NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin Jan Drie en Dolf Brandsma kennis maken met m'nheer Przlwitz

en ze met hun allen de luchtadvertentie lezen.

"Hoe heb ik 't nu," vroeg de heer aan de dame, "kom je in 'n

vreemde vlieger thuis en breng je gasten mee? Waar ben je zoo lang

geweest... Ik zat al in ongerustheid over je."

"Ach...," zei mevrouw, "dat is 'n heele geschiedenis, maar laat ik

je eerst m'n twee dappere redders voorstellen... Jongens, dat is mijn

man, m'nheer Przlwitz--'n vreemde naam hè, maar daar zij we ook Russen

voor... en dit is Jan Drie uit Den Haag en dat is... ja jou naam ken

ik nog niet..."

"Ik heet Dolf Brandsma, mevrouw... ook uit Den Haag..."

"Wel jongens," zei m'nheer Przlwitz terwijl hij hen beide 'n hand gaf,

"welkom hier op de Sonnenberg... Maar vertel me nu eerst eens vrouw,

wat er eigenlijk gebeurd is met je... je sprak van redders... Ik

brand van nieuwsgierigheid."

"Laten we eerst maar naar beneden gaan.... Die jongens willen misschien

wat eten."

"Asjeblieft drinken mevrouw"... zei Dolf. "Ik versmacht."

"Hadden jullie dan geen drinken bij je?"

"Vergeten mevrouw... we gingen in zoo'n vreeselijke haast weg."

"Laten we dan maar eerst de vliegers in de hangar brengen," stelde

m'nheer Przlwitz voor... "Kom jongens help 'n handje."

Mevrouw Przlwitz ging naar beneden en m'nheer bracht met de jongens

de vliegers onderdak.

"n Prachtig monoplaantje heb jullie daar," merkte m'nheer Przlwitz

op. "Fijn hoor... 't nieuwste systeem ook nog. Die slaande vleugels

hebben aan de vliegtechnikers heel wat hoofdbrekens gekost."

"Toch nam Adhémar de la Hault op 'n veld in Casteau er honderd jaar

geleden al proeven mee," zei Jan Drie.

"Ei, ei,... je ben goed op de hoogte jongeheer... Daar wist ik

niemendal van... Hoe heette die uitvinder zeg je?"

"Adhémar de la Hault, m'nheer."

"Ja m'nheer," zei Dolf, "als u wat over de vliegkunst wil weten,

moet u Jan Drie maar vragen. Hij wil luchtingenieur worden."

"'n Mooi vak," zei m'nheer Przlwitz. "Hoe oud ben je Jan?"

"Vijftien m'nheer..."

"Verbazend... en heb jij je vliegbewijs dan al?"

"Nee," zei Dolf... "hij zit pas in vier... Ik heb 't maar Jan Drie kwam

't beter toe dan mij..."

"Zoo?" zei Jan... "Ik weet nog niemendal van de weerkunde..."

"O, dat snertvak," smaalde Dolf... "Dat heb jij in 'n paar maanden

onder de knie."

"Nou, nou... "lachte m'nheer Przlwitz, "je hoeft niet zoo laag neer

te zien op de weerkunde. Dat is 'n wetenschap, die de vliegmenschen

niet missen kunnen. Waar zouden we aankomen, als we geen verstand

hadden van luchtstroomingen, en als we niet uit de stand van onze

weerinstrumenten konden voorspellen wat er in de eerstvolgende dagen

in ons element zou veranderen?"

"Wel," lachte Dolf "dat lees ik in de krant..."

"Niet voldoende," meende m'nheer Przlwitz. "Je moet op je zelf kunnen

vertrouwen. Wat jij Jan?"

"Ik vind dat u gelijk hebt m'nheer... en ik zal er mijn best op doen

in dit jaar..."

"Jij liever dan ik," zei Dolf... "ik viel er altijd bijna bij in

slaap."

"Is die aeroplaan van jou Dolf?" vroeg m'nheer Przlwitz...

"Ik wou dat 't waar was m'nheer... Hij is van oom Dokie."

"Zoo... laten we nu dan maar naar beneden gaan... Kijk hij eens... Is

de dorst zoo groot?"

Dolf dronk uit z'n hand onder de kraan van de waterleiding in de

hangar.

"Hè, hè... dat smaakt..."

M'nheer Przlwitz en Jan waren al naar de lift gegaan, en Dolf ging hen

gauw achterop, onder 't loopen z'n handen met z'n zakdoek afdrogend.

