, van allen grond ontbloot.
De kastelein noodigde hen uit om op dezen verblijdenden uitslag eener
dreigende zaak met hem eenen beker Cyperwijn te gaan ledigen.
Allen volgden hem in den Steen.