Naar Weenen.--Essling.--Wagram.
Gewichtige tijdingen waren 't geweest die den Keizer te Valladolid
hadden doen besluiten, alleen door een postillon vergezeld, spoorslags
naar Parijs terug te keeren en hier letterlijk als een bom uit de
lucht te komen vallen.--In de hoofdstad, in de hofkringen, zelfs onder
zijn voornaamste dienaren was een geest van onrust, van onzekerheid en
twijfel, bijna van onwil ontstaan. Te Valladolid was Napoleon dit te
weten gekomen; het had hem met wrevel en verbittering vervuld. Vooral
de heer de Fiévée, een van zijn geheime agenten, had hem in drieste
taal van den stand van zaken te Parijs een beeld gegeven, dat een
groot fond van waarheid bevatte.
Zijn herhaalde te vroegtijdige oproepingen van conscrits, zijn aanval
op de Spaansche Bourbons, dan de geweldige verplaatsingen van troepen
uit Duitschland, waar ze nog steeds noodig waren, naar een land
als Spanje, waar ze bij wat minder zucht naar veroveringen van zijn
zijde onnoodig zouden zijn geweest, in één woord al die maatregelen,
welke de kans op vrede steeds kleiner deden worden, hadden tijdens
zijn afwezigheid het onderwerp uitgemaakt van veler gesprekken. De
geestelijkheid, toch reeds ontevreden over de ruwe manier, waarop
hij met den paus had omgesprongen en over zijn maatregelen in zake
het onderwijs, was zelfs reeds verder gegaan en had hier en daar van
den kansel stellingen verkondigd, die deden denken aan de vroegere
dagen van felle geloofsverdrukking. De fondsen, de thermometer van
de openbare meening, waren teruggeloopen tot beneden 80.
Zelfs in het Wetgevend Lichaam was 't niet rustig; de Cambacérès had
het dus raadzaam geacht den Keizer voor te stellen de behandeling van
het Wetboek van Strafrecht te verschuiven tot een volgend jaar. Deze
had hiernaar geen ooren gehad; de toen gevolgde discussiën over het
ontwerp van wet hadden meer strijd gewekt dan ooit te voren. Eindelijk
hadden Fouché en Talleyrand, elkander na een vijandschap van tien jaar
tot verbazing van 't publiek openlijk de hand van verzoening gereikt en
samen nagegaan wat hun te doen stond, wat er van hen worden zou, als
de dolk van een Spanjaard of de kogel van een Oostenrijker eensklaps
den levensdraad doorsneed van den man, die geen nakomelingen had.--De
buitenwereld had dit onderhoud reeds uitgesponnen tot een volledigen
roman en zelfs reeds uitgemaakt, dat Murat dan den troon zou bestijgen.
Denkende Napoleon hiermede genoegen te doen, had Fouché zelfs de
onbeschaamdheid gehad Joséphine een echtscheiding aan te raden, nu
de kans op moeder worden voor haar was verdwenen. En Talleyrand was
begonnen alle deelgenootschap aan dien staatsgreep in Spanje van
zich af te schuiven en alle medewerking aan den dood van Enghien
te ontkennen.
Dit en waarschijnlijk nog veel meer, uit de brieven zijner geheime
agenten te Valladolid aan Napoleon bekend geworden, had dezen
geprikkeld tot woede. Bij de revue, die hij vóór zijn vertrek over
de garde hield, was het zelfs tot een uitbarsting gekomen.
Dat de garde mopperde, omdat hij ze niet terstond medenam naar
Frankrijk, had hij gehoord. Te voet een dier mopperaars passeerende,
die met gepresenteerd geweer voor hem in 't gelid stonden, rukte
hij den man het wapen uit de handen en trok hem zelf naar zich
toe.--"Ongelukkige, ik moest je laten doodschieten! Wat let me of 't
gebeurt nog!"--Toen stiet hij hem weder terug naar zijn plaats.--"En
jelui! Ik weet het wel. Jelui wilt terug naar Parijs, naar de pret
en de meiden! Maar past op, of ik houd je onder de wapens tot je
tachtigste jaar toe."--Van generaal Legendre, die de capitulatie van
Baylen mede had onderteekend, greep hij de hand vast: "Die hand,
generaal, die hand! Waarom is ze niet verdord, toen ze dat stuk
onderteekende!"
Vraagt dus niet hoe het donderde en weerlichtte bij zijn
terugkomst te St. Cloud! Tevergeefs trachtte Cambacérès hem tot
bedaren te brengen. Fouché ontving schriftelijk een gestrenge
berisping, en Talleyrand kreeg het volle gewicht van zijn toorn
op 't lijf in den ministerraad, in het bijzijn van verscheiden
grootwaardigheidsbekleeders, toen juist te Parijs aanwezig.--"En die
meneer Talleyrand durft beweren, dat hij vreemd is aan den dood van
Enghien!--En dat hij vreemd is aan den oorlog in Spanje!--Vreemd aan
den dood van Enghien? Ben je dan vergeten, man, dat je mij die zelf
schriftelijk hebt aangeraden? Vreemd aan dezen oorlog? Ben je dan
vergeten, dat je mij zelf schriftelijk in overweging hebt gegeven de
politiek weder te volgen van Lodewijk XIV?" Een regen van hatelijkheden
besloot deze begroeting.
Thuis gekomen, was Talleyrand, die onder dezen aanval roerloos tegen
een schoorsteenmantel was blijven leunen, zóó geducht ontdaan, dat
hij een flauwte kreeg. Dat hij in ongenade was gevallen, bleek hem
den volgenden dag nog duidelijker, toen Napoleon hem zijn sleutel
van opperkamerheer deed terugvragen en dezen schonk aan den heer
de Montesquiou. Toch begaf hij zich een paar dagen later in een
schitterend costuum naar een groot hoffeest op de Tuilerieën, maakte
voor zijn heer een zeer lange, diepe buiging en werd bijna weder in
genade aangenomen.
Zoo waren de fouten, door den Keizer zelf begaan, thans reeds oorzaak
van een begin van omkeer in de publieke opinie. Dit werkte nadeelig
naar buiten. De vreemdeling maakte hieruit de gevolgtrekking, dat
zijn gezag was verzwakt; dat de natie van zijn staatkunde afkeerig
was geworden, en dat voor Oostenrijk het oogenblik was aangebroken
om hem den oorlog te verklaren.--Engeland zorgde wel, dat deze indruk
vooral in Duitschland niet verdween.
Niet Oostenrijks krijgstoerustingen alleen waren dus de onmiddellijke
aanleiding geweest tot zijn plotseling vertrek naar de hoofdstad;
veel te goed wist hij, dat die nog lang niet voltooid konden wezen;
ook was het jaargetijde voor een oorlog nog veel te ongunstig. 't Zou,
rekende hij, wel April worden, voordat de vijandelijkheden begonnen.
