13 Vendémiaire. Joséphine.

Nadat de constitutie van het jaar III met een Directoire van vijf

leden als uitvoerende macht den 22en Augustus 1795 was aangenomen,

moesten de leden van het wetgevend lichaam worden gekozen. Reeds

vleiden zich de royalisten en de emigrés, die in de laatste maanden

bij duizenden in het land teruggekeerd of uit hun schuilhoeken te

voorschijn gekomen waren, dat zij bij die verkiezingen verreweg de

meerderheid zouden hebben, waardoor hun kansen bij een tegenomwenteling

dus aanmerkelijk moesten vermeerderen, toen een decreet der Conventie

besliste, dat de Raad van Vijfhonderd voor twee derden zou bestaan uit

haar vroegere leden. Waren dit dezelfde mannen, die den 10en Augustus

1792 tot den val van het koningschap hun steun hadden verleend en

later over Lodewijk XVI het doodvonnis hadden uitgesproken? Zeker het

waren deze volbloed republikeinen, maar tevens de mannen, die drie

jaar lang tegenover gansch Europa pal hadden gestaan en door bijna

ongeloofelijke bewijzen van volharding en energie Frankrijk van de

vreemde overheersching hadden gered.

De royalisten, de emigrés en de rijke burgerij te Parijs zagen in dit

decreet een terugkeer naar den tijd van la Terreur en de heerschappij

der guillotine. In de meeste verkiezingssectiën te Parijs werd het

dus verworpen, in de departementen echter met overgroote meerderheid

aangenomen. Niettemin besloten de royalisten, van ouds wetende,

dat hetgeen in de hoofdstad geschiedde, in de departementen meestal

navolging vond, een poging te doen om weder op het kussen te komen. Te

Parijs lag slechts een bezetting van enkele duizenden soldaten, zij

hadden de sectiën en wel 40.000 aanhangers achter zich; de kansen

stonden dus mooi. In de sectiën Lepelletier, Luxembourg, le Temple

enz., waar de rijken de meerderheid vormden, werd den 12en Vendémiaire

(4 October) openlijk verzet tegen de Conventie afgekondigd; wapens

werden rondgedeeld en onder de burgerij het gerucht verspreid, dat

de regeering terug wilde naar de dagen van het schrikbewind.

In dezen uitersten nood was voor de Conventie krachtig ingrijpen een

eerste vereischte; generaal Menou, commandant van de troepenmacht

in Parijs, die de opstand niet vermocht te dempen, ja het verzet der

royalisten door zijn slap optreden nog had versterkt, werd gevangen

genomen; Barras kwam in zijn plaats, maar als leider van soldaten

volkomen ongeschikt, nam hij o.a. op raad van Carnot, Bonaparte als

tweede bevelhebber. "De degen eenmaal getrokken, zou niet meer worden

opgestoken voor de orde was hersteld," had Napoleon aan Barras gezegd,

toen hij het commando aannam. En hij hield woord.

Toen in den laten namiddag van den 13en Vendémiaire de opstandelingen

van verschillende zijden oprukten, werden ze zoo krachtig door de

troepen van de Conventie ontvangen, dat het verzet werd gebroken; aan

het beleid van Bonaparte dankte de Conventie haar behoud, want hij,

niet Barras, was de ziel der verdediging geweest.

De Conventie toonde zich niet ondankbaar, tien dagen later benoemde

ze hem tot divisiegeneraal bij de artillerie, nog tien dagen later

tot opperbevelhebber van het leger in het binnenland. Barras was lid

geworden van het Directoire.

Uit was het ineens met de plannen om naar Turkije te gaan. In drie

weken tijd had Bonaparte een standpunt bereikt, zoo hoog, dat de

invloed der bureaux van Oorlog hem niet meer kon schaden; weder "kon

hij dienen en nuttig zijn." Een zee van werk wachtte hem, want alleen

de reorganisatie der nationale garde--honderd en vier bataljons--was

een reuzentaak; hier tegen zag hij niet op. De legermacht te Parijs

bracht hij samen in één kamp. De oud-militairen, die hem den 13en

Vendémiaire vrijwillig hun hulp hadden aangeboden vereenigde hij

tot een korps; voor het Directoire en de beide Raden schiep hij een

lijfwacht en bracht aldus binnen enkele maanden in en om de hoofdstad

een macht bijeen, groot genoeg om het gepeupel in bedwang te houden,

dat honger leed, de waarde van het papieren geld met den dag zag

verminderen en dus weinig aanmoediging noodig had om tot oproer over

te slaan. Die militaire macht diende tevens om de Jacobijnen ontzag in

te boezemen, die zich hadden vereenigd onder den naam van de Club van

't Panthéon en opnieuw den kop begonnen op te steken.

