EERSTE BANDIET. Wat vriend! dat zijn wij niet; noem vrij ons vijand.
TWEEDE BANDIET. Stil, laat hem spreken!
DERDE BANDIET. Ja, bij mijn baard, hij is een flinke kerel.
VALENTIJN. Zoo weet dan, ik heb weinig te verliezen.
Ik ben een man, door 't ongeluk bestookt;
Mijn rijkdom zijn mijn poov're kleed'ren hier,
En als gij daarvan mij ontblooten wilt,
Dan neemt gij al mijn have en goed mij af.
TWEEDE BANDIET. Waar reist gij heen?