HOOFDSTUK XXII.

De veldtocht tegen Rusland.

Reeds maakten wij melding van een verkoeling, die de laatste jaren

tusschen Napoleon en Alexander van Rusland was ontstaan, en van

haar oorzaken, die dreigden tot een oorlog te leiden. Dat de eerste

het tooneel van de toekomstige worsteling toen reeds zorgvuldig

bestudeerde, had zijn brief van 4 Augustus 1810 aan den koning van

Saksen genoegzaam aangeduid. Den 10en December was zijn beruchte

boodschap aan den Senaat gevolgd, waarbij hij Frankrijks grenzen met

één pennestreek tot Lübeck had uitgezet. Een brief van 28 Februari

1811 aan keizer Alexander had bij dezen ten slotte allen twijfel

opgeheven betreffende de plannen, die men tegenover hem koesterde.

In verband met deze plannen en met de hem nooit verlatende gedachte

Engeland toch eenmaal den nekslag toe te brengen, begon hij in het

laatst van September, ondanks het ongunstige jaargetijde, een reis

langs de kust van de Noordzee. Hij bezocht Antwerpen en de werken langs

de Schelde aldaar, toog naar Vlissingen, nam hier maatregelen om de

uit verschillende natiën samengebrachte bemanning der oorlogschepen

in bedwang te houden, vaardigde orders uit om de werven over Hamburg

voortdurend van timmerhout te voorzien, sloot den uitvoer van

graan,--een doodsteek voor den handel doch een buitenkansje voor den

landbouw; de prijzen liepen op tot 35 gulden per hectoliter--deed op de

scheepstimmerwerven tot Texel toe den arbeid verdubbelen, verschafte

hierdoor aan duizenden menschen brood en begaf zich ten slotte met

"zijn vrouw," die de reis over Utrecht had gemaakt, naar Amsterdam.

Dat men in Holland weinig sympathie voor hem gevoelde, is te

begrijpen. Wel had hij Amsterdam verheven tot de derde hoofdstad

van Frankrijk, maar het leger en de garde waren bij zijn korpsen

ingelijfd. De heeren de Celles en de Stassart, zijn prefecten,

respectievelijk te Amsterdam en te 's Hage, hadden een harde hand;--de

andere prefectsplaatsen waren bezet door volbloed-Hollanders, die voor

deze hooge, goedbezoldigde betrekking zonder eenige moeite te vinden

waren geweest;--de jaarlijksche rentelast was gestegen van dertig tot

veertig millioen; de nationale schuld was om deze reden getiërceerd,

waardoor heel wat renteniertjes tot armoede vervallen en veel

liefdadige instellingen in haar inkomsten benadeeld waren. In 1808 en

1809, onder Louis, was het nog erger; op de schuldbrieven werd toen in

't geheel niets betaald. Thans zouden de schuldeischers van den Staat,

waarvan velen die effecten ver beneden pari hadden gekocht, in elk

geval eenige rente ontvangen. De Fransche taal moest op alle scholen

worden onderwezen; in October 1810 was de zoo gehate conscriptie

ingevoerd. De Code Napoleon moest worden gevolgd; de haringvisscherij

was met het oog op het smokkelen verboden. Java was verloren gegaan. Op

een begrooting van 155 millioen kwamen jaarlijks 45 millioen te kort;

eindelijk had Holland zijn zelfstandig bestaan verloren.

Reden tot juichen en feestvieren bestond er voor de menschen dus

niet. Toch werd er bij zijn komst te Utrecht en te Amsterdam gejuicht,

dat de vensterruiten er van schudden; toch werd daar feest gevierd,

toch verdrong de bevolking zich overal om hem te zien, te begroeten

en hem zelfs de hand te kussen. Amsterdam sloofde zich letterlijk uit

om hem hulde te betuigen en oogstte hierbij zelfs lang niet altoos

dank in, want van tijd tot tijd was hij tegenover "die goede, brave"

Hollanders, zooals hij ze noemde, ruw en grof genoeg.

Toch waren deze hoera's, deze spontane uitingen der volksmenigte,

te begrijpen, want die kleine, vrij zware man met zijn bleek en

strak gelaat in zijn eenvoudige uniform met dien nu eens gestrengen

dan weder zachten blik, was Napoleon, de imperator op het toppunt

van zijn macht, wiens rijk zich uitstrekte van de Elbe tot aan de

Pyreneën; en dergelijke grootsche figuren zullen door alle eeuwen

heen uitbarstingen van hulde en vereering op hun weg ontmoeten,

omdat de mensch nu eenmaal niet laten kàn zich diep te buigen voor

grootheid en faam.

Onmenschkundig, kleinzielig zou het dus wezen de bevolking in Holland

van die huldebetuigingen een verwijt te maken of onloochenbare feiten

te willen verbloemen, alsof ze een schande waren. Toch is dit ten

opzichte van Napoleons bezoek zelfs door schrijvers van naam in

Nederland vaak genoeg geschied.

Na Texel en de havenwerken aan den Helder te hebben bezocht, overal

bevelen gevende, alles zelf willende zien, door zijn juisten blik

en zijn afdoend ingrijpen, waar hij fouten ontdekte als altoos en

overal weder een raadsel voor allen, die hem vergezelden, ging hij

ook Zaandam en het huisje van Czaar Peter bezichtigen.

"Die man had wel wat beters kunnen doen dan hier zijn handen te komen

vuil maken met timmeren," vond hij. Zaandams zindelijk voorkomen

trok hem meer aan dan die bouwvallige keet.--Over Wezel, dat hij

tot een tweede Straatsburg wilde maken, en Keulen keerde hij naar

Frankrijk terug.