Ook op zijn moreele leven deed deze reusachtige omkeer in zijn lot

terstond zijn invloed gevoelen. Hij leefde letterlijk geheel op; het

armoedige vertrekje in een klein logement, dat hem zoolang tot woning

had gediend, verwisselde hij met een ruim hotel op den boulevard,

hij schafte zich paard en rijtuig aan, huurde een loge in de comedie

en liet zich een nieuwe uniform maken, stellig geen weelde, want

de tegenwoordige was tot op den draad versleten. Tevens begon hij

voor zijn moeder te zorgen, zond haar eenige duizenden baar geld en

assignaten en herhaalde die zendingen geregeld iedere maand. "Mama

is van alles overvloedig voorzien; ik heb haar zestig duizend francs

doen toekomen" kon hij in Januari 1796 aan Jozef melden. Ondanks al

zijn werk bleef hij ook voortdurend vervuld met het lot en de belangen

van zijn broers. Louis heeft hij terstond een luitenantsbrevet doen

geven en hem opgenomen in zijn staf. Lucien, die armoede geleden en

gevangen gezeten had, bezorgde hij een betrekking als Commissaris

van Oorlog bij het leger van het Noorden.

Veel eer legde hij hiermee echter niet in, want Lucien vond het

leven te Parijs, waar hij nu op kosten van broer Napoleon mocht

rondscharrelen, zoo heerlijk, dat hij eerst in Februari 1796 afreisde

naar Gorinchem. Reeds in die dagen bleek, dat de man voor geregelden,

gezetten arbeid alle lust en geschiktheid ontbrak; op de tribune

disputeeren met de Jacobijnen en royalisten ging hem beter af, maar

tucht en plichtsgevoel waren hem onbekend.

Eindelijk werd de toekomst van Jozef, zijn boezemvriend, den broeder

"wiens afwezigheid hij dagelijks sterker gevoelde" een voorwerp van

zijn zorg. Jozef verveelde zich te Genua en wilde consul worden; ook

wilde hij deelnemen aan de uitrusting van twee kaperschepen. "Kom

naar Parijs; hier staan tafel en bed, paard en rijtuig tot je

beschikking. Ik mis je bijzijn in zoo hoog mate" schreef Napoleon

hem. Ook Jérôme vergat hij niet, maar plaatste hem te Parijs voor

zijn rekening op een kostschool. Naar waarheid mocht hij dus aan Jozef

schrijven, dat hij niet meer kon doen, dan hij voor allen deed, want

na zijn naaste familie kwamen de neefjes en verdere bloedverwanten

als oom Fesch, Ramolino en anderen aan de beurt.

Of de op deze wijze door hem bevoordeelden hem erkentelijk waren? Wel

neen! Volgens de Corsicaansche begrippen deed hij hiermede slechts

zijn plicht tegenover den clan. Het geluk had hem gediend; nu had hij

ook te zorgen, dat zijn gansche geslacht hierin deelde. Of de leden

hiervan eenige geschiktheid bezaten voor de betrekkingen, waartoe ze

door dit begrip van nepotisme werden geroepen, werd niet gevraagd. Had

Bonaparte, keizer geworden, aan het verlangen van den clan en in de

eerste plaats van zijn moeder voldaan, dan had hij niet alleen Corsica

maar gansch Frankrijk aan zijn bloedverwanten ten prooi gegeven om het

naar hartelust te exploiteeren en voor eigen voordeel te gebruiken,

doch aan dezen drang heeft hij echter niet toegegeven; hij heeft

Frankrijk tegen dezen inval behoed en hierdoor alleen reeds den dank

der natie verdiend, maar de Corsicanen hebben hem deze tekortkoming

tegenover hen nooit vergeven.

