voor diegene, die inlichtingen geeft omtrent een
GESTOLEN CACAOKLEURIGE MONOPLAAN
met SLAANDE VLEUGELS,
van den heer VLIEGENTHERT
TE
DEN HAAG.
En welke er toe leiden den dief of de dieven in handen te krijgen.
M'nheer Przlwitz las halfluid en zeer langzaam:
ca-cao-kleu-ri-ge-mo-no-plaan-met-slaan-de-vleu-gels. "Hé Dolf,
dat lijkt wel 'n beetje op de monoplaan van oom Dokie hè?"
"Wel... 'n b... beetje..." stotterde Dolf bleek van schrik en Jan
Drie zat met open mond die duivelsche advertentie in de lucht aan te
staren, die maar niet weg scheen te willen. Maar eindelijk verdween
ze toch en Jan was er zóó van opgelucht dat hij plotseling uitriep in
't Hollandsch: "Hé afgeloopen!"
En Dolf zei zacht in dezelfde taal:
"Net iets voor oom Dokie... Alles vergeet ie, maar dàt niet."
Mevrouw en m'nheer Przlwitz verstonden natuurlijk geen Hollandsch
maar keken Dolf en Jan er des te verbaasder om aan.
"Vrouw wat denk je van die twee jongens?" vroeg m'nheer in 't
Russisch. "'t Is niet in orde geloof ik. Hun monoplaan lijkt me wat al
te veel op die gestolen vlieger... Zouen 't 'n paar jeugdige gaudieven
zijn? Kan haast niet hè?"
"Nee," antwoordde mevrouw met overtuiging terwijl ze beurtelings Jan
Drie en Dolf Brandsma aankeek die wel beetje uit 't veld geslagen
leken, "'t Zijn vast en zeker eerlijke flinke jongens .. Bovendien,
dan zouden ze toch niet àchter dien inspecteur aangevlogen zijn?"
"Ja maar wie bewijst je, dat ze er achter aangevlogen zijn? Als ze
er nu eens vóór den inspecteur op de berg waren geweest ... en die
hond was hén gevolgd?"
Mevrouw dacht 'n poosje na en toen zei ze: "Nee man dat kan
onmogelijk. 't Was nog helder dag toen ik op de berg aankwam en ik heb
voortdurend scherp opgelet of er niets kwam, want ik had hulp noodig
... Die inspecteur was de eerste ... moet de eerste geweest zijn
... en e... nog wat. Als die jongens die monoplaan gestolen hadden,
waarom bleven ze dan op die berg zitten ... terwijl ze vliegolie
genoeg hadden. Ze kwamen met 'n vol blik bij me ... Dàn waren ze toch
wel eventjes over de Eiger en de rest gewipt ... Dat moet voor zoo'n
koene vlieger als die Jan Drie is, 'n kleinigheid zijn ..."
"Ik zal 't hen eenvoudig vragen," hernam m'nheer. "'t Zou me spijten
voor twee zulke flinke jongens ... Ik vind 't werkelijk aardige kerels
... Maar schijn bedriegt soms."
"In dit geval niet man ... ik ben er zeker van dat 't 'n paar echte
eerlijke jongens zijn."
Intusschen hadden Jan Drie en Dolf zacht met elkaar zitten smoezen.
"Ik ben 'n boon," fluisterde Dolf, "als onze gastheer 't niet in de
doppen heeft ... Dan zijn we allebei zuur ... zeg ..."
"'k Denk 't ook ... Jij ook met je idee om inspecteur Punt na te
vliegen. We hadden al lang veilig in Den Haag kunnen zijn."
"We hebben er toch mevrouw Przlwitz door gered. Dat vergeet jij maar
even ... Anders zat die nog maar lekker op dat hondje van 'n bergje
te klappertanden in de mist ..."
"Je hebt gelijk, maar we zitten er toch maar leelijk mee."
"Wat dunkt je, als we er eens stikem van door gingen zoo meteen?"
"Nee Dolf, dat lap ik 'm niet meer ... er kan van komen wat er wil."
"Moet jij weten ... Ik vindt 't stom ... Enfin, ik heb eenmaal gezegd
ik sta je half en daar blijf ik bij ... Mee gevangen, mee gehangen."
"Als we 't eens aan m'nheer en mevrouw Przlwitz vertelden ..." opperde
Jan.
"Da's 'n idee ... wil ik 't maar dadelijk doen?"
"Dat kan ik zelf ook wel ..."
"Hm" deed m'nheer Przlwitz op dat oogenblik met een zeer ernstig
gezicht, maar mevrouw keek de jongens met 'n vriendelijk lachje vol
verwachting aan.
"Hm, ik moet jullie eens 'n ernstige vraag doen jongens over die
monoplaan van oom Dokie ... Heet die m'nheer Vliegenthert?"
"Ja m'nheer ..." zei Jan Drie... "en ik e ..."
"Is dat werkelijk 'n oom van jou Dolf!"
"Nou of ie," zei Dolf lachend, want die rare jongen was, nu de zaak
opgehelderd zou worden, al lang over de eerste schrik en benauwdheid
heen. "Hij heet eigenlijk Jodokus Vliegenthert"
"En dus ben jullie uit met 'n gestolen aeroplaan?" zei m'nheer
Przlwitz streng.
