"Welke is de naaste weg naar Portland-street?"
Dit was de vraag, welke ik alle dagen deed, als ik tot mijnent terug
wilde keeren. Echter deed ik dezelve nooit aan hen, die ik op den weg
ontmoette; wijl men reeds meermalen het kwaadaardig vermaak genoten
had, van mij eenen geheel anderen koers op te geven; maar altijd vroeg
ik in den eenen of anderen winkel, waar ik ook altijd te dezen opzigte
zeer vriendelijk en welwillend ben behandeld geworden. Overigens was
ik den weg niet kundiger bij mijn vertrek, dan bij mijne aankomst.
Hierover moet men zich geenszins verwonderen; want op de straten
van Londen kan men het gezegde van Ovidius, wegens de Zee-Nijmphen,
toepasselijk maken.
...... Facies non omnibus una,
"Non diversa tamen, qualem decet esse sororum."
Zij zijn allen lang, regt en breed, met een voetpad op zijde, en
de huizen alle gelijkvormig gebouwd. Ook vindt men op alle hoeken
winkels of kassen, welke ieder in hunne soort geene verschillendheid
aan het gezigt opleveren. De muren schijnen met eene vale, doffe kleur
bestreken, hetwelk geenszins het gevolg der kunst is; maar welke kleur
zij zeer spoedig aannemen, ten gevolge van de aldaar niet zeldzame
dikke nevels en den zwarten kolendamp, waarop de geheele stad, ten
minste negen maanden van het jaar, gastvrij onthaald wordt. Voeg hier
nog bij, dat de namen der straten, alhoewel op bordjes met zeer groote
letters geschreven, meestal onleesbaar zijn; wijl dezelfde damp,
welke zicht aan de muren hecht, ook hen met dezen klevenden walm
bezoedelt. Des avonds vooral is het volstrekt onmogelijk, die namen
te lezen; wijl de wijze, waarop de straten te Londen verlicht zijn,
nergens anders toe schijnt te dienen, dan om, zoo als Milton zich te
regt uitdrukt, de duisternis zigtbaar te maken.
Ik zal echter niet zeggen, dat er gebrek is aan lantaarns; doch
geenszins kan ik er het woord lichtende bijvoegen. Van vijftien tot
zestien schreden zijn de straten aan weerszijden er mede voorzien; en
zij hangen in het lange bezijden het voetpad aan ijzeren staven; maar
het licht, dat zij van zich geven, is zoo gering, en verspreidt zoo
weinig helderheid, dat men het zeer gevoegelijk bij het afschijnsel
dier insecten kan vergelijken, welke in eenen donkeren, zoelen
zomernacht den glans ten toon spreiden, waarmede de natuur hen heeft
uitgedost. Geloof echter niet, dat men deze hooggeroemde zijpaden,
waarvan niet weinig gesproken wordt, zoo maar doodgerust kan betreden,
zonder de vreesselijkste gevolgen van de minste afgetrokkenheid
te moeten duchten. Wel is waar, dat men het gevaar van paarden en
rijtuigen niet te vreezen heeft, maar men heeft desniettemin al
zijne oplettendheid noodig, om zich voor andere gevaren te hoeden,
waardoor men, bij iederen voetstap, bedreigd wordt. Bij voorbeeld,
de kruiwagens der uitventers, de vaten der melkboeren, die volkomen
aan onze waterdragers gelijk, en met het krieken van den dag tot des
avonds te zeven ure, door de gansche stad op de been zijn; de vrachten
van allerlei soort, waarmede de dragers langs de straten zwieren;
de schoppen en bezems der straatvegers, de manden der bakkers en
gebakverkoopers; de planken, de gereedschappen en de werktuigen,
waarmede de verschillende ambachtslieden heen en weder loopen,
en bovenal de metselaars met hunne kalkbakken. Maar hoed u, in 's
hemels naam, voor de ladders der lantaarnopstekers: dezen loopen,
zoo haast de avond begint te vallen, als gek en dol door de stad,
met hunnen ladder op schouder, van lantaarn tot lantaarn, ten koste
van het gevaar, om alles onder de voet te werpen, wat zich op hunnen
weg bevindt. Intusschen is deze haast zeer verschoonbaar wegens de
groote menigte lantaarnen, die ieder in zijne wijk te verzorgen heeft.