In de gewesten, waar Fransche troepen stonden, doch vooral langs

de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, zoomede

te Dantzig, heerschte inmiddels reeds maanden lang een rustelooze

bedrijvigheid. Derwaarts togen te voet en per scheepsgelegenheid

duizenden jonge mannen van verschillende natiën, die vroeger

gedeserteerd of aan de conscriptie ontloopen waren, om onder Davousts

gestrenge vuist gekleed, gewapend en gedrild te worden. Derwaarts

werden honderdduizenden hectoliters graan, reusachtige voorraden

wijn, kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden,

voldoende om een macht van circa 500.000 krijgers voor geruimen tijd

van al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand

gansche korpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk,

uit Spanje, uit Italië en Duitschland, met kleine dagmarschen,

om eerst langs de Oder en later langs oevers van de Weichsel te

worden opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden

lichte voertuigen aangemaakt, pontontreinen samengesteld, in één

woord al de voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo

groot als zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen,

zonder te groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren, over

een breed front, van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk naar

Ruslands grenzen te voeren.

Het plan om Rusland te beoorlogen stond reeds lang bij Napoleon

vast. In Augustus 1811, op zijn geboortedag, was dit uit een

gesprek met den Russischen gezant te Parijs voor een ieder, die hem

kende en die bij dat gesprek tegenwoordig was geweest, duidelijk

gebleken. Alleen was de tijd voor de uitvoering nog niet gekomen,

omdat het jaar 1811 misgewas had gebracht. Deze omstandigheid,

de voeding en verpleging van duizenden menschen en paarden op een

betrekkelijk kleine ruimte en de hiertoe vereischte maatregelen maakten

het dus een gebiedenden eisch, den veldtocht niet te openen vóór den

zomer van 1812, dus als het koren op het veld stond en de moerassige

terreinen, ten oosten van de Weichsel in Polen en Volhynië opgedroogd

en begaanbaar geworden waren. Tot zoolang moest de tegenpartij dus

misleid en aan de praat gehouden worden.

Aan ernstige pogingen om den Keizer op zijn voornemen te doen

terugkeeren ontbrak het in die dagen volstrekt niet. Zijn halsstarrig

vasthouden aan het idee, dat eenmaal Rusland gedwongen het continentaal

stelsel krachtig ten uitvoer te leggen, hij hiermede Engeland den

doodsteek zou hebben toegebracht en gepaard aan zijn hartstochtelijke

begeerte Alexander te doen bukken voor zijn wil was oorzaak, dat al

deze pogingen schipbreuk leden.

Doof bleef hij voor de vertoogen van de Cambacérès en voor die van

Talleyrand, al was deze geen minister meer, doof voor de woorden

van de Caulaincourt, dien hij reeds in Mei 1811 uit Petersburg

had teruggeroepen en vervangen door den eerlijken generaal

Lauriston. Tevergeefs schreef deze hem, dat keizer Alexander geen

oorlog wilde en zich alleen wapende, omdat zijn eigen geweldige

krijgstoerustingen in Polen en Pruisen hem hiertoe dwongen. Letterlijk

door een boozen geest gedreven, daarbij beheerscht door een soort van

grootheidswaanzin, bleef hij onverzettelijk. In 1805 en in 1807 had

hij Rusland geslagen doch niet onderworpen; thans zou hij het genade

doen vragen.

Van al de ellende en de tranen, die het jaar 1812 brengen zou,

droeg het verderfelijke, alle welvaart, allen voorspoed doodende

Continentale Stelsel dus ten slotte grootendeels de schuld. Napoleon

verkoos dit stelsel te doen zegevieren. Alexander verkoos niet voor

hem te bukken. Oorlog moest hiervan het gevolg zijn.

Napoleon had zijn militaire maatregelen voor den veldtocht genomen;

om zijn topografisch bureau de gegevens voor een goede kaart van

het oorlogsterrein te bezorgen, had hij zelfs de koperen platen

weten machtig te worden, waarop die voor de Russische staven waren

gegraveerd; wel een bewijs hoe in Rusland ook toen reeds letterlijk

alles voor geld te koop was.

Eindelijk had hij zich reeds in het begin van 1812 door een verbond

met Oostenrijk en met Pruisen zoo sterk mogelijk gemaakt. Bevreemding

mag het wekken, dat hij niet tegelijkertijd een of- en defensief

verbond sloot met Turkije. Reeds geruimen tijd was de Groote Heer met

Rusland in oorlog en eerst kort te voren had een wapenstilstand aan

het bloedvergieten tijdelijk een einde gemaakt; doch mogelijk achtte

hij zich reeds sterk genoeg. Een poging door hem nog in Mei gedaan

om met de Porte tot een verbond te geraken bleef zonder resultaat.

Voor de groote bezwaren, aan een veldtocht tegen Rusland verbonden,

was de Keizer inmiddels volstrekt niet blind; voortdurend trachtte

hij zijn kennis betreffende dit land, zijn ligging, hulpbronnen,

grondgesteldheid en bewoners te vermeerderen. Vooral hechtte hij groote

waarde aan de inlichtingen, hem verstrekt door den luitenant-kolonel

de Pouthon, een even bekwaam als bescheiden man, die na den vrede

van Tilsit op uitnoodiging van keizer Alexander zelf eenige jaren

bij het Russische leger had gediend.

Onomwonden wees deze hoofdofficier hem op de gevaren, welke een leger

ginds dreigden door de daar heerschende schaarste aan levensmiddelen

en fourage, de onafzienbare, zoo goed als onbewoonde landstreken,

die moesten gepasseerd, den staat van doffe onverschilligheid waarin

de bevolking van Litthauen onder het juk der Russen was verzonken,

het gloeiende fanatisme der Moskovieten zelven en op de volslagen

onmogelijkheid om zoodra de winter inviel, met een leger het veld

te houden. Zooveel ernstige moeilijkheden, zooveel te overwinnen

hinderpalen!--Verscheiden dagen lang bleef de Keizer in gepeins

verzonken. Enkelen uit zijn omgeving meenden reeds, dat de Caulincourt

het pleit had gewonnen; dat de veldtocht in elk geval zou worden

uitgesteld. IJdele hoop!

De vleitaal van mannen als Maret behaalde ten slotte de zege over de

stem van het gezonde verstand.

Den 9en Mei vertrok de Keizer met zijn gemalin en kwam den 17en te

Dresden. Hier had hij al de vorsten van het Rijnverbond en ook den

keizer van Oostenrijk, die zijn dochter sinds haar huwelijk niet

wedergezien had, tot een bijeenkomst samengeroepen. Zelfs Frederik

Wilhelm had voor deze uitnoodiging niet durven bedanken.

