SPAKEN IN DE WIELEN.

De postdienst van Arras naar M. sur M. werd destijds nog verricht

door kleine postkarren uit den tijd van het keizerrijk. 't Waren

tweewielige rijtuigen op veeren, van binnen met leder bekleed, en

voor niet meer dan twee personen, een passagier en den postillon. De

wielen hadden lange naven, welke andere rijtuigen op behoorlijken

afstand houden, en die men nog in Duitschland op de wegen ziet. De

langwerpige brievenkist was achter de cabriolet en maakte er een

geheel mee uit. Deze kist was zwart en de cabriolet geel geschilderd.

Deze rijtuigen, van alle tegenwoordig bestaande geheel afwijkende,

hadden iets onbeschrijfelijk wanstaltigs en plomps; wanneer men

ze in de verte langs den weg zag voortbewegen, geleken zij op die

insekten, (termiten, geloof ik, geheeten,) met een dun voor- en zeer

dik achterlijf. Zij reden overigens zeer snel. De postkar, die alle

nachten te één ure, na de aankomst van de Parijsche postkar uit Arras

vertrok, kwam even vóór vijf uren 's morgens te M. sur M. aan.

Dien nacht stiet de postkar, bij het inrijden der stad M. sur M,

op den hoek eener straat tegen een kleine tilbury met een wit paard

bespannen, die van den anderen kant kwam, en waarin slechts één

persoon, een man in een mantel gewikkeld, zat. Het wiel der tilbury

kreeg een vrij harden schok. De postillon riep dien man toe stil te

houden, maar de reiziger hoorde niet en reed in vollen draf voort.

"Verduiveld! die man heeft haast," zei de postillon.

De man, die zich zoo haastte, was hij, dien wij in zulk een

bedroevenswaardigen zielestrijd gezien hebben.

Waarheen ging hij? Hij had het niet kunnen zeggen. Waarom

haastte hij zich? Hij wist het niet. Hij ging op goed geluk af

voorwaarts. Waarheen? Ongetwijfeld naar Arras. Wellicht ook naar

elders. Hij dacht hieraan bij wijlen, en dan ontroerde hij. Hij drong

in dezen nacht door als in een afgrond. Iets dreef hem, iets trok

hem aan. Niemand had kunnen zeggen, wat in hem omging; maar iedereen

zal 't begrijpen. Wie is niet, ten minste éénmaal van zijn leven,

de duistere spelonk van het onbekende binnengegaan?

Overigens was hij tot geenerlei besluit gekomen, had zich niets

voorgenomen, niets bepaald, niets gedaan. Geen zijner overleggingen was

beslissend geweest. Hij was meer dan ooit als in den eersten oogenblik.

Waarom ging hij naar Arras?

Hij herhaalde bij zich zelven, wat hij bereids tot zich zelf had

gezegd, toen hij de cabriolet van Scaufflaire huurde--dat, welke ook

de uitkomst mocht zijn, niets hem behoefde te weerhouden, met eigen

oogen te zien, in persoon over de zaken te oordeelen;--dat het zelfs

voorzichtig was te weten wat er gebeuren zou;--dat er geen besluit

was te nemen dan na wel onderzocht en overwogen te hebben;--dat

men zich op een afstand alles vergroot voorstelt;--dat eindelijk,

wanneer hij dien Champmathieu, een of anderen ellendeling, gezien had,

zijn geweten zich waarschijnlijk zeer verlicht zou voelen door hem in

zijne plaats naar het bagno te laten gaan;--dat, wel is waar, Javert,

alsmede Brevet, Chenildieu en Cochepaille, oude tuchtelingen, die hem

gekend hadden, er ook zouden zijn; maar zij zouden hem stellig niet

herkennen.--Hoe kon hij zich zoo iets in 't hoofd halen! Javert had

allen argwaan tegen hem opgegeven,--alle gissingen en vermoedens waren

op Champmathieu gevestigd, en niets is stijfzinniger dan gissingen

en vermoedens;--er was voor hem dus niet het minste gevaar te vreezen.

