Aldaar. Een kamer in 's Hertogs paleis.
De Hertog en Thurio komen op; later Proteus.
HERTOG. Beminnen zal ze u, Thurio, twijfel niet,
Nu Valentijn van haar verbannen is.
THURIO. Na zijn verbanning haat zij mij nog meer,
Wil niets meer van mij weten, hoont mij zoo,
Dat ik den moed geheel heb opgegeven.
HERTOG. Zwak is die liefdesindruk, als een letter,
In 't ijs getrokken; schijn' de zon een uur,
Zij is verwaterd, ied're trek verdwenen.
Een weinig tijds smelt haar bevroren geest;
Dan is die lage Valentijn vergeten.--
Zoo, gij daar, Proteus? Is uw landgenoot
Op 't uitgevaardigd hoog bevel vertrokken?
PROTEUS. Vertrokken, heer en vorst.
HERTOG. Zijn heengaan heeft mijn dochter diep bedroefd.
PROTEUS. Een weinig tijds, heer, doet die droef'nis sterven.
HERTOG. Dit wacht ik ook, maar Thurio denkt van neen.
Proteus, ik heb een goeden dunk van u;
En dit,--gij gaaft mij proeven van uw ijver,--
Is oorzaak dat ik verder u vertrouw. 19
PROTEUS. Niet langer, dan ik trouw blijf aan uw hoogheid,
Zij 't leven mij gegund, en bij uw hoogheid.
HERTOG. 't Is u bekend, hoe gaarne ik een verloving
Tot stand bracht tusschen Thurio en mijn dochter.
PROTEUS. Ik weet het, heer.
HERTOG. En toch is u niet onbekend, vermoed ik,
Hoe zij zich tegen mijnen wil verzet.
PROTEUS. Toen Valentijn nog hier was, deed zij 't, heer.
HERTOG. Zij is van die verkeerdheid niet bekeerd.
Hoe doen wij 't meisje Valentijns verliefdheid
Vergeten en op Thurio verlieven?
PROTEUS. Het zekerst door belast'ring; Valentijn
Zij trouwloos, laf gebleken, laag van afkomst;
Drie dingen, diep verfoeid door elke vrouw.
HERTOG. Goed, maar zij denkt gewis, dat haat dit ingeeft.
PROTEUS. Ja, zoo een vijand dit getuignis geeft;
Daarom zij 't haar omstandig meegedeeld
Door iemand, die haar als zijn vriend bekend is.
HERTOG. Gij moet dus die belast'ring op u nemen.
PROTEUS. En dit zou ik ongaarne doen, mijn vorst;
Het is een taak, een edelman onwaardig,
Vooral zoo dit zijn boezemvriend moet treffen.
HERTOG. Zoo hem uw voorspraak niet van nut kan zijn,
Kan hem uw achterklap ook nimmer deren;
Daarom kunt gij gerust die taak aanvaarden,
Waartoe gij door uw vriend wordt aangezocht.
PROTEUS. 'k Geef mij gewonnen, heer. Zoo 'k iets vermag
Door wat ik in zijn nadeel zeggen zal,
Dan zal zij zeker hem niet lang meer minnen.
Doch wordt haar liefde uit Valentijn gewied,
't Volgt niet, dat die in Thurio wort'len zal.
THURIO. Tracht daarom hare liefde van hem af
En daad'lijk op mijn kluwen op te winden,
Eer ze in de war raak' en voor niemand deug';
En dit gebeur', door mij niet min te prijzen,
Dan gij ten nadeel spreekt van Valentijn.
HERTOG. En, Proteus, hierin kunnen we u vertrouwen, 56
Omdat ons Valentijn heeft meegedeeld,
Hoe ge aan de Liefde trouw gezworen hebt;
En nimmer af zult vallen of verand'ren.
Om dezen waarborg zult gij toegang hebben
Tot Silvia, dat gij vrij'lijk met haar spreekt.
Wel is zij stug, zwaarmoedig, zeer bedrukt,
Maar u zal ze om uws vriends wil gaarne zien;
Bepraat haar dus nu zoo, dat Valentijn
Van haar gehaat worde en mijn vriend bemind.
PROTEUS. Ik zal 't beproeven, doen wat ik vermag.
Doch Thurio, gij moet feller haar bestoken;
Lijmroeden leggen, lokken moet gij haar
Door fraai gerijmde, klagende sonnetten,
Met eeden van uw hulde zwaar bevracht.
HERTOG. Ja, goed bedacht;
Groot is van 't Godskind Poëzie de macht.
PROTEUS. Zeg dit: op 't outer van haar schoonheid offert
Gij uwe tranen, zuchten, en uw hart.
Schrijf tot uw inkt verdroogt, en maak hem dan
Weer met uw tranen vloeibaar; menig dicht
Vol diep gevoel tuig' van uw hart; besnaard
Met dichterspezen was de luit van Orpheus,
Wiens gouden tonen staal en steen verweekten,
Den tijger temden, woeste Leviathans
Uit de' afgrond lokten tot een dans aan strand.
Na zulke hartverscheurende elegieën
Genaakt gij 't venster uwer liefste 's nachts
Met lieflijke muziek en heft daarbij
Een roerend klaaglied aan; de doodsche nacht
Maakt zulke liefdeklachten dubbel roerend.
Of dit, of niets verovert u haar hart.
HERTOG. Dit voorschrift toont, dat gij het hof gemaakt hebt.
THURIO. En 'k voer uw raad deze eigen nacht nog uit.
Daarom, mijn beste Proteus, gij mijn gids,
Begeven wij terstond ons naar de stad,
En zoeken daar bedreven muzikanten.
Ik heb een minnedicht, dat dienen kan,
En daarmee zij uw goede raad beproefd!
HERTOG. Aan 't werk, gij heeren!
PROTEUS. Tot slapenstijd, mijn vorst, staan we u ten dienst,
En zorgen dan vol ijver voor ons plan.
HERTOG. Neen, daad'lijk nu aan 't werk! Ik laat u vrij.
(Allen af.)