Napoleon had daar zijn Salon van Koningen, misschien wel met de geheime

gedachte, dat de berichten over zulk een reusachtig bondgenootschap

Alexander ten slotte tot nadenken en toegeven zouden stemmen.

Hiervan was echter geen sprake. Alexander was herhaaldelijk diep

gegriefd en--Rus van geboorte.

Wanneer wij hierbij voegen, dat de Russische adel toch reeds

in hooge mate ontstemd was door zijn vroegere vriendschappelijke

houding tegenover Napoleon en door zijn aanvankelijk medegaan met de

beginselen van het Continentale stelsel, waardoor hun de gelegenheid

werd afgesneden de producten hunner landgoederen af te zetten in den

vreemde; wanneer wij tevens in aanmerking nemen, dat hij hierdoor

kans liep te eeniger tijd het lot van zijn vader Paul I te deelen,

eindelijk, dat de invloed van Engeland zich te St. Petersburg weder

deed gelden, dan is zijn houding zeer goed begrijpelijk.

"Den oorlog wensch ik niet; word ik niettemin er toe gedwongen,

dan zal ik hem voeren tot het uiterste," had hij vroeger reeds

bij herhaling eerst aan de Caulaincourt, daarop aan Lauriston te

verstaan gegeven. Zijn ukase van 15 Januari 1811 betreffende den

invoer van Fransche en Duitsche goederen en de toelating van schepen

onder Amerikaansche vlag in zijn havens, had reeds bewezen, dat óók

hij een wil had.--Tegenover Frankrijks krijgstoerustingen had hij

evenmin stilgezeten.

Dat hij het van Napoleon winnen en den Niemen overtrekken zou,

voordat de eerste met zijn krijgstoerustingen gereed was, behoefde

echter niemand te vreezen. Hoewel enkele personen uit zijn omgeving

hem hiertoe trachtten te bewegen, bleef hij onverzettelijk bij zijn

eenmaal uitgesproken voornemen om zelf geen enkele vijandelijke daad

te plegen maar achter de grensrivier, den Niemen, te blijven en hier

af te wachten wat zijn tegenpartij zou doen.

Omtrent de voornemens van Napoleon maakte Alexander zich, reeds sinds

de maand Maart was ingetreden, weinig of geen illusies meer. Toen

had deze namelijk den kolonel van Czernicheff, een Russisch edelman,

die reeds herhaalde malen met kiesche zendingen tusschen Parijs en

St. Petersburg was belast geweest, bij zich zien verschijnen met een

brief van Napoleon zelf.

Dit schrijven was vredelievend genoeg gesteld, maar 't geen de kolonel

in Frankrijk zelf en op zijn reis door Duitschland met eigen oogen

had gezien, n.l. die reusachtige troepenverplaatsingen naar het

oosten, was met den inhoud van den brief in tegenspraak. Bovendien

had Czernicheff zich voor grof geld uit de Fransche bureaux van oorlog

de sterktestaten der reeds op marsch zijnde troepenafdeelingen weten

te verschaffen; deze hieven allen twijfel op.

Nu het niet langer een geheim voor hem was, wat er ten westen van den

Niemen broeide, had Alexander in 't begin van April onderhandelingen

met Engeland over een of- en defensief verbond geopend. Met Bernadotte

eveneens. Aan Turkije had hij voorstellen gedaan om vrede te sluiten,

en den 21en April was hij ten slotte naar zijn leger vertrokken,

dat onder Barclay de Tolly om en bij Wilna was samengetrokken,

alleen om den wensch van het volk te bevredigen en te voorkomen dat

zijn onderbevelhebbers overgingen tot daden, die het uitbreken der

vijandelijkheden terstond tengevolge zouden hebben gehad. Nog altoos

hoopte hij op een bevredigende oplossing.

Lauriston had hij naar Wilna niet medegenomen, doch hem te

St. Petersburg achtergelaten. Aan den heer de Narbonne, die in 1809

gouverneur was geweest van Raab, en die hem in de laatste dagen van

April door Napoleon was toegezonden om hem betreffende zijn plannen te

polsen, gaf hij in zijn hoofdkwartier te Wilna te verstaan, dat hij

vrede wilde, doch dat Napoleon Pruisen dan moest ontruimen en niet

langer aandringen op de gestrenge handhaving van het Continentale

Stelsel.--In elk geval zouden de vijandelijkheden niet door hem

worden begonnen.

Juist om deze laatste verzekering was het Napoleon voornamelijk

te doen geweest. Hij had tijd gewonnen, rustig kon hij nu met zijn

toebereidselen voortgaan en zijn macht langzaam verder naar den Niemen

vooruitschuiven, tot de 22e Juni was bereikt.

Den 29en Mei begaf hij zich eveneens naar zijn leger en nam zijn

reis daarbij over Mariënburg, Thorn en Dantzig, niet over Warschau,

zooals de Polen hadden gehoopt.

Maria Louise bleef haar vader, die met haar stiefmoeder naar de baden

te Töplitz zou gaan, nog eenige dagen gezelschap houden, schonk aan

beiden de overtuiging, dat zij zich in haar nieuwen toestand gelukkig

gevoelde, dat zij veel van haar man hield en dat deze zeer lief voor

haar was, en keerde over Praag terug naar Parijs.

Te Mariënburg vond Napoleon Davoust. Onderweg had hij kunnen zien

hoe geducht vooral de Wurtemburgers en de Pruisen in de door hen

gepasseerde landstreken hadden huis gehouden en geroofd.--Hij had

Davoust in de laatste twee jaar niet ontmoet en had tevreden kunnen

zijn over de wijze, waarop deze zijn reusachtige taak had volbracht. De

weinig spraakzame, doch eerlijke en zeer gestrenge maarschalk toch had

niet alleen zijn eigen legerkorps, het 1e uitmuntend uitgerust;--ieder

man droeg b.v. drie paar schoenen en levensmiddelen voor tien dagen

bij zich--maar ook de geweldige massa materieel bijeengebracht,

noodig voor een leger van 500.000 man, benevens 1800 vuurmonden met

hun geheele uitrusting voor twee veldtochten, zes veldbruggentreinen,

twee artilleriebelegeringsparken en een groot geniepark. Dan had

hij te Dantzig, te Elbing en te Braunsberg kolossale magazijnen doen

aanleggen en alle maatregelen getroffen om een deel van den benoodigden

voorraad, als meel en buskruit, per scheepsgelegenheid over de Pregel

en den Niemen naar Rusland te vervoeren.

