Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma kennis maken met m'nheer Przlwitz
en ze met hun allen de luchtadvertentie lezen.
"Hoe heb ik 't nu," vroeg de heer aan de dame, "kom je in 'n
vreemde vlieger thuis en breng je gasten mee? Waar ben je zoo lang
geweest... Ik zat al in ongerustheid over je."
"Ach...," zei mevrouw, "dat is 'n heele geschiedenis, maar laat ik
je eerst m'n twee dappere redders voorstellen... Jongens, dat is mijn
man, m'nheer Przlwitz--'n vreemde naam hè, maar daar zij we ook Russen
voor... en dit is Jan Drie uit Den Haag en dat is... ja jou naam ken
ik nog niet..."
"Ik heet Dolf Brandsma, mevrouw... ook uit Den Haag..."
"Wel jongens," zei m'nheer Przlwitz terwijl hij hen beide 'n hand gaf,
"welkom hier op de Sonnenberg... Maar vertel me nu eerst eens vrouw,
wat er eigenlijk gebeurd is met je... je sprak van redders... Ik
brand van nieuwsgierigheid."
"Laten we eerst maar naar beneden gaan.... Die jongens willen misschien
wat eten."
"Asjeblieft drinken mevrouw"... zei Dolf. "Ik versmacht."
"Hadden jullie dan geen drinken bij je?"
"Vergeten mevrouw... we gingen in zoo'n vreeselijke haast weg."
"Laten we dan maar eerst de vliegers in de hangar brengen," stelde
m'nheer Przlwitz voor... "Kom jongens help 'n handje."
Mevrouw Przlwitz ging naar beneden en m'nheer bracht met de jongens
de vliegers onderdak.
"n Prachtig monoplaantje heb jullie daar," merkte m'nheer Przlwitz
op. "Fijn hoor... 't nieuwste systeem ook nog. Die slaande vleugels
hebben aan de vliegtechnikers heel wat hoofdbrekens gekost."
"Toch nam Adhémar de la Hault op 'n veld in Casteau er honderd jaar
geleden al proeven mee," zei Jan Drie.
"Ei, ei,... je ben goed op de hoogte jongeheer... Daar wist ik
niemendal van... Hoe heette die uitvinder zeg je?"
"Adhémar de la Hault, m'nheer."
"Ja m'nheer," zei Dolf, "als u wat over de vliegkunst wil weten,
moet u Jan Drie maar vragen. Hij wil luchtingenieur worden."
"'n Mooi vak," zei m'nheer Przlwitz. "Hoe oud ben je Jan?"
"Vijftien m'nheer..."
"Verbazend... en heb jij je vliegbewijs dan al?"
"Nee," zei Dolf... "hij zit pas in vier... Ik heb 't maar Jan Drie kwam
't beter toe dan mij..."
"Zoo?" zei Jan... "Ik weet nog niemendal van de weerkunde..."
"O, dat snertvak," smaalde Dolf... "Dat heb jij in 'n paar maanden
onder de knie."
"Nou, nou... "lachte m'nheer Przlwitz, "je hoeft niet zoo laag neer
te zien op de weerkunde. Dat is 'n wetenschap, die de vliegmenschen
niet missen kunnen. Waar zouden we aankomen, als we geen verstand
hadden van luchtstroomingen, en als we niet uit de stand van onze
weerinstrumenten konden voorspellen wat er in de eerstvolgende dagen
in ons element zou veranderen?"
"Wel," lachte Dolf "dat lees ik in de krant..."
"Niet voldoende," meende m'nheer Przlwitz. "Je moet op je zelf kunnen
vertrouwen. Wat jij Jan?"
"Ik vind dat u gelijk hebt m'nheer... en ik zal er mijn best op doen
in dit jaar..."
"Jij liever dan ik," zei Dolf... "ik viel er altijd bijna bij in
slaap."
"Is die aeroplaan van jou Dolf?" vroeg m'nheer Przlwitz...
"Ik wou dat 't waar was m'nheer... Hij is van oom Dokie."
"Zoo... laten we nu dan maar naar beneden gaan... Kijk hij eens... Is
de dorst zoo groot?"
Dolf dronk uit z'n hand onder de kraan van de waterleiding in de
hangar.
"Hè, hè... dat smaakt..."
M'nheer Przlwitz en Jan waren al naar de lift gegaan, en Dolf ging hen
gauw achterop, onder 't loopen z'n handen met z'n zakdoek afdrogend.
