DERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma afscheid nemen van m'nheer en

mevrouw Przlwitz en door 'n motordefect ergens terecht komen waar

ze liever niet waren.

Mevrouw Przlwitz had de jongens om zes uur gewekt door heel hard op

de deur te bonzen. Ze had 't eerst zachtjes gedaan maar daar hadden

ze maling aan en m'nheer Przlwitz vond dan ook, dat voor zulke

slapers automatische bedden nog maar 't beste waren. Jan Drie vond

van niet. Die had genoeg van automatische bedden en Dolf beweerde

dat 'n automatisch bed hèm toch niet hielp, omdat ie wel zoo wijs

was geen vinger naar 't wekkertje uit te steken. M'nheer Przlwitz

vertelde toen, dat inspecteur Punt hem die middag getelefoneerd

had en zoo hoorde de jongens tot hun groote plezier, dat de twee

politiemannen met hun beroemde hond al weer naar Den Haag waren en dat

oom Dokie nergens te vinden was. Ze vonden dat allemaal zeer gunstige

omstandigheden. Vooral 't heengaan van den inspecteur. Oom Dokie zou

naar alle waarschijnlijkheid óók wel naar huis zijn, maar die telde

volgens Dolf toch niet mee. Voor m'nheer Vliegenthert hoefde je nog

niet eens bang te zijn al kwam je 'm tegen onderweg. Tien tegen een,

dat ie je niet in de gaten zou krijgen zelfs al zat je in z'n eigen

aeroplaan. Ze hadden dus nu de mooiste kans om de aeroplaan van m'nheer

Vliegenthert thuis te brengen en hun gastheer ried hen aan die avond om

'n uur of negen op te stijgen. Dan hingen er waarschijnlijk wel weer

dikke wolken om de bergen en over 't meer. Ze moesten daar maar boven

uit en dan zonder licht naar huis. Ze moesten er ook maar 'n goed

gangetje in houden, bijvoorbeeld honderd twintig kilometer per uur,

dan waren ze tegen half drie in Den Haag, net tegen de schemering en

dat was 'n zeer gunstige tijd. Dan zou er wel geen enkele luchtwachter

op hen letten. In ieder geval hadden ze op die manier de meeste kans.

Jan en Dolf vonden 't 'n prachtig plan. Jan vond 't vooral heerlijk

om vijf uur lang met zoo'n snelheid door de lucht te schieten. Dat

was nog eens vliegen. Maar Dolf zei, dat 't toch veel leuker was als

je achter 'n inspecteur aanvloog, die naar je zocht. 't Allerleukste

was volgens dezen avontuurlijken jongeheer nog als ze bijvoorbeeld

oom Dokie ontmoetten. Doch m'nheer Przlwitz zei, dat 't nu niet om

avonturen te doen was, maar om zoo gauw mogelijk en zoo onbemerkt

mogelijk de verdwenen aeroplaan terug te brengen. Dolf moest niet

vergeten, dat Jan Drie altijd nog gevaar liep opgemerkt te worden,

zoolang hij in 't bezit was van die cacaokleurige monoplaan.

"U bedoelt wij met z'n beiden m'nheer," zei Dolf... "Ik sta m'n vrind

Jan half."

"Prachtig Dolf..." zei m'nheer Przlwitz lachend, "maar dat helpt

Jan geen zier en er gaan er eenvoudig twee achter de tralies. Doen

jullie nu zooals ik je zeg. 'k Heb zoo'n idee, dat 't heel goed in

orde komen zal. En dan telefoneer je dadelijk hoe 't afgeloopen is

hé... dat wil zeggen, niet morgen vroeg al... slapen jullie eerst

maar flink uit... Laten we dus zeggen: zoodra je opgestaan ben."

"Dan zal 't wel morgenavond worden m'nheer," zei Dolf.

"Ook goed. Als jullie 't maar niet vergeet."

"Ik zal er wel aan denken m'nheer," verklaarde Jan Drie. "U kan er

op rekenen."

