Reeds vroeg in den morgen, kort nadat de zon was opgegaan, ontmoette
Raffles den biscuitfabrikant, om op diens jacht een ochtendvaart te
maken.
Het was verrukkelijk weer, toen Lord Lister en zijn secretaris met Mr.
Piek in gemakkelijke stoelen op het dek zaten.
Plotseling sprak Raffles, schijnbaar schertsend:
„Ik zou wel lust hebben, het Kanaal over te steken en in Londen te
dineeren. Hoeveel tijd hebt gij voor den overtocht noodig, Mr. Piek?”
„Wij kunnen bij dezen wind in zes uur over zijn!”
„All right!” antwoordde Raffles, „toon mij eens, of uw zeiljacht dat
kunststuk werkelijk ten uitvoer kan brengen en laten wij in Londen
dineeren.”
„Het zal mij een eer zijn, Excellentie, u in mijn huis te mogen
ontvangen.
„Gij hebt mij reeds eenige dagen geleden de belofte gedaan, mij te
zullen bezoeken. Ik zou, evenals mijne vrouw, zeer gelukkig zijn, u bij
ons te mogen ontvangen.”
Mr. Piek kon onmogelijk vermoeden, dat deze zeiltocht over het Kanaal
naar Londen een goed doordacht plan van Raffles was.
Want deze berekende, dat met de ochtendstoomboot, die zij aan den
gezichtseinder zagen opduiken, politie-inspecteur Baxter of Miss Prince
zou aankomen om hem in hechtenis te nemen. Hij had zich hierin niet
vergist.
Baxter was met eenige zijner beambten, toen hij het telegram van Zwarte
Betsy had ontvangen, dadelijk afgereisd en aan boord van de stoomboot
passeerde hij op eenigen afstand het pleizierjacht.
Voordat de Groote Onbekende des morgens het hotel had verlaten, had hij
Mr. Smithson een brief gegeven met de woorden:
„Ik verwacht met de ochtendboot eenige heeren uit Londen, waaronder een
zeer goed vriend van mij, een zekere Mr. Baxter. Wees zoo goed, hem
deze brief te overhandigen met verzoek, op mijn terugkomst te willen
wachten.”
Toen de inspecteur met Marholm en twee andere detectives de vestibule
van het hotel binnenkwamen en naar den directeur vroeg, kwam Mr.
Smithson hem reeds tegemoet en informeerde naar zijn wenschen.
„Is hier een zekere graaf Von Leutomischel, in gezelschap van een
anderen heer, afgestapt?”
Mr. Smithson antwoordde toestemmend.
„Ja, heb ik de eer, met Mr. Baxter uit Londen te spreken?”
„Kent gij mij?” vroeg de inspecteur op verbaasden toon.
Mr. Smithson maakte een buiging en sprak:
„Ik heb niet de eer, u persoonlijk te kennen, maar Zijne Excellentie,
graaf Von Leutomischel, deelde mij mede, dat gij een goede kennis van
hem zijt.”
„Een bijzonder goede kennis zelfs,” knikte de vloo, waarop Baxter hem
woedend aankeek.
„Houd uw opmerkingen voor u, Marholm!”
„Ik bevestig alleen, wat mijnheer zeide.”
Mr. Smithson begreep niets van deze woorden. En terwijl hij den brief,
dien Raffles hem had gegeven, te voorschijn haalde, sprak hij:
„Zijne Excellentie droeg mij op, u dit schrijven te overhandigen en u
te verzoeken, op zijn terugkomst te wachten.”
Hij gaf den inspecteur den brief en Marholm trapte zichzelf op zijn
gevoeligst eksteroog, om niet in lachen uit te barsten bij het verzoek
„de terugkomst van Raffles af te wachten.”
Baxter scheurde het couvert open en las:
„Mijn allerbeste inspecteur,
Ik hoop niet, dat gij er bij dit heerlijke weer spijt van hebt,
mijnentwege een pleiziertochtje naar Oostende te hebben gemaakt.
Daar gij ongetwijfeld over meer tijd te beschikken hebt dan ik,
kunt gij van uw verblijf in Oostende genieten. Gij kunt u van den
dienst afmaken door te zeggen, dat gij op de terugkomst van Raffles
hebt moeten wachten. Op deze wijze zult gij onbepaald verlof
hebben.
Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,