HERTOG. Hoog is haar kamer, verre van den grond;
De muur zoo steil, dat niemand dien beklimt,
Dan wie zijn leven roekloos wagen wil.
VALENTIJN. Nu, met een ladder, hecht van touw gemaakt,
Met een paar haken, die men vast kan werpen,
Beklimt men eener tweede Hero toren,
Zoo maar Leander stout het wagen durft.
HERTOG. Nu, spreek, zoo waar gij aad'lijk bloed bezit,
Waar kan ik zulk een ladder mij verschaffen?
VALENTIJN. Wanneer behoeft gij die? Meld dit mij, heer.
HERTOG. Deze eigen nacht, want Liefde is als een kind,
Dat haakt naar alles, wat bereikbaar is.
VALENTIJN. Te zeven uren breng ik u zulk een ladder.
HERTOG. Doch hoor,--ik ga geheel alleen tot haar,--
Hoe krijg ik best die ladder daar ter plaatse?
VALENTIJN. Zij is niet zwaar, en onder elken mantel,
Mits die niet al te kort zij, licht te bergen.
HERTOG. Een mantel, zooals de uwe, waar' dus goed?
VALENTIJN. O ja, mijn vorst.
HERTOG. Zoo laat me uw mantel zien,
Ik schaf er mij een aan van zulk een lengte.
VALENTIJN. O, ied're mantel kan u dienen, heer.
HERTOG. Hoe hang ik zulk een mantel mij wel om'?
Ik bid u, laat mij dien van u beproeven.--
Wat is dat voor een brief? Aan wie?--"Aan Silvia"!
En hier een werktuig, juist als ik behoef.
Ik ben zoo vrij het zegel te verbreken.
(Hij leest.) "Bij Silvia toeven nacht op nacht mijn brieven;
Ik doe ze vliegen op mijn wenk als slaven;
O, kon hun meester zoo de ruimte klieven,
Hij zou zijn ziele, waar zij slapen, laven!
Aan 't reine hart ontvangt gij mijn gezanten;
En ik, de koning, die hen zond, moet lijden,
Dat gij uw gunsten schenkt aan mijn trawanten;
Ik vloek hen, wijl ikzelf hen moet benijden,
Ik vloek mijzelf, dat ik dit nooit bedacht,
Hun 't heil doe smaken, waar ikzelf naar smacht."--
Wat volgt nog? 150
"Doch ik bevrijd u, Silvia, deze nacht."
Zoo staat er; en die ladder moest u dienen.
Gij Phaëton, gij and're Merops-zoon,
Verstout ge u 's hemels zonnespan te mennen
En de aard te blaak'ren in uw euvelmoed?
Grijpt gij naar sterren, wijl zij u bestralen?
Van hier, verwaten dief! vermeet'le slaaf!
Vlei uws gelijken met uw zoete lachjes,
En acht het mijn genade,--en onverdiend,--
Een gunst, dat gij heelhuids van hier ontkomt;
Dank hier mij meer voor dan voor alle gunsten,
Die ik maar al te rijk'lijk u bewees;
Doch toeft gij lang'ren tijd op mijn gebied,
Dan gij behoeft om met den meesten spoed
Ons vorstlijk hof te ontvluchten, dan, ik zweer het,
Dan overtreft mijn gramschap ver de liefde,
Die 'k ooit mijn dochter toedroeg of uzelf.
Vertrek! en zwijg! geen uitvlucht of verschooning;
Maar ijlings, hebt ge uw leven lief, van hier!
(De Hertog af.)
VALENTIJN. Waarom niet dood, in plaats van sparend folt'ren?
Want sterven is verbanning van mijzelven;
En Silvia is mijzelf; van haar verbannen,
Is zelf van zelf; het is verbanningsdood!
Welk licht is licht, is Silvia mij onzichtbaar?
Wat vreugd is vreugd, is Silvia niet aanwezig?
Tenzij ik als aanwezig haar kan denken
En teer van 't schijnbeeld harer heerlijkheid.
Tenzij ik in de nacht bij Silvia ben,
Huist geen muziek meer in den nachtegaal;
Tenzij ik op den dag mijn Silvia zie,
Is er geen dag, om iets te zien, voor mij.
Zij is mijn wezen; ik houd op te zijn,
Tenzij haar lieflijke invloed mij bestraal',
Verwarme en koest're, mij in 't leven houd'.
Mijn vlucht ontvlucht den doodsdoem, niet den dood;
Vertoef ik hier, dan wacht ik slechts den dood,
Maar vlucht ik heen, dan vlucht ik weg van 't leven.
(Proteus en Lans komen op.)
PROTEUS. Loop, loop, knaap, loop en spoor hem op!
LANS. Waar ik hem weet! waar ik hem weet!
PROTEUS. Wat ziet gij?
LANS. Den haas, dien wij jagen; geen haar op zijn hoofd, of 't is
een Valentijn.
PROTEUS. Gij daar, Valentijn?
VALENTIJN. Neen.
PROTEUS. Wie dan? zijn geest?
VALENTIJN. Ook niet.
PROTEUS. Wat dan?
VALENTIJN. Niets.
LANS. Kan niets spreken? Moet het er op los, meester?
PROTEUS. Waar wilt gij op los?