"Afgesproken. Laten we dan nu maar gaan eten."

't Was 'n feestmaal, dat mevrouw Przlwitz, zooals ze zeide, haar

dappere redders aanbood. En die dappere redders waren dappere eters

ook. Maar er kwam toch 'n eind aan de smulpartij en toen stelde

m'nheer Przlwitz voor maar naar 't dak te gaan. Daar bleven ze nog

'n uurtje zitten tot de duisternis kwam. Ze zagen de nevels weer

om de bergen hangen en dat vonden ze nu maar wàt plezierig. Jan

Drie liet z'n motor eens draaien en Dolf stond er bij. Die had

er niet veel verstand van. Als Jan Drie 'n zéér ervaren motorman

geweest was of meer tijd aan z'n onderzoek had kunnen besteden

had hij ook misschien wel iets gehoord of misschien iets gezien,

wat nog verholpen diende te worden. Hij was veel te ongeduldig om

weg te komen en daardoor was z'n onderzoek maar oppervlakkig. Ook

kwam mevrouw Przlwitz al gauw met versnaperingen voor de nachtelijke

reis aanloopen. Die moesten nog weggeborgen worden. Hiermee belastte

Dolf zich, erg in z'n schik dat ze onderweg wat anders zouden te eten

hebben dan vliegtabletten. Ook zorgde mevrouw voor 'n paar flesschen

drinken. 't Waren thermosflesschen, waarin 't drinken warm bleef wel

'n heele dag lang, en ze waren gevuld met heete melk. Dat had mevrouw

Przlwitz gedaan, omdat ze meende dat de jongens erg hoog zouden moeten

vliegen en daar is 't koud.

De jongens bedankten en namen afscheid. Mevrouw liet hen echter nog

eerst beloven, dat ze in 't volgende jaar in de vacantie minstens

'n heele maand zouden komen, als ze mochten natuurlijk. En de jongens

beloofden 't wat graag.

"Afgemarcheerd," commandeerde m'nheer Przlwitz en weg vlogen ze in

'n wijde spiraal omhoog. Mevrouw Przlwitz wuifde met haar zakdoek en

m'nheer zag hen door de kijker na tot ze niet meer te zien waren.

"Ziezoo," zei m'nheer Przlwitz, "als ze nu maar zonder ontdekt te

worden in Den Haag komen," en mevrouw voegde er aan toe: "ik hoop 't."

De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert deed genoeg z'n best om die

hoop te verwezenlijken. Als 'n zwaluw schoot de vlieger vooruit onder

de sterren. Maar motoren zijn rare dingen en hoewel ze in 2010 bijna

volmaakt waren bleven 't toch altijd samengestelde machines, waaraan

'n kleinigheid kon gaan mankeeren, die 't volmaaktste werktuig tot

'n onbruikbaar ding kon doen worden. Dat bemerkte Jan Drie nadat ze

'n paar uur gevlogen hadden. Z'n geoefende ooren letten voortdurend

op de geluiden van de motor en ofschoon die lang zoo luidruchtig

niet waren als bij de motoren in 1910, toen 'n motor in 'n vlieger 'n

helsch lawaai maakte, was 't toch geen geluidloos ding geworden. Alles

behalve. Je had nog steeds eenige moeite in 'n vlieger om met elkaar

te praten. Maar Dolf verstond toch heel goed toen Jan Drie op eens zei:

"Er hapert wat aan de motor."

"Hè?... Is 't erg?"

"Ik weet 't niet... Ik denk dat de ontsteking niet in orde is. Maar

ik geloof nooit, dat ie 't volhoudt... Hoor, daar heb je 't weer.

"'k Heb niks gehoord," zei Dolf.

"Nou ik wel... Daar is 't weer."

"Dan moeten we ergens laten repareeren hè?"

"Jij hebt goed praten... Overal weten ze 't met die

luchtadvertentie. Als we ergens dalen, lappen ze ons er zoo bij."

"Wat wil je dan doen?" vroeg Dolf.

