Waarin m'nheer Vliegenthert 'n zeebad binnenshuis neemt en
inspecteur Punt 'n briefje schrijft.
"Wat drommel," prevelde m'nheer Vliegenthert "waar ben ik? Wat 'n
rare kale kamer ... geen waschtafel ... o, nou zie ik 't ... Ik ben in
't Automatische hotel ... Toch wel leuk ... Hoe laat zou 't zijn?
Hij keek op 't wekkerklokje, dat hem gelukkig niet automatisch
behandeld had, omdat hij vergeten had 't wekwijzertje te verzetten,
en hij zag tot z'n groote verbazing, dat 't al over twaalven was.
"Over twaalven! Heb ik ooit van me leven ... zóó lang heb ik nog
nooit geslapen ... en nou zit die brigadier Kwadraat natuurlijk al
die tijd op me te wachten ... waarom komt zoo'n dom kreatuur me nou
ook niet eens waarschuwen dat 't al zóó laat is ... Weet je wat,
ik sta op en neem 'n bad."
Hij stapte 't bed uit en keek rond. Nù, daar stond 't: Badkamer. Maar
m'nheer Vliegenthert zocht vergeefsch naar de deurknop.
"Da's waar ook," dacht hij "die gaat alleen maar open met 'n
nikkeltje."
Hij haalde z'n portemonnaie uit z'n zak en wierp 'n nikkeltje in 't
sleutelgat. Onmiddellijk was de deur open. M'nheer Vliegenthert ging
de badkamer binnen met de portemonnaie nog in de hand, want hij was
in z'n nachthemd, en de deur sloot zich geruischloos achter hem. Hij
keek de kamer rond. De vloer en de wanden leken wel van porcelein of
marmer en de zolder was van dik matglas.
"Moet ik hier nu baden?" mompelde hij ... "D'r is geen kuip, geen
kraan, geen handdoek ... O wacht, wat staat daar?"
En nu las hij op 'n tafel aan de wand tegenover de deur:
Voetbad 5 n.
Stortbad 5 n.
Zitbad 5 n.
Kuipbad 5 n.
Schommelbad 10 n.
Dampbad 15 n.
Modderbad 15 n.
Zwavelbad 15 n.
Zeebad 20 n.
"He ... h'm ... da's in orde hoor ... Wat zou ik nou es nemen ... 'n
Dampbad? ... Nee ... da's te stoomerig ... Me dunkt 'n modderbad
... da's goed voor de rheumatiek ... of e ... laat ik maar 'n zeebad
nemen ... Da's twintig nikkel ... Gelukkig dat ik m'n portemonnaie
bij me gehouden heb ... 't Zal wat zijn zoo'n zeebad binnenshuis.
Hij zocht de twintig nikkels op en dacht onderhand, dat 't voor iemand,
gewoon dagelijks in Scheveningen te baden, toch maar makkelijk was, dat
ze je zelfs met de zeebaden tegenwoordig naliepen tot in Nordhausen,
waar je aan alle kanten ver genoeg van de zee af was om nooit aan
'n versterkend zeebad te denken.
M'nheer Vliegenthert had echter geen nikkels genoeg, doch ook daarin
had 't Automatische hotel voorzien. Er was onder 't badlijstje 'n klein
plaatje en daarop stond: "Wisselen." Hij gooide 'n goudstuk in de gleuf
en kreeg oogenblikkelijk tweehonderd mooie nieuwe dunne nikkeltjes
er voor terug, waarvan z'n portemonnaie wel 'n beetje dik werd, doch
gelukkig niet erg zwaar. Hij kon nu z'n twintig nikkels in de badgleuf
laten glijden en keek toen uit naar 'n plekje waar hij zoolang z'n
ongemakkelijke portemonnaie kon neerleggen. Plotseling ging er in de
wand 'n deurtje open en daarop stond aan de binnenkant geschilderd:
"Badkoets" en er hing 'n mooi wit en roodgestreept badkostuum aan
'n nikkelen haak. En handdoeken en verdere toiletzaken lagen in de
badkoets en er was 'n spiegeltje ook. M'nheer Vliegenthert had er
schik van. 't Badkostuum beviel hem buitengewoon. Hij hield veel
van wit met rood, dat stak mooi af tegen 't groene zeewater. Z'n
eigen badkostuum zag er net eender uit. M'nheer Vliegenthert deed
nu echter uit onachtzaamheid weer een van de domste dingen. Toen hij
't woord badkoets gelezen had, las hij maar niet verder. En dat had
hij toch moeten doen, want er stond onder:
Waarschuwing!
