De directeur zette een woedend gezicht

„Zoo, zoo, spijt het u? Mooi, kom jij eens hier, Charly!”

De kellner, die het uiterlijk had van een lichtzinnig mensch, zwaaide

met zijn servet en naderde den directeur.

Deze hield ook hem zijn duim onder den neus.

„Misschien weet gij, wat hier op mijn duim ligt.”

„Jawel,” antwoordde Charly, „de nagel is niet al te best verzorgd. Gij

moet hem flink schuieren, directeur!”

„Zijt gij krankzinnig? Ik zal u straks eens bewijzen welk vuil het is!

„Juffrouw Betsy, misschien kunnen uw mooie oogen, die zich toch altijd

met alles bemoeien wat in het hotel gebeurt, nu ook zien wat hier aan

mijn duim zit.”

De zwartharige Betsy glimlachte spottend en antwoordde:

„Dat is uw duim, heer directeur.”

Eerst wilde de directeur een vloek als antwoord geven, maar hij

bedacht, dat hij met mademoiselle Betsy niet op zou schieten, daar hij

haar meerdere malen in de wangen had geknepen en zelfs reeds een kus

had gegeven.

„Mijn duim, zegt gij?

„Ik geloof u wel, heeren en het zou prettiger voor u zijn, als het

alleen mijn duim was, maar, kijk, daar—daar—daar—”

Hij hield nogmaals zijn duim onder den neus van zijn ondergeschikten.

„Er kleeft iets aan, wat nooit gevonden mag worden in de kamers van een

hotel, vooral niet in die van een voornamen gast, namelijk—stof!”

Zoowel de oberkellner als Charly en het kamermeisje keken ongeloovig en

als uit één mond riepen zij op verontwaardigden toon uit:

„Stof?”

„Ja, stof!” sprak de directeur, „en gij zijt er verantwoordelijk voor.”

„Pardon monsieur,” sprak de zwarte Betsy, „hier is sedert een uur

geleden, toen het telegram aankwam, vijf maal stof afgenomen.”

„Voor gewone menschen is dat voldoende, mademoiselle Betsy, maar waar

het dergelijke gasten betreft, neemt men niet vijfmaal, maar

onophoudelijk stof af.”

„Ezel!” mompelde Betsy in stilte, terwijl zij opnieuw op de meubelen

begon te wrijven.

„Hoeveel graden is het in de kamer?” vroeg de directeur den

oberkellner.

Deze keek op den thermometer in het salon en meldde:

„Zeventien graden Réaumur.”

„Te weinig! Laat de gaskachel branden, het moet 19 graden zijn.

„Laat mij nu uw vingers eens zien.”

De kellners trokken hun witte handschoenen uit en toonden den directeur

hun handen.

Deze bekeek ze vol aandacht door een lorgnet.

Vooral de vingers van Charly bevielen hem niet.

„Schuier uw handen flink!”

„Ik heb immers witte handschoenen aan,” verontschuldigde de kellner

zich.

„Hoe!” schreeuwde de directeur, „ik ben sprakeloos. Wascht gij soms uw

vingers in ’t geheel niet meer, omdat gij witte handschoenen draagt?

„Houd uw meening voor u en doe, wat ik u beveel.

„Stel u nu eens voor, dat ik de kamerheer, of liever de koning van

Servië was.

„Ik zal jelui leeren, hoe men zich tegenover vorstelijke personen

gedraagt. Gaat nu buiten de deur en wacht totdat ik bel.”

De kellners bogen en antwoordden: „Goed, directeur,” waarop zij

verdwenen.

De directeur nam bij de schrijftafel plaats en drukte op den knop van

een electrische bel.

Onmiddellijk openden de kellners de deur en snelden naar binnen.

„Wat beveelt Uwe Majesteit?”

Z. M. de koning van Servië, alias de hoteldirecteur Smithson keek

verontwaardigd en antwoordde op woedenden toon:

„Ezels, ik verlang niets!”

Beide kellners maakten een diepe buiging, antwoordden: „Uitstekend,

Majesteit!” en verlieten de kamer.

Reeds waren zij de deur genaderd, toen de directeur hun nabulderde:

„Mille tonnerres! Hier blijven!”

De kellners bleven staan en antwoordden: „Uitstekend, Majesteit!”

Als antwoord weerklonk een nog luider:

„Ezels!”

Nu werd het den oberkellner echter te machtig.

Hij wreekte zich door te vragen:

„Gebraden, gestoofd of levend?”

De directeur was sprakeloos. Zijn gelaat werd donkerrood van toorn.

„Ezels!” schreeuwde hij opnieuw, „maar geen gebraden, gestoofde of

levende. Jelui zelf zijt ezels!