"Hier of daar in 'n land neerkomen, waar geen mensch is... en dan zien

of ik 't zelf verhelpen kan... Kijk eens in dat kastje daar vlak bij

je of er ook gereedschap en reservestukken zijn..."

Dolf keek in 't aangewezen kastje. "D'r is niks in," zei hij.

"Dacht ik wel," zei Jan... "M'nheer Vliegenthert denkt enkel maar

om eten."

"Och" antwoordde Dolf. "Wat zou oom Dokie nou aan tangen en zulk

soort van spullen hebben. Hij kan er immers toch geen steek mee

uitvoeren. Die weet er nog minder van dan ik."

"'t Is lam," zei Jan. "Nou moeten we wel ergens dalen, waar

menschen zijn... Stom van me, dat ik daar ook niet eer aan gedacht

heb... M'nheer Przlwitz had me best wat gereedschap en de noodigste

reservestukken willen leenen."

"D'r is nou niks meer aan te doen Jan... Laten we maar gauw naar

beneden gaan... Daar vooruit zijn lichten... Of houdt ie 't uit?"

"Geen kwestie van... Ik ga naar beneden..."

Ze daalden. De lichten werden duidelijker. Ze konden gebouwen

onderscheiden... Ze zagen luchtwachters... Er daalde 'n trein en

'n andere vertrok... Toen nog een... Er vlogen aeroplaans...

"Mainz!" las Dolf. 't Waren lichtletters boven 'n luchtstation.

"Kijk eens uit naar 'n reparateur," zei Jan. "Of naar 'n magazijn

van vliegartiekelen."

"'k Ben al bezig... Links moet je... kijk daar voor ons... Hier vlak

bij: Aeroplaanhersteller."

"Nou, we moeten 't maar wagen. Daar gaat ie..."

"Zoo'n late klant krijgt ie ook niet dikwijls..." zei Dolf. "Ik zie

geen sterveling."

"Schel maar even," zei Jan, toen de vlieger op 't dak stond... "Dan

komt er wel iemand."

Dolf schelde en 'n oogenblik later kwam de baas zelf op 't dak. De

man was heel vriendelijk, maar hij kon hen niet helpen. D'r was geen

enkele knecht en zelf deed hij 't ook liever niet. Hij had geen lust

z'n werkpak te gaan aantrekken zoo laat op de avond...

"Ja maar", zei Jan... "we moeten onmiddelijk weer weg. We hebben

geen tijd om tot morgen te wachten... En 't is waarschijnlijk maar

'n kleine reparatie... 'n nieuw veertje of zooiets."

"U komt nog vroeg genoeg," lachte de man... "De wedstrijd begint

pas om elf uur... D'r zijn heel wat aeroplaans aangekomen vandaag,

die allemaal meedoen... Maar ik heb er nog geen een gezien als

deze... Sjonge, sjonge... 't is 'n prachtvlieger... Jullie wint zeker."

"Goed weer gehad hier in de buurt?" vroeg Dolf opeens.

"Goed weer?" zei de man verbaasd... "Wel jongeheer, we weten hier

niet eens meer hoe slecht weer er uit ziet... Geen wolkje gezien in

de laatste drie weken... En 't blijft zoo de eerste tijd... Zonder

wolken... zonder wind... Je zult eens zien wat 'n prachtig vliegweer

we morgen hebben... En de fijnste aeroplaantjes zijn ingeschreven

voor de groote internationale hardvliegerij."

"We zijn nog niet ingeschreven," zei Dolf.

"Vroeg genoeg... vroeg genoeg..." antwoordde de man. "De inschrijving

blijft open tot tien uur. Om elf uur begint 't pas."

"Dus," vroeg Jan... "U kan ons niet helpen op 't oogenblik?"

"Nee dat gaat niet... D'r is 'n tijd van werken en 'n tijd van

rusten... Maar morgen vroeg ben u de eerste... 't Zou zonde zijn

als dit vliegertje niet mee kon doen... 't Is 'n juweeltje... en 't

wint... bepaald wint 't... Ik durf er op wedden... 'k Ga natuurlijk

ook kijken..."

