Hij sloot den brief in een couvert en schreef het adres:
Mr. PIEK,
Hofleverancier van Z. M. Koning Edward VII,
LONDEN,
Regentstreet 107.
Dezen brief gaf hij aan Charly Brand met de woorden:
„Je moet hem persoonlijk aan Mr. Piek overhandigen. Die man is
biscuitfabrikant, ziet er zelf uit als een biscuit en heeft evenveel
verstand als een dergelijk gebak. Ook deze eigenschap heeft hij met de
biscuits gemeen, dat hij zich dolgraag laat decoreeren. Hij houdt van
lintjes.
„Ik heb hem in Nizza leeren kennen en stelde mij aan hem voor als graaf
Von Leutomischel, kamerheer van Koning Peter van Servië.
„Nauwelijks had de man mijn naam gehoord, of hij vroeg mij op
vertrouwelijken toon of Servische ridderorden moeilijk te krijgen
waren.
„Ik maakte hem duidelijk, dat bij ons voor geld alles te krijgen was.
Natuurlijk mits men de goede bronnen kent. Als een dergelijke bron heb
ik mij bij hem aanbevolen.
„Hij vroeg mij toen naar den prijs en ik was reeds van plan, hem een
olifantsorde aan te smeren, toen andere bezigheden mijn gedachten in
beslag namen.
„Nu moet hij aan een olifantsorde gelooven.”
Charly Brand verliet zijn gemakkelijken stoel en maakte zich gereed om
uit te gaan.
„Ga je mee naar Londen?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „ik moet in een winkel van ordeteekenen een
prul koopen, waarmee die kerel zich kan gaan opsieren.”
Een half uur later zaten zij samen in den trein.
Toen zij in Londen waren aangekomen, spraken zij af om elkaar te
ontmoeten in het „Lissabonhotel”.
Terwijl Charly Brand den hofleverancier opzocht, deed Raffles zijn
inkoop in de zaak, waar ordeteekens en namaaksels daarvan te verkrijgen
waren.
Het toeval wilde, dat verscheiden hooge decoraties in den winkel
voorradig waren en Raffles kocht er eenige.
Daarop ging hij te voet langs het Strand, deed nog een paar kleine
inkoopen en trad na een wandeling van een uur de vestibule van het
„Lissabonhotel” binnen.
Charly Brand wachtte reeds op hem.
„De man wilde mij volstrekt niet laten gaan. Ik heb nog nooit een
dergelijk individu aangetroffen. Hij ziet er werkelijk uit als een
biscuitman.”
„Je zult bijna altijd zien, mijn beste Charly, dat men aan de menschen
kan zien, welk beroep zij uitoefenen en waarvoor zij geschikt zouden
zijn.
„Wanneer komt Mr. Piek?”
„Hij zal precies om zes uur hier zijn.”
„Mooi, dan hebben wij nog vier uur den tijd. Jij kunt op je gemak naar
huis rijden en je voor het diner kleeden.”
„En wat ga jij intusschen doen?” vroeg Charly Brand.
„Een paar visites maken. Misschien ook ga ik naar de Opinion-Club, om
wat antiquiteiten te bewonderen.
„Haast je, opdat je op tijd terug bent.”
Zij namen afscheid van elkaar en tegen vijf uur betrad Raffles het
hotel opnieuw, bestelde een chambre séparée en een diner voor drie
personen.
Tevens gaf hij den portier bevel, om de heeren, welke naar den graaf
Von Leutomischel zouden vragen, bij hem te sturen.
Hijzelf verliet het hotel nog eens om eenige orchideeën te koopen,
waarvan hij dolveel hield.
Gedurende zijn afwezigheid kwam Charly Brand, vergezeld door een dame.
Hij liet zich naar de kamer brengen, die voor Raffles gereserveerd was
en welke met een klein zijvertrek verbonden was, hielp zijn schoone
haar avondmantel afdoen en vroeg den kellner:
„De graaf is nog niet hier, zooals ik zie. Liet hij een boodschap
achter?”
De kellner boog beleefd en antwoordde:
„Neen, baron, maar mijnheer de graaf kan elk oogenblik komen.”