Dat het inderdaad een onaangename toestand voor hem was, maar dat

hij er wel uit zou komen;--dat hij in allen gevalle zijn lot, hoe

ongunstig het mocht wezen, in zijn handen had,--dat hij er meester

van was. Aan deze gedachten klemde hij zich vast.

In den grond van zijn hart ware hij toch eigenlijk liever niet naar

Arras gegaan.

Hij ging er evenwel heen.

Zich met dergelijke gedachten bezig houdende, legde hij de zweep

over zijn paard, dat in dien regelmatigen, vasten draf bleef, waarin

derdehalf uur in één uur wordt afgelegd.

Naar gelang het rijtuig voortging, voelde hij iets in zich, dat

achteruitging.

Toen de dag aanbrak was hij op het vlakke veld, en de stad M. sur

M. lag reeds verre achter hem. Hij zag 't aan den gezichteinder licht

worden; hij zag, zonder er op te letten, al de koude gestalten van

een wintermorgen voorbij zich heengaan.

De morgen heeft evenzeer zijn spookbeelden als de avond. Hij zag

ze niet; maar, zonder dat hij 't zelf merkte, voegden deze donkere

schaduwbeelden van boomen en heuvels iets sombers en treurigs toe,

aan de levende ongerustheid zijner ziel.

Telkens wanneer hij een eenzaam huisje aan den weg voorbijreed,

zeide hij bij zich zelven: daarbinnen zijn toch lieden die slapen!

De hoefslag van het paard, de bellen van het tuig, de wielen op den

weg brachten een zacht, eentonig geluid voort, aangenaam wanneer men

vroolijk, maar onaangenaam wanneer men treurig is.

't Was volkomen dag toen hij te Hesdin aankwam. Hij hield stil voor

een herberg, om zijn paard een weinig te laten uitrusten en het haver

te doen geven.

Dat paard was, gelijk Scaufflaire had gezegd, van het kleine

Boulonneesche ras, dat te dikken kop, te grooten buik en te korten

hals heeft, maar een breede borst, een breed kruis, fijne, gespierde

en forsche pooten; een leelijk, maar sterk en gezond paardenras. Het

voortreffelijke dier had vijf uren in twee uren afgelegd en had van

achter nog geen droppel zweet.

Madeleine steeg niet uit het rijtuig. De stalknecht, die de haver

bracht, bukte plotseling en beschouwde het linker wiel.

"Moet ge nog verder?" vroeg hij den reiziger.

"Waarom?" vroeg deze, steeds in gedachten verdiept.

"Zijt ge reeds ver gekomen?" hernam de knecht.

"Vijf uren van hier."

"Wel zoo!"

"Waarom verwondert u dit?"

De knecht bukte zich opnieuw, zag een poos zwijgend naar het wiel,

en zich toen oprichtende, zeide hij:

"'t Is mogelijk, dat dit wiel vijf uren heeft geloopen, maar stellig

zal het dit geen kwartier meer doen."

Madeleine sprong uit het rijtuig.

"Wat zegt ge, vriend?"

"Ik zeg, dat 't een wonder is, dat ge vijf uren hebt afgelegd, zonder

met uw paard in een sloot langs den weg te zijn gevallen. Zie slechts."

Inderdaad, het wiel was erg beschadigd. De stoot tegen de postkar

had twee spaken gebroken en de naaf doen barsten, waarvan de schroef

los zat.

"Is hier een wagenmaker, vriend?" vroeg hij den stalknecht.

"Welzeker, mijnheer."

"Wees dan zoo goed hem te halen."

"Hij woont twee schreden van hier. Hei, baas Bourgaillard!"

Baas Bourgaillard, de wagenmaker, stond voor zijn deur. Hij kwam,

onderzocht het wiel en zette een gezicht als een chirurgijn, die een

gebroken been ziet.

"Kunt ge dadelijk dat wiel herstellen?"

"Ja, mijnheer."

"Wanneer kan ik verder reizen?"

"Morgen."