Eerst de eigen kleeren in de badkoets leggen. Dáárna 't
badkostuum van de haak nemen!
M'nheer Vliegenthert had echter 't badkostuum zoo maar van de haak
genomen en nauwelijks had ie dat gedaan of de deur flapte voor z'n neus
dicht en de verbaasde m'nheer Vliegenthert stond met 't badkostuum
in de eene en z'n portemonnaie in de andere hand tegen de gladde
wand aan te kijken... Terwijl hij nog maar steeds naar de hermetisch
gesloten deur van de badkoets keek voelde hij z'n voeten vochtig worden
... en omlaag ziend bemerkte hij dat de vloer er uitzag als 'n vochtig
zeestrand wanneer de vloed opkomt ... en hij zag met steeds grooter
wordende verbazing 't water snel wassen. 't Begon klotsend heen en
weer te stroomen en rees al hooger en hooger ... Zjoem ... zjoem. Van
de eene kant naar de andere. M'nheer Vliegenthert zag niet waar 't
vandaan kwam ... Maar 't was er ... zjoem, zjoem ... 't Werden golven
en tegen de wand achter hem spatte 't schuimend terug. De Noordzee kon
't niet beter doen ... Maar m'nheer Vliegenthert wist niet waar hij
z'n eigen kleeren bergen zou ... en had nog altijd 't badkostuum niet
aan ... Hij opende zenuwachtig z'n portemonnaie en nam er nikkels uit,
'n handvol, hij had geen tijd om er twintig te tellen ... en wou die
in de gleuf stoppen. Hij wilde zich redden in de badkoets, want hij
zag wel, dat 't in die woelige zee niet lang duren zou of hij was
heelemaal kletsnat en hij had geen ander ondergoed bij zich, dan 't
geen hij aan had. Al z'n nikkels hielpen hem echter geen steek. De
gleuf zat potdicht al peuterde hij nog zoo handig met z'n nikkels
er tegenaan en er omheen. Opeens kletste 'n geweldige stroom water
tegen z'n rug en over z'n hoofd, zoo'n stevige krachtige golf, die
hem de adem benam. M'nheer Vliegenthert ging er in onder, werd er
door opgewipt, raakte z'n evenwicht kwijt en ploeterde op z'n rug in
de woeste baren. Proestend raakte hij weer overeind, wreef z'n hoofd,
want hij was 'n beetje tegen de muur gebonsd en keek verwonderd, wààr
toch wel die golf vandaan gekomen kon zijn. Lang behoefde hij niet
te kijken, want even onverwachts als de eerste keer spoot uit de wand
die zoo glad en effen leek, 'n breede gulp schuimend water en m'nheer
Vliegenthert zat weer in 'n wip in 'n klotsende waterkuil met aan alle
kanten melkwitte schuimkuiven, die hoog opspatten en z'n hoofd onder
'n regen van droppels bedolven ... en de automatische golven werden
zóó hoog, dat ze m'nheer Vliegenthert voor de tweede maal van de been
hielpen en hij luidkeels begon te schreeuwen: "Hulp! Hulp!!!"
Dat was 'n angstkreet, die m'nheer Vliegenthert uitgilde omdat ie zoo
bang voor verdrinken was. Doch er kwam niemand, want ze hielden er in
't Automatische hotel geen blootebeenige badman op na, uitkijkend aan
't strand naar verongelukte badgasten. Doch m'nheer Vliegenthert
kon dat allemaal zoo gauw niet bedenken. Hij was 'n beetje van
z'n positieven en hij kwam eerst weer bij toen de storm bedaarde
en de golven nog slechts zachtjes op en neer deinden en eindelijk
stilletjes verdwenen, m'nheer Vliegenthert sliknat op de vochtige gele
granitovloer achterlatend als 'n halfdoode zeekrab op 't Scheveningsche
strand bij eb. De badkoets ging weer open en hij kon zich 'n beetje
afwrijven en z'n druipende onderkleeren wat uitwringen. Hij kon ze
echter niet droog knijpen en er zat niets anders op dan naar z'n
kamer te gaan en z'n vliegpak zoo maar over z'n bloote lichaam aan
te trekken.