Hierop wendde de dame zich tot den kellner met de vraag:
„Ik zou gaarne mijn haar wat willen in orde brengen, waar kan ik hier
een spiegel vinden?”
In het salon, welks wanden met gobelins bedekt waren, was geen spiegel
voorhanden.
De kellner bracht de dame naar een ander vertrek.
Charly Brand nam plaats en stak een sigaret aan.
Het salon, waarin hij zich bevond, lag naast de groote eetzaal, welke
men moest doorgaan om in het salon, dat Raffles had besproken, te
komen.
Charly Brand had nog slechts eenige halen aan zijn sigaret gedaan, toen
de deur geopend werd en Raffles binnenkwam.
Charly, die was opgestaan om hem te begroeten, kreeg slechts een
handbeweging als antwoord en de secretaris zag, hoe zijn vriend de deur
op een kier liet staan en hierdoor in de eetzaal keek.
„Wat is er?” vroeg hij op zachten toon.
Raffles stampte toornig met zijn voet op den grond en fluisterde:
„De duivel moge die vrouw halen! Zij is in de eetzaal en zou in staat
zijn om de muizenval, waarin ik mij bevind, dicht te klappen en mij
gevangen te nemen.”
Charly Brand was zenuwachtig geworden.
„Wie is daar? Verklaar je duidelijker!”
„Ik geloof niet, dat zij mij herkend heeft.”
„Wel! Dan behoef je ook geen gevaar te vreezen. Wie bedoel je
eigenlijk?”
Raffles sloot de deur.
„Ik bedoel Miss Ethel Prince, die fijnste speurhond van alle
Amerikaansche detectives.
„Zij zit daar in de zaal te dinereen. Waarschijnlijk logeert zij ook in
dit hotel.”
„Is dat de vrouwelijke detective”, vroeg Charly, „die gedurende de
laatste jaren in Amerika zoovele internationale misdaden heeft
opgehelderd?”
„Ja”, fluisterde Raffles. „Zij is knapper dan al haar mannelijke
collega’s. Het is een soort manwijf.”
Lord Lister trok zijn overjas uit en ontdekte nu den avondmantel der
dame, welke in Charly’s gezelschap was.
Verschrikt riep hij uit:
„Duivel, wat beteekent dat?”
Charly Brand glimlachte.
„De avondmantel van mijn vriendin, een bekoorlijke Française,
Mademoiselle Betsy.”
„Dat is iets nieuws voor mij”, meende zijn vriend, de wenkbrauwen
fronsend. „Sinds wanneer heb je die relatie?”
„Ik leerde Betsy eenige weken geleden in het Lyceumtheater kennen.
Toevallig ontmoette ik haar op weg naar het hotel en verzocht haar, den
avond met mij door te brengen.
„Ik denk, dat zij jou welkom zal zijn, zij babbelt verrukkelijk en zal
ons op de aangenaamste wijze bezighouden.”
„Ik zou je dat genoegen graag gunnen, als wij geen zaken hadden te
verhandelen, mijn beste jongen.”
„Je zult niet meer zoo boos kijken, als je haar ziet. Zij maakt een
weinig toilet, want zij is een beetje ijdel.
„Hier in dit medaillon heb ik een kleine photo van haar.”
Charly Brand peuterde van zijn horlogeketting een zwaar, gouden
medaillon los en gaf dit aan Raffles.
Nauwelijks had deze het portret gezien, of hij vroeg op gejaagden toon:
„Donker haar en donkere oogen?”
„Ja zeker!”
„En op de linkerwang een kruisvormig litteeken?”
„Juist”, sprak Charly Brand met verbaasde gelaatsuitdrukking. „Je
schijnt haar te kennen. Zij koketteert met dat kruisvormige litteeken
en draagt een „tâche de beauté” er middenop.”
Raffles dempte zijn stem tot een zacht gefluister en sprak:
„Ik ken haar uitstekend. Een avonturierster.”
„Een avonturierster?”
„Ja en een gevaarlijke slang. Dat litteeken op de rechterwang is haar
toegebracht door misdadigers met wie zij samen heeft gewerkt en welke
zij daarna heeft verraden.
„Het is een teeken om elken ingewijde te waarschuwen, zich met haar te
bemoeien.