Niet tegen den Oostenrijkschen gezant von Metternich,--dezen had
hij in Augustus reeds tevergeefs gewaarschuwd; hem behandelde hij
zeer beleefd doch koel;--maar tegen de overige diplomaten sprak hij
nu zijn meening over den toestand ruiterlijk uit.--"'t Schijnt, dat
men te Weenen de lessen der ervaring heeft vergeten," zeide hij onder
anderen. "Ik verlang geen oorlog; ik heb er geen belang bij; geheel
Europa kan zien, dat mijn geheele aandacht op Spanje is gevestigd, op
het nieuwe slagveld, dat Engeland thans heeft gekozen. Oostenrijk heeft
dit land gered, toen ik in 1805 het Kanaal wilde oversteken; thans
heeft het Moore gered, dien ik achtervolgde naar la Corunna. Hiervoor
zal het boeten. Het ontwapene zich oogenblikkelijk, of het gaat een
verdelgingsoorlog tegemoet."
Romanzoff, de Russische gezant, moest eveneens een opmerking
hooren.--"Had uw keizer mijn te Erfurt gegeven raad opgevolgd, dan was
het zoover niet gekomen. In plaats van vermaningen hadden wij ernstige
bedreigingen moeten doen hooren; dan zou Oostenrijk zich wel hebben
ontwapend; maar ginds is veel gepraat en weinig gedaan. Als uw keizer
nu een flink leger aan de Boven-Weichsel bijeentrekt om Oostenrijk te
doen zien, dat wij het ernstig meenen, komt alles terecht. En ik breng
aan den Donau en aan de Po 300.000 Franschen en 100.000 Duitschers
bijeen; dan zullen wij zien of die machtsontwikkeling voldoende is."
Dat zijn optreden in Spanje van dit alles de oorzaak was, vond
iedereen, maar ook dat Oostenrijk een groote onvoorzichtigheid beging.
Tot behoud van den vrede ging de Keizer nòg verder. Ook namens
Rusland deed hij Oostenrijk den waarborg geven, dat zijn tegenwoordig
grondgebied ongeschonden zou blijven. Na het voorgevallene te Bayonne
beweerde men daar voor het tegendeel beducht te zijn.
Doch in Oostenrijk, die gestreng katholieke staat, waren door
Napoleons optreden tegenover den paus, door het doen bezetten van
Rome, het voegen van de Romeinsche provinciën Ancona, Macerata en
Fermo bij het koninkrijk Italië en het in één woord ontnemen van
alle wereldlijk gezag aan den paus, de gemoederen reeds te zeer
tegen hem ingenomen. De vrees, dat weldra ook Oostenrijk aan zijn
veroveringszucht ten prooi zou vallen, had het geheele hof, zelfs
den anders zoo bezadigden aartshertog Karel aangegrepen. In Tyrol
heerschte reeds levendig verzet tegen de Beieren, de nieuwe heeren. De
afmarsch der Franschen uit Pruisen, een natuurlijk gevolg van het
tractaat van den 8en October 1808, werd te Weenen uitgelegd als een
gevolg van de "ontzettende" nederlagen, in Spanje geleden.--Op hun
doormarsch naar Maagdenburg waren die troepen zelfs hier en daar met
slijk gesmeten.--In geheel Duitschland, zelfs in de Bondsstaten, waar
de zoo gehate conscriptie was ingevoerd, was in één woord een geest
van onwil en wrevel tegenover Napoleon merkbaar. Al die factoren te
zamen, te Weenen door een reusachtig vergrootglas bekeken, hadden hier
de overtuiging doen ontstaan, dat het oogenblik der verlossing nabij
was; dat Napoleon in Duitschland geen leger meer had, groot genoeg om
weerstand te bieden; dat al zijn bondgenooten hem op 't eerste teeken
zouden verlaten en dat Pruisen, waarvan de koning, na 't verlies van de
helft zijner staten, te Koningsbergen troonde, als één man zou opstaan.
Daar werd dus de oorlog voorbereid.--Alleen aartshertog Karel bood
nog tegenstand. Hij zou het opperbevel voeren, en hij had Napoleon
op het slagveld leeren kennen. Zelf een veldheer, wiens persoonlijke
dapperheid boven alle verdenking was verheven, begreep hij, dat 't
lot van zijn vaderland op 't spel stond; over de smalende schreeuwers,
die thuis bleven, haalde hij dus minachtend de schouders op.
In de laatste dagen van Maart 1809 kwamen in Bohemen vijf, in
Boven-Oostenrijk en in Carinthië ieder twee legerkorpsen gereed;
in Galicië was een korps op marsch om prins Poniatowsky, die aan
't hoofd zijner Polen Napoleon had trouw gezworen, bij Warschau aan
te grijpen. Zelfs keizer Alexanders rondborstige verklaring aan den
Oostenrijkschen gezant prins von Schwartzenberg, dat zijn belangen
samengingen met die van Frankrijk, was niet meer bij machte den drang
naar oorlog te weerstaan.
Zooals dit bij den Oostenrijkschen generalen staf reeds meer was
vertoond, ontstond ook nu weder verschil over het veldtochtsplan, en
aartshertog Karel miste de energie om hierin te beslissen.--Eindelijk
werd het eerste plan n.l. om uit Bohemen over Bayreuth en Würtzburg
rechtstreeks naar Maintz te rukken, als te stout en te gevaarlijk
opgegeven. Zes korpsen zouden nu over de grensrivier de Inn, Beieren
binnen vallen. Geweldige troepenverplaatsingen werden door deze
wijziging noodzakelijk.
Den 10en April werd de Inn overschreden, zonder rechtstreeksche
oorlogsverklaring. Waar de Franschen stonden, wist men nog niet
precies; hun troepen waren gezien bij Ulm, bij Augsburg en vooral
bij Regensburg. Hier zou Davoust staan.--Die zwakke, zoo ver van
elkander verwijderde afdeelingen te verslaan en dan door Zwaben te
rukken naar Wurtemberg, dat zou de eerste zet wezen op het militaire
schaakbord.--Maar, al boden de Beieren aan de grenzen bijna geen
weerstand, toch ging het slechts langzaam voorwaarts. De wegen waren
slecht; de medegevoerde treinen reusachtig; en de Oostenrijksche
soldaten, toegerust met een goede maag, die graag was gevuld, waren
nu eenmaal geen soldaten van Napoleon, die, al waren ze jong, met
een marsch van twaalf uur door 't slijk en een maag, zoo hol als
een ledig vat, nog vochten als duivels een ganschen dag lang.--Zoo
snel als voor het doel noodig was geweest, werd de Isar dus niet
bereikt. Eerst den 16en kwam aartshertog Karel bij Landshut.--Nu
moest hij op den Donau aan, naar Regensburg, midden door een chaos
van bosschen, riviertjes, moerassen en heuvels. In twee hoofdgroepen
ging hij op weg. Van den vijand, vooral van diens linkervleugel, was
nog altoos weinig bekend. De aartshertog wist alleen, dat een groot
korps stond bij Augsburg en een ander bij Regensburg; doch waar de
hoofdmacht bleef en wat ze deed was een geheim.
