* * * * * *
"En waarom geeft gij dit hoofdstuk geenen titel?"
--"Waarom, mijn waarde lezer? wel, omdat de titelfabrijk boven alle
verbeelding moeijelijk aan den gang te houden is. Menig schrijver heeft
minder moeite, om zijn werk te vervaardigen, dan om den behoorlijken
titel er voor te vinden. Vooreerst moet de titel het onderwerp,
dat men behandeld heeft, wel doen kennen, ten tweede moet hij de
nieuwsgierigheid opwekken, en ten derde moet hij het bekoorlijke
der nieuwheid niet ontberen, drie eigenschappen, welke niet ligt met
elkander te vereenigen zijn. Intusschen had ik, na eenige ernstige
uren overwegens, er reeds drie gevonden, die mij voorkwamen al deze
vereischten te bezitten, en nu vond ik mij met niets meer verlegen,
dan met de keuze: terwijl ik tevens bij mij zelven de opmerking maakte,
dat somtijds eenige jonge lieden van eene vurige verbeeldingskracht,
en beminnaars van eene te levendige schilderij, op het zien alleen van
een' dezer titels, zich zouden kunnen vleijen, in deze afdeeling iets
te vinden, hetgeen ik nooit voornemens was geweest er in te plaatsen,
en dus, bij het einde, ontevreden zouden geweest zijn, dat zij hunnen
smaak niet voldaan gezien hadden; of wel, dat een of ander beminnelijk
wijsneusje of bedilstertje, deze mijne Vijftien Dagen in een gezelschap
voorlezende, zoude meenen, deze geheele afdeeling te moeten overslaan,
uit vreeze van er dingen in aan te treffen, welke zij liefst alleen
voor zich wilde weten. Ik besloot dus, den titel geheel en al weg te
laten, en terstond tot den inhoud zelven over te gaan."
Op zekeren avond had men mij in de Leaden-Hall-street, omtrent
anderhalf mijl ver van mijne woning gelegen, op de thee gevraagd;
want de geëerde lezer moet weten, dat men hier op de thee, even als
bij ons op eenen maaltijd, verzocht wordt. Nu had ik echter volstrekt
geene vrees, van aan het dwalen te zullen geraken, terwijl ik, om naar
mijn huis terug te keeren, eenen hoek uitgezonderd, slechts regt toe
regt aan had te loopen. Omstreeks half elf nam ik mijn afscheid, en
keerde geheel vreedzaam en nuchter, wijl de theedampen mijne hersens
geenszins beneveld hadden, naar mijnent terug, toen mij eensklaps in de
straat Cheapside drie lieve jonge meisjes den weg afsneden. Eene dezer
nachtmadeliefjes voerde het woord, en zeide, dat het haar toescheen,
dat ik zeer koud was, en stelde mij derhalve zeer beleefdelijk voor,
tot harent te komen, waar ik een goed, lekker, vuurtje zou vinden,
om mij te warmen. Ik antwoordde haar, dat ik geenen tijd had, om van
hare vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken. Intusschen hadden de
twee andere Nimfen zich reeds van beide mijne armen meester gemaakt,
inmiddels de spreekster, die er het snoepigst uitzag, altijd voor
mij bleef staan en ten sterkste op haar vriendelijk verzoek aandrong.
--"Maar mijn hemel! lieve kindertjes, gij weet denkelijk niet, dat
ik reeds vijf en veertig jaren oud ben? Wat wilt gij toch?"
--"Kom, mijn schatje!" zeide eene der twee anderen, "laat ons in dit
koffijhuis gaan: wij kunnen er eene vrije kamer nemen, en zullen,
onder een kommetje punch, wat lagchen en praten."
