MARHOLM.”

„Ziezoo,” sprak hij tot zichzelf, „nu ben ik tenminste voor een tijdje

van den bureaudienst af en behoef niet naar de scheldwoorden van mijn

patroon te luisteren.”

„Ik ben bereid om u te volgen,” sprak hij tot Miss Prince. „Wilt gij

mij vertellen, wat uw plan is?”

„Daaromtrent kan ik u geen inlichtingen geven,” antwoordde de

vrouwelijke detective, „ik houd er van om mij af en toe door het toeval

te laten leiden. Op die manier heb ik reeds de grootste misdadigers in

handen gekregen. En dat hoop ik ook in dit geval.”

„Gij zijt een uitzondering op den algemeenen regel,” sprak de vloo,

„wij zijn tegenwoordig allemaal op de Sherlock Holmes-manier afgericht.

„Wij beginnen met de stofjes, die in de lucht zweven, te onderzoeken,

om te zien of misschien de adem van den misdadiger daaraan kleeft.

„Dan wegen wij het, om daaruit zoo mogelijk het gewicht van den

misdadiger vast te stellen.

„Daarop photografeeren wij het corpus delicti en leggen het in onze

verzameling. Voordat het daar in komt, wordt het nog in was afgedrukt,

met roet ingesmeerd en door onzen scheikundige ontleed.

„Verder laten wij onze politiehonden het stofdeeltje langen tijd

besnuffelen en dan zijn wij, gewapend met alle hulpmiddelen, die de

wetenschap ons biedt, in staat om den misdadiger vast en stellig in

handen te krijgen.

„De premie, die op zijn persoon is uitgeloofd, wordt op de een of

andere Bank gedeponeerd en tegen vier procent uitgezet.

„Gij kunt u niet voorstellen, welk een enorm bedrag wij reeds op de

Bank hebben staan.

„Ik zou alleen wel eens willen weten op welke wijze de misdadigers zich

voor ons verborgen weten te houden, want wij krijgen geen enkelen in

handen.”

Miss Prince antwoordde niets.

Zij voelde de ironie, waarmede Marholm zichzelf en zijn collega’s

belachelijk maakte.

Intusschen had de vloo zich gereed gemaakt, legde het verzoek van Miss

Prince met zijn toestemmende beschikking op tafel, belde om een

sergeant-detective en stelde dezen als zijn eigen plaatsvervanger aan.

Toen de inspecteur een uur later weer in het bureau terugkwam, zat een

vreemde beambte op den stoel van zijn secretaris.

Hij beet dezen toe, wat hij daar moest doen.

„Bevel van den waarnemenden inspecteur,” sprak de sergeant, „om

secretaris Marholm gedurende diens afwezigheid te vervangen.”

„Vervangen? Wat beteekent dat? Waar is Marholm?”

„Weet ik niet,” antwoordde de detective.

Na zag Baxter het door Miss Prince geschreven verzoekschrift liggen en

de beschikking, welke Marholm had getroffen.

„Dat is een brutale streek,” barstte Baxter los, „nu heeft die kerel

eenvoudig verlof genomen, terwijl hier stapels werk liggen. Nu moet ik

dus alles alleen in orde maken, want die ezel daar heeft geen flauw

idee van ons werk.”

Marholm was met Miss Prince een restaurant binnengegaan en terwijl zij

ontbeten, begon de detective zijn gezellin de dwaaste

rooversgeschiedenissen te vertellen.

Hij maakte haar wijs, dat Raffles werkte met afstandsfotografie,

telegrafie en telefonie zonder draad, dat hij altijd wist, waar de

personen zich bevonden, die hem zochten en dat er niets bestond, wat

hem onschadelijk kon maken.

Des avonds begaven zij zich te zamen, nadat zij Londen den geheelen dag

hadden doorkruist, zonder een spoor van Raffles te vinden, naar een

schouwburg.

Miss Prince had gelijk gehad, toen zij beweerde, dat het toeval een

groote rol speelt in het leven.

Raffles en Charly Brand hadden plaats genomen in denzelfden schouwburg,

zaten in een loge en keken zoo vol aandacht naar het tooneel, dat zij

Marholm en Miss Prince niet zagen binnenkomen.

De eenige voorzorg, die zij genomen hadden, om niet te worden herkend,

was een baard.

De vloo herkende Raffles echter dadelijk.

Een vroolijk lachje gleed over zijn gelaat en een schelmsche

uitdrukking kwam in zijn oogen.

Hij was een grappenmaker en om die reden, ondanks zijn verdere

bekwaamheden, niets waard voor het beroep van detective.

Hij kon het niet helpen, maar hij zag de dingen altijd van een komische

zijde en als zij die niet hadden, rustte hij niet, voordat hij er toch

iets grappigs aan had ontdekt.

Miss Prince had Raffles niet gezien.

