EERSTE TOONEEL.

Milaan. Een voorzaal in 's Hertogs paleis.

De Hertog, Thurio en Proteus komen op.

HERTOG. Heer Thurio, laat ons eenigen tijd alleen,

Wij hebben iets vertrouw'lijks te bespreken.

(Thurio af.)

Nu, Proteus, spreek, en zeg mij wat gij wenscht.

PROTEUS. Doorluchtig heer, wat ik moet openbaren,

Gebiedt de wet der vriendschap mij te helen;

Maar roep ik voor mijn geest de groote goedheid,

Door u aan mij, onwaardige, betoond,

Dan spoort mijn plicht mij aan, u mee te deelen,

Wat mij geen goed ter wereld hadde ontlokt.

Weet, eed'le vorst, dat Valentijn, mijn vriend,

U deze nacht uw dochter wil ontstelen;

Ikzelf werd deelgenoot van 't plan gemaakt.

Ik weet, voor Thurio hebt gij haar bestemd,

Die door uw schoone dochter wordt gehaat,

En als zij nu aldus u werd ontroofd,

Waar' 't op uw jaren u een zware slag.

Dies dreef mijn plicht mij aan, dat ik veeleer

Mijn vriend verkoos te stuiten in zijn opzet,

Dan door 't verhelen, u een last van kommer

Op 't hoofd te hoopen, die, niet afgewend,

U voor den tijd ten grave buigen zou. 21

HERTOG. Ik dank u, Proteus, voor uw trouwe zorg;

Eisch ied'ren dank van mij mijn leven lang.

'k Heb zelf reeds dikwijls beider min bespeurd,

Als zij wellicht in diepen slaap mij waanden;

En nam ook vaak mij voor, aan Valentijn

Mijn hof en haren omgang te verbieden,

Maar, duchtend, dat mijn argwaan dwalen mocht

En zoo den jongling schreeuwend onrecht doen,--

Een overijling, die ik altijd meed,--

Bleef ik hem gunstig aanzien, tot ikzelf

Ontdekte, wat door u mij wordt gemeld;

En,--hieruit blijke u, dat ik vreeze voedde,

Bewust, hoe teed're jeugd verleidbaar is,--

Ik laat haar op een hoogen toren slapen,

Waarvan ikzelf den sleutel bij mij draag,

En daarom is 't onmoog'lijk haar te schaken.

PROTEUS. Weet, eed'le vorst, toch werd een plan gesmeed, 38

Hoe hij haar kamervenster zal beklimmen,

En langs een koorden ladder haar gaan halen;

De jonge minnaar ging daar juist op uit

En komt er daad'lijk dezen weg mee langs;

Zoo 't u behaagt, gij kunt hem licht betrappen.

Doch doe dit zoo behendig, beste vorst,

Dat niemand ooit vermoedt, dat ik het aanbracht,

Want liefde jegens u, geen haat voor hem,

Dreef mij, dit plan mijns vriends u te openbaren.

HERTOG. 'k Geef u mijn woord, hij zal het nooit vermoeden,

Dat gij mij een'gen wenk gegeven hebt.

PROTEUS. Vaarwel, mijn vorst; ik hoor hem daar reeds komen.

(Proteus af.)

(Valentijn komt op.)

HERTOG. Zoo, Signor Valentijn, waarheen zoo ijlings?

VALENTIJN. Vergun mij, uw Genade, een bode wacht,

Om brieven aan de mijnen mee te nemen,

En daarom haast ik mij hem die te brengen.

HERTOG. Zij zijn dus van gewicht?

VALENTIJN. Hun inhoud is alleen, dat ik gezond ben

En aan uw hof mij recht gelukkig voel.

HERTOG. Nu, dan geen haast, maar toef een wijl bij mij;

Ik heb u in vertrouwen 't een en ander,

Dat van nabij mij aangaat, mee te deelen.

't Is u niet onbekend, dat ik mijn dochter

Met Thurio, mijnen vriend, verloven wil.

VALENTIJN. Dit weet ik, heer; en, zeker, die partij

Waar' rijk en eervol; bovendien verdient

De man door ridderdeugd en eed'len aard

Ten volle een gade als uwe schoone dochter.

Heer, kunt ge in haar geen liefde tot hem wekken?

HERTOG. Volstrekt niet; ze is weerspannig, geem'lijk, nukkig, 68

Trotsch, stug, onwillig, zonder plichtsbesef;

Zij houdt niet in het oog, dat zij mijn kind,

En mij als vader eerbied schuldig is;

En, 'k wil 't u zeggen, dit trotseeren heeft--

'k Heb lang geweifeld--haar mijn liefde ontroofd;

En dacht ik vroeger 't overschot mijns levens,

Door hare kinderzorg verpleegd, te slijten,

Nu is 't mijn vast besluit, een vrouw te nemen;

En hààr mag houden, wie haar hebben wil;

En moog' haar schoonheid dan haar bruidsgift zijn;

Want mij, en wat ik heb, zij telt het niet.

VALENTIJN. Wat wenscht gij, vorst, dat ik in deze doe?

HERTOG. Er leeft een jonkvrouw hier in deze stad,

Die mij behaagt; doch, schuw en keurig, acht zij

Mijn oudemans-welsprekendheid als niets;

En daarom wensch ik u mij tot een raadsman,--

Want lang verleerde ik reeds mijn hof te maken;

Ook is 't gebruik veranderd na mijn tijd;--

Hoe ik het aan moet leggen, dat haar oog,

Haar zonnenoog, mij met haar gunst bestraal'.

VALENTIJN. Helpt spreken niet, zoo win haar door geschenken;

Een stom juweel heeft zwijgend redekunst,

En wint vaak, eer dan woorden, vrouwengunst.

HERTOG. Wat ik haar zond, versmaadde zij verstoord.

VALENTIJN. Een vrouw versmaadt soms, wat haar 't meest bekoort.

Zend haar iets anders, geef haar zoo niet op,

Want eerste smaad voert later liefde in top.

Blikt zij verstoord, 't is niet, dat zij u haat,

Zoo spoort ze u aan, dat gij geen rust haar laat.

En kijft zij, daarom zendt zij u niet heen,

Een vrouw wordt dol, houdt gij haar neen voor neen.

Laat u de deur niet wijzen, wat ze ook zegg',

Want zegt zij: "ga!" dan meent zij niet: "ga weg!"

Vlei, prijs haar, roem haar gaven; ziet zij zwart,

Verklaar toch, dat haar blankheid eng'len tart.

'k Zeg, heeft een man een tong, hij is geen man,

Als hem zijn tong geen vrouw veroov'ren kan.

HERTOG. Doch die ik meen beloofden haar verwanten

Reeds aan een jong en waardig edelman;

Zij wordt voor mannenomgang streng behoed,

Zoodat bij dag geen man haar naad'ren kan.

VALENTIJN. Welnu, dan zou ik haar bij nacht bezoeken.

HERTOG. De deur is toe, de sleutel goed bewaard,

Zoodat geen mensch haar 's nachts genaken kan.

Twee Edellieden van Verona · 第 30 / 77 题