Den 17en kwam Napoleon te Landshut, overzag den toestand, herstelde
een grove fout van Berthier, die tijdelijk het commando had gevoerd
en de legers niet samengetrokken had en werd toen van verdediger,
aanvaller. Hij sloeg aartshertog Ludwig, die den Oostenrijkschen
linkervleugel aanvoerde, drie dagen later bij Abensberg met zware
verliezen terug naar de Inn, ijlde daarop Davoust te hulp, die
het reeds even zooveel dagen bij Tengen zwaar had te verantwoorden
gehad. Den 22en viel hij aartshertog Karel bij Eckmühl op 't lijf,
drong hem bij Regensburg tegen den Donau aan en werd alleen door
uitputting zijner cavalerie belet zijn tegenpartij te vervolgen.
Toen Napoleon den 23en tot vervolging wilde overgaan vond hij
Regensburg bezet en kon Lannes na een langdurig en bloedig gevecht,
waarbij deze als een gewoon grenadier aan de bestorming deelnam,
zich pas van de stad en de brug meester maken.
Bij deze gelegenheid kreeg Napoleon zelf aan den rechterenkel
een schampschot.--"Ik heb 't beet," zeide hij doodbedaard, gunde
zich ternauwernood den tijd om zich te laten verbinden, maar
zat terstond weder te paard om zich aan zijn juichende troepen te
vertoonen. Dienzelfden avond trok hij het zwaar gehavende Regensburg
binnen.
Het eerste bedrijf van den veldtocht was afgespeeld. In vijf dagen
was het gros van het Oostenrijksche leger uit elkander geslagen,
en aartshertog Karel naar Bohemen teruggeworpen. Ook op aartshertog
Ludwig was de overwinning behaald; de weg naar Weenen stond open.
Reusachtig was de werkkracht van den Keizer geweest; zich nauwelijks
den tijd gunnende iets te eten of een paar uur te slapen op een stoel,
steeds tegenwoordig op de gewichtigste punten, geen oogenblik uit de
kleeren, had hij wederom het bewijs geleverd hoe een ijzeren wil de
stof kan beheerschen. "De arbeid is mijn element; voor den arbeid ben
ik geschapen," zeide hij van zich zelf. "De grenzen van mijn beenen
en van mijn oogen heb ik leeren kennen, die van mijn werkkracht
nooit."--"De Keizer is welvarend en verdraagt als naar gewoonte den
geestesarbeid en de lichamelijke vermoeienissen," schreef Berthier
aan Eugène.
"Had ik vervolgd, zooals de Pruisen mij dit deden na Waterloo, dan
zou de vijandelijke armee, tegen den Donau gedrongen, in de grootste
verlegenheid zijn geraakt," zei hij later.
Nu hij dit had nagelaten, zou hij aartshertog Karel weldra opnieuw
tegenover zich vinden.
Bij Regensburg regende het letterlijk belooningen aan hoog en aan
laag. Gewone grenadiers ontvingen het Legioen van Eer met een dotatie
van duizend francs en meer; de dappere Davoust, in 1807 reeds benoemd
tot hertog van Auerstadt, werd prins van Eckmühl.
Met de snelle, geen bezwaren kennende marschwijze der Fransche
infanterie uit die dagen, gaat Napoleon nu over Landshut rechtstreeks
op Weenen aan.
Den 13en Mei, juist een maand, nadat Napoleon den veldtocht heeft
geopend, capituleerde Weenen na een heftige beschieting van zes en
dertig uur. Pogingen om te onderhandelen waren mislukt.
Door den majoor Marbot, die het gewaagd had met een lichte sloep
bij nacht de breede, daar zeer gevaarlijke rivier over te steken
om gevangenen te maken, had de Keizer reeds in 't klooster van
Mölk bericht ontvangen, dat Hiller boven Weenen op den linkeroever
stond en dat aartshertog Karel uit Bohemen in opmarsch was. Hoe kon
hij dien linkeroever zoo spoedig doenlijk eveneens bereiken was nu
de vraag, want de tijd drong. Dagelijks ontving het Oostenrijksche
leger versterking van militie uit Bohemen en Hongarije. In Tyrol was
de bevolking, trouw aan het huis van Habsburg, in vollen opstand;
onder de aanvoering van den herbergier Andreas Hofer, een energieke
heldenfiguur, had ze het gehate Beieren den oorlog aangedaan. Te
Berlijn had de Pruisische majoor Schill aan het hoofd van al zijn
cavalerie op klaarlichten dag de gehoorzaamheid aan den koning opgezegd
en een partijgangerskorps gevormd. Om den dood zijns vaders en het
verlies van zijn land te wreken, was ook de hertog van Brunswijk-Oels
door een klein Oostenrijksch hulpkorps gesteund, in Saksen bezig
den opstand te prediken. Alleen de schrik, dien Napoleons naam nog
inboezemde, was oorzaak, dat de bevolking hem nog niet ondersteunde.
Dit alles teekende gevaar; en de weg van Parijs naar Weenen was
lang. Wel deed Napoleon bij Passau, bij Lintz en op de verdere voorname
overgangen over den Donau evenals langs de Enns, de Traun en de Inn,
dus overal in zijn rug en flanken kleine en groote versterkingswerken
aanleggen, hospitalen en depotplaatsen vestigen voor 't geval de
oorlogskans keerde, maar zijn toestand bleef ernstig.
Eén lichtpunt was er. De zegepraal bij Regensburg had in Italië, waar
Eugène commandeerde, een grooten ommekeer in den toestand daar ten
gevolge gehad. Aanvankelijk door aartshertog Johann teruggeslagen,
had de onderkoning de kans zien keeren, zoodra generaal Macdonald,
die door zijn vroegere verhouding tot Moreau een tijdlang was
achteruitgesteld, als onderbevelhebber naast hem was geplaatst,
en toen aartshertog Johann, door Napoleons oprukken naar Weenen,
gedwongen was zijn positie achter de Piave los te laten.
Macdonalds oorlogservaring en krijgsmansgeest hadden aan Eugène
het vertrouwen teruggegeven; bij diens ontmoedigde troepen was het
bewustzijn wedergekeerd, dat zij, mits goed geleid en aangevoerd,
nog altoos iedere legermacht in Europa konden weerstaan.
In een reeks van gevechten, waarvan dat op den 8en Mei aan de Piave
beslissend was, drongen Eugène en Macdonald steeds verder naar
Carinthië en Stiermarken. Het gevecht bij Raab in Hongarije, den
14en Juni, bekroonde dezen veldtocht. Eugène vereenigde zijn leger
met dat van zijn stiefvader.
In al die weken van spanning en gevaar had deze hem steeds vriendelijk
en bemoedigend als een vader raad gegeven en voorgelicht.--Die ijzeren
man met zijn hard, gestreng en strak gelaat, was innig aan hem gehecht;
al zijn daden en zijn brieven bewijzen dit. Als de troepen van Napoleon
en Eugène elkaar ontmoeten zegt de Keizer: "'t Is niet alleen Eugène's
moed, die hem hierheen voert, ook zijn hart."
