Intusschen verkeerde Fantine op dit oogenblik in groote blijdschap. Zij
had een zeer slechten nacht doorgebracht. Schrikkelijk hoesten,
vermeerdering van koorts, onrustige droomen. Des ochtends, toen de
geneesheer kwam, ijlde zij. Hij zette een zeer bedenkelijk gezicht
en beval, dat men hem zou verwittigen, zoodra mijnheer Madeleine kwam.
Den ganschen morgen was zij stil, sprak weinig, frommelde met de
bedlakens en scheen binnensmonds afstanden te berekenen. Haar oogen
waren diep in hun kassen gezonken en stonden strak. Zij schenen schier
uitgedoofd; doch in sommige oogenblikken schitterden en fonkelden
zij als sterren. Het is alsof bij de nadering van zeker vreeselijk
uur het licht des hemels hen vervult, van wie het licht der aarde
zich verwijdert.
Telkens, wanneer zuster Simplicia haar vroeg, hoe zij zich bevond,
antwoordde zij onveranderlijk: "Goed. Ik wenschte mijnheer Madeleine
te zien."
Eenige maanden vroeger, toen Fantine haar laatste restje eerbaarheid,
haar laatste schaamte, en haar laatste vreugde had verloren, was
zij de schaduw van zich zelve geweest; thans was zij het spookbeeld
van zich zelve. Het lichamelijk lijden had het werk van het zedelijk
lijden aangevuld. Dit vijf-en-twintigjarig wezen had een gerimpeld
voorhoofd, slappe wangen, een spitsen neus, losse tanden, een blonde
kleur, een mageren hals, uitstekende sleutelbeenen, uitgeteerde leden,
een tanige huid, en grijze plekken in haar blond haar. Helaas! hoe
de ziekte eensklaps den ouderdom doet ontstaan!
Tegen den middag kwam de geneesheer weder; hij schreef iets voor,
vroeg of mijnheer de maire in de ziekenzaal was geweest, en schudde
het hoofd.
Gewoonlijk bezocht de heer Madeleine de zieken te drie uren. Wijl
stiptheid goedheid is, was hij stipt.
Omstreeks half drie begon Fantine onrustig te worden. Binnen den tijd
van twintig minuten vroeg zij meer dan tien malen aan de geestelijke
zuster:
"Zuster, hoe laat is het?"
Het sloeg drie uur. Bij den derden slag richtte Fantine zich op, schoon
zij zich anders nauwelijks in haar bed kon bewegen; schier krampachtig
vouwde zij haar magere, gele handen samen, en de liefdezuster hoorde
uit haar borst een dier diepe zuchten opstijgen, welke een zwaren
last schijnen op te heffen. Toen wendde Fantine het hoofd en zag naar
de deur.
Niemand kwam binnen; de deur opende zich niet.
Zoo zat zij een kwartieruurs, met het oog op de deur gericht,
bewegingloos en als hield zij haar adem in. De zuster durfde haar niet
toespreken. Van den kerktoren sloeg het kwart over drieën. Fantine
zonk weder in het hoofdkussen.
Zij zeide niets en begon het bedlaken weder te frommelen.
Een half uur verstreek, een uur, maar niemand kwam; telkens wanneer
de klok sloeg, richtte Fantine zich op en zag naar de deur; dan zeeg
zij weder neer.
Men zag duidelijk haar gedachte, maar zij sprak geen naam uit, zij
klaagde niet, zij beschuldigde niet. Maar zij hoestte akelig. 't Was
alsof iets duisters op haar nederdaalde. Zij was doodsbleek en haar
lippen waren blauw. Nu en dan glimlachte zij.
Het sloeg vijf uren. Toen hoorde de zuster haar zeer stil en zacht
zeggen: "Maar wijl ik morgen heenga, begrijp ik niet, dat hij heden
niet komt."
Zuster Simplicia zelve was insgelijks verwonderd over Madeleine's
uitblijven.
Fantine zag opwaarts naar den hemel van haar bed. Zij scheen te
trachten, iets in haar geheugen terug te roepen. Eensklaps begon zij
te zingen, met een stem zoo zwak als een adem. De geestelijke zuster
luisterde. Fantine zong het volgende:
Nous achèterons de bien belles choses
En nous promenant le long des faubourgs.
Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,
Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours.
La vierge Marie auprès de mon poèle
Est venue hier en manteau brodé;
Et m a dit:--Voici, caché sous mon voile,
Le petit qu'un jour tu m'as demandé.--
Courez à la ville, ayez de la toile,
Achetez du fil, achetez un dé.
Nous achèterons de bien belles choses
En nous promenant le long des faubourgs.
Bonne sainte Vierge, auprès de mon poèle
J'ai mis un berceau de rubans orné;
Dieu me donnerait sa plus belle étoile,
J'aime mieux l'enfant que tu m'as donné.