„Zij is voor haar geheele leven gebrandmerkt en al draagt zij ook een
zwart pleistertje op het litteeken, voor een deskundige kan zij het
toch niet verborgen houden.”
Nu werd Charly Brand zenuwachtig.
„Hoe ken je haar?”
Raffles haalde de schouders op.
„Door mijn beroep.
„Jaren geleden was zij, toen ik haar leerde kennen, in dienst van een
Russisch grootvorst, wiens vijanden zij vol ijver opspoorde. Daarna
werd zij Nihiliste en stal telegrammen en documenten, die voor den
Czaar bestemd waren, van een Engelschen koerier.
„Eenigen tijd later werd zij de beminde van een Oostenrijksch
bankdirecteur, speelde valsch in Monte Carlo, werd het land uitgezet,
kwam te Parijs en belandde in de laagste misdadigerskringen. Voor haar
verraad kreeg zij dat gekruiste litteeken en eindelijk kwam zij naar
Londen terug als internationale oplichtster.”
„Vergeef mij”, sprak Charly Brand, „ik vermoedde niets van het
gevaarlijke karakter dezer vrouw. Ik hield haar voor een voorname
dame.”
„Onschuldig als een duifje”, voegde Raffles er aan toe. „Zij moet zich
in acht nemen, de duivel heeft het zoo beschikt, dat jij kennis met
haar moest maken. Nu moeten wij zorgen, de zaak op de goede manier te
tracteeren.”
Een geluid in het kleine zijvertrek deed hen beiden opkijken.
De oplichtster trad binnen.
Op het oogenblik, waarin zij Raffles zag, verdween het kokette lachje
en haar gelaat drukte grooten schrik uit.
Charly Brand ging haar tegemoet en sprak:
„Gij staat mij zeker toe, Miss Betsy, dat ik u aan mijn vriend, graaf
Von Leutomischel, voorstel, kamerheer van Zijne Majesteit den Koning
van Servië.”
Miss Betsy wierp een korten, onderzoekenden blik op Raffles.
Koud en trotsch beantwoordde Lord Lister dien.
Daarop sprak Miss Betsy:
„Gij hebt carrière gemaakt, mijnheer, het verheugt mij, dat het u goed
gaat. Het was jammer, dat gij twee jaar geleden Monte Carlo zoo opeens
hebt verlaten.”
Een spottend lachje speelde om Raffles mond.
„De speeltafel is evenals de schoonheid van een kokette vrouw een
voorbijgaand genoegen voor een gentleman. Het is onmogelijk, zich met
deze zaken lang bezig te houden.”
In Miss Betsy’s oogen fonkelde een blik van haat.
„Gij drukt u op beleedigende wijze uit, mijnheer.”
„In hoeverre, Madame? Het groene laken en de roode schmink hebben
merkwaardig veel overeenkomst. Alleen dwazen hopen op geluk; zij zien
den gapenden afgrond niet.”
Zij krulde vol trots de lippen.
„Het verbaast mij, dat gij dergelijke dingen tot mij zegt. Wij zijn
immers beiden internationaal!”
John Raffles wierp met een blik vol minachting het hoofd in den nek en
bekeek haar van het hoofd tot de voeten.
„Internationaal? Hoe bedoelt gij dat?”
Zij lachte hoonend.
„Hoe ik dat bedoel? Dacht gij, dat ik zoo lang uit Londen weg was
geweest, dat ik niet meer wist, wat hier voorvalt?
„Misschien hebt gij in de couranten wel eens van een zekeren Raffles
gelezen?”
Lord Lister haalde zijn met briljanten bezet sigaretten-étui te
voorschijn, nam er een sigaret uit en stak die aan.
„Natuurlijk! Ik lees dikwijls in de nieuwsbladen over den Grooten
Onbekende. Men leest er immers zoo veel van. Zoo herinner ik me ook,
een jaar geleden te hebben gelezen, dat in Petersburg een
schandaalgeschiedenis voorviel met de beminde van een Russischen
grootvorst.”
John Raffles sprak deze woorden langzaam en met bijzonderen nadruk.