M'nheer Prlzwitz wees de jongens ieder 'n kamer waar ze zich 'n beetje

konden opfrisschen met zeep en water en waar ze die nacht zouden

slapen, want mevrouw Przlwitz wilde in ieder geval, dat haar redders

zouden blijven logeeren, iets waar Jan Drie en Dolf niemendal op tegen

hadden. M'nheer Przlwitz ging intusschen naar mevrouw om zich alles te

laten vertellen en toen de jongens klaar waren met hun toilet vonden

ze m'nheer en mevrouw al in 'n gezellige kamer bij de tafel zitten,

waarop 'n heele boel lekkere dingen en heerlijke vruchten stonden en

natuurlijk ook de Russische theemachine, de samovar, waaruit mevrouw de

geurige warme drank in fijne glazen schonk, die in zilveren glashouders

met mooie blinkende ooren gevat waren. Terwijl ze aten en dronken zei

m'nheer: "jongens, ik moet jullie nog bedanken voor de hulp die je

mijn vrouw verleend hebt... Ze heeft mij 't heele ongeval verhaald...

Ik begrijp niet goed hoe de Haagsche inspecteur er toe komen kon

mijn vrouw zoo maar voor 'n aeroplaandief aan te zien... 't Is wel

heel toevallig, dat jullie ook uit Den Haag komt... Kennen jullie

dien m'nheer?"

"Jawel.." zei Dolf, "ik ken inspecteur Punt wel, en 't was geen toeval,

dat we daar op die berg waren."

"Wat, geen toeval?"

"Nee m'nheer," ging Dolf voort. "We zijn inspecteur Punt achterna

gegaan."

Hij hield plotseling op, want Jan Drie gaf 'm onder de tafel 'n

venijnige trap op z'n voet...

"Nu ga voort" zei m'nheer Przlwitz.

Dolf wist eerst niet goed wat te doen. Hij begreep, dat Jan liever

had, dat ie niets meer losliet. Maar hij kon nu toch niet z'n mond

blijven houden, of zeggen, dat ie er niets meer van wist. Dat was

toch te gek... Wat gaf 't bovendien ook, dacht ie en hij keek Jan

Drie even lachend aan toen hij vervolgde:

"We zijn inspecteur Punt achterna gegaan van Nordhausen af, waar we

vanmiddag om drie uur opgevlogen zijn... Die inspecteur beweerde, dat

ie door z'n hond Spits 't spoor gevolgd was van 'n gestolen aeroplaan

tot op 't dak van 't Automatische hotel waar wij logeerden. Vader,

moeder, de zussen en ik... Maar daar raakte hij 't kwijt en vond

't later weer terug... en toen zijn wij 'm snel nagevlogen uit

nieuwsgierigheid hoe 't zou afloopen."

"Ah zit dat zoo in elkaar... Maar jullie waren zoo dadelijk bereid

m'n vrouw te helpen... en dat had je toch niet mogen doen als ze eens

werkelijk de dievegge geweest was..."

"Hè man, hoe kan je dat nu zeggen..." zei mevrouw Przlwitz... "Ik vond

't heel aardig van jullie hoor jongens... en m'n man ook."

"Natuurlijk... natuurlijk..." zei m'nheer, "maar hoe konden die

jongens nou weten, dat jij geen dief was... Die inspecteur en z'n

hond hebben zich vergist, dat is buiten twijfel... maar dat wisten

zij toch óók niet."

"O," zei Dolf lachend.... "dat wisten we heel sekuur."

"Was jij er ook zoo zeker van?" vroeg m'nheer Przlwitz lachend aan

Jan Drie.

Jan kreeg 'n kleur doch zei niets en Dolf riep:

"Hij begon er 't eerst over... die wou met alle geweld mevrouw redden."

"Ik vind 't echt van jullie hoor," betuigde mevrouw "en ik ben jullie

zeer dankbaar. Verbeeld je man, zonder die jongens, had ik daar nu

nog heel alleen op die nare berg gezeten, want die inspecteur zal 't

ook wel niet aangedurfd hebben er weer heen te vliegen toen die nevel

om de berg hing. Neen hoor ik ben wat blij, dat ze niet eerst alles

zoo voorzichtig overwogen hebben of 't wel goed was of niet... Hier,

nemen jullie nog wat van die druiven... en zoo'n groote appel.... Die

zal je ook wel lusten."

Mevrouw Przlwitz laadde Jan's bord en dat van Dolf vol vruchten en

m'nheer lachte maar. Hij vond 't toch bij slot van rekening maar goed,

dat die jongens zoo zonder nadere overwegingen gehandeld hadden, want

hij zou 't ook niet aangenaam gevonden hebben voor z'n vrouw, als ze

'n heele nacht op zoo'n gure berg tusschen de alpenroozen had moeten

doorbrengen, of wat misschien nog erger was--in de gevangenis. Maar

toch, heelemaal goedkeuren wat die jongens gedaan hadden wou hij

ook niet.