--Madame, que faire avec cette toile?
--Faites un trousseau pour mon nouveau-né.
Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,
Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours.
Lavez cette toile--Où?--Dans la rivière,
Faites-en, sans rien gâter ni salir,
Une belle jupe avec sa brassière!
Que je veux broder et de fleurs emplir.
--L'enfant n'est plus là, madame, qu'en faire?
--Faites-en un drap pour m'ensevelir.
Nous achèterons de bien belles choses
En nous promenant le long des faubourgs.
Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,
Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours. [13]
Dit was een oud wiegelied, waarmede zij eertijds haar kleine Cosette
in slaap zong, en 't welk haar nu in de vijf jaren, gedurende welke
zij haar kind niet meer had, niet in den geest was gekomen. Zij zong
het met zulk een treurige stem en op zulk een zachten toon, dat zij
zelfs den ongevoeligste zou hebben doen weenen. De geestelijke zuster,
aan treurige zaken gewoon, voelde een traan in haar oogen opwellen.
Het sloeg zes uren. Fantine scheen niet te hooren. Zij scheen op
niets te letten van wat haar omgaf.
Zuster Simplicia zond een dienstmeisje naar de portierster der fabriek
om te vernemen, of mijnheer de maire te huis was gekomen, en of hij
ook spoedig de ziekenzaal zou bezoeken. Het meisje kwam na eenige
minuten terug.
Fantine lag altijd stil en scheen uitsluitend met haar gedachten bezig.
Het dienstmeisje zeide fluisterend aan zuster Simplicia, dat mijnheer
de maire dienzelfden morgen vóór zes uren in een kleine tilbury met
een wit paard was uitgereden, alléén, zonder voerman; dat men niet
wist, waarheen hij was gereden, dat sommigen zeiden hem den weg naar
Arras te hebben zien inslaan, doch dat anderen verzekerden hem op
den weg naar Parijs ontmoet te hebben. Dat hij bij zijn vertrek,
als gewoonlijk, zeer minzaam was geweest, maar aan de portierster
gezegd had, dat men hem van nacht niet terug moest verwachten.
Terwijl de twee vrouwen, met den rug naar Fantine's bed gekeerd, samen
fluisterden, de zuster vragende, het dienstmeisje antwoordende,
had zich Fantine, met de koortsige levendigheid van sommige
organische ziekten, welke de vrije bewegingen der gezondheid met de
verschrikkelijke magerheid des doods gepaard doet gaan, in haar bed
op de knieën geworpen, steunde krampachtig met haar hand op de peluw,
en zag luisterend tusschen de bedgordijnen heen. Eensklaps riep zij:
"Gij spreekt van mijnheer Madeleine! waarom fluistert ge? Wat doet
hij? Waarom komt hij niet?"
Haar stem klonk zoo luid en forsch, dat de beide vrouwen een mannenstem
meenden te hooren. Verschrikt zagen zij om.
"Antwoord toch!" riep Fantine.
Het dienstmeisje stamelde:
"De portierster heeft mij gezegd, dat hij heden wellicht niet zou
komen."
"Mijn kind," zei de liefdezuster, "wees rustig, ga weder liggen."
Fantine hernam, zonder van houding te veranderen, luid en op een
heftigen, hartverscheurenden toon:
"Zou hij niet komen? Waarom? Ge weet de reden; ge spraakt er
fluisterend over. Ik wil ze weten."
De dienstmeid fluisterde schielijk de liefdezuster toe: "Zeg, dat
hij op het stadhuis bezig is."
Op zuster Simplicia's gezicht kwam een lichte blos; 't was een leugen,
welke het meisje haar voorstelde. Van de andere zijde erkende zij, dat,
zoo men de zieke de waarheid zeide, haar dit een vreeselijken slag zou
toebrengen, 't geen in Fantine's toestand gevaarlijk kon zijn. De blos
op haar gelaat verdween spoedig. De liefdezuster richtte haar kalmen,
treurigen blik op Fantine en zeide:
"Mijnheer de maire is op reis."
Fantine richtte zich op en ging gehurkt zitten. Haar oogen
glinsterden. Haar smartelijk gelaat schitterde van onbeschrijfelijke
blijdschap.
"Op reis!" riep zij, "hij is Cosette gaan halen."
Toen hief zij haar handen ten hemel en haar geheele houding scheen
zich te verheffen. Haar lippen bewogen zich; zij bad in stilte.
Toen zij gebeden had, zeide zij: "Zuster, ik wil weder gaan liggen,
ik zal alles doen wat men wil; zoo aanstonds was ik ondeugend; ik
vraag u vergeving, zoo luid gesproken te hebben; 't is volstrekt niet
goed zoo luid te spreken; ik weet het, goede zuster; maar zie, nu ben
ik zeer tevreden. De lieve God is goed; mijnheer Madeleine is goed;
verbeeldt u, hij is naar Montfermeil gegaan, om mijn Cosette te halen."