Hij zag, dat de bedriegster bij de laatste woorden, welke op haar
doelden, verbleekte.
„De grootvorst was zoo onvoorzichtig geweest”, vervolgde Lord Lister,
„om zijn geliefde het mechaniek van zijn brandkast uit te leggen. Zij
maakte hiervan misbruik, vluchtte en werd Nihiliste.”
De avonturierster trachtte haar ontroering te verbergen achter een
lachje.
John Raffles deed, alsof hij dit niet merkte en vervolgde:
„En een poosje geleden hoorde ik in Parijs, dat de vroegere maîtresse
van den grootvorst gedaald was tot een gewone bedriegster en zichzelf
redde door eenige makkers te verraden aan den prefect van politie der
stad Parijs, den heer Lépine.”
„Zwijg!” siste Betsy, die nu haar zelfbeheersching geheel verloren had.
„Ik geloof, dat gij dergelijke verhalen niet gaarne hoort, maar het
slot van een geschiedenis, welke ik u nog zou kunnen vertellen, draagt
gij zelf op uw linkerwang, het kruiselingsche litteeken van een
messnede, die uw makkers u toebrachten als loon voor uw verraad.”
De oogen der bedriegster waren met een uitdrukking van gloeienden haat
op den spreker gevestigd.
„Gij schijnt u ten mijnen koste te amuseeren. Ik denk echter, dat gij
niet verstandig handelt, mij op vijandige wijze tegemoet te treden. Ik
kan u uit de couranten veel interessanter dingen meedeelen omtrent
Raffles, dan gij van die dame vertelt.”
„Gij behoeft mij niets te vertellen, want ik ken de daden van Raffles
beter dan de couranten. En den inspecteur van politie moet gij er ook
maar niet over spreken, want die is volkomen op de hoogte. Maar van u
weet de politie-inspecteur niets.”
De oplichtster stampte woedend met haar voet op den grond.
„Neem u in acht! Het zou kunnen zijn, dat de couranten morgen konden
berichten, dat John Raffles eindelijk gevangen is genomen. Misschien
kent gij Miss Prince?”
„O ja,” lachte de Groote Onbekende, „die ken ik heel goed. Ik geloof,
dat zij hiernaast in de eetzaal soupeert.”
„Aha! Hebt gij dat ook al gemerkt? Tot dusverre is nog niemand, dien
zij in handen wenschte te krijgen, haar ontsnapt.”
„Daarom is zij zoo verstandig”, spotte Raffles, „om haar roem te
handhaven en zich niet met mij te bemoeien. Overigens, als gij kennis
met de dame wenscht te maken, zou het mij zeer aangenaam zijn, als gij
dit vertrek, dat ik heb besproken, verliet. En als gij Raffles wilt
leeren kennen, dan moet gij zoeken, waar hij zich bevindt.”
Een ironisch „Pah!” weerklonk.
„Gij kunt mij niet bedriegen, gij zijt Raffles! Gij hebt het immers
zelf toegegeven.
„Indertijd in Nizza droegt gij geen zwarten baard, zooals nu. Engelsche
detectives zouden u niet herkennen. Maar wij, internationalen, hebben
een fijneren neus. Men moet den dief met den dief vangen, Mr. Raffles!”
„Ik wensch u veel geluk”, sprak Raffles met een buiging.
Opnieuw weerklonk een hoonend lachje uit den mond der jonge vrouw.
„De premie, uitgeloofd op uw persoon, bedraagt nog altijd 5000 pond
sterling. Een flinke som, waarvan men een geruimen tijd een gemakkelijk
leventje kan leiden.
„Maar ik wil bescheiden zijn. Ik zou gaarne uw vriendin worden. Ik zal
den avond met uw doorbrengen en gij moet mij als belooning voor mijn
stilzwijgen een cheque van 1000 pond sterling geven. Ik denk toch, dat
dat goedkoop is in de onmiddellijke nabijheid van Miss Prince.”
„Zeker, zeker,”, antwoordde Raffles, „ik zal de cheque zelfs verhoogen
tot een bedrag van 2000 pond sterling. Maar in allen ernst gesproken,
dacht je werkelijk, kleine avonturierster, dat je je met Raffles zoudt
kunnen meten?”