"Morgen!"

"Er is voor een dag werk aan. Heeft mijnheer haast?"

"Groote haast. Ik moet uiterlijk over een uur vertrekken."

"Onmogelijk, mijnheer."

"Ik zal betalen wat ge vraagt."

"Onmogelijk."

"Nu, dan in twee uren."

"Vandaag is 't niet mogelijk. Er moeten twee nieuwe spaken en een

naaf worden gemaakt. Mijnheer kan niet vóór morgen vertrekken."

"Mijn zaak kan niet tot morgen wachten. Zoo ge een ander wiel naamt,

in plaats van dit te herstellen?"

"Hoe?"

"Ge zijt wagenmaker?"

"Gewis, mijnheer."

"Hebt ge niet een wiel te koop? ik zou dan dadelijk kunnen vertrekken."

"Een ander wiel?"

"Ja."

"Ik heb geen wiel voor uw cabriolet gereed. Twee wielen maken een

paar. Twee verschillende wielen passen niet bij elkaar."

"Verkoop mij dan een paar wielen."

"Alle wielen passen niet op alle assen."

"Beproef het eens."

"'t Is onnoodig, mijnheer. Ik heb niets dan karwielen te koop. In

dit plaatsje kent men geen andere."

"Zoudt ge mij een cabriolet kunnen verhuren?"

De wagenmaker had bij den eersten oogopslag gezien, dat de tilbury

een huurrijtuig was. Hij haalde de schouders op.

"Ge springt met de cabriolet, die men u verhuurt, aardig om! zoo ik

er een had, zou ik ze u niet verhuren."

"Nu, dan verkoopen?"

"Ik heb er geen."

"Wat! ook niet een karretje? ik ben niet keurig, zooals ge ziet."

"We zijn hier in een klein plaatsje. Ik heb in mijn wagenschuur,"

hernam de man, "wel een oude kales, die aan een burger in de stad

behoort, welke ze mij ter bewaring heeft gegeven en ze zelden of nooit

gebruikt. Ik wil ze u wel verhuren, wat kan 't mij schelen! maar de

burger mag ze niet voorbij zien rijden, en bovendien, is 't een kales;

daar zijn twee paarden voor noodig."

"Ik zal postpaarden nemen."

"Waar gaat mijnheer heen?"

"Naar Arras."

"En wil mijnheer daar vandaag zijn."

"Zekerlijk."

"Met postpaarden?"

"Waarom niet?"

"Is 't mijnheer goed, er van nacht te vier uren aan te komen?"

"Volstrekt niet."

"'t Is, weet ge..., met postpaarden heeft het veel bezwaar. Heeft

mijnheer een pas?"

"Ja."

"Nu, zoo mijnheer postpaarden neemt, komt hij niet voor morgenochtend

te Arras. Wij hebben hier een binnenweg. De wisselpaarden zijn

moeielijk te krijgen, wijl zij op het veld zijn. 't Is het seizoen,

dat het ploegen begint; er zijn veel paarden noodig, en men neemt

paarden waar men ze krijgen kan, zoowel aan de paardenposterij als

elders. Mijnheer zal minstens drie of vier uren aan elk station moeten

wachten. Bovendien rijdt men stapvoets, want er zijn veel hoogten in

den weg."

"Welaan, dan rij ik te paard. Span de cabriolet uit; er zal hier wel

een zadel te koop zijn."

"O ja; maar wil dit paard onder den zadel loopen?"

"'t Is waar, ge herinnert er mij aan, het wil niet onder den zadel."

"Dan...."

"Maar in 't dorp zal ik wel een paard kunnen huren?"

"Een paard om in ééns door naar Arras te rijden?"

"Ja."

"Dat zou een paard moeten zijn, zooals men er hier geen heeft. Ge

zoudt het bovendien moeten koopen, want men kent u niet. Maar te

koop noch te huur, voor geen vijfhonderd, noch voor duizend francs,

zoudt ge er een vinden."

"Wat te doen?"