Toch was Napoleon niet tevreden; hij was zelfs koel en

onvriendelijk. In de breede strook grondgebied van Hamburg tot aan de

Weichsel, waarover de maarschalk maanden lang het beheer had gevoerd,

had hij diens lof op verschillende plaatsen hooren verkondigen. Daarbij

liep het gerucht, dat de Polen bij een mogelijk herstel hunner

onafhankelijkheid aan hem hadden gedacht als aan hun aanstaanden

koning. Dit hinderde den Keizer en Berthier, jaloersch op de groote

krijgskundige bekwaamheden en het organiseerende talent van zijn

krijgsmakker, die niet vergeten was, wat er in 1809 bij Regensburg

tusschen hen was voorgevallen en welken flater hij toen zelf had

gemaakt, wees daarbij op de eigenmachtige manier, waarop Davoust

enkele wijzigingen had gebracht in bevelen, die niet strookten met

den toestand ter plaatse.

Napoleon was dus ontstemd.--Wat dachten die maarschalken dat ze

allemaal koning konden worden? In Portugal had de bevolking aan Soult

een kroon willen geven. In Zweden was Bernadotte reeds kroonprins. Deze

had het gewaagd hem zijn bemiddeling in de quaeste met Rusland aan

te bieden, en hem zelfs bij geheime nota aan Bassano voor te slaan

zijn bondgenoot te worden, als hij 20 millioen kronen en Noorwegen

kreeg. Noorwegen nog wel, dat toebehoorde aan Denemarken, Frankrijks

getrouwsten bondgenoot!

Een eerlijk verdiende tevredenheidsbetuiging ontving Davoust dus niet;

maar geen vleier of salonheld, daarbij Napoleons lichtgeraaktheid

van oudsher kennende, trok hij zich dit zeer weinig aan. Hij ging op

marsch naar Koningsbergen naar zijn korps, het sterkste en stellig

het best gedisciplineerde van de geheele armee, circa 73.000 man.

Te Dantzig vond Napoleon zijn zwager Murat, dien hij uit Napels had

ontboden om de cavalerie te commandeeren. Murat was boos, omdat hij

het lot van Jérome gedeeld en evenals deze bevel ontvangen had niet

te Dresden te verschijnen.

In gezelschap van de Caulaincourt, Berthier, Duroc en Rapp bleef de

Keizer eenige dagen te Dantzig. Hier moest hij van Rapp onbewimpeld

hooren, dat zeer velen den aanstaanden veldtocht in hooge mate

afkeurden; doch hij stoorde er zich niet aan en antwoordde, "dat de

heeren oud begonnen te worden en dat zij tegenwoordig te veel op hun

gemak waren gesteld." Een dag of wat later verklaarde hij Rusland onder

een gezocht voorwendsel van vormen en etiquette den oorlog en stond

den 23en Juni met 325.000 soldaten, in 10 korpsen verdeeld, in eerste

linie, en 200.000 op afstanden daarachter tusschen Tilsit en Warschau,

op den linkeroever van den Niemen. De macht onder zijn bevelen om en

bij Kowno bedroeg circa 200.000 man. Zelf verkende hij met generaal

Haxo de plaats, die deze laatste voor den bouw van drie bruggen het

geschiktste had geoordeeld en liet daarna met dezen arbeid aanvangen.

Dienzelfden avond nog bij heerlijk zomerweder begon o.a. bij Poniémon

de overtocht, het korps van Davoust aan het hoofd. Weerstand werd

nergens geboden; slechts enkele kozakken werden gezien. Drie dagen

vorderde deze rivierovergang. Toen stonden ruim 400.000 krijgers op

Russisch grondgebied.

Welke terreinen zouden deze nu hebben te doorschrijden?

De onafzienbare vlakten tusschen de Oost- en de Zwarte Zee worden ten

oosten van de Weichsel doorsneden door de Pregel, den Niemen en de Duna

of Dwina, die naar het westen, en door den Dniester en den Dnieper,

die naar het oosten stroomen. Hoe meer men de bronnen der eerstgenoemde

rivieren nadert, hoe schraler en zandiger de bodem wordt. De bewoners

zijn er dun gezaaid en arm, wonen in meestal ver uiteengelegen dorpen,

zijn ruw en onbeschaafd, en worden door de talrijke daar verblijf

houdende joden totaal uitgezogen. Moerassige terreinen en dichte,

zware bosschen wisselen elkander af. Men bevindt zich daar in 't

hartje van het oude Polen en van Litthauen. Lange reeksen breede zeer

primitieve bruggen voeren door de moerassen en over de rivieren. De

wegen zijn gemaakt van fascines en knuppelhout, ruw en ongelijk,

hier smal, daar breed, al naar gelang de bodem het toelaat, doch voor

groote troepenmassa's vooral bij slecht weder moeilijk begaanbaar.

Tusschen de bronnen van de Duna en die van den Dnieper, een afstand van

circa 20 uur gaans tusschen Witebsk en Smolensk dus, heeft de natuur

een toegang, een soort van reusachtig defilé gevormd, dat men de Poort

van het Oosten zou kunnen noemen. Daar ligt de grens tusschen Oud-Polen

en Rusland. Daar kan het water ook beter afvloeien dan in de meer

westelijk gelegen slechts hier en daar flauw glooiende terreinen. De

bosschen verdwijnen De reusachtige, droge vlakten van Oud-Rusland

met Moskou, de Heilige Stad er middenin, nemen hier een aanvang.