Eugène had dus succes gehad, doch ginds voor Napoleon lag nog altijd
de Donau. Op den noordelijken oever verzamelden zich de Oostenrijkers
aan den Bisamberg, een uur boven Weenen; om hen te bereiken moesten
overgangen gemaakt, doch het benoodigde voor bruggenbouw als ankers,
kettingen en vaartuigen ontbrak. Toch moest de rivier gepasseerd
worden.
Gebruik makende van drie eilanden, die circa twee uur beneden de stad
den vloed in vieren splitsten en van welke Lobau het grootste was,
gelukte het eindelijk tegenover Ebersdorf drie pontonbruggen te doen
slaan; kisten met kogels en oude vuurmonden deden hierbij dienst als
ankers. In den nacht van den 20/21 Mei werd de overtocht begonnen, den
21en onverpoosd voortgezet, en het dorp Essling evenals Groot-Aspern
terstond versterkt.
Al dien tijd had de vijand zich rustig gehouden, en zich zelfs
niet vertoond. In den krijgsraad was namelijk besloten eerst een
deel van het Fransche leger ongehinderd op den linkeroever te laten
overgaan, de zwakke bruggen, die door den sterken stroom en het snel
wassende water toch reeds veel hadden te lijden, dan door drijvende
boomstammen en andere zware voorwerpen te vernielen en de aldus van
hun terugtochtsweg afgesneden korpsen ten slotte te vernietigen.
Den 21en komt aartshertog Karel tegen vier uur in den middag werkelijk
uit het noordwesten opdagen; maar slaagt er niet in Massena uit Aspern
of Lannes uit Essling te verdrijven. De nacht maakt een einde aan
den strijd. De troepen bivakkeeren in hun stellingen.--In den loop
van den nacht komen de oude garde en een divisie kurassiers de macht
van Massena versterken.
Nu keert Napoleon de rollen om en grijpt zelf aan. Reeds overschrijdt
Davoust de zuidelijke brug en heeft de Keizer bevel gegeven tot het
aangrijpen van 's vijands centrum, reeds wordt hieraan voldaan en doet
heftig artillerievuur dit centrum wijken als aan die zegepralende
beweging eensklaps een einde komt. Een groote drijvende molen is
door een troep jagers in brand gestoken en door den fellen stroom
medegesleurd met volle kracht tegen de hoofdbrug geslingerd en heeft
deze middendoor gebroken.
Uit is het in eens met den aanvoer van munitie en van reserves
van den rechteroever! Bij Essling wordt Napoleons toestand
allergevaarlijkst. De munitie raakt uitgeput. Terstond geeft hij
bevelen de vervolging te staken; het vuur verflauwt. Nu komen de
Oostenrijkers weer opzetten. Lannes wordt doodelijk gewond; de Keizer
zelf begeeft zich in 't heetste van het gevecht; zijn paard wordt
onder hem doodgeschoten. Doch Massena, die Aspern niet loslaat en alle
aanvallen hierop afslaat, redt de eer van den dag, want aan hem is
het te danken, dat de garde, de cavalerie en de overige troepen, door
de invallende duisternis beschermd, de brug weder kunnen passeeren,
die den linkeroever van den Donau met het eiland Lobau verbindt.
Dan gaat ook Massena terug en de brug wordt vernield, maar niet
voordat al de gekwetsten, de vuurmonden, in één woord elk bruikbaar
wapen van het slagveld is weggevoerd.
Doch de zege is verloren gegaan. De elementen hebben gezegevierd over
het beleid van den veldheer.
De eerste uren van den nacht is deze met een deel van zijn leger,
zonder vivres, bijna zonder geneeskundige hulp op het hier en daar
zeer lage moerassige Lobau opgesloten.
Maar dan is Davoust van den rechteroever ook reeds met hulp bij
de hand. Sloepen, schuiten, aken, alles heeft hij bijeengebracht
tot transport. Op Lobau blijft alleen Massena achter met zijn
korps van circa 30.000 man. De rest der armee komt weder op den
rechter-Donauoever.
Veel had Napoleon dien dag te danken gehad aan den buitengewonen
moed en het beleid van generaal Mouton. Hij benoemde hem tot graaf
van Lobau.
Bijna vijf en veertig dagen verloopen nu, voordat hij alle maatregelen
heeft getroffen, om aartshertog Karel den slag te kunnen toebrengen,
die Oostenrijk aan zijn genade zal overleveren.--Een zware, breede
paalbrug, bovenstrooms door een staketsel gedekt, wordt over den
hoofdarm der rivier geslagen; dwars door Lobau worden naar de
overgangen wegen aangelegd; in de verschillende zijkanalen wordt
een massa materieel bijeengebracht om binnen enkele uren zes, zeven
bruggen tegelijk te kunnen slaan over den nauwsten arm tusschen
het eiland en den linkeroever; alle troepen uit den omtrek ook die
van Eugène en van Marmont, die uit Dalmatië is gekomen, worden bij
Ebersdorf bijeengetrokken, terwijl langs den noordelijken rand van
Lobau batterijen worden opgeworpen, met zwaar geschut uit Weenens
goedgevulde arsenalen bewapend.--Zoo nadert de 4e Juli.
Na een schijnaanval ergens tusschen Aspern en Essling, ondernomen om
zeker te zijn, dat de tegenpartij zich niet naar Presburg verplaatst
doch zijn stellingen op het Marchfeld nog altoos bezet had, deed
Napoleon in den nacht van den 5en Juli onder een heftig kanonvuur
en onder een ontzettend onweder met regen en wind langs verscheiden
bruggen tegelijk, tegenover Mühlleiten den overtocht beginnen.
Al die weken had het Oostenrijksche leger, den linkeroever der rivier
met zijn voorposten in een grooten boog omspannende, in een huttenkamp
tusschen Wagram en Neusiedel, met de modderige Rüssbach voor zich,
hoofdzakelijk met exerceeren doorgebracht. Hoewel het in die streken
wemelde van paarden was de cavalerie niet aangevuld; bij de Rüssbach
waren geen veldwerken opgeworpen, zelfs voor de levensbehoeften der
troepen was onvoldoende gezorgd; drinkwater alsmede fourage voor
de paarden ontbraken meer dan eens. Geen enkel korps, dat steun had
kunnen verleenen, was uit Bohemen of van den Donauoever naar Wagram
in beweging gesteld; alleen ontving aartshertog Johann den 5en te
Presburg last den linkervleugel der stelling bij Wagram te komen
versterken.--Hij kwam echter te laat en bereikte den 6en het slagveld
eerst, toen hier alles reeds was afgeloopen. Een slecht gegeven order
was nòg slechter uitgevoerd.