"Op mijn woord, het beste is, dat ik het wiel herstel en ge uw reis

tot morgen uitstelt."

"Morgen is 't te laat."

"Dat is erg!"

"Is er geen postkar naar Arras? Wanneer passeert ze hier?"

"Van nacht. Beide postkarren, zoowel die aankomt als die vertrekt,

rijden 's nachts."

"Maar hebt ge een geheelen dag werk om dit wiel te herstellen?"

"Een dag, en wel een goeden!"

"En zoo ge er twee werklieden aanzet?"

"Al zette ik er tien aan."

"Zoo men de spaken met touwen bond?"

"Ja, de spaken, maar de naaf dan? Ook de velgen deugen niet."

"Is in de stad een rijtuig-verhuurder?"

"Neen."

"Is er nog een andere wagenmaker?"

De stalknecht en de wagenmaker antwoordden, te gelijk het hoofd

schuddende: Neen.

Madeleine gevoelde een onbeschrijfelijke blijdschap.

't Was duidelijk, dat de Voorzienigheid zich hierin mengde. Zij

was het, die het wiel der tilbury had gebroken en ze op den weg

tegenhield. Hij had aan de eerste soort van sommatie niet voldaan;

alle mogelijke moeite had hij aangewend om zijn reis voort te zetten;

eerlijk en nauwgezet had hij alle middelen aangewend; hij was noch

voor het strenge seizoen, noch voor vermoeidheid, noch voor kosten

teruggedeinsd; hij had zich niets te verwijten. 't Was zijn schuld

niet, zoo hij niet verder kwam; hij kon niet meer doen, zijn geweten

was voldaan, de Voorzienigheid had het aldus beschikt.

Hij voelde zich verlicht. Hij ademde ruimer en uit volle borst, voor de

eerste maal sedert Javert's bezoek. Het scheen hem toe, dat de ijzeren

vuist, die sinds twintig uren zijn hart had dichtgeknepen, losliet.

Het scheen hem, dat God thans vóór hem was en zich verklaarde.

Hij zeide bij zich zelven, dat hij alles had gedaan wat hem mogelijk

was, en hij nu gerust kon terugkeeren.

Zoo zijn gesprek met den wagenmaker in een kamer der herberg ware

gehouden, zou het geen getuigen hebben gehad, niemand zou het hebben

gehoord, de zaak zou er bij gebleven zijn en waarschijnlijk zouden

wij geene der gebeurtenissen hebben te vertellen gehad, die nu

volgen; maar het gesprek viel op de straat voor. Ieder gesprek op

de straat lokt onvermijdelijk nieuwsgierigen. Er zijn altijd lieden,

die gaarne wat vernemen. Terwijl hij met den wagenmaker sprak, waren

eenige voorbijgangers blijven staan. Een knaap, op wien niemand had

gelet en die eenige minuten toegeluisterd had, verliet de groep en

liep haastig weg.

Juist toen de reiziger, na de beraadslaging met zich zelven, welke

wij hebben vermeld, tot het besluit was gekomen om terug te keeren,

kwam de knaap terug, vergezeld van een oude vrouw.

"Mijnheer," zei de vrouw, "mijn jongen zegt mij, dat ge een cabriolet

wenscht te huren?"

Deze eenvoudige vraag van een oude vrouw, door een kind vergezeld,

deed het zweet bij hem uitbreken. Hij meende de hand, die hem had

losgelaten, weder achter zich in de schaduw te zien verschijnen,

gereed om hem te vatten.

Hij antwoordde:

"Ja, goede vrouw, ik wenschte een rijtuig te huren."

En schielijk voegde hij er bij:

"Maar men zegt, dat er hier geen zijn."

"O ja," zei de vrouw.

"Waar dan?" vroeg de wagenmaker.

"Bij mij," antwoordde de oude vrouw.

Hij ontstelde. De noodlottige hand had hem weder gegrepen.