"Nou m'nheer" zei Dolf... "dan komen we morgen vroeg terug... De

monoplaan kan zeker wel hier blijven hè?"

"Wel zeker, wel zeker... breng 'm maar in de werkplaats... Zoo... Hier

op aan... Goed zoo... Om vijf uur kan u alweer terecht. Maar da's

veel te vroeg... ik zou eerst maar goed uitslapen."

Hij bracht de jongens naar beneden en toen ze alleen buiten in de

leege straat liepen zei Jan Drie:

"Maar Dolf... wat is dat nou... we kunnen toch morgen over dag

niet weg?"

"Wel... Jan, ik zal je eens wat vertellen... we doen morgen mee aan

die hardvliegerij."

"Ben jij heelemaal..."

"Nee... nog niet Jantje.... M'n bovenkamer is nog in orde...."

"Daar komt niemendal van!!"... stoof Jan op.

"Luister nou es Jan... en maak je niet kwaad.... Geen mensch weet

hier van de gestolen aeroplaan af, dat verzeker ik je. Ze hebben in

geen drie weken 'n wolkje gehad en dus ook geen advertentie..."

"Zoo... maar 't zal toch wel in de kranten gestaan hebben...."

"Wat zou dat dan nog... Weet jij iemand die tegenwoordig nog van dat

soort berichten leest?... De meeste kranten nemen ze niet eens meer

op.... Enfin daar kunnen we gauw genoeg achter komen.... We gaan in

't eerste hotel 't beste overnachten. Dan maken we een praatje met

den bediende en dan weten we in 'n wip wat we weten willen."

"Nou ja, maar wat heeft dat nou met die hardvliegerij te maken?...

"O 'n heele boel.... Heb je dat biljet niet gelezen, dat aangeplakt

was op de hangar van den reparateur... Niet?... Nou ik wel. Vliegen

van Mainz naar Koblentz en terug, driehonderdnegentig kilometers,

keerpunt boven de Moezel. Drie ronden.... In hoeveel tijd denk je,

dat je 't met oom Dokie z'n aeroplaan zou klaar spelen?"

"Drie-honderd-negentig kilometer?... Wel in 'n paar uur denk

ik... zeker niet meer.... Als 't er op aankomt zie ik kans met die

aeroplaan de heele rommel voorbij te vliegen."...

"Ja maar d'r komen eerste klas aviateurs."...

"Pf... 't zou wat."

"Dus je zou winnen?"

"Natuurlijk."

"Prachtig... dus je wint die duizend gulden...."

"Ik???"

"Wie anders.... Als jij 't eerste aankomt, zijn ze toch voor jou?"

"Maar 'k vlieg niet mee... Hoe kom je nou toch zoo mal.... We moeten

zoo gauw mogelijk naar huis.... Je weet wat m'nheer Przlwitz gezegd

heeft: geen avonturen."

"Ja maar je vergeet één ding... wie vergoedt oom Dokie z'n onkosten?"

"Oom Dokie z'n onkosten?"

"Ja z'n on-kos-ten. Hij moet toch die politie betalen, en de

advertentie op de wolken... en z'n reis naar Nordhausen... en...."

"Daar... heb ik nog heel niet aan gedacht...."

"Dat weet ik wel... maar jij ben toch maar verplicht die te

vergoeden... en ik natuurlijk ook... spreekt vanzelf... 'k heb ook

meegedaan.... Maar jij ben toch de oorzaak van alles...."

"Ik vergoeden?" riep Jan Drie stilstaand midden in de

straat.... "Hoeveel zou dat wel zijn?"...

"Nou... dat zal wel aardig op de duizend gulden aanloopen... Al z'n

onkosten zie je.... Da's net vijfhonderd gulden de man.... Ik sta je in

ieder geval half.... Dat heb ik nou eenmaal gezegd... en 'n man 'n man,

'n woord 'n woord.... Ben jij goed bij kas?... Dan krijgt ie tenminste

alvast de helft. Mijn vijfhonderd gulden krijgt ie in geen vijfhonderd

jaar, as ik ze betalen moet.... Vader zou me aan zien komen...."