"Ik begrijp toch niet hoe die inspecteur met z'n hond juist daar

kwam." zei m'nheer na 'n poos... "'t Is 'n wonderlijke geschiedenis."

"Er moet zeker 'n vergissing gebeurd zijn met die hond," beweerde

Dolf. "'t Is de beste politiehond die ze in Den Haag hebben."

"Juist daarom" hernam m'nheer Przlwitz. "Zoo'n hond vergist zich

niet. Doch, wat denk je vrouw, zouden we niet nog 'n poosje op 't

dak gaan zitten. 't Is zulk heerlijk weer... we kunnen ook in de tuin

gaan, maar ik vind 't op 't dak aardiger. Daar hebben we 'n veel beter

gezicht op de stad en op 't meer. We zullen van avond niet veel van de

bergen kunnen zien... want de lucht is betrokken... Anders zijn die

bergen om 't meer heen, van de Rigi tot aan de Pilatus in maanlicht

wel de moeite waard."

"De jongens mogen 't zeggen," zei mevrouw. "Waar hou jij 't meest

van Jan?"

"Mevrouw ik zit 't liefst op 't dak."

"Geen wonder..." riep Dolf... "Daar zit ie thuis ook altijd. Jan

is 'n luchtjongen. Die zou wel willen eten, drinken en slapen in

'n aeroplaan."

"Kom dan maar. Vrouw je zorgt zeker wel voor wat limonade hè?"

"Laat dat maar aan mij over, m'n twee dappere redders zullen 't goed

bij mij hebben."

Op 't dak gingen ze op gemakkelijke stoelen zitten en keken uit over

Luzern met al z'n lichten en over 't meer, dat nu onder de donkere

wolkenhemel alleen maar blonk van lichtjes op schuitjes en van de

lantaarns en de verlichte vensters aan de oevers. Van de bergen zagen

ze niemendal. Die zaten met hun koppen in 'n wolkenmuts.

"Je kan hier anders de lichten van Rigi-Kulm zien," zei m'nheer,

"maar dat treffen jullie slecht. 't Lijkt wel of we 'n donderbui

krijgen. De lucht is zwart."

"Jammer", vond Jan. "Ik zie graag de sterren en de witte bergtoppen."

"Dat is 'n heerlijk gezicht," meende ook m'nheer Przlwitz. "Vooral

de sterren, de eenige dingen die we verplicht zijn van onder te

bekijken.. hoe hoog we ook boven de bergen uitvliegen. Dààr kunnen

we in geen geval bij."

"Och," zei Dolf, "de menschen kunnen zooveel, misschien brengen ze

't ook nog nog wel eens zóóver."

"Je ben 'n grappenmaker Dolf... Ik geloof dat we de grens bereikt

hebben, wat de afstand betreft. Alleen kunnen we misschien onze

vliegapparaten nog wat verbeteren. Ik vind altijd nog maar, dat

'n vogel heel wat beter af is dan wij. Er is te veel omhaal bij,

als wij vliegen willen."

"O," riep Dolf... "U wil vleugels hebben."

"Dat heb je goed geraden. Ik wou 'n gemakkelijker vliegtoestel,

iets dat we net als vroeger de fiets in 'n klein hoekje konden

opbergen, en waar we geen motor, geen schroef en geen staart bij

noodig hadden. Misschien komt Jan Drie naderhand wel eens met zoo

iets voor de dag, als ie vliegingenieur is."

"En dat we zelf in beweging kunnen brengen?" vroeg Jan.

"Nee... mechanische beweegkracht. Vliegen in heel mooi, maar

je moet je er niet moe bij behoeven te werken. Wij hebben onze

krachten wel noodig voor andere arbeid... Ah, nou beginnen ze met de

luchtadvertenties... Die hebben we in geen maand hier gehad... Steeds

mooi weer."

"Bij ons is 't zelden 'n maand lang mooi weer," zei Jan... "en als we

'n paar dagen zonder luchtadvertenties zitten is 't al mooi."

"Ik vind die annonces in de lucht wel aardig," merkte mevrouw

op. "'t Zou zonde wezen als ze die letters tusschen de sterren konden

zetten. Maar op zoo'n donkere wolk mag ik 't wel, als je toch niets

te bewonderen hebt daarboven."

"Jan!" riep Dolf opeens en allen keken 'n oogenblik zwijgend naar

de lucht boven 't meer. Daar stond met groote lichte letters in

de wereldtaal:

De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert · 第 13 / 20 题