LANS. O, dat woord maakt de gebreken bekoorlijk! Goed ik wil haar
hebben; en als wij een paar worden, zooals geen ding onmoog'lijk is,--
FLINK. Wat dan?
LANS. Wel, dan zal ik u vertellen,--dat uw meester aan de Noorderpoort
op u wacht.
FLINK. Op mij?
LANS. Op u! ja, wat zijt gij er voor een? Hij heeft op een beteren
kerel dan gij zijt, gewacht.
FLINK. En moet ik naar hem toe gaan?
LANS. Gij moet naar hem toe rennen, want gij hebt zoo lang gewacht,
dat gaan bijna niet meer helpen kan.
FLINK. Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd? naar den duivel
met uw minnebrieven!
(Flink af.)
LANS. Nu zal hij klop krijgen, omdat hij mijn brief gelezen heeft! Een
onbeschaamde vlegel, die in een andermans geheimen dringt!--Ik loop
hem na, om mij in de tuchtiging van dien kerel te verkneukelen!
(Lans af.)