Bonaparte kwam; weldra bestond tusschen beiden een intieme verhouding,
in die dagen volstrekt niets vreemds in die kringen. Joséphine had
toen reeds een veel bewogen leven achter zich. Geboren op Martinique,
creoolsche van afkomst, was mejuffrouw Tascher de la Pagerie op
zestienjarigen leeftijd gehuwd met de Beauharnais.
In 1779 had deze haar meegenomen naar Parijs, haar bedrogen en
verlaten, al bestond daarvoor geen enkele reden en zich eerst in
de dagen der revolutie met haar verzoend. Aan het hof was zij nooit
toegelaten. Een korte poos, toen de generaal voorzitter was van de
Constituante en daarna opperbevelhebber van het Rijnleger, was zij
te Parijs gelukkig geweest, had ze een salon gehad en gasten ontvangen.
Het schrikbewind had aan al dit fraais met één slag een einde gemaakt;
de Beauharnais was gevangen genomen en onthoofd; zij zelve in den
kerker geworpen. Hier had zij kennis gemaakt met Thérèse de Fontenay,
een dame, die den afgevaardigde Tallien in haar netten had gevangen,
die dezen gewetenloozen republikein haar hand had beloofd, als hij
haar de vrijheid wist terug te bezorgen. Zij had Joséphine's bevrijding
eveneens bewerkt.
Dus als door een wonder ontkomen aan den dood op het schavot, zoo
goed als geruïneerd, zonder vooruitzichten, was Joséphine met haar
twee kinderen, gesteund door enkele vriendinnen en door enkele heeren,
met wie zij in de gevangenis had kennis gemaakt, een leven begonnen,
dat haar goeden naam schade deed. Door geld te leenen en rechts en
links schulden te maken, vond zij de middelen om tijdelijk een eigen
staat te voeren, rijtuig te houden en in de rue Chantereine, aan
't einde der stad, een klein hotel te huren, dat weinig meer dan
een drietal bruikbare kamers en een stal bevatte. Met zijn sofa's
en in alle hoeken verspreide mahonie- en citroenhouten tafeltjes
met marmeren bladen en verguld koperen versiersels, maakte 't geheel
voor een leek toch eenige vertooning. Een paar groote glazen kasten
met verzilverd eetservies,--van echt zilver waren slechts een dozijn
lepels en vorken voorhanden--werkten hiertoe mede.
Ook in Joséphine's linnenkast heerschte geen weelde. Wel
zestien japonnen benevens eenige shawls, doch bijster weinig
ondergoed--b.v. slechts zes rokken--was er in te vinden. Aan het
uiterlijk was blijkbaar alles opgeofferd.
Van die vergulde armoede had Bonaparte, op dit gebied zelf volstrekt
niet verwend, bij zijn eerste bezoek echter niets bespeurd; hij had
slechts oogen gehad voor de dame, die hem ontving, die een stem had
als muziek, de mooiste kleine handjes en voetjes, welke hij nog ooit
had gezien en wier fluweelzachte oogen met lange, gebogen wimpers,
guitig uitdagend wipneusje en glimlachend lief mondje met een licht
gepoederde blonde pruik,--de mode dier dagen--een allervriendelijkst
geheel vormden.
Dat haar tanden toen reeds veel hadden geleden, dat poeder en
blanketsel reeds te hulp waren geroepen om de eerste sporen van
verval te verbergen, zag hij niet; dat Hortense, het veertienjarige
dochtertje, bij madame Campan op kostschool, haar "engelachtig
moedertje" de hoogst enkele maal, dat deze haar kwam bezoeken, om
die reden alleen onder de kin een zoentje mocht geven, wist hij niet;
hij zag slechts háár. Désirée Clary was vergeten; aan mevrouw Permon,
die weduwe geworden en daarop zonder succes door hem ten huwelijk
was gevraagd, dacht hij niet meer; dat Joséphine zes jaar ouder was
dan hij, wilde hij niet weten; dat Ségur, de Caulaincourt en andere
heeren van "het oude hof" bijzonder vertrouwelijk met haar omgingen,
doch zich nooit met hun vrouw bij haar vertoonden, zag hij niet en
evenmin deerde het den verliefden man, dat zij Tallien en Barras onder
haar allerintiemste kennissen telde. De liefde, die zoo dikwijls spot
met vormen en zedelijkheid, ja met alles, had zijn jong zuidelijk
bloed aan 't gisten gebracht. Van nu af zou ondanks alles, jaren lang
slechts één vrouw ter wereld voor hem bestaan, zijn Joséphine.