--"Lagchen? Ach! lieve meid, gij brengt mij daar in eene groote
verzoeking; want ik heb nog niet gelagchen, zoo lang ik in Engeland
ben; maar--"
Wel nu, lezer! wat zou ik hier doen? en wat zoudet gij gedaan
hebben? drie tegen een!--O ja, ik begrijp u; maar--ja wel is het
koud! Kunt gij u dan geen paar groote zwarte oogen verbeelden, die,
even als ik, uw antwoord radende, zich zedig naar den grond rigten? Zij
onttrekken zich derhalve aan uwe nieuwsgierigheid--maar wacht slechts,
ik zal u het vermaak bezorgen van dezelve te bevredigen. Reeds had
men mij het middel aan de hand gedaan, om zich aan de opdringende
beleefdheden van dit slag van juffertjes te Londen te kunnen
onttrekken. Ik tastte dus in mijnen zak en liet haar, bij het
flaauwe lantaarnlicht, een drieschellingsstuk in de oogen blinken,
met verzoek, het geringe niet te versmaden, maar daarvoor op mijne
en hare gezondheid te drinken; en, zonder mijne verdere verschooning
af te wachten, dat ik onmogelijk van de partij kon zijn, waren zij
in een oogenblik uit mijne oogen verdwenen.
De geheele Cheapside en Holborn-street langs ontmoette ik nog een
aantal soortgelijke lievertjes, die alle willens schenen te zijn,
mij dezelfde aanbiedingen te doen; doch ik schermde zoodanig met
de voeten, en sloeg mijne armen, voor de koude, gedurig dermate in
elkander, dat geen van haar mij durfde staande te houden.
In de Broad-Saint-Bloomsburij komende, had ik wederom eene nieuwe
vertooning. Het getal der vrouwlieden van denzelfden stempel was
wel niet minder, maar ik trof hier een geheel ander slag aan:
zij waren lang na zoo goed niet gekleed als de vorige, en hare
vuurroode gezigten en verwilderde oogen, alsmede hare schorre stemmen
verkondigden genoegzaam den trap van dronkenschap, waarop zij zich
bevonden. Een beschonken man is een onaangenaam voorwerp; hij maakt
echter geenszins dien hatelijken, afkeerigen indruk op ons, welken
eene beschonkene vrouw veroorzaakt; maar het afschuwelijkste beeld,
dat de dronkenschap immer kan voorstellen, is, wanneer zij zich
vertoont in jonge meisjes van vijftien tot twintig jaren.
Eindelijk bereikte ik de Oxford-street, en nu stapte ik gerust
en bedaard voort; want ik kende het regtsgebied, waarop ik mij
bevond. Echter ontmoet men in deze straat, even als in anderen te
Londen, zoodra de lantaarnen zijn opgestoken, een aantal meisjes,
geheel alleen, of twee en twee wandelende, en altijd zeer haastig
gaande, als of zij gewigtige zaken te verrigten hadden. In het
voorbijgaan geven zij een lonkje, een stootje met den elleboog, vragen,
hoe laat het is, of vernemen naar den weg; doch nooit zullen zij zich
aan iemand opdringen, zoo als dit mij in Cheapside-street gebeurde.
Het getal dezer gedienstige schepselen is in Londen oneindig grooter
dan in Parijs; ja men zou bijna moeten gelooven, dat zij een vierde
gedeelte der vrouwelijke bevolking van de geheele stad uitmaken. Maar
ongelukkig, driewerf ongelukkig de vreemdeling, die, door de koude
bevangen, toestaat, dat zij hem verwarmen! Het gevaar daarvan is nog
aanmerkelijk grooter, dan te Parijs, en hij mag wel tevreden zijn,
zoo hij, bij zijn vertrek, niets anders dan zijne beurs of zijn
horologie verloren heeft.
Zij, die eenigzins fortuin gemaakt hebben, en vermogend genoeg zijn,
om zich behoorlijk te kunnen kleeden, gaan hare bekoorlijkheden in
de schouwburgen ten toon spreiden. Het getal dezer gelukzoeksters is
niet gering: zij bezetten gewoonlijk, en bijna zonder uitsluiting,
de achterste bank van al de rangen der loges, hetgeen den jongen
meisjes van geboorte en fatsoen, die aan de zijde harer moeders op de
eerste of tweede bank zitten, gelegenheid verschaft, om, door even om
te zien, haren ganschen handel te beöogen, en hare gesprekken met de
niet zelden halfdronkene lichtmissen van woord tot woord te verstaan,
zoo dat zij, op deze wijze, al ligt eenen gevaarlijken indruk van
zedebedervende en verpestende grondbeginselen ontvangen.
De meeste dezer ligte troepen verschijnen echter eerst tusschen het
voor- en nastuk, dewijl men in de Londensche schouwburgen dan slechts
half geld behoeft te betalen.