Dat hij tusschen de bronnen van de Duna en van den Dnieper door moest

had Napoleon terstond ingezien. Van de vier wegen naar het oosten

koos hij voor zijn hoofdmacht een der twee middelste n. l. die,

welke van Kowno over Wilna naar Witebsk en verder over Wiasma en

Borodino naar Moskou leidde. De andere middenweg, die over Grodno,

Minsk, Borissow en Smolensk, was veel korter doch liep voor een groot

deel vlak langs het reusachtige moeras van Pinsk. Daarbij voerde de

eerste recht op het Russische hoofdkwartier, op Wilna aan.

Hij had zijn doel bereikt; hij stond thans aan de westelijke grens

van een vlak laag land, dat weinig drinkbaar water bevatte en

slechts hier en daar, o.a. ten Westen van Wilna en ten oosten van

Smolensk aan de Wob, heuvelachtig was; en Alexander was hem niet

vóór geweest.--Behalve het leger, dat bij Kowno was overgegaan met

Eugène's macht bij Rastenburg hierachter, had hij Macdonald met zijn

Duitsche en Poolsche regimenten, benevens een Pruisisch hulpkorps

onder Yorck bij Tilsit verzameld, gereed om op Riga en Koerland los

te gaan. Bij Warschau had zijn broeder Jérome drie korpsen, onder

Poniatowski, Reynier, en van Damme, benevens een cavaleriekorps onder

zijn commando; nog verder zuidelijk en komende van Lemberg rukte het

Oostenrijksche hulpleger van Schwartzenberg, circa 33.000 man sterk,

op in de richting van Lublin.

Van de tegenpartij was bekend, dat deze een macht van circa 130.000

man onder Barclay de Tolly, met Wittgenstein als commandant van

den rechtervleugel, in een lange lijn in de omstreken van Wilna had

bijeengetrokken; dat generaal Bagration met circa 50.000 man zich ten

zuiden van Grodno, ongeveer bij Mir, bevond. Dat deze met Barclay's

linkervleugel reeds voeling had gekregen, wist Napoleon echter evenmin,

als dat een reserve-leger van 43.000 man onder Tormassof Bagration

daar in de laatste dagen had vervangen, en dat deze reeds naar het

noordoosten op marsch was om zich met Barclay te vereenigen.--Napoleon

zocht dezen nog tusschen Brzesc of Brest Litewsky (ten oosten van

Warschau) en Grodno en meende, dat hij naar Wilna wilde rukken om

hier bij de hoofdmacht aan te sluiten.

Deze dunne lange linie wilde hij in 't midden doorbreken. Met Davoust,

Oudinot, Ney en de garde, benevens twee cavaleriekorpsen onder Murat

als voorhoede, zou hij tegen Wilna oprukken. Eugène mocht met twee

korpsen en de cavalerie van Grouchy rechts achterwaarts van hem als

tweede linie volgen. Nog meer rechts achterwaarts zou Jérome van

Warschau uit op Grodno aanrukken. Zooals de Keizer het uitdrukte,

"maakte hij dus een beweging met den linkervleugel voor, terwijl hij

zijn rechter voortdurend terughield."

Rukte Bagration op tegen Warschau, dan moest Jérome daar en achter

de Narew blijven staan en de Russen bezighouden, tot Eugène deze in

de flank en hij zelf uit Wilna hen in den rug kon grijpen, om hen

totaal van den terugtochtsweg af te snijden.

Bagrations leger vernietigen was dus zijn eerste doel.

Een "prachtig plan" is het door deskundigen genoemd. De uitvoering

is echter zoo goed als achterwege gebleven. Barclay, veel te zwak om

aan die overmacht weerstand te bieden, liet Wilna los en ging zonder

vechten terug in de richting van de Duna en van een versterkt kamp

aan die rivier bij Drissa.--Bagration ontving order zich ongeveer in

diezelfde richting te bewegen.

Na een vierdaagschen marsch werd door de Franschen Wilna bereikt Wat

de tegenpartij uitvoerde was hun nog lang niet duidelijk geworden.

Terwijl Oudinot, die reeds van Kowno uit den weg naar het noordoosten,

naar Dunaburg was ingeslagen, nu onder kleine gevechten met

Wittgenstein verder naar de Duna trachtte door te dringen, ging

Davoust van Wilna op marsch in de richting van Smorgoni, en Murat

eveneens in de richting van Dunaburg en van Grubokoje om te verkennen.

Nu merkte Davoust, dat de troepen, die men aanvankelijk had aangezien

voor afdeelingen van Bagration, slechts linkervleugeltroepen waren

van den teruggaanden Barclay.--Stellig rekenende, dat Jérome, die

door Napoleon met geforceerde marschen naar Grodno was gezonden,

Bagration achterna, aan deze order had voldaan en de Russen dicht

op de hielen zat, hield Davoust den 3en Juli dus halt bij Ochmiana

ten westen van Smorgoni, om Bagration, als deze naderde, in de

linkerflank te vallen. Maar in weerwil van de booze brieven van

zijn keizerlijken broeder, had Jérome Bagration niet achterna gezet

en was te Grodno gebleven. De Hessen en de troepen van Westfalen,

niet gewoon in een schier tropische hitte langs zware, schaduwlooze

zandwegen bijna zonder drinken dagen achtereen snel te marcheeren,

konden voorloopig niet verder. Jérome's macht telde reeds eenige

duizenden achterblijvers; van de paarden lagen er honderden uitgeput,

van dorst gestorven langs den weg.

Wel rukte Davoust, versterkt door een divisie der garde, nu naar Minsk

in de hoop Bagration, die blijkbaar zuidwaarts uitweek, nog voor te

komen aan den Dnieper; wel ging Jérome na een paar dagen rust weder

op marsch, doch reeds was Bagration niet meer te vangen. Den 14en

Juli marcheerde deze naar Bobruisk aan de Berezina, in de hoop van

hier Smolensk te bereiken en de hoofdmacht aan de Dwina langs dezen

omweg te naderen.

