Aan de schoone en teedere Imogine, [10]

antwoordde de moeder, voortzingende, en toen zij het hoofd omwendde,

stond een jonge vrouw op een paar schreden afstands van haar. Deze

vrouw had insgelijks een kind, 't welk zij op haar arm droeg.

Bovendien droeg zij een tamelijk grooten reiszak, die zeer zwaar

scheen.

Het kind dezer vrouw was een der liefelijkste wezens, die men zien

kon: een meisje tusschen de twee en drie jaar! Zij had met de twee

andere kleinen in netheid van kleeding gerust kunnen wedijveren. Zij

had een fijn linnen kapje met kant op het hoofd, en linten aan haar

keursje. Haar rokje was een weinig opgelicht, zoodat men haar blank,

stevig en mollig beentje tot boven de knie kon zien. Zij was blozend

als een roos en scheen zeer gezond. Men zou in de roode koontjes,

die er zoo frisch uitzagen als appelen, hebben willen bijten. Van

haar oogen was niets te zeggen, dan dat zij zeer groot moesten zijn

en prachtige wimpers hadden. Zij sliep.

't Was die geruste, vertrouwende slaap, welke aan haar leeftijd eigen

is. De armen der moeders bestaan alleen uit liefde; de kinderen slapen

er gerust op.

De moeder zelve had een armoedig en treurig voorkomen. Zij was als

een handwerkster gekleed, die weder naar het land terug begeert

te gaan. Zij was jong. Was zij schoon? Misschien; maar door haar

kleeding zag men er niets van. Haar blond haar, waarvan een vlecht

te voorschijn kwam, scheen zwaar, maar was schier geheel met een

leelijk, nauwsluitend en om de kin vastgebonden mutsje bedekt. De

lach doet de fraaie tanden uitkomen, wanneer men ze heeft; maar zij

lachte niet. Haar oogen schenen sinds lang niet droog te zijn geweest

van tranen. Zij was bleek; zij had een zeer vermoeid en eenigszins

ziekelijk voorkomen; met dien eigenaardigen blik eener moeder, die

zelve haar kind heeft gezoogd, aanschouwde zij het dochtertje, dat

in haar armen sliep. Een groote blauwe zakdoek, als die waarvan de

invaliden zich bedienen, was om haar hals geslagen en bedekte haar

borst. Haar handen waren bruin en vol zomersproeten, de wijsvinger

vereelt en vol naaldesteken. Zij droeg een bruinen, groven wollen

mantel, een katoenen kleedje en plompe schoenen. Dit was Fantine.

Dit was Fantine. Ze was moeilijk te herkennen. Evenwel, zoo men haar

nauwkeurig beschouwde, bezat zij nog altijd haar schoonheid. Een

treurige rimpel, die een begin van bittere spotzucht scheen, had zich

op haar rechterwang gevormd. Haar kleeding, een luchtige kleeding van

neteldoek en lint, die uit vroolijkheid, lichtzinnigheid en dartelheid

geweven en een bloemengeur te verspreiden scheen, was verdwenen als

het glinsterende rijp, dat in den zonneschijn als diamanten fonkelt,

maar wanneer 't gesmolten is, den donkeren boomtak overlaat.

Er waren tien maanden sedert "de aardige grap," de verrassing,

verstreken.

Wat in deze tien maanden was gebeurd, is niet moeielijk te raden.

Na de verlating was de nood gekomen. Fantine had al heel spoedig

Favourite, Zephine en Dahlia uit het oog verloren; de band, door de

mannen gebroken, was bij de meisjes vanzelf afgevallen. Zij zouden,

veertien dagen later, zeer verwonderd hebben opgezien, zoo men

haar gezegd had, dat zij vriendinnen waren; daartoe bestond geen

reden meer. Fantine was alleen gebleven. Toen de vader van haar kind

vertrokken was--deze scheidingen zijn, helaas, onvermijdelijk,--bevond

zij zich geheel verlaten, met minder gewoonte tot den arbeid en

meer lust tot vermaken. Haar betrekking met Tholomyès had haar er toe

geleid haar handwerk te verzuimen, zij had haar klanten veronachtzaamd;

zij had ze verloren. Nu was zij zonder alle hulpmiddelen. Fantine kon

nauwelijks lezen en niet schrijven; in haar kindsheid had zij niets

geleerd dan haar naam te krabbelen. Door een openbaar schrijver had

zij tot driemalen toe aan Tholomyès laten schrijven, maar Tholomyès

had geen der drie brieven beantwoord. Op zekeren dag hoorde Fantine

vrouwen, die haar kind beschouwden, zeggen: "zulke kinderen trekt

men zich niet ernstig aan; men haalt er de schouders voor op!" Toen

dacht zij aan Tholomyès, die voor zijn kind de schouders ophaalde

en zich het onschuldig wezen niet ernstig aantrok; en toen werd haar

hart somber voor dien man. Maar wat moest zij beginnen? Zij wist niet

meer, tot wien zich te wenden. Zij had een misstap begaan; maar in

den grond van haar hart was zij, gelijk men zich herinnert, kuisch

en deugdzaam. Zij gevoelde onduidelijk, dat zij op het punt was,

in armoede te verzinken en wellicht tot iets ergers te komen.

