Hij antwoordde: "Hebt ge touw en een mes?"

"Ja, mijnheer."

Hij sneed een boomtak en maakte er een zwengel van.

Daarmede gingen weder twintig minuten verloren; toen reden zij in

galop verder.

't Was donker op de vlakte. Lage, dichte en donkere nevels zweefden

boven de heuvelen en stegen op als rook. Tusschen de wolken zag men

lichtvlekken. Een harde wind, die van zee kwam, loeide van alle zijden

als bruisende golven. Al wat men nog kon zien, had een schrikbarend

voorkomen. Wat beeft al niet onder die hevige winden van den nacht!

De koude beving den reiziger. Hij had sinds den vorigen avond niet

gegeten. Hij herinnerde zich nog zijn vroegeren nachttocht op de groote

vlakte in den omtrek van D. acht jaren geleden; en 't kwam hem voor,

alsof 't gisteren was gebeurd. Hij hoorde in de verte een klok slaan

en vroeg den knecht hoe laat het was.

"Zeven uren, mijnheer," zei deze "wij zullen te acht uren te Arras

zijn; wij zijn er nog slechts drie mijlen af."

Nu maakte hij voor het eerst de opmerking--en vond het zonderling,

dat ze hem niet eerder in de gedachte was gekomen:--dat al de moeite,

welke hij aanwendde, misschien nutteloos was; dat hij zelfs het uur van

het rechtsgeding niet eens wist; dat hij ten minste hiernaar had moeten

vernemen; dat het bespottelijk was op die wijze voort te reizen, zonder

te weten of het ergens toe zou dienen.--Vervolgens maakte hij bij

zich zelven eenige vluchtige berekeningen:--dat de zittingen van het

hof van assises gewoonlijk des ochtends te negen uren begonnen;--dat

deze zaak niet lang zou duren;--de diefstal der appelen zou zeer

spoedig afgehandeld wezen;--dat er vervolgens niets anders was dan

de kwestie der identiteit;--vier of vijf getuigenverhooren;--weinig

door de advocaten te zeggen;--dat hij zou aankomen, wanneer alles

reeds gedaan was!

De postillon legde de zweep over de paarden. Zij waren de rivier

overgegaan en Mont-Saint-Eloy voorbij. De nacht werd hoe langer

hoe donkerder.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 146 / 177 题