Maar in de volgende pauze zag de groote onbekende zoowel den detective

als diens vrouwelijke collega.

In het eerste moment wilde hij opspringen en den schouwburg verlaten.

Daarop echter zag hij, hoe Marholm hem met een lichte handbeweging

groette.

John Raffles beantwoordde den groet.

Van den detective had hij, zooals hij hieruit begreep, niets te

vreezen.

Lord Lister zag, hoe de vloo zich plotseling van zijn tafeltje

verwijderde en, nadat hij met zoekende blikken tusschen de rijen

stoelen was doorgeloopen, vlak bij zijn loge bleef staan.

Alsof hij het woord richtte tot een goeden kennis, keek Marholm naar

Raffles op en sprak:

„Een dame wenscht kennis met u te maken.”

„Ik weet het,” fluisterde Raffles, „ik verschafte mijzelf reeds

gisteren het genoegen, kennis met haar te maken, zonder dat zij het

wist.”

„Ik heb mij daarover kostelijk geamuseerd,” lachte Marholm. „Ik ga nu

naar het tafeltje terug en hoop, dat gij iets er toe zult bijdragen om

mij een beetje genoegen te verschaffen, want daarvoor leef ik op het

oogenblik.”

Raffles glimlachte met een blik van verstandhouding en Marholm begaf

zich naar zijn tafeltje terug.

Het volgende nummer, dat op het tooneel werd vertoond, interesseerde

Raffles levendig.

Een beeldhouwer stelde met levende modellen, die in wit tricot waren

gekleed en witte maskers en pruiken droegen, marmergroepen voor. Het

waren allerlei tooneelen uit de Grieksche mythologie.

Toen het nummer was afgeloopen, zei Raffles tot Charly Brand:

„Deze avond heeft de moeite wel geloond, ik heb een nieuw plan!”

Voor de volgende nummers interesseerde de groote onbekende zich niet

meer.

Hij nam zijn notitieboekje en daar hij een uitstekend

karikatuurteekenaar was, schetste hij met een paar krabbels Miss Prince

en schreef er onder:

„Als herinnering aan dezen avond groet u met de meeste hoogachting

John C. Raffles.”

Voordat hij den schouwburg verliet, gaf hij het briefje aan een der

beambten en verzocht hem, terwijl hij op Miss Prince wees, het briefje

aan de dame ter hand te stellen.

Door zijn tooneelkijker zag hij, op een grooten afstand staande, hoe

Miss Prince het briefje las.

John Raffles had zelden zoo’n verbluft gezicht gezien als dat van de

vrouwelijke detective, toen zij de karikatuur en het onderschrift

bekeek.

De vloo echter barstte in zulk een onbedaarlijk lachen uit, dat de

dichtstbij zittenden hem voor abnormaal hielden.

„Ik heb het u wel gezegd,” grinnikte Marholm. „Hij teekent zelfs uit de

verte. Bewaar het velletje maar goed, opdat gij in elk geval iets van

Raffles hebt. Hemzelf zult gij evenmin krijgen als inspecteur Baxter.”

„Ik bedank u voor uw verdere diensten,” siste Miss Prince woedend, „ik

merk wel, dat gij u te mijnen, koste amuseert. Gij gedraagt u jegens

mij, als collega, zeer beleedigend. Ik zal het spoor van den grooten

onbekende alleen volgen. Ik zweer u, zoo waar ik Miss Prince heet, dat

ik Raffles voor zijn brutaliteit zal straffen.”

„Nu, nu,” lachte Marholm „ik wensch u niets dan goeds toe, maar een

mensch moet niet te veel begeeren.”

Voor het theater nam hij afscheid en ging per rijtuig naar Scotland

Yard terug.

Daar trof hij den politie-inspecteur, die bij afwezigheid van Marholm

de acten in zijn eentje moest doorlezen.

„Zoo, mijnheer!” riep Baxter hem toe, „zijt gij daar eindelijk? Waar

zijt gij geweest?”

„Op uw bevel heb ik Miss Prince vergezeld.”

„Gij zijt gek! Ik weet niets van een dergelijk bevel. Ik neem mijn

woorden weer terug!”

„Wind u niet op, inspecteur, ik heb een onbetaalbare grap beleefd.

Verbeeld u:

„Ik was met Mis Prince in het specialiteitentheater en toen de

voorstelling was afgeloopen, bracht een der schouwburgbeambten een

velletje uit een notitieboekje, waarop Raffles een karikatuur van Miss

Prince had geteekend met het lichaam van een koe en een ezelskop. Een

prachtkarikatuur voor „Punch”, dat verzeker ik u!”

Nu moest zelfs Baxter lachen.

„Is dat werkelijk waar?”

„Zoo waar als Raffles leeft,” lachte de vloo, „het is een onbetaalbare

mop!”

Lord Lister No. 0034: De kamerheer van den Koning van Servië · 第 10 / 25 题