Hij voelde zich toch heerlijk opgefrischt en gesterkt door 't zeebad en
hij zei tegen zichzelf, dat 't buitengewoon was en veel natuurlijker,
dan die tamme slappe Noordzee met z'n golven van niks en waar bij
't minste zweempje van gevaar zoo'n badknecht je dadelijk bij je
lurven had. Hij vond alleen, dat bij zoo'n hooge zee wel 'n beetje
wind hoorde, zooiets van 'n gereefde-marszeils-koelte ... en dan
moesten ze natuurlijk de stormbal uithangen ter waarschuwing ... want
je diende toch eigenlijk wel van te voren op de hoogte te zijn met
wat je in zoo'n badkamer kon overkomen. Zat hij daar nu niet zelf
zonder ondergoed als 'n schipbreukeling, die alleen maar z'n leven
gered had? Wat moest hij nu weer beginnen? ... 't Beste leek hem toe
'n nieuw stel ondergoed aan te schaffen en dan moest ie maar met
't eerste luchtschip 't beste naar Den Haag terug. Want hij zag of
hoorde niets van brigadier Kwadraat ... Hij kon toch niet op die
politiemannen blijven wachten, die telkens maar verdwenen zonder iets
te zeggen. Nee daar bedankte hij voor. Hij ging naar huis terug.
Maar eerst ergens kleeren koopen. In 'n gewoon hotel liet je dat
doen ... je zond er even 'n mannetje heen. Maar in 't Automatisch
hotel waren geen mannetjes en dus moest ie 't er zelf op uit... Per
telefoon bestellen was ook maar zoowat ... Hij ging maar wandelen om
'n winkel op te zoeken. De warmte zou hem wel niet hinderen, want hij
was dun genoeg gekleed. Ofschoon hij anders niet van loopen hield en
dus maar zelden gebruik van z'n beenen maakte, vond ie 't nu toch wel
aardig. Dat kon ook haast niet anders, want 't was op z'n minst 'n jaar
geleden dat hij voor 't laatst gewandeld had. Toen had ie zich door
'n kennis laten bepraten om mee Scheveningen te tippelen. Die kennis
was nog zoo'n ouderwetsch schepsel, die werkelijk geloofde, dat 'n
mensch z'n voeten had om er op te loopen, terwijl toch de onnoozelste
hals begrijpen kon dat beenen en voeten lichaamsdeelen waren, waarmee
je de pedalen in 'n auto of 'n vlieger hanteerde ... Maar nu beviel
't hem best dat loopen en in de eerste winkel de beste kocht hij zich
't onmisbaarste ondergoed, liet 't inpakken en nam 't zelf onder z'n
arm mee. Hij was bang, dat ie 't niet terug zou vinden als hij 't in
't hotel bezorgen liet, ofschoon de winkeljuffrouw zei, dat er geen
bezwaar bij was als m'nheer maar 't nummer van z'n kamer noemde. Maar
m'nheer Vliegenthert wist 't nummer op dat oogenblik niet. Hij had
natuurlijk 't nummer heelemaal niet gezien. Nee, hij nam 't pakje maar
zelf mee, ging de winkel uit en trad 'n oogenblik later 'n restaurant
binnen om eens lekker te gaan eten en uitrusten. Want hij had honger
gekregen van 't zeebad en was moe geworden van 't wandelen. Hij deed er
minstens 'n paar uur over, wat ruim voldoende was om de honger en de
moeheid te verdrijven, betaalde daarna z'n verteering en gelastte den
kellner een vliegend aapje te bestellen, want hij had geen trek meer in
loopen. De Duitsche naam voor zoo'n ding was eigenlijk "Luftdroschke"
en fijne lui maakten er eigenlijk nooit gebruik van. 't Waren dan
ook over 't algemeen ellendige vliegtuigen, die betere tijden gekend
hadden. M'nheer Vliegenthert ging maar vast met de lift naar boven,
want 't spreekt van zelf dat de aapjesbestuurders in 't jaar 2010 niet
beneden in de straat hun passagiers ophaalden. Toen 't ding echter
'n oogenblik later op 't dak aankwam schaamde m'nheer Vliegenthert
zich bijna, dat hij in zoo'n voddig aeroplaantje moest plaats nemen
en minachtend zei hij:
"Da's ook 'n oud beestje hoor."
"Hij is nog best m'nheer..." zei de aapjesbestuurder ... "As ik 'm
'n kwastje geef is t-ie-weer ... zoo goed as nieuw ... Maar 'k heb
nou geen tijd met 't mooie weer."
"Hij ziet er anders niet erg solied uit ... 'k Zal er toch niet door
heen zakken?"
"Geen kwestie van m'nheer.... Hij rammelt wel 'n beetje, maar hij is
nog stevig genoeg ziet u..."
"Nou we zullen 't maar wagen ..." En onder 't instappen zei hij:
"Automatisch Hotel."