M'nheer Prlzwitz wees de jongens ieder 'n kamer waar ze zich 'n beetje
konden opfrisschen met zeep en water en waar ze die nacht zouden
slapen, want mevrouw Przlwitz wilde in ieder geval, dat haar redders
zouden blijven logeeren, iets waar Jan Drie en Dolf niemendal op tegen
hadden. M'nheer Przlwitz ging intusschen naar mevrouw om zich alles te
laten vertellen en toen de jongens klaar waren met hun toilet vonden
ze m'nheer en mevrouw al in 'n gezellige kamer bij de tafel zitten,
waarop 'n heele boel lekkere dingen en heerlijke vruchten stonden en
natuurlijk ook de Russische theemachine, de samovar, waaruit mevrouw de
geurige warme drank in fijne glazen schonk, die in zilveren glashouders
met mooie blinkende ooren gevat waren. Terwijl ze aten en dronken zei
m'nheer: "jongens, ik moet jullie nog bedanken voor de hulp die je
mijn vrouw verleend hebt... Ze heeft mij 't heele ongeval verhaald...
Ik begrijp niet goed hoe de Haagsche inspecteur er toe komen kon
mijn vrouw zoo maar voor 'n aeroplaandief aan te zien... 't Is wel
heel toevallig, dat jullie ook uit Den Haag komt... Kennen jullie
dien m'nheer?"
"Jawel.." zei Dolf, "ik ken inspecteur Punt wel, en 't was geen toeval,
dat we daar op die berg waren."
"Wat, geen toeval?"
"Nee m'nheer," ging Dolf voort. "We zijn inspecteur Punt achterna
gegaan."
Hij hield plotseling op, want Jan Drie gaf 'm onder de tafel 'n
venijnige trap op z'n voet...
"Nu ga voort" zei m'nheer Przlwitz.
Dolf wist eerst niet goed wat te doen. Hij begreep, dat Jan liever
had, dat ie niets meer losliet. Maar hij kon nu toch niet z'n mond
blijven houden, of zeggen, dat ie er niets meer van wist. Dat was
toch te gek... Wat gaf 't bovendien ook, dacht ie en hij keek Jan
Drie even lachend aan toen hij vervolgde:
"We zijn inspecteur Punt achterna gegaan van Nordhausen af, waar we
vanmiddag om drie uur opgevlogen zijn... Die inspecteur beweerde, dat
ie door z'n hond Spits 't spoor gevolgd was van 'n gestolen aeroplaan
tot op 't dak van 't Automatische hotel waar wij logeerden. Vader,
moeder, de zussen en ik... Maar daar raakte hij 't kwijt en vond
't later weer terug... en toen zijn wij 'm snel nagevlogen uit
nieuwsgierigheid hoe 't zou afloopen."
"Ah zit dat zoo in elkaar... Maar jullie waren zoo dadelijk bereid
m'n vrouw te helpen... en dat had je toch niet mogen doen als ze eens
werkelijk de dievegge geweest was..."
"Hè man, hoe kan je dat nu zeggen..." zei mevrouw Przlwitz... "Ik vond
't heel aardig van jullie hoor jongens... en m'n man ook."
"Natuurlijk... natuurlijk..." zei m'nheer, "maar hoe konden die
jongens nou weten, dat jij geen dief was... Die inspecteur en z'n
hond hebben zich vergist, dat is buiten twijfel... maar dat wisten
zij toch óók niet."
"O," zei Dolf lachend.... "dat wisten we heel sekuur."
"Was jij er ook zoo zeker van?" vroeg m'nheer Przlwitz lachend aan
Jan Drie.
Jan kreeg 'n kleur doch zei niets en Dolf riep:
"Hij begon er 't eerst over... die wou met alle geweld mevrouw redden."
"Ik vind 't echt van jullie hoor," betuigde mevrouw "en ik ben jullie
zeer dankbaar. Verbeeld je man, zonder die jongens, had ik daar nu
nog heel alleen op die nare berg gezeten, want die inspecteur zal 't
ook wel niet aangedurfd hebben er weer heen te vliegen toen die nevel
om de berg hing. Neen hoor ik ben wat blij, dat ze niet eerst alles
zoo voorzichtig overwogen hebben of 't wel goed was of niet... Hier,
nemen jullie nog wat van die druiven... en zoo'n groote appel.... Die
zal je ook wel lusten."
Mevrouw Przlwitz laadde Jan's bord en dat van Dolf vol vruchten en
m'nheer lachte maar. Hij vond 't toch bij slot van rekening maar goed,
dat die jongens zoo zonder nadere overwegingen gehandeld hadden, want
hij zou 't ook niet aangenaam gevonden hebben voor z'n vrouw, als ze
'n heele nacht op zoo'n gure berg tusschen de alpenroozen had moeten
doorbrengen, of wat misschien nog erger was--in de gevangenis. Maar
toch, heelemaal goedkeuren wat die jongens gedaan hadden wou hij
ook niet.