Jan Drie werd doodsbleek maar Dolf stoof op:
"Dàt is niet waar m'nheer ... Die monoplaan is niet gestolen ..."
"Niet? Wat is ie dan, als ik vragen mag?"
"Hij is" ... begon Dolf, maar verder kwam hij niet, want hij wist
eigenlijk niet wat de monoplaan dan wèl was.
"Ga voort," zei m'nheer Przlwitz.
"Ik zal u de heele historie wel vertellen," zei Jan Drie met 'n brok
in z'n keel. "M'nheer Vliegenthert is erg vergeetachtig en die liet
z'n mooie monoplaan gisteren avond bij ons op 't dak staan. M'nheer
Vliegenthert is onze buurman. Ik was op 't dak en vond 't zonde die
mooie vlieger daar de heele nacht te laten staan ... Ik wist niet of
't goed weer zou blijven ... ziet u ... en om nu gemakkelijk de vlieger
voor onze hangar te krijgen--want m'nheer Vliegentherts hangar was op
slot en de onze aan 't andere eind van 't dak--vloog ik er eventjes
mee op. Maar de vlieger schoot dadelijk 'n vreeselijk eind de lucht in
... ik had niet op 't hoogtestuur gelet en toen vond ik 't zoo heerlijk
daarboven ... ik was nog nooit zoo hoog geweest, dat ik besloot 'n
oogenblikje te blijven vliegen ... Toen ik echter terug wilde zat ik
al in 'n wolk en m'nheer Vliegenthert had geen kompas in de vlieger.
"Ik ben toen 'n eindje gedaald om aan den een of ander de weg te
vragen, maar zoodra ik 'n luchtwachter zag werd ik al bang voor
'n bekeuring, omdat ik zonder vliegbewijs alleen in de vlieger was
en ging er onmiddelijk weer tusschen uit. Zoo ben ik aan 't dwalen
geraakt en toen 't dag werd was ik heelemaal boven Nordhausen en
... daar trof ik gelukkig Dolf Brandsma aan, die daar met z'n vader
en z'n verdere familie logeerde in 't Automatische hotel."
"Dat klinkt heel aannemelijk," zei m'nheer Przlwitz veel
vriendelijker. "Maar dan had je de vlieger toch thuis moeten brengen
toen 't dag was ..."
"Dat wou hij ook, m'nheer," viel Dolf in ... "Jan had 'm van avond
thuis willen brengen want overdag kon 't niet ... Jan heeft tot een
uur geslapen en toen hadden we dien inspecteur al op ons dak."
"Ja..., maar hoe zat dan dan met dien inspecteur en z'n hond. Die
waren toch op 't hotel en de aeroplaan waarnaar hij zocht was daar
ook ... Ik snap niet, dat die hond 'm daar niet dadelijk vond."
"Hij had er geen idee van!" zei Dolf. "De hond deed geen bek open
toen ie er vlak bij was ... en hij begon weer toen inspecteur Punt
er vandoor vloog ... Jemels Jan ... ik heb 't briefje nog in m'n zak,
dat ik van inspecteur Punt kreeg om aan Brigadier Kwadraat te geven."
"Wat is dat voor 'n briefje?" vroeg m'nheer Przlwitz.
Dolf haalde het voor de dag. 't Was maar 'n kladje uit 't
notitieboek van den inspecteur en er stond niets op dan: Wacht hier
op orders. Inspecteur Punt. Dolf liet 't m'nheer Przlwitz zien en
verstelde wat er opstond en voor wie 't was. M'nheer Przlwitz schudde
het hoofd en zei:
"'t Is niet in de haak jongens, ofschoon ik nu wel begrijpen kan dat
jullie nieuwsgierig was waar die inspecteur heen wou ... Maar als ie
jullie nou eens gesnapt had met die aeroplaan?"
Dolf lachte luidkeels.
"Ha-ha-ha... dat had niets gegeven m'nheer... want hij zocht naar
'n roode aeroplaan met 'n juffrouw er in ..."
"Hè?"
"Dat vertelde hij aan vader, niet waar Jan?"
"In ieder geval had je 't aan je vader moeten vertellen Dolf ..."
"Dan had vader ons en de aeroplaan thuis gehouden en dan had inspecteur
Punt Jan gesnapt..."
"Da's maar gekheid ... Je vader had alles wel aan den inspecteur
duidelijk kunnen maken. Je hebt je vriend 'n slechte dienst bewezen
Dolf. Dat kan nog leelijk afloopen."
"Kom man ..." zei mevrouw Przlwitz, "maak de jongens nu niet van
streek ... en help hen liever ... Als ze al die verstandige dingen
gedaan hadden, die jij opnoemt, dan zat ik nou nog boven op die berg."
"Natuurlijk zal ik hen helpen ... maar hoe? Heb jij den inspecteur
je naam gezegd en je woonplaats?"
"M'n naam geloof ik niet ... wel dat ik in Luzern woonde ... geloof
ik."
"Hm ... had 'm je kaartje maar gegeven ..."
"Ik was veel te veel geschrokken ..."
"Waarschijnlijk is inspecteur Punt morgen vroeg tòch wel in Luzern
..." "Maar nu gaan we naar bed ..."