Inderdaad, de oude vrouw had werkelijk in een schuur een soort

van mandewagen. De wagenmaker en de stalknecht, wien 't speet, den

reiziger uit hun handen te zien ontsnappen, kwamen tusschenbeide. 't

Was een leelijke rammelkast,--zonder veeren,--de banken hingen wel

op riemen--maar het regende er in,--de wielen waren verroest en door

den regen half verteerd,--'t ding zou het niet veel verder dan de

tilbury brengen,--een ware bolderwagen!--Mijnheer zou verkeerd doen,

hierin te gaan zitten enz. enz.

Dat alles was waar, maar die rammelkast, deze bolderwagen, dat ding,

het mocht zijn wat het wou, rolde op twee wielen en kon wel naar

Arras komen.

Hij betaalde wat men vroeg, liet de tilbury bij den wagenmaker

herstellen, om ze bij zijn terugkomst weer te kunnen meenemen, liet

het witte paard voor het karretje spannen, klom er in en reed verder,

steeds denzelfden weg.

Toen het karretje zich in beweging zette, bekende hij zich zelven,

dat hij een oogenblik te voren verblijd was geweest bij de gedachte,

dat hij niet verder zou reizen. Hij onderzocht deze blijdschap met

een soort van ontevredenheid en vond ze ten hoogste dwaas. Waarom

zou hij zich verheugen, als hij terugkeerde? Hij deed de reis

vrijwillig. Niemand dwong er hem toe. En zeker, er zou niets gebeuren,

dan wat hij wilde.

Toen hij Hesdin uitreed, hoorde hij een stem die riep: "Halt, halt! Hij

hield stil, met een driftige beweging, die iets zenuwachtigs had en

wederom eenige hoop aanduidde. 't Was het knaapje van de oude vrouw.

"Mijnheer," zeide hij, "ik heb u het wagentje bezorgd."

"Welnu?"

"Krijg ik geen fooitje?"

Hij, die aan iedereen en zoo lichtvaardig gaf, vond deze vraag

onbescheiden en brutaal.

"Zoo, zijt gij 't, jongen? gij krijgt niets," zeide hij.

Hij legde de zweep op 't paard en reed in een draf voort. Te Hesdin

had hij veel tijd verloren; hij wilde dien inhalen. Het paardje was

vurig en trok als twee; maar 't was Februari, het had geregend en de

wegen waren slecht. Daarbij was 't niet meer de tilbury. Het karretje

was zwaar en ongemakkelijk, en de weg had veel hoogten en laagten.

Hij besteedde bijna vier uren om van Hesdin naar St. Pol te komen; dat

is vijf uren gaans in vier uren. Te St. Pol spande hij in de eerste de

beste herberg uit, en liet zijn paard in den stal brengen. Hij bleef,

zooals hij Scaufflaire had beloofd, er zelf bij, terwijl het paard

at. Hij dacht daarbij aan treurige en verwarde dingen.

De herbergiersvrouw kwam in den stal, en vroeg:

"Wil mijnheer niet ontbijten?"

"'t Is waar ook;" zeide hij, "zeker, ik heb zelfs honger."

Hij volgde de vrouw, die een frisch en opgeruimd gezicht had. Zij

geleidde hem in een lage kamer, waarin tafeltjes met wasdoeken

kleedjes stonden.

"Spoed u wat," hernam hij; "ik moet dadelijk weder op reis. Ik

heb haast."

Een dikke Vlaamsche meid dekte in allerijl de tafel. Hij aanschouwde

de jonge dochter met een gevoel van welgevallen.

"Dit hinderde mij," dacht hij; "ik had niet ontbeten."

Men bediende hem. Hij greep het brood, nam een mondvol, legde het

toen langzaam op de tafel en raakte er niet meer aan.

Een voerman at aan een andere tafel. Hij vroeg aan dezen:

"Waarom maken ze hier het brood zoo bitter?"

De voerman was een Duitscher en verstond hem niet.

Toen keerde Madeleine naar den stal bij het paard terug. Een uur

later had hij Saint-Pol verlaten en reed naar Tinques, dat slechts

vijf uren van Arras ligt.