„Gij ziet, dat ik het aandurf. Een woord van mij in de eetzaal en gij
zijt in de macht der detective.”
„Drommels, Madame”, mengde zich Charly Brand nu in het gesprek, „als ik
had geweten, met welk persoontje ik kennis heb gemaakt, dan had ik u
nooit in gezelschap gebracht van mijn vriend.”
„Dat was mijn bedoeling”, antwoordde Miss Betsy. „Zonder dat gij het
wist, kende ik u als de vriend van dien gentleman daar. Een gelukkig
toeval kwam mij te hulp, om kennis met u te maken.”
Op dit oogenblik speelde een Zigeunerkapel in de eetzaal een
Hongaarschen dans.
Charly Brand zag tot zijn verbazing, dat Raffles plotseling de
rhythmische bewegingen van den dans maakte.
„Heerlijk!” riep de Groote Onbekende daarbij uit, „mijn lievelingsdans!
Laat ons gesprek rusten—heerlijk—kent gij dezen dans, Miss Betsy?
„Kom—probeer hem eens—laat ons vrienden worden.
„Neem de rechterhand der dame!”
Charly Brand, die gewend was elk bevel van Raffles te gehoorzamen,
greep de rechterhand der bedriegster, terwijl Raffles haar linkerarm
beetpakte.
Vol verbazing keek zij naar den dansenden Raffles.
Zij begreep hem niet—was dit slechts comedie of wilde hij werkelijk
vriendschap met haar sluiten?
Plotseling echter ging haar een licht op.
Raffles had een zakdoek uit zijn jas te voorschijn gehaald en drukte
haar dien met een bliksemsnelle beweging in den mond, zoodat zij
onmogelijk kon schreeuwen, greep daarop haar armen en hield die vast,
als in een schroef.
Daarop riep hij tot Charly Brand:
„Neem uit mijn vestzak het fleschje met chloroform—zij moet verdoofd
worden.”
Charly Brand deed het, bevochtigde den zakdoek en legde dien op het
gelaat der bedriegster, die op den grond lag.
Het duurde slechts eenige minuten of zij was bewusteloos.
Nu nam Charly Brand een stuk touw en bond de armen en beenen der
avonturierster stevig vast.
„Hoelang zal zij bewusteloos blijven?” vroeg hij zijn vriend.
„De eerste twee uur is zij onschadelijk. Een gevaarlijke slang! Kom,
laten wij haar nu in de zijkamer brengen.”
Zij namen de bewusteloze op en droegen haar weg.
Het was geen minuut te vroeg, want juist diende de kellner Mr. Piek
aan.
„Ah! Goeden avond, goeden avond!” riep de corpulente hofleverancier,
terwijl hij zijn biscuitkleurig gelaat tot een beminnelijken glimlach
vertrok. „Ik ben zeer verheugd, mijn waarde kamerheer, u hier in Londen
te mogen begroeten.
„Ik geloofde mijn oogen niet, toen ik uw brief ontving. Ik ben zeer
gelukkig, de eer te hebben, den avond met u te kunnen doorbrengen.”
„Mijn tijd is helaas zeer beperkt”, sprak Raffles. „daar ik vannacht
naar den hertog van Norfolk moet afreizen.”
Bij het hooren van dezen naam keek de biscuitman zijn gastheer vol
eerbied aan.
Hij had een belachelijk gevoel van onderdanigheid en respect jegens
alle voornamen in de maatschappij.
Hij had zich versierd met alle orden, die hij bezat, en vol welgevallen
keek hij af en toe naar de rij schitterende sterretjes.
Raffles bood den hofleverancier een zetel aan en weldra bediende de
kellner hen op de geruischlooze, gedistingeerde wijze der welopgevoede
zwartrokken.
Het gesprek liep aanvankelijk over onverschillige onderwerpen, hoewel
Raffles het aan zijn bezoeker merkte, dat deze brandde van verlangen om
iets te vernemen omtrent de eventueel uit te reiken orden.
Maar Raffles had geen haast.
Eindelijk, toen het korte, maar uitgelezen diner beëindigd was, haalde
Raffles een etui uit zijn zak te voorschijn, opende het en toonde, zijn
bezoeker verscheiden, met juweelen bezette, ordeteekenen.
