Wie zien noch hooren wil

Dien helpt geen hoorn of bril.

LXXX.

Al te goed, is buurmans gek,

Al te mild, dat geeft gebrek,

Al te wijs, dat koldert ras;

't Beste, dat is: net van pas!

LXXXI.

Wie altijd voor bedriegers vreest

Bedriegt zich zelven 't allermeest.

LXXXII.

Berouw te hebben is een kostlijk ding;

Maar 'k zeg toch, zoo 't aan mijn gevoelen hing,

't Niet nóódig hebben, is nog beter ding!

LXXXIII.

Waar iemand gaarne wezen woû

Daar trekje 'em aan een haartje heen;

Waar iemand heen moet ontevreên,

Daar krijgje 'em met geen kabeltouw.

LXXXIV.

Plêzier, och! wilt het niet vergeten,

Plêzier, mijn kind! is specerij....

En 'k bidje, lievert! zeg het mij,

Wie enkel specerij kan eten?

LXXXV.

Verboden kost, in d'aanvang zoet,

Smaakt op het laatst als enkel roet.

LXXXVI.

Al hebt ge lang de school begeven

Neem dankbaar goede lessen aan:

Wie wijs is, zal graag héél zijn leven

Bij wijzer liên ter schole gaan.

LXXXVII.

Bemin wie U ten goede leîen

Al grijpen ze wat straf uw hand;

Maar o, mistrouw hen, die u vleien....

't Is eigenbaat of onverstand!

LXXXVIII.

Staal, is steviger dan hout,

Zilver, edeler dan staal,

Goud, het duurst van allemaal....

Deugd, is kostlijker dan Goud!

LXXXIX.

Weet ge niet, dat ieder uur zijn plagen,

Ieder uur zijn vreugde heeft?

Daarom leer genieten en verdragen

Kindren! zoo als God het geeft!

XC.

Denkt, Lieven! als zorg u het harte vervult,--

Geen beter remedie voor leed zonder schuld,

Dan Geduld!

XCI.

De wortel heet tevredenheid,

De takken heeten stevigheid,

De bloesems heeten lieflijkheid,

De vruchten heeten zaligheid:

De heele boom heet Matigheid.

XCII.

Een diamant

Viel in het zand....

Maar bleef toch steeds een Diamant.

XCIII.

Een windvlaag droeg een korrel zands omhoog

Naar 's hemels boog....

Maar 't bleef toch Zand, ook daar omhoog.

XCIV.

Een leelijkert zag zich in spiegelglas

En brak het ras....

Gelooft ge, dat de vent toen mooijer was?

XCV.

Wanneer gij rijdt op gladde baan

En iemand struikelt u ter zij,

Die hartlijk graag weer op wou staan,

Rijd niet meêdoogenloos voorbij!

En... bindt meteen Uw schaats wat aan.

XCVI.

Verborgen is het lot

Dat ons op aarde wacht:--

Maar altijd ligt het in de hand van God!

XCVII.

Wat u de Heer

Op aard moog' geven,

Geef gij Hem eer

In woord en leven.

XCVIII.

Och kon men aan het eind van 't leven

Oprecht ons het getuignis geven:

"'t Waar jammer, was hij weggebleven!"

XCIX.

Onze kennis hier vermeêren

Voegt aan Jeugd zoowel als Grijsheid,

Maar uw vreeze, Heer der Heeren,

Is 't beginsel aller Wijsheid!

C.

Knap werkvolk zal zijn Meester niet beschamen.....

Och, of we eens met dien lof voor 't oog des Heeren kwamen;

Amen!

AANTEEKENINGEN

[1] Al de versjes, die zulk een sterretje vóór zich hebben, zijn

hier voor de éérste maal gedrukt en stonden dus niet in de vroeger

uitgegeven Bundels.

[2] Noen: middag.

Al de Kinderliederen · 第 5 / 5 段