Toen aartshertog Karel met den keizer naast zich Napoleon, die bij den
rivierovergang weinig tegenstand had ondervonden, in den morgen van
den 5en Juli bezig zag zijn macht tusschen Enzendorf en Glinzendorf
te ontwikkelen, kwam hij tot de ontdekking, dat hij door Napoleon
was misleid. Niet tusschen Aspern en Essling, waar hij hem verwacht
had, was Napoleon den Donau gepasseerd; het gevolg hiervan was dat de
aartshertog geen 200.000 doch slechts 150.000 man tot zijn beschikking
had; hij was dus ongeveer even sterk als zijn tegenpartij.
Zijn korpsen opgesteld in een haakvorm, met Wagram als centrum,
den linkervleugel bij Neusiedel, den rechter- zich in de vlakte
uitbreidende over Gerardsdorf naar Stamersdorf, met Aspern en Essling
zwak bezet, nam de aartshertog een zeer gunstige positie in, n.l. op
het hooge terrein en de heuvels. Van hier kon hij de ontwikkeling
van Napoleons leger in de vlakte op het met hoog, rijp graan bedekte
Marchfeld vrij goed overzien. Zijn beide vleugels had hij sterk,
zijn centrum zwak bezit, dit werd hoofdzakelijk gevormd door cavalerie.
Tegenover deze haakvormige frontlijn rukte de Fransche armee nu op,
de richting nemende naar Wagram, de rechtervleugel onder Davoust en
Oudinot op Neusiedel aan, de linker- onder Massena over Essling, Aspern
en Breitenlee met Süssenbrunn als eerste doel. Het centrum dat over
Raschdorf naar Aderklaa werd gedirigeerd, bestond uit de troepen van
Marmont, het leger van Italië onder Eugène, Bernadotte met de Saksers,
de Beieren, de garde en de zware cavalerie en was dus zéér sterk.
Door zijn stafofficieren onvoldoende ingelicht, op die reusachtige
vlakte niet in staat zulk een geweldige troepenmacht persoonlijk te
leiden, alleen wetende, dat van aartshertog Johann nog geen spoor was
te ontdekken, meende de Keizer het centrum der tegenpartij reeds dien
dag door een krachtigen aanval op Wagram te kunnen doorbreken, om de
beide vleugels daarna afzonderlijk te verslaan. Dan mocht Johann komen!
Om 7 uur in den avond waren hiertoe de bevelen gegeven, doch de aanval
van Bernadotte op Wagram was slap; een paar colonnes van Eugène kwamen
terecht in het Oostenrijksche huttenkamp op de hoogten van Baumersdorf
en kregen hier, door een vergissing, ontstaan door de overeenkomst in
uniform met die van den vijand, in 't schemerdonker vuur in den rug
van Macdonalds infanterie. Twee Saksische bataljons gaven zich over;
er ontstond een paniek; slechts met moeite gelukte het aan de lichte
cavalerie de vluchtende drommen tot staan te brengen.
Hoewel Davoust de Rüssbach reeds was gepasseerd en Neusiedel had
genomen, deed de Keizer het gevecht dus afbreken en het bivak
opslaan.--Een zeer koud bivak was 't zonder hout, met een stuk
beschuit en een slok brandewijn tot voeding. Zelfs voor Napoleon was
geen andere brandstof aanwezig dan eenige bossen stroo.
Nog in den nacht verzamelde hij zijn korpscommandanten. Aan Davoust
en aan Massena, die op Lobau een val had gedaan, niet te paard kon
zitten, en dus in een licht, open rijtuig zijn troepen commandeerde,
gaf hij last om meer aan te sluiten bij het centrum. Daarop sliep
hij een paar uur, en steeg toen weder in den zadel.
't Is vijf uur in den morgen van den 6en Juli. Reeds zijn de
Oostenrijksche vleugelkorpsen op marsch.--Bij Glinzendorf eerst wordt
Davoust teruggeworpen, doch weldra kan hij weder over de Rüssbach
vooruit en dringt hij zijn tegenpartij steeds verder naar Neusiedel
terug; terwijl op den rechtervleugel de cavalerie de stelling des
vijands reeds begint te omvatten, wordt Massena op zijn marsch naar het
centrum bij Aderklaa door drie korpsen tegelijk in front en linkerflank
aangegrepen. Om 10 uur is deze vleugel in weerwil van Bernadotte's
ondersteuning omvat, half vernietigd en in vollen aftocht. Over de
geheele linie, van Aspern tot Wagram zegevieren de Oostenrijkers.
Daar verschijnt Napoleon! Hij komt van Eugène; ook hem heeft hij
Wagram aangewezen als den sleutel der stelling. Hij ziet dat Bessières
met de garde-cavalerie en Nansouty tevergeefs trachten den aanval
der Oostenrijkers te stuiten, dat Massena terug moet naar Aspern en
de bruggen!
Maar dan dreunt de grond en davert de lucht opeens onder den galop-slag
van honderden paarden en het rollen van honderden voertuigen. 't
Is de gansche garde-artillerie, zestig vuurmonden sterk, door nog
veertig andere gevolgd. Vóór die linie uit galoppeert Drouot, de
commandant. Ginds blijft hij staan en wenkt met den degen. Daar is
de vuurlijn.--"In batterij!" schettert de trompet.--Keert! vliegen de
stukken. De artilleristen van 't paard. Even gericht.--Vuur!--Een hagel
van granaten en kartetsen slaat in de dichte drommen der aanvallers;
deze beginnen te wankelen. Nu infanterie vóór! Hier moet de bajonet
de beslissing geven.--Nog in zijn uniform van generaal der republiek,
zijn korps geschaard in linie, een sterke gesloten colonne op iederen
vleugel, de 24 escadrons van Nansouty op de achterflank van dit
reuzencarré, gaat Macdonald er op in.--Drommen kurassiers vallen
hem aan; geweervuur wijst ze af. Zoo gaat het in één adem door naar
Süssenbrunn. Garde-bataljons er achter tot steun.
Tegen zulk een geweldigen voor niets wijkenden aanval zijn de
Oostenrijkers niet bestand; ze deinzen af. Dan zingen de zware
batterijen van 't eiland Lobau eensklaps de baspartij bij het
daverend Vive l'Empereur! waarmede Macdonalds Italiaansche regimenten
stormloopen.
Vol belangstelling volgt Napoleon diens aanval met de oogen.
"Wat een dappere kerel!" hoort zijn omgeving hem zeggen. Opeens ziet
hij den rook der vuurmonden van Davoust nu ook opstijgen ten westen
van Neusiedels hoogen, plompen toren. Davoust, zijn trouwe Davoust,
heeft 't pleit dus ook daar beslist en gaat op Wagram af! Dan is de
slag gewonnen.
Naar alle richtingen rennen de adjudanten.--Voorwaarts! Er op in
met al wat nog adem en beenen heeft, is het parool over de gansche
slaglinie. Zelfs Massena's weder verzamelde bataljons dringen mede
naar voren. Om vier uur is het leger van den aartshertog geslagen
en in vollen aftocht naar Bohemen en Moravië, doch niet vernietigd,
niet geheel opgelost. Zelfs had het nog voldoenden samenhang om de
volgende dagen bij Hollabrunn en bij Znaim weerstand te bieden.