Zij legde zich neder, hielp de liefdezuster het hoofdkussen verschikken
en kuste het zilveren kruisje, dat zij aan den hals droeg, en 't welk
zuster Simplicia haar gegeven had.
"Mijn kind," zei de zuster, "tracht nu te slapen en spreek niet meer."
Fantine nam de hand der zuster in haar klamme handen; deze voelde
dit zweet met inwendige smart.
"Hij is van ochtend naar Parijs vertrokken. Hij behoeft trouwens
niet over Parijs te gaan. Montfermeil ligt van hier een weinig
links. Herinnert ge u, dat hij mij gisteren, toen ik van Cosette
sprak, zeide: "spoedig, spoedig." Hij wil mij verrassen. Ge weet,
dat hij mij een brief aan Thénardier liet teekenen, om haar terug te
eischen. Zij zullen immers geen tegenwerpingen maken, niet waar? Zij
zullen Cosette wedergeven? Zij zijn immers betaald. De overheid zou
't immers niet veroorloven, dat men een kind behield, wanneer men
betaald is. Lieve zuster, wenk mij niet, dat ik zwijgen moet. Ik ben
zoo onuitsprekelijk gelukkig, ik gevoel mij geheel wel, mij deert
niets meer, ik zal mijn Cosette wederzien, ik heb zelfs honger. In
bijna vijf jaren heb ik haar niet gezien. Ge kunt u niet verbeelden,
hoe sterk men aan kinderen gehecht is, en zij zal zoo lief zijn! ge
zult zien. Wist ge, welke kleine lieve vingertjes zij heeft; o, zij
zal gewis fraaie handen krijgen. Toen zij een jaar oud was, waren
haar handjes heel klein.--Zij zal nu groot zijn. Zij is zeven jaar
oud. 't Is een jonge juffrouw. Ik noem haar Cosette, maar zij heet
Euphrasie. Zie, van ochtend zag ik stof op den schoorsteen, en ik
dacht, dat ik spoedig Cosette zou wederzien. Mijn hemel! hoe verkeerd
is het, zijn kinderen in jaren niet te zien! Men moest bedenken,
dat het leven niet eeuwig duurt. O, 't is goed, dat mijnheer de maire
vertrokken is; 't is waar, dat het vinnig koud is! Had hij ten minste
zijn mantel bij zich? hij zal morgen hier zijn, niet waar? 't Zal
morgen feest zijn. Morgenochtend moet ge er mij aan helpen denken,
lieve zuster, dat ik mijn mutsje met kant opzet. Montfermeil, dat is
een land! Ik heb dien weg vroeger te voet afgelegd. 't Was voor mij
ver. Maar de diligences rijden zeer snel! morgen zal hij met Cosette
hier zijn! Hoe ver ligt Montfermeil van hier?"
De zuster, die volstrekt niets van afstanden wist, antwoordde:--O,
ik geloof wel, dat hij morgen terug zal kunnen zijn."
"Morgen! morgen!" zei Fantine; "morgen zal ik Cosette zien! Hoor,
lieve zuster, ik ben in 't geheel niet meer ziek! Ik ben dol van
blijdschap. Ik zou kunnen dansen, als 't zijn moest."
Wie haar een kwartier vroeger had gezien, zou van haar toestand
niets begrepen hebben. Thans was zij blozend, zij sprak levendig,
natuurlijk, geheel haar gelaat glimlachte. Nu en dan lachte ze luid
in zich zelve. Moedervreugde is bijna gelijk aan kindervreugde!
"Welaan," hernam de geestelijke zuster, "nu ge gelukkig zijt, moet
ge mij gehoorzamen, en niet meer spreken."
Fantine legde haar hoofd op 't kussen en zeide halfluid:
"Ja, leg u neder, wees verstandig, nu ge uw kind weder zult
hebben. Zuster Simplicia heeft gelijk. Allen hier hebben
gelijk." Zonder zich te bewegen, zonder het hoofd te wenden, zag
zij naar alle zijden met wijdgeopende oogen en vroolijk gezicht,
en sprak niet meer.
De zuster schoof de bedgordijnen dicht, in de hoop dat zij zou
insluimeren.
Tusschen zeven en acht uren kwam de geneesheer. Wijl hij niets hoorde,
meende hij dat Fantine sliep, hij trad zacht binnen en ging op de
teenen naar het bed. Hij opende even de gordijnen en zag bij het
schijnsel van het nachtlicht Fantine's groote rustige oogen, die
hem aanschouwden.
Zij sprak tot hem:--"Niet waar, mijnheer? men zal haar naast mij in
een klein bedje laten slapen?"
De geneesheer meende, dat zij ijlde.