Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming
van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of
liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen
kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: "'t was
een tuchteling", schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan
twee uren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was
niets meer dan "een tuchteling". Wij moeten evenwel zeggen, dat men
de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den
geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:
"Hebt ge 't al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!"--"Wie?"--"De
maire."--"Hoe, de heer Madeleine?"--"Ja."--"Waarlijk?"--"Hij
heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean,
Boujean."--"Mijn Hemel!"--"Hij is in hechtenis genomen."--"In hechtenis
genomen?"--"In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt
overgebracht."--"Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen
zal men hem brengen?"--"Voor de assises, wegens een diefstal op
den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd."--"Nu, ik dacht het
wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij
weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij
ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde."
In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.
Een oude dame, die op de Drapeau blanc was geabonneerd, maakte deze
opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:
"'t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven."
Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur
M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis
in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde
tot dit getal.
Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge,
nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was
den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat
eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster
Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.
Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen,
stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer
uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om
naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker,
van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast,
alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer
te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij
't zelve wist.
Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering
en riep: "O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker
gehangen!"
Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening,
nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.
De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen,
maar de kreet bleef in haar keel steken.
Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.
't Was mijnheer Madeleine.
Zij was eenige oogenblikken zoo "verbouwereerd", zooals zij zich later
uitdrukte, wanneer zij 't voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.
"Mijn God, mijnheer de maire," riep zij, "ik meende dat ge..."
Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin
hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer
de maire.
Hij vulde haar gedachten aan.
"In de gevangenis waart," sprak hij. "Ik ben er geweest. Ik heb een
tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden,
en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij
is waarschijnlijk bij de arme vrouw."
De oude vrouw gehoorzaamde haastig.
Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou
beveiligen, dan hij zich zelven deed.
Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats
te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een
looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men
had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt
is nooit opgehelderd geworden.
Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen,
zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer,
en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker
halen en keerde in de kamer terug.
Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert,
kon zijn venster van de straat gezien worden.
Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed,
waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er
te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had
"de kamer gedaan". Alleen had zij de twee einden van den met ijzer
beslagen stok en het in 't vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit
de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.
Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: "Dit zijn de twee einden
van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais
ontstolen heb, waarvan ik voor de assises heb gesproken;" en op dat
papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig
dat deze het eerst in 't oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij
nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In
de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor 't overige
was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte,
beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood,
dat hij in zijn vlucht had meegenomen.
Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer
werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.
Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.
"Binnen!" zeide hij.
't Was zuster Simplicia.
Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar
hand. Geweldige slagen van 't noodlot hebben dit eigenaardige, dat,
hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer
ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn
te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster
weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.
Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de
pleegzuster toereikte, zeggende:--Geef dit aan mijnheer den pastoor.
Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.
"Ge moogt het lezen," zeide hij.
Zij las:--"Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik
hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces
en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het
overige is voor de armen."
De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare
klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:
"Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?"
"Neen," zeide hij, "men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer
gevangen nam, zou haar dit storen."
Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig
gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de
oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:
"Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hier den
ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur
niet verlaten heb."
Een man antwoordde:
"Er is evenwel licht in die kamer."
Men herkende Javert's stem.
De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den
rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit
en ging in dien hoek staan.
Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.
De deur werd geopend.
Javert trad binnen.
Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet
der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet
op. Zij bad.
De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.
Javert zag de zuster en bleef verrast staan.
Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert's karakter, zijn adem,
zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit
geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij
moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig,
en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was
een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke
dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze
wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende
om de waarheid uit te laten.
Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk
te verwijderen.
Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld
in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te
blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.
't Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert
wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.
"Zuster," zeide hij, "zijt ge alleen in deze kamer?"
Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende 't welk de arme
portierster geheel van zich zelve raakte.
De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:
"Ja."
"Vergeving," hernam Javert, "dat ik u nog een vraag doe, 't is mijn
plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is,
en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?"