Dit vooropgesteld, zal men zich eenig begrip kunnen vormen van de

toornige verbazing in den ganschen clan, toen de tijding kwam, dat

Napoleon den 9en Maart 1796, zonder eenig lid der familie hierin te

kennen, was gehuwd met een dame uit de Parijsche groote wereld, met

de weduwe van den in 1794 onthoofden burggraaf de Beauharnais, een

vrouw, die reeds twee groote kinderen had, die, al werd het tegendeel

beweerd, geen fortuin bezat en op wier zedelijk gedrag heel wat viel

af te dingen. Moeder Laetitia was verontwaardigd, dat haar toestemming

niet was gevraagd; de zusters werden terstond in hooge mate afgunstig

op een schoonzuster, die burggravin was, die heel andere manieren

had dan zij en die haar met haar mooie, rijke toiletten stellig zou

overschaduwen; en de broers, doch vooral Lucien, die haar te Parijs

een paar maal had gezien en haar een "oude vrouw" noemde, begonnen

terstond tegenover haar voet te geven aan een vijandige gezindheid,

welke haar oorsprong vond in minachting en jaloezie, die slechts

zelden uitkwam door een daad, doch die Joséphine niettemin bijna

tot aan haar dood heeft vervolgd. Door het huwelijk met hun broer,

had zij hen volgens Corsicaansche begrippen, in hun rechten op diens

fortuin te kort gedaan; dit kon haar niet worden vergeven.

Hoe Bonaparte tot zulk een vrijwel onberaden echtverbintenis was

gekomen?

Als zooveel andere mannen van zijn leeftijd had hij vroeger reeds

trouwplannen gekoesterd; we zagen, hoe hij Désirée Clary het hof had

gemaakt, maar tot een huwelijk was het niet gekomen. Zijn verblijf te

Parijs na Mei 1795 had in zijn denken en doen een geduchte verandering

gebracht. Een brief van 7 Juli van dat jaar aan Jozef, voor wien hij

geen geheimen had, getuigt van den diepen indruk door die oplevende,

genotzoekende groote stad teweeggebracht op hem, den grasgroenen

provinciaal, die tot nog toe meer bij een bivakvuur dan naast een

salonhaard gezeten had en armoedig en gestreng republikeinsch was

opgevoed.

"Weelde, genotzucht en kunst herleven verbazend snel," schreef

hij. "Een Louis d'or geldt hier 750 francs in papier. Gisteren werd

Phèdre opgevoerd ten bate eener voormalige actrice; driedubbele

prijzen werden gevraagd, toch was de zaal stampvol. Equipages,

mooie toiletten bij de vleet, alsof ze nooit waren weg geweest. Al

wat afleiding en genot kan verschaffen is hier bijeen. In de comedie,

op de wandelingen, in de bibliotheken, overal ziet men vrouwen. Dit is

de eenige plaats ter wereld, waar deze verdienen het roer in handen

te hebben. De mannen zijn dan ook op haar verzot, denken alleen aan

haar, leven alleen voor en door haar. Zes maanden hier en een vrouw

weet precies wat men haar verschuldigd, hoe groot haar macht is."

In September had hij de kleine, bescheiden Désirée nog niet vergeten

en verzocht hij Jozef zelfs, hem een beslissend antwoord te zenden op

zijn vraag of zij hem genegen was. Dit antwoord liet zich wachten. De

13en Vendémiaire bracht den halfvergeten veroveraar van Toulon met

één ruk op den voorgrond. Al de salons stonden eensklaps wagenwijd

voor hem open en bij de beeldschoone mevrouw Tallien, de zeer intieme

vriendin van Barras, maakte hij voor de eerste maal wat nader kennis

met Joséphine de Beauharnais. Tot nu toe had hij haar slechts uit de

verte gezien. Verblindend, overweldigend was de indruk, door haar,

de dame uit de groote wereld, op zijn hart en zijn zinnen gemaakt

en het duurde niet lang of hij verzocht haar een bezoek te mogen

brengen. De omvang zijner dagelijksche bezigheden schijnt hem echter

belet te hebben die bezoeken dikwijls te herhalen, want den 28en

October schreef zij hem:

"Gij komt niet meer bij een vriendin, die u zeer genegen is;

hebt gij haar vergeten? Dit is niet lief van u, want zij

bemint u.--Kom morgen bij mij dejeuneeren; ik moet eens met

u praten over uw belangen. Bonsoir mijn vriend. Ik omhels u.

Napoleon(#27883) · 第 16 / 49 题