XIII.

* * * * * *

"En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?"

--"Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle

verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft

minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken

titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp,

dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de

nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke

der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met

elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige

uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze

vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen,

dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte,

dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht,

en beminnaars van eene te levendige schilderij, op het zien alleen van

een' dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets

te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen,

en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen

smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk

wijsneusje of bedilstertje, deze mijne Vijftien Dagen in een gezelschap

voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan,

uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen

voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te

laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan."

Op zekeren avond had men mij in de Leaden-Hall-street, omtrent

anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd;

want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als

bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt

geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar

mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe

regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en

keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens

geenszins beneveld hadden, naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de

straat Cheapside drie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer

nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen,

dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor,

tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden,

om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van

hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de

twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt,

inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor

mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.

--"Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat

ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?"

--"Kom, mijn schatje!" zeide eene der twee anderen, "laat ons in dit

koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen,

onder een kommetje punch, wat lagchen en praten."

--"Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote

verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik in Engeland

ben; maar--"

Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan

hebben? drie tegen een!--O ja, ik begrijp u; maar--ja wel is het

koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die,

even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij

onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid--maar wacht slechts,

ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had

men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende

beleefdheden van dit slag van juffertjes te Londen te kunnen

onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het

flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken,

met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne

en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning

af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij

in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.

De geheele Cheapside en Holborn-street langs ontmoette ik nog een

aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn,

mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met

de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate in

elkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.

In de Broad-Saint-Bloomsburij komende, had ik wederom eene nieuwe

vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was

wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan:

zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare

vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen

verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich

bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt

echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken

eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld,

dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich

vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.

Eindelijk bereikte ik de Oxford-street, en nu stapte ik gerust

en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij

bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen te

Londen, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes,

geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig

gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het

voorbijgaan geven zij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen,

hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich

aan iemand opdringen, zoo als dit mij in Cheapside-street gebeurde.

Het getal dezer gedienstige schepselen is in Londen oneindig grooter

dan in Parijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde

gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar

ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude

bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog

aanmerkelijk grooter, dan te Parijs, en hij mag wel tevreden zijn,

zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn

horologie verloren heeft.

Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn,

om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in

de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is

niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting,

de achterste bank van al de rangen der loges, hetgeen den jongen

meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de

eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om

te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken met de

niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan,

zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van

zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.

De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het

voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts

half geld behoeft te betalen.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 30 / 70 题