„En nu zullen wij eens over zaken spreken”, stelde hij voor.
„Deze drie orden hebben verschillende prijzen.
„Voor de voornaamste ervan moet gij mij een cheque van 500 pond
sterling geven, terwijl de andere twee voor de helft te krijgen zijn.”
Begeerig blikten de oogen van den fabrikant naar de zoozeer verlangde
voorwerpen en, terwijl hij met bevende handen naar het etui greep,
vroeg hij:
„Is het veroorloofd, de orden van naderbij te bekijken?”
„Zeker, zeker”, antwoordde Raffles.
Raffles en Charly wisselden een ironischen blik.
Een diepe zucht ontsnapte eindelijk aan de lippen van den
biscuitfabrikant.
„Zou het mogelijk zijn, graaf, dat ik deze orden alle drie in mijn
bezit kreeg?”
Raffles glimlachte.
„Indien uwe geldmiddelen het u veroorloven, dan zeer zeker. Wij hebben
geld noodig om ons leger tot het sterkste van geheel Europa te maken.”
„Ik begrijp u, ik begrijp u,” antwoordde Mr. Piek, „Dan neem ik ze alle
drie.”
„Allright,” sprak Raffles, „wees zoo goed, mij uw checque te geven.”
De kellner moest pen en inkt brengen, daar de hofleverancier geen
vulpenhouder bij zich had en Raffles kreeg de checque over een bedrag
van 1000 pond sterling.
Nu nam Mr. Piek de ordeteekenen uit het etui en hechtte ze op zijn
borst vast.
Trotsch als een pauw liep hij de kamer eenige malen op en neer en tot
Charly Brand sprak hij:
„Prachtig, nietwaar? Prachtig!”
„Magnifique!” riepen Raffles en Charly als uit één mond.
„Ja,” lachte de biscuitfabrikant, „men moet voor zichzelf iets
overhebben. Als ik van adel was, dan zou ik dit niet noodig hebben.
Maar op deze manier maak ik mijzelf voornaam, wat minstens gelijk staat
met een adellijken titel.”
Hij wees met zijn vinger, die van juweelen vonkelde, naar zijn borst.
„Ziet gij—” hij wees naar zijn schouder, waarvan een gekleurd lint
afhing, veel gelijkende op de schouderlinten, waarmede zich, in
navolging der militairen in Duitschland de landelijke bevolking
tooit—„dit is de Japansche orde van het roode kruis. Het is een
onderscheiding, die ik voor mijn opofferenden moed in den
Russisch-Japanschen oorlog kreeg.”
Charly Brand keek op.
„Hebt gij den veldtocht meegemaakt in het Japansche leger?”
„Dat niet,” antwoordde Mr. Piek, „maar ik schonk aan de afdeeling van
het Roode Kruis een wagonlading biscuits, waarvoor men mij uit
erkentelijkheid decoreerde. De heele zaak kostte mij niet meer dan 10
pond. Een schitterend effect, nietwaar?”
„Natuurlijk!”
„Ja, weet gij en omdat die orde zoo goedkoop was, liet ik
tegelijkertijd een zelfde exemplaar komen voor mijn vrouw. Ik zeg u,
het staat ontzettend gekleed bij een avondtoilet.”
„Jammer,” sprak Raffles, „als ik geweten had, dat uw vrouw ook waarde
hecht aan een decoratie, dan had ik haar uit Belgrado onze orde voor
deugd en schoonheid medegebracht.”
„Misschien wilt gij mij die zenden,” sprak de hofleverancier, „gij weet
niet, hoe gelukkig gij mij daarmede zoudt maken.”
„Gij moet mij niet kwalijk nemen,” antwoordde John Raffles na eenige
oogenblikken opstaande, „maar mijn tijd is beperkt, ik moet Londen met
den trein van elf uur verlaten.”
„Ik zou u een vriendelijk verzoek willen doen,” smeekte Mr. Piek bij
het afscheid.
„En dat is?”
„Verschaf mij de eer op uw terugreis door Londen bij mij te komen
dineeren.
