De geneesheer nam zuster Simplicia ter zijde, en deze verhaalde hem,
dat mijnheer Madeleine voor een paar dagen afwezend was, dat men
gemeend had de zieke in haar waan te moeten laten, als zou mijnheer
Madeleine naar Montfermeil zijn gereisd, terwijl 't overigens mogelijk
was, dat zij juist geraden had. De geneesheer vond dit goed. Hij ging
weder naar het bed van Fantine, die hernam:
"Want, morgen, weet ge, zal ik mijn lieve schat bij haar ontwaken
goeden morgen kunnen zeggen, en 's nachts zal ik, dewijl ik toch
niet slaap, haar hooren slapen. 't Zal mij goed doen, haar zachte
ademhaling te hooren."
"Geef mij uw hand," zei de geneesheer.
Zij stak haar hand uit, en zei lachend:
"O, ziedaar! 't Is waar, gij weet het nog niet, dat ik weer geheel
beter ben. Cosette komt morgen."
De dokter was verwonderd. Zij was inderdaad beter. De beklemdheid was
minder. De pols was krachtiger geworden. Het arme uitgeputte schepsel
scheen plotseling door een nieuw leven bezield.
"Mijnheer de dokter," hernam zij, "heeft de zuster u gezegd, dat
mijnheer de maire het lieve kind is gaan halen?"
De geneesheer beval stilte en dat men alle onaangename aandoeningen
moest vermijden. Hij schreef een kinadrankje voor, en, ingeval de
koorts des nachts terugkeerde, een kalmeerend middel. Toen hij
heenging zeide hij tot de zuster:--'t Gaat beter. Zoo het geluk
wilde, dat mijnheer de maire inderdaad morgen met het kind kwam;
wie weet? er zijn zulke wonderbare crisissen; men heeft meer gezien,
dat groote blijdschap een ziekte plotseling tot staan bracht; ik weet,
dat 't hier een organische en zeer vergevorderde ziekte is, maar wie
kan zeggen wat mogelijk is! Misschien ware de zieke nog te redden.