"Ze waren "doodelijk" van elkander," schreef een tijdgenoot,
die het weten kòn. Doch wist hij het wel?--Op Bonaparte was dat
"doodelijk" in den ruimsten zin des woords toepasselijk; alleen in
haar nabijheid voelde hij zich gelukkig. Bij haar was het effect,
door zijn onstuimigen blinden hartstocht op haar creoolsche
natuur aanvankelijk teweeggebracht, weldra sterk verminderd en
door verzadiging gevolgd. Toen hij haar in 't begin van 1796 ten
huwelijk vroeg, was zijn persoon haar zelfs tamelijk onverschillig
geworden. Toch nam zij zijn aanzoek aan, zoogenaamd omdat zij haar
kinderen, om wie zij zich echter nooit veel had bekreund, hierdoor een
tweeden vader schonk, maar feitelijk omdat haar geldmiddelen zoo goed
als uitgeput waren, haar jeugd haar verliet, de kans op beter dus zeer
gering voor haar werd en mevrouw Tallien en Barras haar verzekerden,
dat hij weldra in Italië opperbevelhebber zou worden en zij, mocht
hij komen te vallen, in elk geval pensioen kreeg, en eindelijk omdat
zij, evenals bijna al de vrouwen uit dien tijd, bijgeloovig was en
haar indertijd op Martinique door een oude negerin was voorspeld, dat
zij nog eenmaal een kroon dragen zou. Beviel het huwelijk haar niet,
dan was echtscheiding bovendien altijd een eenvoudig middel om een
band te verbreken, waaraan de geestelijke wijding toch ontbrak. Zij
nam dus zijn aanzoek aan. Den 8en Maart 1796 werd een contract
geteekend, waarbij o.a. alle gemeenschap van goederen tusschen
beiden was uitgesloten; Joséphine bleef voogdes over haar kinderen
en Bonaparte bracht, zooals de notaris Raguideau terecht opmerkte,
niets mede ten huwelijk dan "mantel en degen."
Met Barras, Tallien, Lemarrois, een adjudant van Bonaparte en Calmelet,
Joséphine's zaakwaarnemer als eenige getuigen, werd de echtverbintenis
den 9en zonder eenig uiterlijk vertoon gesloten. Twee dagen later
reeds was Bonaparte als opperbevelhebber op weg naar het leger van
Italië. Barras had goed gezien; het Directoire had den jeugdigen
generaal het veldtochtsplan ter uitvoering gegeven, dat deze het jaar
te voren bij het departement van Oorlog zelf had ontworpen en dat
Scherer als het werk van een gek had verklaard en als te dolzinnig
en te vermetel niet had aangedurfd. Joséphine bleef achter in het
hotel van de rue Chantereine, deed voorloopig geen afstand van haar
vroegeren naam en bleef dus "de weduwe Beauharnais" bracht ook in
haar levenswijze, haar pretjes en haar gewoonten geen verandering
en gunde zich vaak niet eens den tijd om de van liefde en hartstocht
gloeiende epistels te lezen, die haar man, al had hij 't nog zoo druk,
bijna dagelijks met iederen koerier toezond. Eén uit velen vinde hier
een plaats:
"Als ik op 't punt sta mijn bestaan te verwenschen, breng
ik de hand naar mijn hart; daar rust je portret. Ik bekijk
het en de liefde is voor mij het volmaakte geluk; alles lacht
mij toe behalve de tijd, dien ik doorbreng buiten het bijzijn
van mijn hartsvriendin."
Met die beeltenis voor zich deed hij iederen avond zijn gebed; toen
het glas er van brak, was hij de wanhoop nabij.