Davoust doorzag dit plan geheel en trachtte het door een geforceerden

marsch naar Mohilew te doen mislukken. Werkelijk stiet Bagration

den 23en hier op hem, doch aangezien Davoust aanvankelijk slechts

één divisie ter plaatse had, kon hij den Rus niet beletten na een

kort doch scherp gevecht nogmaals uit te wijken naar het oosten,

zich aan een vervolging te onttrekken en ten slotte Smolensk toch te

bereiken. Jérome had van Napoleon terecht moeten hooren, dat hij door

zijn werkloos staan blijven te Grodno den vijand had gered, hij had

het legerbevel moeten overdragen aan Davoust, en was hierover zoo

ontstemd, dat hij ook zijn eigen commando neerlegde. Napoleon deed

hem het leger verlaten en naar Kassel terugkeeren.--Voor Jérome kwam

Junot als korpscommandant in de plaats, geen gelukkige ruil.--Aan

den ongunstigen loop, dien de zaken bij zijn rechtervleugel hadden

genomen, had de Keizer o. i. echter zelf de meeste schuld.--Hij had

zijn jongen onervaren broeder op het oorlogsveld doen gaan vóór een

beproefden generaal als Davoust, en een dergelijke onhandige zet

straft zich bijna altoos zelf. Terwijl hij de zaken bij Jérome zag

misloopen, was hij zelf te Wilna gebleven, had den eenen boozen brief

na den anderen geschreven, maar had bij Grodno niet zelf de opperste

leiding in handen genomen, terwijl zijn tegenwoordigheid in die dagen

te Wilna--hij bleef er tot den 16en--niet dringend noodig was.--Thans

was het eerste doel van den veldtocht volkomen gemist. Bagration kon

zijn troepen over den Dnieper brengen. Tegelijkertijd kwam een nieuw

gevaar opzetten n.l. Tormassof met zijn reserveleger. Uit het zuiden

rukte hij voorwaarts om den terugtochtsweg van het Fransche leger

te bedreigen, zoodat aan Reynier moest worden opgedragen, (11 Juli),

met Schwartzenberg tegen dezen nieuwen vijand front te maken.

Reeds in 1812 was Napoleon niet meer de broodmagere generaal Bonaparte

van 1796 of de Keizer van 1805, de man, die altoos overal zelf kwam,

waar het spande. Hij begon dik en pafferig te worden; daarbij kwamen

lichte blaasaandoeningen, die hem hinderden bij 't rijden; voorts

leed ook hij te Wilna geducht van de ontzettende hitte, die menschen

en paarden amechtig deed neervallen, en die evenals vroeger in Egypte

verscheiden soldaten tot zelfmoord bracht.

Ook was hij te Wilna niet gelukkig in de keuze der personen, die

hij hier met het beheer der zaken belast had. Maret, de hertog

van Bassano, tevens minister van Buitenlandsche Zaken, voor de

civiele zaken bestemd, was een vleier en een hoveling doch geen man

van groote bekwaamheid en werkkracht; generaal van Hogendorp, aan

wien de leiding der militaire aangelegenheden was opgedragen, miste

voldoende talen- en militaire kennis voor zijn zware taak, en--in de

hoofdplaats van Litthauen viel reusachtig veel te doen. Magazijnen

moesten aangelegd, broodbakkerijen en ovens gebouwd, logies voor de

doortrekkende aanvullingstroepen gezocht worden; daar moest in één

woord voorzien worden in tal van zaken, noodig voor de aanvulling

van het leger en zijn verplegingsmiddelen. Een man als Davoust zou

daar op zijn plaats zijn geweest. Een werkkring voor den Keizer,

die alleen hoofdzaken regelde, was daar niet.

Dan vond Napoleon weinig steun meer bij den Poolschen adel. Deze

had gewild, dat hij bij zijn komst gansch Polenland officieel vrij

verklaard en weder tot een koninkrijk verheven had; dan zouden al de

provinciën in opstand zijn gekomen, en zou een leger van 300.000 man

terstond tot zijn beschikking geweest zijn. Een oorlog met Pruisen en

met Oostenrijk, die deelen van Polen in bezit hadden, zou hiervan het

gevolg zijn geweest; hij had die driftige heeren dus een ontwijkend

antwoord gegeven.

Wel hadden eenige heethoofden nu weten te bewerken, dat er te Warschau

een zoogenaamde Nationale Rijksdag bijeenkwam, die het herstel der

onafhankelijkheid van het voormalige koninkrijk Polen afkondigde;

doch zelfs deze zeer ondoordachte handeling bracht in zijn inzichten

geen verandering.

Terstond daarop verminderde de geestdrift voor hem. Onder den adel

te Wilna waren nauwelijks twintig jongelieden te vinden om als

gardes d'honneur bij hem dienst te doen; aan de Fransche troepen op

hun doortocht werden nu vaak zelfs de eenvoudigste levensbehoeften

geweigerd.--Niema panie (er is niets) werd zelfs een stopwoord bij

de soldaten.

Reeds in de eerste dagen deed Napoleon de ervaring op van 't geen

zijn krijgers op dit oorlogstooneel te wachten stond. In het begin

van Juli kon Ney, naar de Duna op marsch, zijn artillerie niet

meer vooruitkrijgen; de paarden vielen dood voor de stukken. Men

begon ossen voor de caissons te spannen.--Vooral de cavalerie leed

ontzettend. Een paar dagen slecht weder, een paar bivaknachten op

den doorweekten bodem, gepaard aan slecht drinkwater, onvoldoend en

meestal groen voeder zonder haver, deed het verlies aan paarden weldra

stijgen tot duizenden stuks. Voegt daarbij, dat Murat zijn cavalerie

op onverantwoordelijke wijze misbruikte; dat gansche escadrons vaak een

vol etmaal opgezadeld en opgestangd bleven staan; dat de meeste dieren

jong waren en reeds geduchte marschen door half Europa achter den

rug hadden, dan zal het niemand verbazen, dat het verlies van paarden

weldra steeg tot een angstwekkende hoogte, vooral toen de wegen door

het gebruik weldra zoo slecht werden, dat zelfs lichte voertuigen met

fourage niet meer konden volgen. Bij de troepen onder Jérome, die bij

Grodno reeds dagelijks horden kozakken van Platof voor zich hadden

en overal afschuwelijke wegen vonden, slonken de bespanningen toen

reeds letterlijk zienderoogen weg. En de soldaten zelf?--Vooral bij de

Duitsche, de Hollandsche en de Italiaansche regimenten was het aantal

achterblijvers en maraudeurs weldra zeer groot. De verzengende hitte,

de overgroote vermoeienis, het onvoldoende voedsel en het ellendige

drinkwater waren de oorzaak. Alleen bij de Fransche regimenten zag

men minder achterblijvers; bij de garde aanvankelijk in 't geheel

niet; maar deze volgde de hoofdwegen; in haar onderhoud werd steeds

in de eerste plaats voorzien. Zoodoende hoorde Napoleon weinig of

geen klachten.