Er was moed noodig, zij had dien en vermande zich. De gedachte kwam bij

haar op, naar haar geboorteplaats M. sur M. weder te keeren. Daar zou

misschien iemand zijn, die haar kende en haar werk gaf; maar zij moest

haar misslag verbergen. En zij vermoedde de noodzakelijkheid eener

scheiding, die nog smartelijker zou zijn dan de eerste. Haar hart brak,

maar zij nam een besluit. Gelijk men zien zal, bezat Fantine den vasten

moed des levens. Reeds had zij onversaagd van den opschik afgezien,

zich in katoen gekleed, en voor haar dochtertje al haar zijde, linten

en kanten aangewend,--de eenige ijdelheid, welke haar overbleef

en die niemand mag veroordeelen. Zij verkocht alles wat zij bezat,

't geen haar tweehonderd francs opbracht; na haar schulden betaald te

hebben, hield zij niet meer dan ongeveer tachtig francs over. Op een

schoonen lentemorgen verliet zij, tweeëntwintig jaar oud, Parijs, haar

kind op haar rug medevoerende. Wie beiden gezien had, zou medelijden

met haar gehad hebben. Deze vrouw had ter wereld niets dan dit kind,

en dit kind had ter wereld niets dan deze vrouw. Fantine had haar

dochtertje gezoogd; tengevolge daarvan was haar borst verzwakt en

zij hoestte een weinig.

Wij zullen geen gelegenheid hebben, meer van den heer Felix Tholomyès

te spreken. Laat ons dus slechts met een enkel woord melden, dat

hij twintig jaren later, onder koning Lodewijk Filips, een voornaam

advocaat in de provincie was, invloedrijk en vermogend, een wijs kiezer

en een zeer streng gezworene;--overigens altijd een man van pleizier.

Tegen den middag bevond zich Fantine, na nu en dan, om eens te rusten,

tegen drie of vier stuivers in 't uur, gebruik te hebben gemaakt van

de zoogenaamde snorwagens, die destijds in de omstreken van Parijs

gevonden werden--te Montfermeil in de Bakkerssteeg.

Toen zij aan de herberg van Thénardier kwam, vielen de twee vroolijke

meisjes op de kettingschommel haar in 't oog. Zij bleef staan voor

dit bekoorlijk tafereel.

En zijn betooveringen. Deze twee meisjes waren een betoovering voor

deze moeder.

Zij aanschouwde ze met de meeste aandoening. De tegenwoordigheid

van Engelen duidt een paradijs aan. Zij meende boven deze herberg

het geheimzinnig HIER der Voorzienigheid te zien. Deze twee meisjes

waren blijkbaar gelukkig. Zij aanschouwde, bewonderde ze met zulk

een verteedering, dat, toen de moeder tusschen twee verzen van haar

liedje eens in den adem schoot, Fantine het niet kon nalaten haar

deze woorden te zeggen:

"Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame."

De wildste dieren worden verteederd, wanneer men hun jongen streelt. De

moeder richtte het hoofd op en dankte de vrouw; zij noodigde haar uit,

plaats te nemen op de bank aan de deur, terwijl zij op den drempel

zat. De twee vrouwen begonnen een gesprek.

"Ik heet madame Thénardier," zei de moeder der twee kleinen. "Wij

houden deze herberg."

Daarna, steeds met haar romance vervuld, zong zij weder binnensmonds:

Het moet zoo zijn, als riddersman,

Ik ga naar Palestina. [11]

Vrouw Thénardier was een rosharige, forsche, zwaarlijvige vrouw,

het type eener soldatenvrouw in al haar onbehaaglijkheid.--Daarbij

had zij, wat hier zonderling bijkwam, iets sentimenteels, dat zij van

het romanlezen gekregen had.--Zij was een sentimenteel manwijf. Alle

romans, die naar den smaak van keukenmeiden berekend zijn, hebben

zulk een uitwerking. Zij was nog tamelijk jong, nauwelijks dertig

jaar oud. Zoo deze vrouw, die nu gehurkt zat, overeind had gestaan,

zou waarschijnlijk haar reusachtige gestalte en kolossaal voorkomen

de vreemde vrouw reeds op het eerste gezicht hebben verschrikt,

haar vertrouwelijkheid verdreven, waardoor onmogelijk ware gemaakt,

wat wij thans willen verhalen. Het zitten of staan van iemand kan

aan het lot een geheel andere richting geven.

De vreemde vrouw verhaalde haar geschiedenis, een weinig gewijzigd.