Wat deed hij gedurende dien rit? Waaraan dacht hij? Evenals des morgens

zag hij de boomen, de hutten, de akkers voorbijvliegen, en ook het

landschap, dat bij elke kromming van den weg veranderde. Het gezicht

hiervan houdt de ziel soms genoegzaam bezig en ontslaat haar bijna

van het denken. Het zien van duizenden dingen voor de eerste en de

laatste maal, maakt gewis een erstigen en krachtigen indruk. Reizen

is elk oogenblik geboren worden en sterven. Wellicht maakte hij in

zijn geest vluchtige vergelijkingen tusschen deze afwisseling van

tooneelen en het menschelijk leven. Alles in 't leven is ook in

gestadige vlucht voor ons. Duisternis en licht wisselen elkander

af. Op een helder licht volgt een eclips. Men ziet, men haast zich,

men steekt de hand uit om vast te houden wat voorbijvliegt; iedere

gebeurtenis is een kromming van den weg; en eensklaps is men oud. Men

voelt iets als een schok, alles is zwart, men ziet een donkere poort,

het sombere paard des levens, dat u voorttrok, blijft staan. En men

ziet een onbekende gesluierde, die het uitspant in de duisternis.

De avond daalde juist, toen de kinderen, die uit de school kwamen,

den reiziger Tinques zagen binnenrijden.

Men was, 't is waar, nog in de korte dagen van het jaar. Hij hield zich

te Tinques niet op. Toen hij uit het dorp reed, hief een straatmaker

die aan den weg werkzaam was, het hoofd op en zeide:

"Nu, dat paard is wel vermoeid!"

Inderdaad het arme dier ging slechts stapvoets.

"Gaat ge naar Arras?" hernam de straatmaker.

"Ja."

"Zoo ge niet sneller rijdt, zult ge er niet vroeg zijn."

De reiziger hield zijn paard stil en vroeg:

"Hoever is Arras nog van hier?"

"Zeven groote uren."

"Wat? het postboek geeft slechts vijf en een kwart uur op."

"O," hernam de straatmaker, "gij weet dus niet, dat men bezig is

den weg te herstellen. Een kwartier uurs verder zult ge hem geheel

opgebroken vinden. Daar is 't onmogelijk verder te rijden."

"Waarlijk?"

"Maar sla links af, dat is de weg, die naar Carency voert; ga over

de rivier; te Camblin moet ge rechts afslaan; dat is de weg van

Mont-Saint-Eloy naar Arras."

"Maar 't wordt donker en ik zal verdwalen."

"Zijt ge niet uit deze streken?"

"Neen."

"Erg genoeg. 't Zijn overal binnenwegen.--Luister, mijnheer," voegde

de straatmaker er bij; "wil ik u een goeden raad geven? Uw paard is

vermoeid; keer terug naar Tinques. Er is een goede herberg. Blijf er

van nacht en ga morgen naar Arras."

"Ik moet er hedenavond zijn."

"Dat is iets anders. Ga dan evenwel naar die herberg en neem er een

versch paard. De knecht zal u over den binnenweg rijden."

Hij volgde den raad van den straatmaker, keerde terug, en na een half

uur kwam hij voorbij dezelfde plek, maar in vollen draf en met een

goed versch paard. Een stalknecht, die zich voor postillon uitgaf,

zat voor op het lamoen.

Intusschen merkte hij, dat hij tijd had verloren.

Het was volslagen nacht.

Zij kwamen op den binnenweg, die afschuwelijk was. Van den eenen

modderplas zonk het karretje in den anderen. Hij zeide tot den

postillon:

"Blijf steeds in den draf, en ik geef u een dubbele fooi."

Een hevige schok deed den zwengel breken.

"De zwengel is gebroken, mijnheer," zei de postillon, "en ik weet nu

niet, hoe het paard in te spannen; 's nachts is deze weg schrikkelijk

slecht; zoo ge naar Tinques wildet terugkeeren en er van nacht slapen,

zouden wij morgenochtend vroeg te Arras kunnen zijn."

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 145 / 177 题