Hier kwam den 11en de prins van Lichtenstein Napoleon, namens keizer
Frans, niettemin een wapenstilstand verzoeken.
Napoleon nam dezen aan.--"Er is genoeg bloed vergoten. Wij sluiten
vrede," zeide hij en keerde terug naar Schönbrunn, vestigde hier met
de oude garde om zich heen weder zijn hoofdkwartier, tot de vrede
zou zijn gesloten, maar verzuimde intusschen niets om zijn positie
letterlijk onneembaar te maken, voor 't geval de oorlog toch mocht
worden voortgezet.
Weder vielen een reeks van belooningen zijn getrouwen
ten deel. Berthier werd prins van Wagram, Massena prins van
Essling. Oudinot, Marmont en Macdonald werden bevorderd tot maarschalk;
de laatste weldra bovendien tot hertog van Tarente. Spotters zeiden,
dat Napoleon "zijn goudstuk," den edelen Lannes, die aan zijn wonden
was overleden, had ingewisseld voor "klein geld." Zeker is 't, dat de
laatstbenoemden in kennis en talent bij dien schranderen, bekwamen
opperofficier ver achter stonden en hierdoor later niet weinig tot
's Keizers val hebben bijgedragen.
De dood van Lannes was een groote slag voor Napoleon, die op zeer
vriendschappelijken voet met hem omging. Als hij hoort, dat Lannes
gewond is, bezoekt hij met Berthier zijn maarschalk trots alle
bezigheden èn 's morgens èn 's avonds; zoodra hij zijn dood verneemt
vertoeft hij meer dan een uur bij het lijk van zijn krijgsmakker, zich
niet storende aan de ondragelijke lucht, die er heerscht. "Quelle perte
pour la France et pour moi," hoort men hem zeggen en van uit Ebersdorf
had hij den 31en Mei aan Joséphine geschreven: ... "La perte du duc
de Montebello qui est mort frappé ce matin, m' a fort affligé. Ainsi
tout finit!.... si tu peux contribuer à consoler la pauvre maréchale,
fais le."
Nog op 't slagveld had Napoleon aan Bernadotte het commando over de
Saksers ontnomen. Hij had diens houding bij Auerstadt, later ook bij
Eylau niet vergeten. In weerwil van zijn grooten persoonlijken moed,
had de maarschalk het wederom slecht gemaakt en zelfs 's Keizers
bevelen voor den rivierovergang openlijk durven laken; ook had hij
tot groote woede van den Keizer in een proclamatie de eer van Wagram
aan hem en zijn Saksers toegeschreven!
Behalve Lannes had Napoleon ook den onverschrokken cavalerie-generaal
Lasalle verloren. Een prachtstuk van een officier die evenals Junot,
Duroc en Rapp, een van de weinigen was, die Napoleon ongestraft iets
mochten zeggen. Een bewijs uit vele.--Hij zou gaan trouwen; de Keizer
schonk hem 200.000 francs en vroeg een week of wat later, wanneer er
bruiloft zou wezen. Bruiloft, Sire? Zoodra ik geld genoeg heb om een
uitzet en meubels te koopen.--En die 200.000 francs dan?--Met de eene
helft heb ik mijn schulden betaald; de andere heb ik verdobbeld.--De
Keizer begon te glimlachen, trok hem eens flink aan zijn lange knevels
en gaf Duroc last hem datzelfde bedrag nogmaals ter hand te stellen.
Ook na Wagram had hij den vijand niet terstond tot het uiterste doen
vervolgen om hem totaal te vernietigen.--Er was reden voor. Zijn
troepen waren na den tweedaagschen strijd doodaf; de verliezen waren
groot, de hitte ontzettend; aartshertog Johann kon ieder oogenblik
opdagen, en het leger van Wagram was niet meer dat van Jena.--De paniek
in den avond van den 5en en een tweede in den namiddag van den 6en,
toen de slag reeds was gewonnen, hadden dit bewezen. Toen was bij
Neusiedel alles eensklaps aan den haal gegaan op het losse gerucht,
dat aartshertog Johann uit het noorden naderde. Met zulke troepen,
bovendien van verschillenden landaard, voor 't meerendeel conscrits
en zeer jonge mannen, moest men voorzichtig zijn. De beestachtige
dronkemans tooneelen na 't gevecht in de veroverde dorpen, waar wijn
was in overvloed, zullen den veldheer, al zweeg hij, tevens wel tot
nadenken hebben gestemd.
Terwijl op Lobau alles nog voor den rivierovergang werd voorbereid,
had Napoleon den 1en Juni den paus volgens het decreet van 17 Mei
t. v. de rest van zijn wereldlijk gezag ontnomen. "Die comedie daar
moet nu maar uit zijn," had hij gezegd, en generaal Miollis, militair
gouverneur van Rome, had deze order stipt uitgevoerd.--Van den man
van het Concordaat was deze handelwijze bevreemdend; onverwacht kwam
ze echter niet. Voor een groot deel had Pius VII ze aan zichzelf te
wijten of, liever gezegd, aan de drieste kuiperijen van zijn omgeving,
met name van zijn secretaris, kardinaal Pacca.
Al jaren was de verhouding met den paus minder goed geweest; reeds
de weigering van den Heiligen Stoel om het huwelijk van Jérome
met Miss Patterson ongeldig te verklaren had de goede verhouding
tusschen paus en Keizer verstoord; erger werd het nog toen Napoleon
tijdens den oorlog in 1805 Ancona bezette onder voorwendsel van
voorzichtigheid, daar deze plaats in de nabijheid van Corfoe lag,
dat door de Engelschen bezet was. Vertoogen van de zijde van den
paus baatten niet veel en de gevoerde correspondentie tusschen hen
toonde duidelijk de bitterheid van Napoleon over het verzet van
den kerkvorst, die er niet over dacht, zooals Napoleon wenschte,
den Kerkelijken Staat te sluiten voor de vijanden van Frankrijk.
"Uw heiligheid is souverein van Rome, maar ik ben er Keizer van"
schrijft Napoleon aan den paus in 1806 en deze antwoordt in een zijner
brieven: "Gij zijt ontzaggelijk groot, maar gij zijt gekozen, gezalfd,
gekroond tot Keizer der Franschen en niet van Rome. Er bestaat geen
Keizer van Rome... Wel is er een Romeinsch Keizer, maar dit is een
titel alleen, door geheel Europa en door Uwe Majesteit zelf erkend
in den Keizer van Duitschland. Aan twee souvereinen kan deze titel
niet behooren en bovendien doet deze eeretitel in niets te kort aan
de werkelijke onafhankelijkheid van den Heiligen Stoel."
Men zal erkennen, dat dergelijke brieven niet geschikt waren om de
verhouding te verbeteren, integendeel de gedachten van Napoleon werden
er niet door veranderd, de weerstand van den paus werd niet minder.
Ook in de volgende jaren wordt de strijd steeds heftiger en het
resultaat daarvan is ten slotte, dat Napoleon tijdens den oorlog in
1809 bovengenoemd decreet uitgeeft.
Voor het beheer der goederen werd een raad benoemd; de inquisitie,
de kloosters en de geestelijke rechtspraak over burgerlijke zaken
werden afgeschaft; in één woord werd aan het geheele priesterlijke
gezag in publiek-rechterlijke aangelegenheden met één pennestreek
een einde gemaakt; al de grondbeginselen van 1789 werden op den
Kerkelijken Staat toegepast.
De paus behield zijn paleis te Rome, kreeg een civiele lijst van twee
millioen francs en bleef het geestelijke opperhoofd der roomsche
kerk. Voor deze geestelijke zending had hij geen wereldlijk gezag
noodig, beweerde Napoleon. Hij liet den kerkvorst als geestelijk hoofd
dus met zijn kerk, zijn vormen, dogma's enz. in zijn volle waarde,
maar als opvolger van Karel den Groote ontnam hij hem het wereldlijke
goed, dat deze indertijd aan den Heiligen Stoel had geschonken.
De paus dacht er niet over zich te onderwerpen aan deze regeling
en op de excommunicatie van den Keizer, aangeplakt op de muren van
Rome, werd geantwoord met het in bezit nemen van het Quirinaal en de
gevangenneming van den paus. Kolonel Radet was er mede belast en op
denzelfden dag, dat de Keizer te Wagram overwon, voerde Radet het
bevel uit en bracht den paus naar Florence. Elisa Borghèse in haar
rustig Toscane volstrekt niet gesteld op de aanwezigheid des pausen
aldaar, wist echter bij haar broer te bewerken, dat Savona voorloopig
als verblijf aan het kerkhoofd werd aangewezen.
De hardhandige manier, waarop door Napoleon met den ouden man werd
omgesprongen, werd niet door de geestelijkheid alleen, doch ook door
de roomsche bevolking van Frankrijk scherp afgekeurd. Zelfs ontstond
hierdoor tegen hem een geest van wrevel en zwijgenden haat, die koren
op den molen der geestelijkheid was en die door deze in stilte werd
aangemoedigd.
Op het kasteel van Schönbrunn, waar gravin Walewska hem was komen
opzoeken, bracht de Keizer intusschen niet veel zorgelooze dagen
door. Na den slag bij Essling, die in Duitschland algemeen als een
glansrijke overwinning was voorgesteld, was Andreas Hofer in Tyrol
krachtiger dan ooit opgetreden; eerst zijn gevangenneming en zijn
executie te Mantua (1810) zouden aan zijn verzet een einde maken.
Wat de Keizer van Spanje hoorde, was ook al niet erg naar zijn zin
en de berichten, die hij over de gevechten ontving, vertrouwde hij
niet bijzonder, want elke overwinning was nu eenmaal voor Jozef een
Austerlitz of een Marengo. Deze waande zich een eerste legeraanvoerder
en meende de operaties te kunnen leiden, maar zijn broer liet dat niet
aan hem over en belastte Jourdan met de leiding. Door het groot aantal
troepen, niet altijd van de beste soort, dat de Keizer verplicht was
tot steun van zijn broeder te zenden, kwam de handhaving van Jozef op
den troon in Madrid hem op groote offers te staan. Meer dan 300.000
man waren er voor noodig en nog had dit niet het gewenschte resultaat.
En toen Jourdan, die in ongenade bij den Keizer was gevallen,
door Soult werd vervangen ging het niet veel beter. Jozef wist wel
waaraan de schuld lag, aan den Keizer, die hem niet totaal de vrije
hand liet. Mocht hij maar eens alles alleen doen zonder bevelen van
den Keizer te ontvangen, dan zou het wel gaan, want Spanje had nog
nooit zoo'n uitstekend koning gehad en alle Spanjaarden zouden zich
om hem scharen, wanneer zijn broer hem de handen niet bond. Zoo dacht
Jozef! en hij ging zelfs zoover, Napoleon te dreigen naar Frankrijk
terug te keeren. Aan zijn vrouw, die liever in Frankrijk bleef,
schreef hij bittere brieven vol klachten over den toestand.
Het was in één woord een ware anarchie, terwijl het leger in desolaten
toestand verkeerde. Napoleon was van plan na terugkeer uit Oostenrijk
zelf het commando in Spanje op zich te nemen en Berthier werd belast
voorloopig alles in gereedheid te brengen.
En het rijk van den benjamin uit het geslacht Bonaparte?
Voor een uitstekende constitutie voor het nieuwe koninkrijk te
Westfalen heeft Napoleon gezorgd, alleen uitgezocht personeel zou
den nieuwen vorst omringen en de Keizer had de hoop gekoesterd, dat
daar in het midden van Duitschland een staat zou gesticht worden,
die door haar uitstekende inrichting een voorbeeld aan de volken zou
geven en waardoor de beginselen der revolutie zouden gepropagandeerd
worden. Welk een illusie! Jérome, door spotters wel "Koning pret"
genoemd, vormt een huis met zeer middelmatige personen, waarvan hem
later niet één trouw blijft en zijn hofhouding wordt zoo weelderig
ingericht, dat Napoleon hem al spoedig ernstig moet onderhouden over
de vele schulden, die gemaakt worden. Wel worden vorstelijke sommen
besteed om zijn vrienden te ondersteunen, wel wordt aan broeder
Lucien 200.000 francs en aan Miss Patterson een jaarlijksch inkomen
van dezelfde som aangeboden, maar schuld aan Napoleon en Frankrijk
afdoen, daar denkt hij niet over. Bij het uitbreken van den oorlog
met Oostenrijk heeft Napoleon hem belast met het commando over de
reserve, dat zal bestaan uit het Westfaalsche contingent troepen
uit Maagdenburg en de Hollanders, die zich in Hamburg bevinden, maar
niet alleen ontvangt de Keizer niet de minste steun van Jérome, maar
ook in en om Westfalen doen zich de gevolgen reeds gevoelen van het
slechte bestuur. Een plan van den Kolonel Dörnberg om in den nacht,
geholpen door de garde, het paleis binnen te dringen en Jérome op
te lichten, heeft wel geen gevolg, maar 't is teekenend voor den
toestand en Catharine vlucht voor alle veiligheid naar Frankfort. En
als de majoor Schill met zijn vrijkorps door Noord-Duitschland trekt en
zelfs het Westfaalsche koninkrijk betreedt, wordt er door Jérome niets
tegen hem ondernomen. Majoor Schill, die Stralsund bij verrassing had
genomen vindt daar later den dood onder de sabel van een Hollandschen
huzaar van koning Louis.
Toen de hertog van Brunswijk-Oels met zijn benden Westfalen binnen
trok, smeekte Jérome Napoleon om hulp, maar zelf deed hij niets.
Hoe begrijpelijk, dat de Keizer te Schönbrunn aan zijn broer het
actieve commando ontnam over de troepen, al laat hij voor den vorm
het bevel aan Jérome. En deze doet nog of hij er verdriet van heeft!
Alzoo raakt Napoleon vrijwel op voet van oorlog met Jérome, die door
zijn wijze van regeeren de schuld is, dat daar in Duitschland een
centrum van opstand tegen het keizerrijk wordt gevormd.
In Frankrijk zelf waren de gemoederen door de overdreven voorstellingen
eener verovering van Dresden en Bayreuth door Brunswijk-Oels, zoo
terneergeslagen, dat de Keizer het noodig vond zoowel Fouché als
Clarke, den minister van Oorlog, een "hartelijk" woordje te doen
toekomen. "Als een paar onbeduidende strooptochten de heeren nu reeds
zoo geducht van streek brengen, hoe zullen ze 't dan maken, als 't
werkelijk ernst wordt? Dat mannen in mijn dienst zoo weinig karakter
toonen en voor zoo belachelijke uitingen van vrees zelf het sein geven,
bevalt mij volstrekt niet. Alleen daar, waar ik handelend optreed,
kunnen ernstige gebeurtenissen plaats grijpen; en daar ben ik zelf
om alles te beheerschen."
Over de aangelegenheden te Rome schreef hij half Juli aan Fouché, dat
die gevangenneming van den paus een groote dwaasheid was geweest, maar
dat gedane zaken geen keer namen; dat er een oog moest worden gehouden
op de brieven van den ouden man, en dat kardinaal Pacca gevangen
gezet diende te worden met de kennisgeving, dat de eerste Franschman,
die door zijn opruiïngen vermoord werd, hem zelf den kop zou kosten.
Intusschen werkten de diplomaten, die de vredesvoorwaarden zouden
vaststellen, zoo langzaam voort en kibbelden zoo kinderachtig
met elkander over allerlei kleinigheden, dat de wapenstilstand,
die aanvankelijk slechts voor een maand was gesloten, moest worden
verlengd.--Een landing, op 29 Juli door de Engelschen met een sterk
leger tegen Walcheren ondernomen en hoofdzakelijk ten doel hebbende
de havenwerken van Vlissingen, die van Antwerpen zoomede de Fransche
vloot op de Schelde te vernielen, was hiervan bij de Oostenrijksche
heeren de geheime reden. Men kon nooit weten hoe een stuivertje rolde,
dachten zij zeker.
In het rijk van Louis dus een inval! Wel had deze bij den aanvang
van den oorlog met Oostenrijk er zijn broer met nadruk op gewezen,
dat Holland te veel van troepen ontbloot was, ook had hij te kennen
gegeven noch Den Helder, noch Vlissingen tegen een mogelijken aanslag
te kunnen bewaken, maar Napoleon geeft van deze landing alleen aan
Louis de schuld. De regeering van zijn broer heeft den Keizer al lang
geprikkeld en al spoedig na zijn troonsbestijging had de Keizer er
spijt van gehad, Holland aan Louis te hebben gegeven. Wat Louis ook
tot verdediging aanvoert, het helpt niets, hij blijft van alles de
schuld dragen en de Keizer hoopt, dat zijn broer maar spoedig afstand
van den troon zal doen. In afwachting daarvan, want hem afzetten
wil Napoleon niet, komen de Fransche troepen in ons land en worden
hier Fransche bevelhebbers aangewezen. Door de Engelsche expeditie
is zijn troon vernietigd, beweert Napoleon en deze gaat niet in op
het voorstel van zijn broer om afstand te doen ten behoeve van zijn
zoon. Holland dient ingelijfd te worden en de Keizer is misschien
wel blij geweest nu een gunstig oogenblik daarvoor te hebben.
Toen die landing half September echter totaal was mislukt, het
Engelsche leger door zware koortsen en door het bombardement
van Vlissingen ruim 10.000 man aan dooden en gekwetsten had
verloren, de expeditie ontmoedigd naar Engeland terugstevende,
en de onderhandelingen nu nog niet vorderden, begon hij er zich
persoonlijk mede te bemoeien. Zijn leger was weder op sterkte en de
macht, in Vlaanderen onder Bernadotte samengebracht, reeds zoo groot,
dat hij weder als oppermachtige kon spreken. De ambassadeurs von Bubna
en prins von Lichtenstein, die hij zeer beleefd ontving, kregen dus
kort en bondig te verstaan, dat hij vrede verlangde. Keizer Jozef
kon kiezen: Op redelijke voorwaarden aan de zaak een einde maken
of--opnieuw oorlog.--Toen was 't uit met talmen, en kwam er tusschen
Champigny en Bubna meer overeenstemming. Den 14en October teekende hij
het voorloopig verdrag. Kanonschoten verkondigden het heuglijke feit
aan de bevolking van Weenen; den volgenden dag reeds was hij op weg
naar Parijs. Zijn tegenstander had hij zoodoende voor een voldongen
feit gesteld; deze zou nu het tractaat wel ratificeeren.
Twee dagen voor zijn vertrek uit Schönbrunn, ter gelegenheid van een
schitterende wapenschouwing was Napoleon, juist toen hij uit het paleis
wilde komen, bijna het slachtoffer van sluipmoord geworden. Dicht
in zijn nabijheid drong zich een jongmensch naar voren, die hem een
smeekschrift wilde aanbieden. Hij zag er bleek en tenger uit en wekte
den argwaan op van Berthier, die hem liet gevangen nemen. Hij bleek
gewapend te zijn met een lang slagersmes, en heette Staps, de zoon
van een predikant uit een Thüringsch stadje. Napoleon deed hem voor
zich verschijnen.
"Wat wildet ge met dat mes?" vroeg Napoleon hem.
"U dooden," antwoordde Staps.
"Gij zijt een dwaas of een illuminaat!" sprak de Keizer.
"Neen ik ben geen dwaas en wat een illuminaat is, weet ik niet."
"Maar dan zijt gij ziek."
"Neen ik ben volkomen gezond."
"Waarom wilt gij mij dooden?"
"Omdat gij de vloek zijt van mijn vaderland."
"Gij zijt een fanaticus; ik wil u vergiffenis schenken en uw leven
sparen."
"Ik wensch geen vergiffenis te ontvangen."
"Zoudt gij mij dankbaar zijn, als ik u genade schonk?"
"Dan zou ik nogmaals trachten u te dooden."
Natuurlijk werd Staps toen weggeleid en deed Napoleon hem door een
krijgsraad terechtstellen; deze veroordeelde den geestdrijver, die
volmaakt gezond van hersenen was bevonden, tot den dood met den kogel.
Dat deze wonderlijke geschiedenis een ongemeenen indruk op Napoleon
maakte, vooral na de gebeurtenissen in Duitschland, welke we zooeven
meedeelden, laat zich licht begrijpen. Het werd hem duidelijk, dat hij
deze wonderlijke Duitschers wel overwinnen, niet overtuigen kon. Zeer
waarschijnlijk heeft het bewustzijn, dat het niet meer zoozeer de
Fransche omwenteling was, die het volk in Duitschland haatte, als wel
thans zijn eigen persoon, den Keizer op zijn terugreis vervuld. In elk
geval verbood hij van den aanslag van Staps in de Fransche couranten
melding te maken.