De omsingeling van Bagration mislukt, besloot hij Barclay, die den

11en Juli de Duna had bereikt, te lijf te gaan. Terwijl Oudinot en

Murat hem in front bezighielden, zou Eugène met zijn korpsen hem

uit de richting van Witebsk in de flank grijpen, naar 't noorden

dringen en den weg naar Moskou zoodoende vrijmaken.--Barclay wachtte

den stoot niet af. Hij wist, dat Bagration naar Smolensk rukte. In

denzelfden nacht, dat de Keizer bij Witebsk zich gereed maakte hem aan

te grijpen,--doch dit niet deed, omdat hij nog niet al zijn korpsen

bij zich had aangetrokken--verliet hij zijn stellingen en toog over

Poritsche naar Smolensk (27 Juli). Zelfs zijn spoor was niet weder

te vinden.--"De fortuin is een vrouw; mist ge heden een ontmoeting

met haar, morgen is zij verdwenen," had Napoleon vroeger vaak tegen

anderen gezegd. Deze waarheid scheen hij thans vergeten; bij Witebsk

had hij de zoo lang en zoo vurig gewenschte kans om eindelijk eens

een grooten, beslissenden slag te leveren laten voorbijgaan.--Alleen

aan de Duna werd nu gevochten.

Zoo werd Polotzk den 18en Augustus door generaal Saint-Cyr, die

Oudinot na zijn verwonding in 't commando was opgevolgd, glansrijk

genomen. De Keizer schonk dezen zeer kundigen doch zonderlingen en

onhandelbaren man, die overal een viool met zich medevoerde, hiervoor

den maarschalkstaf, doch grooten invloed op den loop van den veldtocht

had die overwinning niet.--Ook Wittgenstein trok ten slotte terug,

dieper Rusland in.

Te Witebsk gaf de Keizer zijn afgematte troepen een week rust. Reeds

was zijn macht in eerste linie geslonken tot 129.000 man, verspreid

over een lijn van 27 Duitsche mijlen, n.l. van Polotzk over Witebsk

naar Mohilew. Bij de Beieren onder Wrede, ingedeeld bij het korps van

Saint-Cyr, begon de geestkracht reeds te verdwijnen. Weldra zag men

velen, door heimwee aangegrepen, naar de hospitalen te Polotzk wankelen

om daar te vragen naar de sterfkamer. Hier strekten ze zich dan uit

op het stroo om niet meer op te staan. Op die wijze smolten gansche

bataljons weg, zoodat Wrede verplicht was de vaandels er van in zijn

bagagewagen te bergen. Saint-Cyr in kwartier in het Jezuïetenklooster

met een overdaad van wijn, bier, olie en meel in de kelders, speelde

intusschen viool, duldde geen enkelen gekwetsten of zieken soldaat

in het reusachtige gebouw,--hij wilde alleen zijn--deed niets om het

moreel zijner mannen op te heffen en was ternauwernood te bewegen een

paar flesschen wijn af te staan voor een gekwetsten hoofdofficier. Om

zijn soldaten bekreunde hij zich nooit.

In de laatste dagen van Juli stond de hoofdmacht in de lijn

Mohilew-Orscha-Witebsk-Polotzk.--Davoust was naar Orscha op marsch,

waar Junot reeds was. Tormassof in Volhynië, ten noordoosten van de

lijn Brest-Kobryn, werd nog door Schwartzenberg en Reynier in bedwang

gehouden; voorloopig kon hij met zijn door Napoleon veel te gering

geschatte macht niet noordwaarts dringen. Eenig succes van beteekenis

was nog nergens door de Franschen verkregen.

Dat de Keizer een korten tijd zwanger zou hebben gegaan van het plan

om in bovengenoemden lijn te blijven staan, hier de winterkwartieren

te betrekken en den veldtocht in het volgende jaar voort te zetten,

is door enkelen beweerd doch door niets bewezen; ook is het niet

aannemelijk, dat de gedachte aan zulk een maatregel, hem meer dan

enkele oogenblikken kan hebben beziggehouden. Door zulk een weifelend

optreden zou hij aan zijn prestige tegenover Europa een geduchten

knauw hebben gegeven.

Inmiddels werd door Schwartzenberg en Reynier in de omstreken

van Gorodetschna en Kobrin met Tormassofs troepen herhaaldelijk

geschermutseld, zonder dat ook hier een beslissing viel; Macdonald

toog naar Dunaburg, dat nu door de Russen werd verlaten, terwijl York

Riga berende.

Reeds had de Keizer alle toebereidselen doen maken om den 13en Augustus

den marsch naar Smolensk te hervatten--dat Bagration zich hier met

Barclay vereenigd had, was hem nu bekend--toen het rapport betreffende

een scherp gevecht bij Inkowo, in de omstreken van Poritschje, waarbij

Montbruns cavalerie was teruggeworpen, hem het bewijs kwam leveren,

dat de tegenpartij tot het offensief was overgegaan.

Wat was het geval?--In de meening, dat het hem weinig moeite kosten

zou de oogenschijnlijk dunne lijn van vijanden op een of ander punt

te doorbreken, dus een succes te behalen en hierdoor de bevrediging

te geven aan de oud-Russische partij, die hem, den buitenlander,

zijn aanhoudend retireeren verweet en zijn vervanging reeds luide

eischte, had Barclay de Tolly den 7en uit Smolensk een offensieve

beweging ingeleid in noordwestelijke richting.