Echter is het geenszins voldoende, slechts vooruit te zien! O neen! men
mag wel op beide zijden, ja zelfs van achteren, oogen hebben. Let ook
vooral wel op, waar gij uwe voeten zet; want voor ieder huis wachten
u twee gapende afgronden. Al de voetpaden zijn hol; wijl de kelders
daaronder loopen. Een rond of vierkant gat, van ongeveer tien of
twaalf duim omtreks, midden in het voetpad, is de deur, waardoor men
den benoodigden voorraad van steenkolen opdoet. Indien dit gat, bij
toeval, op uwen weg open staat, en gij er ongelukkig met de voeten
in raakt, kunt gij, met het grootste gemak van de wereld, een been
breken. Doch dit is nog niet met al; maar indien de ijzeren tralie
of de houten deur, waardoor men in den kelder komt, op het oogenblik
van uw overgaan niet gesloten is, loopt gij zelfs gevaar van den hals
er bij in te schieten; hetgeen zeker nog al iets van belang is!
Welnu, men gaat ten minste op deze zijpaden droogvoets, zal de lezer
denken. O ja, wanneer het namelijk droog weer is; maar, wanneer het
tegendeel plaats heeft, zijn zij eenen duim hoog met slijk en vuilnis
bedekt, en noch de straatvegers noch de eigenaars der huizen denken er
aan, om den doorgang van deze modderpoelen te zuiveren. Ook ziet men
de mannen altijd in laarzen of slopkousen, terwijl de vrouwen zich
reeds in de verte, door het klateren harer beslagene slijkschoenen
doen hooren, waarmede hare voeten gewapend zijn, en die, met hooge
hielen voorzien, over hare andere schoenen worden aangedaan.
De gewone breedte der straten staat gelijk met die van de Saint Louis
au Marais, te Parijs: sommige anderen, bij voorbeeld, de Oxford-,
Haymarket-, Portman-street, enz. zijn wel zoo breed als de Boulevard
des Italiens. Doch men moet hier wel degelijk van uitzonderen het
gedeelte der stad, de City, genaamd, hetwelk geheel uit kleine,
naauwe en in en door elkander kruisende straatjes en steegjes bestaat,
die zamen eenen doolhof vormen, waaruit men, eenmaal aan het dolen
zijnde, zich niet gemakkelijk kan redden. Echter vindt men daar ook,
even als elders, steeds de gewone voetpaden, die nogtans zoo smal zijn,
dat men er onmogelijk regt door op kan voortgaan, en die derhalve den
doortogt veeleer stremmen dan bevorderen. In het midden van den weg
is de standplaats der huurkoetsen, en dikwijls vindt men de breedste
straten daarmede zoodanig bezet, dat eene menigte van aankomende en
terugkeerende rijtuigen er ter wederzijde niet langs zouden kunnen
geraken, zonder hunne toevlugt te nemen tot de voetpaden, die veelal
twaalf tot vijftien voet breed zijn.
Nogtans moet men toestemmen, dat men er niet, even als te Parijs, ieder
oogenblik getrapt, geschopt, gedrongen, geduwd en met de ellebogen
tegen de ribben gestooten wordt. Dit komt gedeeltelijk vandaar, dat het
een algemeen aangenomen gebruik is, om, naarmate men van een zeker punt
afkomt, de regterzijde van het voetpad te houden, terwijl zij, die u
tegenkomen, altijd hunnen weg ter linkerzijde vervolgen: daarenboven
vindt men ook nooit te Londen dat verbazende aantal voetgangers,
hetwelk men in de straten van Parijs ontmoet. Uitgezonderd, in dat
gedeelte der stad, de City genaamd, hetwelk digt bij de beurs is,
levert Londen een volmaakt gezigt op van de voorstad Saint-Germain;
en zeer vele andere wijken wedijveren met de stilte en eenzaamheid,
welke in onze vreedzame Marais heerschen.