„Men zegt niet „uitstekend” tegen een vorstelijk persoon. Men vraagt

een koning niet, wat hij wenscht. Dat vraagt men alleen aan ons, gewone

menschen, die niet weten wat zij willen. Koningen weten dat altijd.

„Begrepen?”

„Uitstekend!” antwoordde de oberkellner.

Op dit oogenblik kwam een piccolo binnen met het bericht:

„Een rijke Engelschman, Mr. Piek uit Londen, is met zijn jacht in de

haven aangekomen en wenscht u te spreken.”

„Bon,” antwoordde de chef en stond op.

Voordat hij de kamer verliet, sprak hij tot den oberkellner:

„Zorg er voor, dat Charly de noodige wenken krijgt, opdat hij weet, hoe

hij zich te gedragen heeft. Ook Miss Betsy. In plaats van Majesteit

moet gij den kamerheer aanspreken met Excellentie.”

De directeur verdween en de oberkellner nam aan de schrijftafel plaats

met een hoogmoedige uitdrukking op het gelaat en den neus in de hoogte.

Hij belde.

Dadelijk verscheen Charly en toen hij zag, dat de directeur was

heengegaan, sprak hij:

„Is de stommerik weg?”

„Zwijg!” barstte de oberkellner uit, „die stommerik ben ik nu zelf. Ik

moet hem vervangen en jelui de noodige bevelen geven. Noem mij aldoor

Uwe Excellentie.

„Breng mij voor alles whisky, soda en sigaretten.”

Een lachje van verstandhouding vloog over het brutale gezicht van den

kellner.

„Uitstekend, Excellentie, ik zal er voor zorgen.”

Hij maakte een buiging en ging heen.

Nu richtte de oberkellner zich tot Miss Betsy, die in de slaapkamer was

gegaan.

„Wat wenscht gij?” riep Betsy, terwijl zij op den drempel verscheen.

„Spreek mij aan met de woorden Uwe Excellentie,” antwoordde de

oberkellner. „Gij hebt toch zeker het bevel gehoord, dat Mr. Smithson

achterliet. Ik moet u eenige inlichtingen geven.

„Kom eens even hier in het salon.”

Zwarte Betsy verscheen, bekeek den oberkellner minachtend van het hoofd

tot de voeten en antwoordde:

„Wat zijt gij? Kamerheer? Gij bedoelt zeker kamerdienaar!”

„Brutale heks,” riep de oberkellner, „ik zal er voor zorgen dat gij

ontslagen wordt.”

„Pah!” lachte Betsy hoonend, „ik kan voor deze betrekking wel tien

andere terugkrijgen en er zijn gelukkig niet overal menschen met zulke

apengezichten als gij!”

Nu sprong de oberkellner op.

„Gij wilt mij weer tergen. Niemand anders zou zoo iets tegen mij durven

zeggen! Gij hebt het alleen te danken aan mijn liefde voor u, dat ik

dergelijke beleedigingen verdraag.”

„Dat is heel dom van u.”

De oberkellner ging vlak naast haar staan, zijn oogen vonkelden van

toorn.

„Gij denkt te gering over mij, Betsy! Ik zeg het u voor den laatsten

keer. Drijf mij niet tot het uiterste.

„Ik weet verscheiden dingen uit uw leven en onlangs—toen ik heel

toevallig—in uw kamer kwam—zooals ik zei—heel toevallig—zag ik daar een

armband liggen, die—hm!—hier een paar weken geleden op geheimzinnige

wijze aan een Engelsche dame ontstolen werd.

„En nu wil ik een kus van je hebben.”

Hij trachtte de Zwarte Betsy te omhelsen, maar het gelukte hem niet.

Voordat hij een tweede poging kon wagen, kwam de kellner binnen, een

flesch whisky, glazen en sigaretten meebrengende.

De Zwarte Betsy ging weer naar de slaapkamer, terwijl de oberkellner

zich een glas whisky inschonk.

Als een echte fijnproever dronk hij de whisky met langzame teugen uit

en sprak tot den wachtenden Charly:

„Het is goed, gij kunt gaan.”

De kellner lachte.

„Zegt gij dat als kamerheer?”

„Waarom?” vroeg de oberkellner, terwijl hij zich een tweede

hartversterking inschonk.

„Omdat ik ook een glas zou willen drinken.”

„Dat kunt ge later doen. Neem de flesch mee weg.”

De kellner deed wat hem bevolen werd, terwijl de oberkellner een

sigaret opstak.

Nauwelijks had hij eenige trekken gedaan, of Charly kwam haastig binnen

en riep uit:

„Pas op! Daar komt de baas!”