Terstond besloot de Keizer weder tot een van die gedurfde strategische

zetten, welke wij bij Ulm, bij Jena, later nog bij Regensburg van

hem zagen. Davoust ontving bevel bij Rassasna vier bruggen over den

Dnieper te doen slaan; en terwijl Barclay letterlijk een luchtstoot

deed en zoo goed als geen vijand tegenover zich vond, trok de Keizer,

gedekt door het woud van Bieski met zijn gansche hoofdmacht over den

Dnieper, om Barclay's linkervleugel heen naar Smolensk en stond hier

een vol etmaal, voordat de Russische hoofdmacht deze door slechts

één divisie van Bagration verdedigde, half in puin liggende plaats,

had kunnen bereiken.

Den 17en wordt Smolensk, de Heilige Stad, met haar eeuwenoude, meters

dikke muren met alle kracht aangegrepen. Geweldig is de worsteling;

de Russen, verreweg de minderheid en eerst later door een deel van

Bagrations overige divisiën versterkt, vechten als leeuwen om het

behoud hunner stad.--Dat 's Keizers plan Barclay af te snijden van

zijn terugtochtsweg en hem naar het noorden terug te werpen niet is

gelukt; dat er om Smolensk bijna vier en twintig uur onafgebroken is

gekampt; dat Barclay ten slotte in den nacht ongedeerd in de richting

van Moskou is kunnen aftrekken, is alleen het gevolg geweest van de

weergalooze taaiheid, waarmede Bagrations soldaten, door rijkelijke

uitdeelingen van brandewijn nog meer aangevuurd, de verdediging hebben

gevoerd o.a. van een circa zes meter dikken baksteenen muur, met een

droge gracht en een bedekten weg er voor, die dwars door voorsteden

heen de oude stad omsloot.

Eerst in den nacht van den 18en Augustus verliet de Russische

achterhoede haar stellingen, nadat ze de voorsteden in brand

gestoken en de eenige brug over den Dnieper vernield had. Ney, die

onder gestadig vechten met de wijkende troepen vooruitdrong, vond

niets dan een gloeienden puinhoop, benevens zeven duizend licht-

en zwaargekwetsten, van welke laatsten honderden in die vuurzee den

dood vonden.

Het woedende achterhoedegevecht bij Valoutina, dat op den val van

Smolensk volgde en o. a. aan generaal Gudin het leven kostte, bewees

opnieuw de verbittering der Russen. Was dit gevecht merkwaardig

door de houding van Junot, die met zijn korps werkeloos bleef en,

hoewel door Ney gewaarschuwd, geen voet verzette om zijn ernstig

bedreigde wapenbroeders te ondersteunen, niet minder was dit door de

omstandigheid, dat de noodige verbandmiddelen ontbraken en dat stroo,

alsmede papier uit Smolensks archieven hiervoor moesten dienst doen.

Weder was het dus niet gekomen tot een slag, zoo beslissend als

b. v. die van Friedland; weder was de vijand teruggegaan, gehavend,

ja, doch niet overwonnen; weder had de fortuin zich van de Fransche

wapenen afgekeerd. De Keizer was thans letterlijk wel gedwongen

nog dieper het land binnen te dringen, naar Moskou, in de hoop hier

eindelijk een beslissing te doen vallen.

Zwaar was de weg daarheen, geweldig de hitte, zeer onvoldoende

de verpleging in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare

vlakten. Ontzettend was de ellende, geleden door mensch en

dier. Soldaten zag men drinken uit het karspoor, waarin even

te voren een paard had "gestald." En dan de steden, die werden

gepasseerd! Dorogobusch, Wiasma, Ghiat, ze waren allen grootendeels

door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen verkeerd.

Toch werd de marsch in breed front onafgebroken voortgezet, de

vuurmonden en voertuigen in verscheiden gelederen naast elkaar op den

breeden, met vier rijen boomen omzoomden weg; daarnaast in de vlakte

de infanterie in divisiecolonne, drie gelederen diep, de cavalerie

met escadrons in colonne op de vleugels er naast. Om den trein wat

minder reusachtig te maken, beval de Keizer alle particuliere rij-

en voertuigen te verbranden, maar dit bevel werd òf niet òf slecht

opgevolgd.--Onder zulke omstandigheden naderde de dagelijks zwakker

wordende hoofdmacht tegen den 5en September het dorp Borodino, aan

den grooten weg naar Moskou.

De voorhoede had hier reeds een rij vooruitgeschoven veldwerken in

de nabijheid van het dorp Schiwardino moeten nemen. Alles wees er op,

dat het eindelijk zou komen tot een grooten slag.

Ongeveer in de lijn dezer werken begon de Fransche hoofdmacht zich

in den morgen van den 7en in slagorde te scharen tegenover de dichte

drommen des vijands, die achter de Kologha, een zijriviertje van de

Moskowa, hadden stelling genomen, blijkbaar met het voornemen die

tot het uiterste te verdedigen. Het legercommando was overgegaan

in handen van den ouden, half-blinden maar nog altoos sluwen en

vaderlandslievenden volbloed Rus Kutusof, ons van Austerlitz reeds

bekend. Barclay de Tolly had moeten zwichten voor den drang der

natie, die hem zijn aanhoudend retireeren doch vooral zijn loslaten

van Smolensk, de Heilige Stad, niet kon vergeven en die hem bovendien

zijn afkomst,--hij was een Koerlander--tot een verwijt maakte, zoo

luidde het verhaal; en Kutusof had gezworen, dat Napoleon Moskou's

poorten alleen zou naderen over zijn lijk. Hiervoor was hij door

Alexander vorstelijk beloond.

Een reeks van open veldwerken, van welke die van Gorki met tal van

kanonnen bewapend de geweldigste was, bekroonde de rij heuvels,

waarop hij stelling had genomen. Weldra zou blijken, dat hij hier

zoo goed als alleen in front kon worden aangegrepen.

Napoleon(#27883) · 第 39 / 49 题