"Ik begrijp toch niet hoe die inspecteur met z'n hond juist daar
kwam." zei m'nheer na 'n poos... "'t Is 'n wonderlijke geschiedenis."
"Er moet zeker 'n vergissing gebeurd zijn met die hond," beweerde
Dolf. "'t Is de beste politiehond die ze in Den Haag hebben."
"Juist daarom" hernam m'nheer Przlwitz. "Zoo'n hond vergist zich
niet. Doch, wat denk je vrouw, zouden we niet nog 'n poosje op 't
dak gaan zitten. 't Is zulk heerlijk weer... we kunnen ook in de tuin
gaan, maar ik vind 't op 't dak aardiger. Daar hebben we 'n veel beter
gezicht op de stad en op 't meer. We zullen van avond niet veel van de
bergen kunnen zien... want de lucht is betrokken... Anders zijn die
bergen om 't meer heen, van de Rigi tot aan de Pilatus in maanlicht
wel de moeite waard."
"De jongens mogen 't zeggen," zei mevrouw. "Waar hou jij 't meest
van Jan?"
"Mevrouw ik zit 't liefst op 't dak."
"Geen wonder..." riep Dolf... "Daar zit ie thuis ook altijd. Jan
is 'n luchtjongen. Die zou wel willen eten, drinken en slapen in
'n aeroplaan."
"Kom dan maar. Vrouw je zorgt zeker wel voor wat limonade hè?"
"Laat dat maar aan mij over, m'n twee dappere redders zullen 't goed
bij mij hebben."
Op 't dak gingen ze op gemakkelijke stoelen zitten en keken uit over
Luzern met al z'n lichten en over 't meer, dat nu onder de donkere
wolkenhemel alleen maar blonk van lichtjes op schuitjes en van de
lantaarns en de verlichte vensters aan de oevers. Van de bergen zagen
ze niemendal. Die zaten met hun koppen in 'n wolkenmuts.
"Je kan hier anders de lichten van Rigi-Kulm zien," zei m'nheer,
"maar dat treffen jullie slecht. 't Lijkt wel of we 'n donderbui
krijgen. De lucht is zwart."
"Jammer", vond Jan. "Ik zie graag de sterren en de witte bergtoppen."
"Dat is 'n heerlijk gezicht," meende ook m'nheer Przlwitz. "Vooral
de sterren, de eenige dingen die we verplicht zijn van onder te
bekijken.. hoe hoog we ook boven de bergen uitvliegen. Dààr kunnen
we in geen geval bij."
"Och," zei Dolf, "de menschen kunnen zooveel, misschien brengen ze
't ook nog nog wel eens zóóver."
"Je ben 'n grappenmaker Dolf... Ik geloof dat we de grens bereikt
hebben, wat de afstand betreft. Alleen kunnen we misschien onze
vliegapparaten nog wat verbeteren. Ik vind altijd nog maar, dat
'n vogel heel wat beter af is dan wij. Er is te veel omhaal bij,
als wij vliegen willen."
"O," riep Dolf... "U wil vleugels hebben."
"Dat heb je goed geraden. Ik wou 'n gemakkelijker vliegtoestel,
iets dat we net als vroeger de fiets in 'n klein hoekje konden
opbergen, en waar we geen motor, geen schroef en geen staart bij
noodig hadden. Misschien komt Jan Drie naderhand wel eens met zoo
iets voor de dag, als ie vliegingenieur is."
"En dat we zelf in beweging kunnen brengen?" vroeg Jan.
"Nee... mechanische beweegkracht. Vliegen in heel mooi, maar
je moet je er niet moe bij behoeven te werken. Wij hebben onze
krachten wel noodig voor andere arbeid... Ah, nou beginnen ze met de
luchtadvertenties... Die hebben we in geen maand hier gehad... Steeds
mooi weer."
"Bij ons is 't zelden 'n maand lang mooi weer," zei Jan... "en als we
'n paar dagen zonder luchtadvertenties zitten is 't al mooi."
"Ik vind die annonces in de lucht wel aardig," merkte mevrouw
op. "'t Zou zonde wezen als ze die letters tusschen de sterren konden
zetten. Maar op zoo'n donkere wolk mag ik 't wel, als je toch niets
te bewonderen hebt daarboven."
"Jan!" riep Dolf opeens en allen keken 'n oogenblik zwijgend naar
de lucht boven 't meer. Daar stond met groote lichte letters in
de wereldtaal: