HOOFDSTUK XVIII.

Friedland. Tilsit. Fontainebleau.

Had de Keizer voldaan aan den wensch van Berthier, dan had hij

de Weichsel tusschen zich en den vijand gebracht. Zijn positie

tegenover Europa had hem echter eerst Osterode, later (in Mei) het

houten kasteel Finckenstein tot hoofdkwartier doen kiezen. Hier dekte

hij tegelijkertijd het beleg van Dantzig, dat de maarschalk Lefebvre

sinds half Maart had ingesloten en zich eerst in het laatst van Mei

overgaf en Lefebvre den titel van hertog van Dantzig deed verwerven.

Het land was toen overal droog en begaanbaar geworden; reeds had

de Keizer besloten den 10en Juni opnieuw aanvallend op te treden,

toen Bennigsen hem hierin voorkwam. Den 5en Juni begon hij Ney, die

ver vooruitgeschoven bij Gutstadt een barakkenkamp had betrokken, te

overvleugelen en te dwingen op de bruggenhoofden der Passarge terug

te gaan. Tot de ontdekking komende, dat hij hier zoo goed als het

geheele Fransche leger tegenover zich had en dat hij dit lang niet in

getalsterkte nabijkwam, besloot hij in de richting van Wehlau aan de

Pregel te retireeren en hiertoe den loop van de Alle stroomafwaarts

te volgen. Terstond scherp nagezet, bereikte hij den 10en Juni een

bij Heilsberg aan de Alle in gereedheid gebrachte stelling, sloeg

Soult en Murat, die hem het dichtste op de hielen waren, met zwaar

verlies terug, doch begon in den nacht van den 12en den afmarsch

opnieuw, omdat zijn rechtervleugel daar omgetrokken en zijn positie

dus onhoudbaar werd.

In de meening, dat Bennigsen op weg was naar Koningsbergen, bezield

met het voornemen hem in een grooten slag te wikkelen, om aldus

aan dezen langdurigen veldtocht met één slag een einde te maken,

gaf de Keizer nieuwe bevelen, hoofdzakelijk ten doel hebbende zijn

hoofdmacht bij Pruisisch-Eylau bijeen te brengen. Tegelijkertijd begon

Murat den Pruisischen generaal Lestocq, die aanvankelijk op Bennigsens

rechtervleugel had gestaan en dezen ook reeds in Februari bij Eylau had

ondersteund, terug te dringen naar bovengenoemde stad en bleef Lannes

met zijn schier onvermoeide grenadiers, de divisie Oudinot voorop,

Bennigsen dicht op de hielen. Reeds den 13en 's avonds kon hij zijn

Keizer melden, dat de tegenpartij bij Friedland scheen stand te houden.

Omtrent diens bedoelingen verkeerde Napoleon echter nog in onzekerheid;

dat die met zijn hoofdmacht stond bij Friedland, geloofde hij

dus niet dadelijk; hij zond Lannes daarom aanvankelijk alleen de

cavalerie-divisie van Grouchy tot steun, en beval hem Friedland

te bezetten.

In den vroegen morgen van den 14en Juni verscheen de spits van Oudinots

grenadiers dus bij den Molenvliet, een beekje, dat ten westen van de

stad uitloopt in de Alle. Deze maakt op die plaats een scherpe bocht

naar het oosten, wendt zich dan weder naar het noorden en doet aldus

een driehoek ontstaan, met de stad ongeveer in den top. Op deze ruimte

werd Bennigsen thans zelf de oorzaak van zijn ongeluk.

Niet kunnende aannemen, dat de Fransche infanterie in slechts twaalf

uur tijd een afstand had afgelegd, die van zijn mannen een etmaal had

gevorderd; niet wetende, dat de Keizer met zijn hoofdmacht hem reeds

zóó dicht was genaderd, meende hij, dat het korps van Lannes alleen

stond. Greep hij dezen aan dan dacht hij, hier een klein succes te

kunnen behalen.

Hij begon zijn leger dus over de rivier en door Friedlands straten

heen naar de basis van den bovengenoemden driehoek te brengen. Reeds

dadelijk stieten zijn voortroepen echter op die van Lannes en op die

van Mortier, die intusschen eveneens was genaderd. Zij gingen dus

terug.--Uren liet hij onder een staand vuurgevecht nu voorbijgaan,

zonder iets van belang te ondernemen.

Tegen den middag bereikte de Keizer het slagveld; om drie uur

had hij zijn korpsen verzameld en gaf hij weder een gevechtsbevel

uit, duidelijk, zakelijk en als altoos kort, de uitvoering geheel

overlatende aan zijn korpscommandanten, in één woord een model van die

soort van bevelen.--Om vijf uur zou een salvo uit al zijn vuurmonden

het teeken geven voor den aanval.

Reeds heeft Bennigsen, die zijn gevaarlijken toestand inziet, bevel

gegeven tot den terugtocht over de Alle, en is met dezen een aanvang

gemaakt, als Ney, dicht langs den linkeroever van de Alle marcheerende,

op Friedland afkomt en hem dwingt weer front te maken. Wel brengt het

kanonvuur, van de overzijde van het water op Ney's troepen afgegeven,

deze in massa tot wijken, doch de artillerie van Victor dooft dit

vuur weldra. Diens voorste divisie (Dupont) breekt zich midden door

Ney's wijkende afdeeling baan en werpt de Russen door het brandende

Friedland terug op de bruggen. Deze geraken ten deele in brand.

Bij den rechtervleugel der Russen, die dit ontwaren, ontstaat een

paniek; en als 't dien avond half elf slaat, is Bennigsen, ziek naar

lichaam en ziel, met het overschot van zijn leger in vollen aftocht

naar den Niemen. Tachtig vuurmonden heeft hij verloren; meer dan

twintig duizend zijner soldaten zijn gekwetst, gesneuveld of in de

Alle verdronken.

Had de Keizer al zijn cavalerie bij de hand gehad, dan zou er van het

leger weinig zijn terecht gekomen; doch Murat stond bij Koningsbergen;

en van de escadrons, die aan den slag hadden deelgenomen, was dat zware

werk niet meer te eischen. Na een langen nachtmarsch om Friedland

te bereiken, waren ze circa zestien uur in gevecht geweest. Een

krachtige vervolging bleef dus achterwege. Bennigsen kreeg hierdoor

een voorsprong van ruim twaalf uur, die niet meer was in te halen.

De tijding der nederlaag bij Friedland was oorzaak, dat Koningsbergen

met zijn ontzaglijken voorraad graan en wijn, met 100.000 even te

voren uit Engeland ontvangen geweren en honderden zieken en gewonden,

afkomstig uit den slag bij Eylau, zich overgaf.

Het Pruisische hof was reeds vroeger naar Memel gevlucht. De koning

had zijn gemalin hier achtergelaten en was alleen doorgereisd naar

zijn bondgenoot, die, misleid door Bennigsens beloften, zijn leger

naar den Niemen was tegemoet gegaan, in de stellige verwachting het

als overwinnaar te begroeten. Thans kon Alexander het den 18en Juni

de grensrivier zien overschrijden, verslagen, ontmoedigd, luidkeels

om vrede roepende en vragende "waarom het moest vechten voor de

Engelschen, die altoos hulp beloofden maar deze niet zonden en die

alleen dachten aan 't inpalmen van koloniën."

Hij was diep terneergeslagen; en Frederik Wilhelm, die in stilte

op zijn hulp had gehoopt om te overwinnen en die daarom Napoleons

voorstellen had afgewezen, begreep thans, dat hij het gelag zou moeten

betalen. Beide vorsten zagen tevens in, dat breken met Engeland

en vrede sluiten met den Keizer voor hen een gebiedende eisch was

geworden. Van een en ander was het gevolg dat Napoleon, die Tilsit

aan den Niemen den 19en had bereikt, hier reeds zeer spoedig van

hen een voorstel ontving tot het sluiten van een wapenstilstand,

die weldra door een vrede zou worden gevolgd.

Met groote ingenomenheid, doch voor 't oog zeer koel, begroette

Napoleon dit voorstel. De afgezanten ontving hij zeer hoffelijk; vooral

veldmaarschalk von Kalkreuth viel een bijzondere onderscheiding ten

deel. Zooals de Keizer het uitdrukte, was hij de eenige vijandelijke

officier, die de Fransche gevangenen goed had bejegend. De voorwaarden

van de wapenstilstand werden geteekend.

Dit belette niet, dat Napoleon, immer waakzaam, zijn troepen aan den

Niemen samentrok, alsof hij den oorlog weldra zou moeten voortzetten;

dat hij de reeds naar de Weichsel op marsch zijnde reserve-afdeelingen

niet terugzond en aan al zijn korpsen ruimschoots levensmiddelen

en krijgsvoorraad deed uitdeelen. Alleen gaf hij order, dat de reeds

opgeroepen tweede helft der lichting van 1808 naar heur haardsteden kon

terugkeeren.--Dit bevel zou Frankrijk verheugen, meende hij. Eindelijk

verzocht hij Talleyrand te Tilsit bij hem te komen.

Deze diplomaat, die in Polen de slijkcampagne had medegemaakt, en

bij deze gelegenheid door het omslaan van zijn rijtuig, een boerenkar

zonder veeren, met dit slijk eenmaal zelfs in de nauwste aanraking was

geweest, en die als een echt edelman van den ouden stempel dergelijke

koopjes "ontzettend" vond, was te Dantzig tijdelijk meer veiligheid

en rust gaan zoeken.

Het verheugde Napoleon zeer, dat het einde van den veldtocht was

genaderd; hij verlangde terug naar Parijs; bijna een jaar was

hij nu afwezig. In al dien tijd was het Wetgevend Lichaam niet

bijeengekomen. Dagelijks gevoelde hij meer, dat hij te ver weg was

van 't centrum van zijn gezag. In Holland gingen de zaken volstrekt

niet naar wensch; Louis dacht meer aan de belangen van zijn eigen

land dan aan die van hem; ook over Jozef en den toestand in Napels

was hij maar half tevreden. Vol ongeduld verbeidde hij dus den dag,

waarop zijn eerste ontmoeting met Alexander zou plaats hebben. Hij

wilde een vorst leeren kennen, wiens geest, vormen en begaafdheden hij

herhaaldelijk had hooren prijzen en--door wiens hulp het hem misschien

doenlijk zou wezen de Engelschen te vernietigen. Bij het begin van

dezen veldtocht had hij zich tot taak gesteld hen te beoorlogen

op het vaste land. De helft dezer taak had hij thans volbracht,

want hij had het vaste land ontwapend en Rusland teruggedrongen tot

achter den Niemen. Wilde Alexander nu zijn bondgenoot worden, dan

zou hij de Engelschen verslaan door het vasteland, dat dan geheel

onder zijn banieren zou geschaard wezen. Eenmaal zoover had hij de

wereldheerschappij voor 't grijpen, dacht hij. Die eerste ontmoeting

met zijn jeugdigen tegenstander zou dus beslissend kunnen zijn.

Verlangde Napoleon dus naar de kennismaking, Alexander eveneens;

voor het militaire genie van zijn tegenpartij had hij een onbegrensde

hoogachting leeren krijgen.

Midden op de grensrivier, den Niemen, op een opzettelijk voor deze

gelegenheid vervaardigd en vorstelijk gedecoreerd vlot, in het bijzijn

van duizenden belangstellenden had de ontmoeting plaats; ze was van

weerszijden allerhartelijkst. Alexanders: "Ik haat de Engelschen

even innig als u zelf," had het ijs terstond gebroken. "Dan is de

vrede ook gesloten," was Napoleons antwoord op deze ruiterlijke

verklaring geweest.

In de volgende dagen waren de keizers urenlang samen alleen. Napoleon

was steeds gastheer; hij overstelpte Alexander letterlijk met

beleefdheden, hield hem geregeld bij zich aan tafel, maakte verre

tochten te paard met hem, was in één woord de voorkomendheid

en hoffelijkheid zelf. Bij die lange gesprekken onder vier oogen

opende hij den eerzuchtigen opvolger van Peter den Eersten vooral

ten opzichte van diens verhouding tot Turkije een verschiet, zoo

glansrijk, dat deze er schier van duizelde, en dat hij zich in zijn

sterk geprikkelde fantasie mogelijk nog meer illusies schiep, dan

Napoleon onder de gunstigste omstandigheden ooit plan heeft gehad te

verwezenlijken, aangenomen, dat hij hiertoe is bereid geweest. De

grootheid van anderen bevorderde hij immers dan alleen, als zijn

eigen bedoelingen hierdoor werden gebaat.

Niet licht zal men een grooter contrast tusschen twee alleenheerschers

vinden dan tusschen Alexander en Napoleon. De eerste, toen acht en

twintig jaar, lang en slank, was met zijn open vriendelijk gelaat en

uiterst beschaafde, hoffelijke vormen het type van den edelman uit het

einde der achttiende eeuw, een thans verdwenen menschensoort. Aan een

groote mate van natuurlijkheid paarde hij de achtelooze bevalligheid

en de schier vrouwelijke vormen van het slavische ras. De ander, tien

jaar ouder en zwaar gebouwd, bijna 1.7 M. lang, met een gelaat dat

telkens veranderde van uitdrukking, was het type van een weergaloos

soldaat-veldheer, bruusk en driftig en dit telkens door een woord

of gebaar verradende, een man, die nooit verborg welk een minachting

hij koesterde voor het menschdom in 't algemeen.

Lanfrey zegt o.i. volkomen terecht van hem: "Uit het tijdperk vol

verfijnd beschaafde vormen en verwarde wijsgeerige begrippen, dat hij

had doorgeworsteld, had hij de denkbeelden, de vormen en de taal met

verbazingwekkend gemak zich eigen gemaakt, maar de oorspronkelijke

mensch had bij hem weinig verandering ondergaan. Goedhartig kon hij

wezen, katachtig lief in zijn manieren zelfs, maar de onoverwinnelijke

achterdocht van den eilander, die tegenover zijn vijanden onafgebroken

op zijn hoede is, lag daarachter verscholen. Kenmerkend voor zijn

afkomst, was hij op enkele punten evenals zijn landgenooten nog

bijgeloovig; vaak kon zijn naaste omgeving hem bij 't vernemen van

een ernstige tijding of van een groote ramp werktuigelijk een kruis

zien slaan."

Bang was hij inmiddels voor niets en voor niemand; wat de wereld zou

denken van 't geen hij verrichtte, liet hem koud, alleen de militaire

of staatkundige eischen van het oogenblik gaven bij hem den doorslag.

Eerlijk en bescheiden doch in zichzelf gekeerd, linksch en vaak

onhandig, speelde Frederik Wilhelm, die den tweeden ontmoetingsdag

reeds door Alexander aan Napoleon voorgesteld en door dezen beleefd

doch koel ontvangen was, bij al die gelegenheden een vrijwel treurige

rol. Dit werd er niet beter op, toen Napoleon op zijn bewering, dat

hij zich te zijnen opzichte niets te verwijten had, hem antwoordde,

dat al het gebeurde zijn eigen schuld was, want dat hij hem vaak

genoeg vriendschappelijk voor Engelands kuiperijen had gewaarschuwd.

Bij de vredesonderhandelingen bleef de koning beweren, dat Napoleon

door het schenden van Anspachs grondgebied van dezen oorlog de

schuld droeg en hierdoor was de Keizer nog minder bereid aan zijn

wenschen, waarbij het bezit van Maagdenburg voorop stond, tegemoet te

komen. Op raad van zijn neef en bondgenoot besloot hij dus eindelijk

zijn gemalin te ontbieden, in de hoop, dat haar bevalligheid en haar

geest het succes zouden verkrijgen, dat hij met zijn stijfhoofdigheid

tevergeefs had gezocht.

Hartstochtelijk verlangend haar doel te bereiken, streefde de koningin

met haar krachtig karakter dit echter voorbij. Bij het eerste bezoek,

dat Napoleon na haar komst te Tilsit haar bracht, verried zij zich

zelve in haar lof over hem, en in haar betuigingen van leedwezen,

dat zij hem had miskend, was zij te overdreven, te gekunsteld, in

één woord te weinig vrouw om hem te treffen; haar woorden maakten

hem zelfs half verlegen met zijn figuur.

Dit deed hem nog meer op zijn hoede zijn dan gewoonlijk. In elk

opzicht beleefd en hoffelijk, zorgde hij dus zich geen woord te laten

ontvallen, dat hem later tegenover haar binden kon. Hij verzocht

haar bij zich aan tafel, ging haar bij haar komst tot aan de deur

zijner tijdelijke woning tegemoet, betoonde zich in elk opzicht een

hoffelijk gastheer maar ontweek ook aan tafel elk gesprek over de

voorwaarden des vredes. Zelfs toen zij, verbitterd over deze houding,

hem na een complimentje over een roos, die zij in de ceintuur droeg,

deze stoutweg aanbood in ruil voor Maagdenburg, prees hij wel de hand,

die hem de roos voorhield, doch liet het hierbij blijven.

Met betraande oogen keerde de vorstin terug naar haar tijdelijke

woning.

Den 7en Juli sloot Napoleon vrede met Rusland, den 9en met Pruisen. Dit

rijk zou, uit beleefdheid voor den keizer van Rusland, heette het,

Oud-Pruisen, Pommeren, Brandenburg en Opper- en Beneden-Silezië blijven

omvatten. Posen en Warschau, tot een groothertogdom vereenigd,

kwamen aan den koning van Saksen; al de Pruisische provinciën

ten westen van de Elbe werden met Hessen-Kassel herschapen in een

koninkrijk Westphalen, waarover Jérome zou regeeren. Jozef, Louis en

Jérome werden in hun vorstelijke waardigheid door Pruisen en Rusland

erkend. Mecklenburg en Oldenburg, aan hun vorsten teruggeschonken,

zouden Fransche bezetting houden tot uitvoering van het Continentale

Stelsel; eindelijk zou Rusland zijn invloed aanwenden om Frankrijk

met Engeland te verzoenen.

Een geheim verdrag behelsde voorts, dat Alexander en Napoleon met

elkaar in alles gemeene zaak maken en tegen Engeland de wapens opvatten

zouden, als het de bovenstaande voorwaarden niet aannam. Voorts zouden

beide monarchen Zweden, Denemarken, Portugal en Oostenrijk gezamenlijk

aanmanen om hun havens voor Engeland te sluiten en dit rijk den oorlog

te verklaren.--Alexander kreeg het uitzicht op het bezit van Finland,

dat aan het Frankrijk vijandige Zweden behoorde, en op een deel der

Donau-vorstendommen van Turkije. Frederik Wilhelm betaalde het gelag.

Alleen door zijn hartstocht had Napoleon zich laten leiden, toen hij

den Pruisischen staat in stukken scheurde en de helft er van schonk

aan zijn genotzuchtigen, zinnelijken broeder, die niet eens de taal

verstond van het land, dat hij ging regeeren. Geen staatsmanswijsheid,

alleen zijn onbuigzame, koppige wil had zijn hand bestuurd, toen hij

met één pennestreek een vorst met onvergankelijke tradities als hoofd

eener groote, gezaghebbende mogendheid, van zijn zetel wierp en hem

verlaagde tot een vorst van den tweeden rang.

De Pruisische natie had deze verdeeling van grondgebied, deze scheiding

van haar vorst niet verlangd. Niet zooals in Italië en in Holland

had zij gevraagd om bevrijding van een gehaat slavenjuk, al was de

toestand in Pruisen geenszins rooskleurig. Eén gebleven was ze met

haar vorst, één met haar schoone vorstin, die tevergeefs getracht

had den overwinnaar te vermurwen. Als staatsman beging Napoleon een

misslag, toen hij den eenigen vorst, dien hij in gansch Duitschland in

geographischen, staatkundigen en militairen zin tot zijn waarachtigen

bondgenoot had kunnen maken, vernederde en moreel mishandelde.

Bloedig heeft die misslag zich gewroken. Terstond is die haat der

bevolking tegen hem geboren, welke den hertog van Brunswijk Oels zijn

huzaren deed kleeden in 't zwart met den doodskop voor den kolbak,

die het aanzijn schonk aan het geduchte geheime genootschap van den

Tugendbund, die een krijgsman als Yorck in 1812 voerde tot verraad

en die na den veldtocht in Rusland de gansche natie als één man deed

opspringen, het geweer grijpen en tot binnen de muren van Parijs

vergelding en wraak zoeken voor den hoon, te Tilsit haar aangedaan.

Welk een grootschen, overweldigenden indruk had Napoleon op gansch

Europa moeten maken, als hij na Friedland niet Alexander alleen maar

ook Frederik Wilhelm grootmoedig de hand toegestoken, dezen niet van

de helft van zijn koninkrijk beroofd maar ook zijn vriendschap gezocht

had! Mogelijk zouden dan geen Regensburg, geen Aspern, geen Wagram

hun bloedige vore door de geschiedbladen dier dagen hebben getrokken.

Hij was reeds bevangen door dien onleschbaren dorst naar veroveringen,

naar nòg meer grootheid, nòg meer macht, die de Cambacérès

terstond bij hem opmerkte, toen hij den 27en Juli te St. Cloud was

teruggekeerd.--"De Keizer is zoo tevreden en gelukkig, dat hij wel

erg zal brommen," had Joséphine vóór zijn komst tegen haar omgeving

gezegd;--tot "brommen" op die omgeving had hij trouwens reeds vaak

genoeg reden gehad.--Doch de Cambacérès vond méér in hem; die vond

hem veranderd, minder openhartig, minder vertrouwelijk met hem dan

voorheen. 't Was alsof hij iets voor hem had te verbergen.

Nauwelijks te Parijs terug, wijdde hij zich weder met onvermoeiden

ijver aan het inwendige beheer van zijn rijk. Hij begon met de

afschaffing van het Tribunaat, vereenigde het met het Wetgevend

Lichaam en bracht hierdoor een ernstige wijziging in de consulaire

grondwet van het jaar VIII. Tevens betoonde hij zich hierdoor vrijwel

ondankbaar, want aan het Tribunaat toch had hij zijn benoeming tot

consul voor het leven te danken gehad. De republikeinen ontvingen de

kennisgeving er van volstrekt niet met ingenomenheid, vooral omdat de

definitieve instelling van een erfelijken adel slechts enkele dagen

aan deze wijziging was voorafgegaan, en zij met het Tribunaat het

gansche republikeinsche beginsel zagen wegvallen, om plaats te maken

voor het monarchale met al zijn dure en noodelooze eerebaantjes.

Hartelijke toejuiching bij de geheele natie vond daarentegen de

onbekrompen wijze, waarop hij de toekomst van zijn oude, trouwe

soldaten verzekerde. Millioenen en nog eens millioenen francs schonk

hij hun in jaarlijksche toelagen of in giften in eens. Hij bezigde

hiervoor een deel van den schat, dien hij uit de oorlogskosten en

verbeurdverklaringen van geestelijke en andere goederen in de doode

hand in den loop der jaren had samengebracht.

Het Wetboek van Koophandel en dat van de Crimineele Rechtspleging

werden afgekondigd, een Rekenkamer ingesteld, en zoowel in Frankrijk

zelf als in Italië, Napels, enz. een krachtigen stoot gegeven aan de

voortzetting van werken tot openbaar nut. Ook de inrichting van de

musea en van het Louvre werd met nieuwen ijver ter hand genomen. De

porceleinfabrieken van Sèvres, onder het Directoire haar ondergang

nabij, herleefden door zijn toedoen geheel. Den heer Oberkampf,

directeur der prachtige fabriek van gedrukt linnen te Jouy, ging hij

persoonlijk decoreeren met het ridderkruis van het Legioen van Eer. Het

paleis van Versailles werd gerestaureerd. Millioenen besteedde hij aan

de leniging van de ellende, door den oorlog in de Vendée ontstaan,

millioenen aan den bouw van weeshuizen en toevluchtsoorden voor

behoeftigen. Door krachtige, ingrijpende maatregelen trad hij op

tegen de bedelarij, in die dagen letterlijk een kanker in geheel

Frankrijk. Er was in één woord geen enkel onderdeel van bestuur te

noemen, waaraan hij niet in meerdere of mindere mate zijn aandacht

wijdde, en het beste bewijs hoezeer het vertrouwen van het publiek

in Juli 1807 was toegenomen, was de noteering van de Fransche rente

aan de beurs. Deze steeg tot 94%, een voorheen ongekende prijs.

In dat jaar van grootheid en voorspoed, eigenlijk het schoonste van

zijn geheele regeering als Keizer, bevond hij zich vaak op het kasteel

van Fontainebleau; ook hier deed hij al het vorstelijke bedrijf

van vroeger eeuwen met jachtpartijen in costuum, groote feesten

en statige recepties herleven. Des avonds kwamen de voornaamste

tooneelspelers van Parijs voorstellingen geven; dan waren Corneille,

Racine en Molière aan 't woord. Het laatste republikeinsche tintje

was uit zijn omgeving verdwenen.

In den aanvang klein, nam het getal oude, adellijke namen aan het hof

weldra sterk toe. Joséphine gevoelde zich gelukkig in dien kring van

menschen, die eenmaal de salons van Lodewijk XVI hadden gevuld en over

wier houding, gedragingen en manieren een waas van voornaamheid lag,

dat veel republikeinen zich trachtten eigen te maken, Napoleon zelf

heeft zich hieraan nooit bezondigd. Die bleef wat hij altoos geweest

was, vandaag ruw, grof, lomp tot beleedigens toe en niet vragende

wie hem hoorde bulderen, morgen zoo beschaafd, beleefd en hoffelijk,

dat een ieder hunkerde naar een vriendelijk woord van hem.

"Wat jammer, dat een zoo groot man een zoo slechte opvoeding

heeft gekregen," zei Talleyrand dan ook van hem; doch die had goed

praten! Waar had Napoleon, die het ouderlijk huis reeds op zijn negende

jaar had verlaten en daarna voor 't meerendeel slechts lompe, onwetende

geestelijken als leidslieden gekregen had, die fijnbeschaafde vormen

moeten leeren?

Reeds enkele weken na 't sluiten van den vrede had Talleyrand zijn

ontslag verzocht als minister van Buitenlandsche zaken. Hij hield

van zijn gemak; hij was niet zoo heel jong meer en liep mank; al

deze factoren, vereenigd met de souvenirs aan logeeren op stroo in

een boerenwoning, een slechte tafel en tochten door slijk en sneeuw

met de kozakken in de buurt, hadden hem tot dit besluit gebracht.

Aanvankelijk boos, had Napoleon, toen hij volhield, zijn verzoek

ingewilligd, hem tot belooning voor zijn diensten benoemd tot

vice-grootkeurvorst; tevens had hij den heer de Champigny met zijn

portefeuille belast.

Talleyrand stelde zijn ambtenaren aan dezen aldus voor: "U zult over

de heeren tevreden zijn. Zij zijn trouw, handig, attent, maar evenals

ik zelf niet bijzonder ijverig. Uitgezonderd een paar expéditeurs,

die de brieven wel eens wat te vlug sluiten, blijven ze altoos kalm

en haasten zich nooit. Zoodra u een tijdlang met den Keizer gewerkt

hebt, zal het u duidelijk zijn geworden, dat het vlug sluiten en

verzenden der brieven in verband met de groote belangen van Europa

niet gewenscht is."

Tegelijkertijd ontving Berthier zijn benoeming tot vice-connétable;

hij legde de portefeuille van Oorlog thans neder; Clarke nam ze over.

In 't laatst van Augustus eindelijk werd te Parijs het huwelijk

ingezegend tusschen Jérome en de dochter van den koning van Wurtemberg,

een even bevallig als schrander persoontje, dat aanvankelijk wel

eenigszins had opgezien tegen haar eerste reis naar een hof, "waar het

nogal ruw scheen toe te gaan" en werwaarts niet één van haar vrienden

of familieleden haar vergezelde, doch waar zij door Napoleon terstond

zoo allerhartelijkst was ontvangen, dat alle schroom weldra bij haar

verdween.--Jérome, die, zooals we zagen, in Napoleon van jongsaf altoos

veel meer een vader dan een broer had gezien, heeft reden gehad hem

voor die keuze erkentelijk te wezen. Catharine heeft hem later in zijn

ongeluk een schitterend bewijs van trouw en aanhankelijkheid gegeven.

De pogingen, door keizer Alexander in het werk gesteld om Engeland

met Frankrijk te verzoenen, bleken weldra volslagen nutteloos. Het

Continentale Stelsel had de Engelsche natie, die hierdoor groot

nadeel leed in haar handel, tot woede geprikkeld. Voor de volvoering

zijner krijgszuchtige plannen ontving het nieuwe ministerie Canning

dus groote credieten; de zeemacht werd versterkt om al de havens van

het vasteland te kunnen blokkeeren; en als eerste nieuwe daad van

openbare vijandschap stevende een eskader in 't begin van September

naar de Sont, bombardeerde Kopenhagen drie volle dagen lang en beging

hiermede een schanddaad, welke onder geen vorm was te verdedigen en

indruischte tegen het volkenrecht, want Denemarken, hoewel een trouw

bondgenoot van Frankrijk, was een neutrale mogendheid en had zich

tot dusverre buiten alle politieke verwikkelingen weten te houden.

Tegenover het parlement verantwoordde Canning zich met de verzekering,

dat er tusschen Denemarken en Frankrijk kort te voren een geheim

verdrag was gesloten waarbij de Deensche vloot tot Napoleons

beschikking werd gesteld. Uit de allerhoogste kringen te St. Petersburg

zou hiervan mededeeling zijn gedaan.

Denemarken, Pruisen en Rusland braken terstond alle betrekkingen met

Engeland af en sloten hun havens voor zijn schepen.

Thans was Portugal het eenige rijk, dat nog openlijk met Albion handel

dreef. Kon het anders? In den loop der jaren was het zoo goed als een

Engelsche kolonie geworden; het leefde schier alleen van 't geen van

die zijde werd ingevoerd. Koningin Marie was nog altoos krankzinnig, de

prins-regent, een man, die, laks en vadsig van aard, in zijn verhouding

tot Napoleon uit Londen werd geïnspireerd en die het gemakkelijk vond,

als men de staatszaken voor hem daar in 't geheim behandelde.

Door het krachtige optreden van het Noorden tegenover Londen

gerugsteund, besloot Napoleon Portugal de tanden te laten zien. Terwijl

hij Jozef het vasthouden en approviandeeren der Jonische eilanden,

hem bij geheim tractaat te Tilsit afgestaan, en het hernemen van

Reggio, waar de Engelschen nog altoos vasten voet hadden, in bijna

hartstochtelijke woorden aanbeval, terwijl hij dringende bevelen gaf

om in al de havenplaatsen van zijn gebied met kracht te doen doorwerken

aan 't uitrusten van schepen, stelde hij den prins-regent van Portugal

kortweg voor het ultimatum: Oorlog met hem of de toepassing van het

Continentale Stelsel op al zijn havens.

De prins-regent zocht uitvluchten, raadpleegde ter sluiks Londen weder,

beweerde, dat hij liefst zijn onzijdigheid wilde handhaven, en zocht

in één woord tijd te winnen.--Toen hij ten slotte weigerde aan het

gestelde ultimatum te voldoen ging den 17en October een leger van

ruim twintig duizend man, dat reeds weken te voren bij Bayonne onder

bevel van Junot was samengetrokken, op marsch naar Lissabon. Tusschen

Napoleon en Godoy, den Vredevorst, was het overschrijden van het

Spaansche grondgebied vooraf geregeld. In 't laatst van October sloten

ze zelfs een geheime overeenkomst, waarbij Portugal tusschen Spanje,

Frankrijk en Godoy zou worden verdeeld.

Dit tractaat met den in zijn vaderland zoo gehaten en verachten Godoy,

die vóór Jena eveneens tegen Napoleon had willen partij kiezen, is

voor dezen de bron geweest eener reeks van groote en kleine rampen,

die stellig tot zijn val hebben bijgedragen. Zijn keuze van Junot

tot opperbevelhebber was tevens ongelukkig. Hij was wel een dapper

soldaat maar bekrompen van geest; en dat Junot te Lissabon een tijdlang

gezant was geweest, is als een oorzaak te beschouwen van deze minder

gewenschte benoeming.

Junot voerde zijn bijna geheel uit jonge conscrits bestaande korpsen

onder gestadige verliezen tengevolge van gebrek, ziekte en vermoeienis

en van den dolk der Spanjaarden, wier eigendom zij roofden, naar

de grenzen van Portugal, kwam hier tot de ontdekking, dat Godoy,

die hulp aan troepen en levensmiddelen in overvloed beloofd had,

hem jammerlijk bedroog en den verrader speelde, bereikte met nog

geen vierde zijner macht niettemin Lissabon en nam deze stad in zijn

bezit. Even te voren was de prins-regent met zijn familie en zijn

schatten benevens duizenden rijke Portugeezen scheep gegaan naar

Brazilië. In November 1807 verklaarde Napoleon het huis van Braganza

kortaf vervallen van den troon en legde Portugal daarna een belasting

op van honderd millioen francs.

Altoos bezig, zich nooit meer rust gunnende dan hij strikt noodig

had, een voorwerp van de verbazing zijner omgeving, die hem aan

den arbeid zag, zich nooit verdiepende in détails, die door anderen

konden worden uitgewerkt, het hoofd vol duistere plannen, welke hij

nog aan niemand mededeelde, maar waarin Londen en de Spaansche troon

de hoofdrol speelden, begaf de Keizer zich half November weder op

reis. Thans waren Italië en de militaire werken bij Allessandria,

Mantua en Venetië het doel.

Bij deze gelegenheid nam hij Eugène met zekere plechtigheid aan tot

zijn zoon en opvolger in Italië, schonk hem den titel van prins van

Venetië en had te Mantua voor het eerst na jaren weder een ontmoeting

met Lucien. Gaarne had hij gezien, dat deze zich met hem verzoend had,

want hoewel Lucien zich te Rome onverzoenlijk had getoond, kon hij

dezen broeder, die hem feitelijk den 18en Brumaire door zijn manmoedig

optreden den weg naar het oppergezag had gebaand, niet vergeten.

Hij vorderde echter te veel. In ruil voor de kroon van Portugal zou

Lucien zijn tweede vrouw Alexandrina de Bleschamps, weduwe Jouberthon,

moeten verstooten en hij wilde zijn huiselijk geluk niet opofferen

aan het bezit eener kroon onder de heerschappij van zijn broer.

Met bitterheid in 't hart scheidden de twee broers.

Wel werden er daarna nog pogingen aangewend tot verzoening, wel zou

de breuk tusschen hen nog ernstiger worden, maar ze zouden elkaar

niet weerzien, voordat de oudste neergeveld door het noodlot bijna

door allen verlaten was en de ander hem zijn hulp kwam aanbieden.

Napoleon(#27883) · 第 34 / 49 题