„Mijn huis is bekend als een der mooiste van geheel Londen.
„Als gij belang stelt in schilderijen, mijnheer de graaf, ik ben in het
bezit van verschillende werken van Rubens, Rembrandt en andere
meesterstukken. Ook heb ik uit de nalatenschap van koning Lodewijk van
Beieren het volledige gouden tafelservies gekocht; ik bezit de
kostbaarste meubelen, tapijten en gobelins. Gij moet mijn huis leeren
kennen.”
„Ik zal gaarne gebruik maken van uw uitnoodiging,” antwoordde John
Raffles, „want ik interesseer mij voor dergelijke dingen.”
„De inrichting van mijn huis kost mij meer dan honderdduizend pond
sterling. Die inrichting zou mij bezwaren, ik zou te eenvoudig zijn
voor al die kostbaarheden, als ik niet verscheiden decoraties had.
„Dus ik mag erop rekenen, dat gij mij komt bezoeken?”
Raffles reikte hem de hand en sprak:
„Ja, ik zal u bezoeken, daar kunt gij vast op rekenen!”
„Sta mij dan toe, dat ik heenga. Een voorspoedige reis, heer graaf. Gij
zult in mij steeds uw dienstwilligen dienaar vinden. Deel Zijne
Majesteit, den koning van Servië mede, dat ik, Mr. Piek, hofleverancier
van Zijne Majesteit den Koning van Engeland, bezitter der hoogste
decoraties, voor het Servische volk mijn goed en bloed veil heb. Een
bewonderenswaardig volk!”
Onder herhaalde handdrukken vergezelde Raffles den fabrikant tot aan de
deur en toen hij deze weer had gesloten, sprak hij tot Charly Brand:
„Ik zal inderdaad eens een kijkje gaan nemen in de woning van dien man.
Ik zou nooit hebben gedacht, dat er zooveel geld te verdienen valt met
biscuits. Als ik niet Raffles was, ik zou biscuitfabrikant willen zijn.
„Ik denk, dat het nu tijd is om op te breken. Maar eerst zal ik onze
kleine vriendin hiernaast van haar boeien ontdoen. Ik denk, dat deze
les haar zal heugen.” Hij begaf zich naar de kleine toiletkamer, waar
de avonturierster nog steeds bewusteloos op den divan lag en sneed met
een scherp mes de touwen door.
Daarop keerde hij in het salon terug.
Hier betaalde hij den kellner het diner.
De rekening bedroeg 6 pond.
Een pond gaf hij als fooi.
Daarop sprak hij, terwijl hij de deur naar de eetzaal opende en naar
miss Prince wees, die daar nog steeds zat:
„Hier hebt gij een briefje in een couvert. Geef dat aan die dame, daar
aan dat tafeltje, maar niet voordat ik weg ben.
„En de jonge dame, die hiernaast op den divan ligt te slapen, moet gij
nog een poosje laten rusten.”
De kellner maakte een buiging en Raffles ging heen.
Hij ging vlak langs het tafeltje van Miss Prince en op luiden toon
sprak hij tot Charly Brand, zoo dat de dame het kon hooren:
„Eigenaardig, wat voor een boonestaken van vrouwen er toch in de wereld
zijn. Ik zou niet graag in gezelschap van zoo eentje soupeeren.”
Miss Prince keek hem met woedende blikken aan.
„Bedoelt gij mij soms, vroeg zij op scherpen toon.
„Pardon, Miss Prince,” antwoordde Raffles, „gij schijnt niet goed
verstaan te hebben.”
Hij nam zijn hoed af en verliet de eetzaal.
Verbaasd keek de vrouwelijke detective hem na.
Wie kon dat geweest zijn?
Zij kende dien heer niet.
Daar naderde de kellner haar en overhandigde haar het hem door Raffles
gegeven couvert.
Haastig scheurde zij het open en las:
„Miss Prince!
Gij zijt geen detective. Gij hebt te lang werk om te dineeren.
Groet den inspecteur van politie Baxter van mij. Gij zoudt
verstandig doen, te trouwen en op uw lauweren te gaan rusten.
Ik groet u met dezelfde hoogachting, die ik heb voor den
politie-inspecteur Baxter.