"Asjeblieft m'nheer ... En maak je maar niet ongerust ... U kent
't spreekwoord: Krakende vliegers duren 't langst..."
Hij knipte 'n oogje tegen den kellner die m'nheer Vliegenthert z'n
pakje aanreikte, dat deze weer vergeten had, klapte 't portier dicht,
want 't was 'n coupétje en vloog van 't dak ... M'nheer Vliegenthert
was toch niet erg op z'n gemak in 't schommelende ding. Hij moest zich
aan weerskanten aan de portieren vasthouden en werd allerakeligst
door elkaar geschud. Met verdriet dacht hij aan z'n eigen heerlijke
monoplaan, zoo zuiver en vast van beweging ... zoo betrouwbaar ... zoo
snel ... zoo nieuw ... en helaas zoo heelemaal gestolen ... zoo
onvindbaar verdwenen ... zoo door en door wèg. M'nheer Vliegenthert
werd er op nieuw woedend om en hij stapte toen de ouwe rammelkast met
'n vervaarlijke bons en half kantelend op 't dak van 't Automatische
hotel was neergekomen gemelijk uit 't coupétje, tòch blij dat ie er uit
was, bleef met z'n broek aan 'n spijker hangen, waarvan 'n winkelhaak
't gevolg was, betaalde grommend de lachende aapjesbestuurder en
ging naar beneden, rillerig en met de vaste overtuiging, dat ie in
dat lorrige halfsleten luchtaapje 'n zware kou had opgedaan.
Toen hij voorbij de brievenbus kwam stonden daar twee groote enveloppen
achter de ruit met zijn adres er op. 'n Paar uur geleden was hij er
ook voorbijgaan, doch hij had de heele brievenbus niet gezien en toen
stond 't epistel van brigadier Kwadraat er ook al. Nu was er nog een
bijgekomen van inspecteur Punt.
Die twee politiemannen waren op 't hotel aangekomen en hadden m'nheer
Vliegenthert nergens kunnen vinden. "Zie je wel," had inspecteur
Punt toen gezegd ... "net zooals ik dacht ... hij is er gewoon
vandoor gegaan zonder zich van ons een haar aan te trekken ... Niet
eens jouw brief heeft ie uit de bus gehaald ... Nu, voor mijn part
kan ie z'n gestolen aeroplaan zelf gaan opzoeken ... Ik ga naar Den
Haag terug en oogenblikkelijk ... Ik ben 't zat ... Geef me eens even
'n velletje papier ... als ie soms nog hier terug mocht komen kan ie
lezen hoe ik er over denk ..."
"Beroerde kerel," mopperde inspecteur Punt, toen hij 't briefje in
de bus deed ... "Hij trekt zich nergens iets van aan ... kom we gaan
onmiddelijk terug."
"Maar inspecteur ... als m'nheer Vliegenthert nou nog eris ..."
"Geen tegenspraak brigadier ... Dat heb ik je nu al wel duizendmaal
gezegd ... Vooruit."
En brigadier Kwadraat sloot met 'n hap z'n mond, alsof er 'n kist
op slot gegooid werd, zoodat inspecteur Punt goed hooren kon dat ie
dicht was, ging in de lift, klom in z'n vlieger, en weg vloog hij.
Inspecteur Punt volgde 'n oogenblik later. Die had nog even aan m'nheer
Przlwitz getelefoneerd. Dat had ie beloofd en inspecteur Punt hield
z'n woord.
M'nheer Vliegenthert stond voor de brievenbus met 'n uiterst verwonderd
gezicht.
"Twee brieven voor mij? ... Lieve hemel, ... en geen mensch weet dat
ik hier ben."
Hij wilde nu snel de brieven uit de bus nemen, maar dat kostte hem
voor iedere brief een nikkel. De automatische hotelier was ook niet
van gisteren. Toen hij z'n brieven had scheurde hij er haastig een
open. 't Was toevallig die van den inspecteur:
Mijnheer,
Als u soms denkt dat 'n inspecteur in de wereld is om niet alleen
uw aeroplaan maar ook uzelf te gaan opzoeken, dan heb u 't leelijk
mis. U geeft den brigadier mijn jas om er Spits aan te laten
ruiken, waardoor ik 'n heele kostbare dag nutteloos rondgevlogen
en bovendien nog 'n dame schromelijk beleedigd heb en nu is u weer
nergens te vinden, niettegenstaande brigadier Kwadraat u toch heeft
ingelicht, voor hij deze morgen naar Luzern vertrok en u verzocht
hier op bericht te wachten. Dat is geen manier van handelen
tegenover de politie. Ik ga onmiddelijk naar Den Haag terug.