Zij was naaister; haar man was overleden; zij had te Parijs geen

werk kunnen vinden; zij wilde het elders, in haar geboorteplaats,

zoeken; zij had dien morgen Parijs verlaten, te voet; daar zij haar

kind moest dragen, was zij moede geworden; toen had zij den wagen naar

Villemomble ontmoet en daarin plaats genomen; vervolgens was zij weder

tot Montfermeil te voet gegaan; de kleine had ook een weinig geloopen,

maar niet lang; 't kind was nog zoo jong; zij had het weder op den

arm moeten nemen, en toen was de engel in slaap gevallen.

Dit zeggende gaf zij het kind een vurigen kus, die het wakker

maakte. Het kind opende de oogen, groote blauwe oogen als die zijner

moeder, en aanschouwde, wat? Niets, alles, met dien ernstigen,

soms zoo strengen kinderlijken blik, die een verborgenheid is hunner

schitterende onschuld tegenover de schemering onzer deugd. 't Is alsof

zij gevoelen dat zij engelen, en weten dat wij menschen zijn. Toen

glimlachte het kind, en, schoon door zijn moeder tegengehouden, liet

het zich op den grond glijden, met die onweerhoudbare kracht van

een klein wezen, dat loopen wil. Eensklaps zag het meisje de twee

kinderen op hun schommel, bleef staan, en stak het puntje van haar

tong tusschen de lippen, als een teeken van bewondering.

Moeder Thénardier maakte haar dochtertjes los, nam ze van den talter

en zeide:

"Speelt met u drieën."

Kinderen worden spoedig vertrouwelijk met elkander, en na verloop van

een minuut speelden de kleine Thénardier's met het vreemde meisje,

en vermaakten zich met kuilen in de aarde te krabben.

Een onuitsprekelijk pleizier! Het vreemde meisje was zeer vroolijk;

de goedheid der moeder blijkt uit de vroolijkheid van het kind;

het had een houtspaan genomen, die haar tot spade diende, en groef

daarmede ijverig een kuil, niet grooter dan voor een vlieg. Wat de

doodgraver verricht, wordt kluchtig, als het een kind doet.

De twee vrouwen spraken intusschen met elkander.

"Hoe heet uw kleintje?"

"Cosette."

Cosette, lees Euphrasie. De kleine heette Euphrasie. Maar van

Euphrasie had de moeder Cosette gemaakt, ingevolge het verfraaiings- en

verzachtings-instinct der moeders en van het volk, dat Josefa in Pepita

en Françoise in Sillette verandert. Dit is een soort van afleiding,

die de geheele wetenschap der etymologen in de war brengt. Wij hebben

een grootmoeder gekend, wie het gelukt was van Theodora Gnon te maken.

"Hoe oud is zij?"

"Zij gaat in haar derde jaar."

"Evenals mijn oudste."

Terwijl de drie kleine meisjes vroolijk bijeengehurkt in de aarde

woelden, gebeurde iets, dat haar tegelijk verschrikte en in verrukking

bracht: een groote worm was uit de aarde gekropen.

Zij raakten elkander met haar glimlachende hoofdjes aan; 't was alsof

men drie kopjes in een stralenkrans zag.

"Kinderen," riep moeder Thénardier, "maken heel gauw kennis met

elkander; zou men niet zweren, dat 't drie zusjes waren!"

Dit woord was de vonk, welke de andere moeder waarschijnlijk wachtte;

zij vatte de hand van vrouw Thénardier, zag haar strak aan en zeide:

"Wilt gij mijn kind bij u houden?"

Vrouw Thénardier maakte een gebaar van verwondering, dat noch

toestemming noch weigering uitdrukte.

De moeder van Cosette hernam:

"Ziet ge, ik kan mijn kind niet naar mijn geboorteplaats

medevoeren. Het werk vergunt het mij niet. Men vindt moeielijk een

betrekking, als men een kind heeft. In mijn geboorteplaats zijn

de menschen zoo wonderlijk. De goede God heeft mij tot uw huis

gevoerd. Toen ik uw kleintjes zoo lief en zoo net en zoo tevreden

zag, heeft mij dit getroffen. Ik dacht: Zie, dat is zeker een goede

moeder. Nu, 't zouden drie aardige zusjes zijn! Overigens zal 't niet

lang duren, dat ik wederkom. Wilt ge mijn kind hier houden?"

"Daar moet ik eerst over denken," zei vrouw Thénardier.

"Ik wil zes francs in de maand geven."

Een mannenstem riep nu uit de herberg:

"Niet minder dan zeven francs. En zes maanden vooruit betalen."

"Zes maal zeven is twee-en-veertig," zei vrouw Thénardier.

"Ik zal ze geven," zei de moeder.

"En vijftien francs bovendien voor de eerste kosten," voegde de

mannenstem er bij.

"Te zamen zeven-en-vijftig francs," zei vrouw Thénardier. En onder

deze rekening neuriede zij flauw:

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 95 / 177 题