Snel begaf de oberkellner zich naar het balcon en wierp de sigaret op

straat.

Daarop deed hij al zijn best om met het servet den rook uit de kamer te

verdrijven.

Maar voordat dit hem was gelukt, trad de directeur, vergezeld door Mr.

Piek, binnen.

Dadelijk bemerkte Mr. Smithson den sigarettenrook.

Hij snoof eenige malen en vroeg toen:

„Wie heeft hier gerookt?”

De kellner maakte een buiging en antwoordde in plaats van zijn collega:

„Zijne Majesteit de koning van Servië.”

„Wie?”

„Of de kamerheer van den koning van Servië. Ik weet niet precies wat de

oberkellner voorstelt.”

„Hoe komt gij er toe, om hier te rooken?”

„Pardon, directeur, volgens uw bevel gaf ik Charly eenige wenken en

liet mij door hem helpen bij het aansteken van een sigaret, opdat hij

weet, hoe hij zich daarbij te gedragen heeft.”

„Verlaat de kamer!” beval de directeur en beide kellners gingen heen.

Nu wendde hij zich tot Mr. Piek.

„Zooals ik u reeds zei, Mr. Piek, ik heb helaas op het oogenblik de

kamers, die gij wenscht, niet disponibel.

„Zijne Excellentie de kamerheer heeft twee uur geleden deze vertrekken

voor zich doen reserveeren.”

„Prachtige kamers,” antwoordde Mr. Piek. „Ik ben een intiem vriend van

dezen kamerheer en door zijn voorspraak kreeg ik deze decoratie van den

koning van Servië. Ik ga op vriendschappelijken voet met hem om en ben

daar zeer trotsch op.

„Het verbaast mij, dat hij zoo weinig kamers bij u heeft besteld.

„Dergelijke hooggeplaatste personen zijn anders steeds gewend om een

heele rij vertrekken te huren, nl. een eetkamer, een slaapkamer, een

toiletkamer, een ontvangkamer, een conversatiekamer, een rookkamer en

een wachtkamer.

„Elke bediende zelfs maakt aanspraak op twee kamers—met aparte

badkamer—en closet.”

„Hoewel hij kamerheer is, is hij een spaarzaam mensch; hij zal met deze

vertrekken genoegen nemen,” antwoordde de directeur.

„Ik zal trachten, in het hotel de Paris onderdak te komen. Op mijn

jacht kan ik helaas niet slapen, want ik kan het schommelen niet

verdragen.”

Beide heeren verlieten de kamer en nauwelijks waren zij weg, of de

kellner trad weer binnen, luisterde eenige minuten aan de deur en sprak

toen tot Betsy, die ook weer was binnengekomen:

„Eindelijk zijn wij voor een paar seconden ongestoord.”

„Waarom luister je aan de deur?” vroeg Betsy.

De kellner knarste met de tanden.

„Die schurk, die spion, de oberkellner zit mij vandaag overal op de

hielen. Het is precies alsof hij ons wil bewaken.”

„Hij heeft mij gesnapt,” fluisterde Betsy, „hij heeft in mijn kamer den

armband met robijnen van Lady Walton gezien.”

De kellner werd doodsbleek.

„Heeft hij dat gezien?”

Zwarte Betsy knikte bevestigend terwijl de kellner op het tapijt

stampte en riep:

„Die kerel moet weg! Hij wordt gevaarlijk!

„Wij zullen het aan Gelen Tom vertellen, een messteek van Patt moet hem

onschadelijk maken.”

„Doe wat je goed vindt,” mompelde Betsy. „Wat denk je van dien

kamerheer?”

Charly haalde de schouders op.

„Denk je dat hij een collega van ons is, die hier zijn slag denkt te

slaan?”

„Een Londensche gauwdief.”

„Het zal hem niet gemakkelijk vallen. Sinds Raffles de politie

bezighoudt, is deze overal zeer waakzaam.”

„Misschien is het Raffles zelf.”

„Onzin,” sprak de kellner, „die blijft in Londen, daar is hij veiliger

dan in Oostende. Heb je belang bij den grooten onbekende?”

„Ik haat hem,” fluisterde zwarte Betsy.

„Het zal je niet veel geven,” lachte Charly, „Raffles is een geslepen

kerel, verstandiger dan wij allen met elkaar.

„Stil—daar komt iemand.”

Onmiddellijk stoven de twee uit elkaar.

Zwarte Betsy verdween in de slaapkamer, terwijl de kellner het salon

verliet.

Lord Lister No. 0034: De kamerheer van den Koning van Servië · 第 13 / 25 题