Inspecteur PUNT.
"Heb je ooit," zei m'nheer Vliegenthert ... "wat 'n impertinente
vlegel ... om mij zóó'n kattebelletje te durven schrijven... Ik zal
me beklagen bij den commissaris.... Wel allemachtig."
En toen las hij 't andere briefje:
Weledel gestrenge Heer.
Ik krijg daar juist (eventjes over vijven) tijding van inspecteur
Punt en moet onmiddelijk naar Luzern. Wil u zoo vriendelijk zijn op
ons te wachten hier? Of tenminste te blijven tot er bericht komt?
Hoogachtend,
Uw Dienstwillige
Brigadier KWADRAAT.
"O!" gaapte m'nheer Vliegenthert ... "O!!!"... "Zoo!!! ... Zit dat
zoo in elkaar!! ... Had ik toch maar naar die brievenbus gekeken voor
ik hier vandaan ging.... Wat moet ik nu weer beginnen? ... 't Is lam
hoor.... Wat doe ik nou nog hier.... Weet je wat, ik vlieg die twee
gauw achterna."
Hij haalde haastig z'n reisgids uit z'n zak--'t vliegboekje zooals
in de wandeling genoemd werd--en begon zenuwachtig naar Nordhausen
te zoeken. In 't eerst kon hij 't heelemaal niet vinden, wat
z'n eigen schuld was. Hij gaf zich geen tijd om kalm na te zien
en toen hij 't eindelijk gevonden had merkte hij teleurgesteld,
dat er geen enkele expres uit Nordhausen vertrok vóór zes uur. 't
Waren allemaal gewone luchttreinen. Hij had echter geen geduld en
geen lust nog langer te blijven en besloot dus maar zoo spoedig
mogelijk te vertrekken. Hij keek nog eens in 't vliegboekje. Jawel,
over 'n kwartier ging er een. Hij keek in de lucht of er geen leeg
aapje in de buurt was en dat trof hij bizonder. Er vloog er juist
een in de buurt, leeg. M'nheer Vliegenthert wenkte met z'n zakdoek en
de voerman had hem dadelijk in de gaten. M'nheer Vliegenthert vergat
z'n natte ondergoed, dat nog beneden lag, stapte in en zei: "station,
maar vlug." De bestuurder tikte even aan z'n muts en rrrrr daar ging
m'nheer Vliegenthert alweer. Gelukkig was 't vliegtuig niet zoo'n
rammelkast als 't vorige en 't ging ook 'n beetje sneller. M'nheer
Vliegenthert kwam nog net vroeg genoeg. Maar 't was op 't nippertje,
de conducteur smeet de portieren al dicht. 't Luchtschip zette zich
in beweging en m'nheer Vliegenthert ging op z'n gemak in 'n hoekje
zitten. 't Was 'n vervelende geschiedenis in zoo'n gewone luchttrein,
vond hij. 't Beste was nog maar te gaan dutten.
Hij sloot z'n oogen, maar had nog geen vijf minuten zoo gezeten of
't luchtschip daalde al weer en er stonden reizigers op om uit te
stappen, die hem aanstieten met hun pakjes en tasschen. Er kwamen weer
andere in hun plaats. 't Luchtschip ging weer omhoog en vooruit. Doch
tien minuten later riep de conducteur alweer zoo'n stationsnaam en
zoo ging 't tot onuitsprekelijke ergernis van m'nheer Vliegenthert
aanhoudend maar door. Eindelijk kon hij 't niet meer verkroppen
en hij vroeg nijdig aan den conducteur wat of dat te beteekenen
had. Volgens 't boekje was 't 'n snelluchtschip en nou hielden ze
ieder oogenblik op. De conducteur keek hem verbaasd aan en zei:
"Waar moet u heen m'nheer?"
"Naar Den Haag."
"Den Haag??? ... Wij gaan niet verder dan Frankfort ..."
"Frankfort???"
"Tja... u is in 't verkeerde luchtschip gestapt... U had in Nordhausen
't D-luchtschip naar Keulen moeten nemen ... Dat vertrok van 't
tweede platform."
"Lieve hemel" zuchtte m'nheer Vliegenthert ... "En hoe laat komen we
met deze slak in Frankfort aan?"
"Half zeven m'nheer ... U begrijpt we stoppen overal ... 't Is 't
locaaltje ..."
De conducteur ging heen om de reizigers van kaartjes te voorzien en
m'nheer Vliegenthert mompelde iets leelijks, want hij was zoo nijdig
als 'n spin.