"En de mijne...."

"As wij nou die duizend gulden wonnen...."

"Och dat kan toch niet... Hoe kunnen wij nou deelnemen aan 'n

hardvliegerij op klaar lichte dag met 'n gestolen aeroplaan".

"Wil jij vliegen... als ik voor de rest zorg?"

Jan Drie zuchtte eens diep. 't Was zoo verleidelijk. Hij diende toch

die onkosten te vergoeden.... En dan die race.... Dat was ook om van

te watertanden.... Al die vliegers achter je te laten, wie weet wat

voor beroemde hardvliegers.... Eerste aankomen....

"D'r is toch geen enkele bekende hier"... begon Dolf weer. "Tenminste

inspecteur Punt niet en brigadier Kwadraat niet en oom Dokie niet... En

als er eens 'n andere bekende was... hindert 't niemendal ... We

trekken onze mutsen over de ooren ... vliegbrillen op ... kraag omhoog

... Wie doet je wat?"

"Ik doe 't," zei Jan Drie ... "En ik win."

"Natuurlijk," zei Dolf ... "je wint. Als je niet wint kan je wel

thuisblijven. Laten we nu maar 't hotel binnengaan."--

Dat deden ze en ze gingen maar gauw naar bed. Dolf had echter eerst

eens geinformeerd bij den portier over vliegers en zoo, en of hij

ook iets wist van 'n aeroplaandiefstal. Nee, de man wist niemendal.

"Zie je nou wel," zei hij tegen Jan Drie, "ze weten er hier nog niets

van. Hè wat snorkt er daar een."

"Dat is vlak hier naast," zei Jan. "Ook lollig om dat de heele nacht

in je buurt te hebben. Vervelend geluid hè?"

"'k Hoor ook liever muziek. Maar 't zal me niet lang wakker houden. 'k

Heb zoo'n slaap."

"Ik ook. Maar 'k wou toch dat ie ophield met z'n plankenzagerij. Wel

te rusten."

"Goeie nacht. Zes uur op hé? Wie zou dat toch zijn, die snorkbaas?"

"'t Kan me geen steek schelen."

Als ze geweten hadden, wie daar lag te snorken, zou Jan Drie

waarschijnlijk niet met zooveel onverschilligheid gezegd hebben dat

't 'm niet schelen kon en niet gerust ingeslapen zijn. Want die

plankenzager was m'nheer Vliegenthert.

Hij had in de locaalluchttrein gehoord van de hardvliegerij ... en

toen was hij maar met de eerste gelegenheid de beste van Frankfort

naar Mainz gevlogen. 't Was hem toch 't zelfde waar hij de avond

doorbracht en als hij er niet zoo tegen op gezien had om nog langer

tusschen de menschen in 'n trein te zitten, zou hij zeker regelrecht

naar Den Haag zijn gereisd. Hij had er genoeg van. 'n Uur of wat in

'n buurttreintje te zitten had hem alle lust benomen om die dag nog

de lange reis naar Den Haag te ondernemen. 't Toeval had hem nu te

slapen gelegd vlak naast de dieven van z'n aeroplaan. En 't was maar

goed, dat m'nheer Vliegenthert al evenmin vermoeden kon, wie er vlak

naast hem sliepen. Want z'n humeur was zoo verbazend slecht en z'n

verdriet over 't gemis van z'n monoplaan zoo hevig, dat hij zeker

de twee jongens onmiddellijk aan de politie zou hebben overgeleverd,

als hij hen in 't bezit van zijn aeroplaan had aangetroffen. M'nheer

Vliegenthert was in 'n toestand, waarin hij zelf z'n geliefde neefje

Dolf met 't grootste plezier achter de tralies zou geholpen hebben.

De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert · 第 18 / 20 题