De directeur van hotel Continental te Oostende ging, vergezeld door den
oberkellner, den kellner Charly en het kamermeisje Betsy, het salon
binnen om te zien of alles in orde was.
Hij had uit Londen een telegram ontvangen, waarin een zekere graaf Von
Leutomischel, kamerheer van den koning van Servië, voor zich en zijn
vriend een salon, eetkamer en twee slaapkamers bestelde.
Met dergelijke gasten bemoeide zich de directeur zelf.
Terwijl hij zich tot den oberkellner wendde, sprak hij:
„Wanneer de kamerheer zich over iets beklaagt, of de bediening in eenig
opzicht zijn misnoegen opwekt, dan wordt gij, zoowel als de kellner en
het kamermeisje ontslagen. Waarschijnlijk komt de kamerheer, om het
hotel te inspecteeren voor een eventueel bezoek van den koning van
Servië.
„Ik draag u dus de grootste stiptheid en voorkomendheid op jegens deze
gasten en herhaal u, dat bij de minste klacht uw ontslag onmiddellijk
zal volgen.”
Met onderzoekende blikken bekeek de directeur de meubelen en veegde met
zijn duim over het mahoniehout van een salonkastje.
Daarop hield hij zijn duim onder den neus en hoewel hij eigenlijk niets
kon ontdekken, was het toch steeds zijn principe om zijn
ondergeschikten op fouten te wijzen.
Hij hield daarom zijn duim ook onder den neus van zijn oberkellner en
vroeg:
„Wat is dat, hè?”
De oberkellner boog zijn spitsen neus zoo diep mogelijk over den duim,
bekeek de huid, haalde de schouders op en antwoordde:
„Pardon, directeur, het spijt mij—”