Dezelfde eentoonigheid, die men aan de straten opmerkt, heeft ook, met
opzigt tot de huizen, plaats; want het eenigste onderscheid tusschen
het paleis van een' der voornaamste Lords en de woning van eenen
koopman in kolen, bestaat hierin, dat het eerstgenoemde grooter is,
en bij gevolg eene meerdere uitgestrektheid beslaat.
Bijna al de huizen zijn drie verdiepingen hoog, de keuken onder den
grond, waar de kok zijn vast verblijf en zijne woonplaats heeft, en
waar derhalve de beef-steaks en puddings gereed gemaakt worden, niet
medegerekend. Ook heeft men bij de woningen der grooten noch stalling
noch koetshuizen, en de prachtigst gekleede Lady moet, zelfs bij het
ongunstigste weder, uit hare koets stijgen, om, aldus het voetpad
overstappende, hare woning te bereiken, wanneer haar rijtuig na de
eene of andere voorstad terugkeert, waar geheele straten gevonden
worden, die alleen uit stallen en wagenhuizen bestaan. De Engelsche
vrouwen dienen dus eenen geruimen tijd tevoren het oogenblik van
haar uitgaan te bepalen, opdat haar rijtuig inmiddels kan besteld
worden.--Beminnelijke Fransche dames, aanbiddelijke schepsels,
wier waarde men des te sterker gevoelt, naarmate men verder van u
verwijderd is: gij, wier bekoorlijk en levendig ongeduld geene minuut
toevens tusschen de geboorte en bevrediging uwer wenschen gedoogt;
wat zou er van u worden, indien gij, bij het opstaan, reeds ernstig
moest overdenken, welk tijdstip van den dag het u zou kunnen invallen,
een toertje te rijden?--
Doch laat mij tot de huizen terugkeeren, welker eenvormigheid
ten klaarste aantoont, dat de Engelsche bouwmeesters hunne
verbeeldingskracht en denkvermogen juist niet al te sterk behoeven in
te spannen. Geene versierselen van buiten, geene verschillendheid van
gedaante: de openslaande kruisramen, op de Spaansche wijze, zijn hier
geheel onbekend: de met kleine ruitjes versierde vensters worden op- en
nedergeschoven, zoo als men er hier en daar, in Parijs nog wel eenige
aantreft in huizen uit de eeuw van Lodewijk XIII. Een ijzeren hek,
ten naastenbij eene halven mans lengte hoog, dat tot op het voetpad
uitloopt, bezet de huizen rondom, en laat den aankomende niet meer
dan den benoodigden doortogt tot eene smalle deur, welke den ingang
opent, en op welke een klein koperen plaatje is gespijkerd, waarop
de naam van den bewoner te lezen staat. De trappen zijn, over het
algemeen, zeer smal; in een woord, de geheele verdeeling der huizen is
gebrekkig en gedrongen ingerigt, en verre na zoo gemakkelijk niet als
in Frankrijk; en zoo men er al rijk gemeubelde vertrekken aantreft,
zal men er echter vergeefs dien smaak, die kieschheid, dat bevallige
zoeken, hetwelk, bij uitsluiting, alleen te Parijs gevonden wordt.
Wat der slaapkamer der Engelschen betreft, deze is het heilige der
heiligen; men zou het onwelvoegelijk achten, u dezelve te laten zien,
evenzeer als de vraag ongepast zou zijn, om er in toegelaten te worden;
en ik geloof niet, dat het meerder moeite zou kosten, in het bed van
eene Engelsche vrouw, dan in de slaapkamer van eenen Engelschen man
den toegang te erlangen.