HET JAAR 1817.

1817 is het jaar, dat Lodewijk XVIII, met een zeker koninklijke

aanmatiging, het twee-en-twintigste zijner regeering noemde.

In dit jaar was mijnheer Bruguière de Sorsum een beroemdheid. Al

de winkels der kappers, die hun hoop op den terugkeer van het

haarpoeder hadden gevestigd, waren hemelsblauw geschilderd en met

leliën versierd. 't Was de goede tijd, toen de graaf Lynch alle

zondagen als kerkmeester in de kerk van St.-Germain-des-Prés zat,

gekleed als pair van Frankrijk met het roode ordelint, met zijn

langen neus en met dat majestueus gelaat, dat alleen den man eigen is,

die een schitterende daad heeft verricht.

De schitterende daad door mijnheer Lynch verricht, was dat hij

als maire van Bordeaux, den 12 Maart 1814, deze stad een weinig te

vroeg aan den hertog van Angoulême had overgegeven. Dit had hem het

pairschap bezorgd. In 1817 zette de mode den knaapjes van vier tot

zes jaren groote groenlederen petten met oorlappen op het hoofd, die

veel op de mutsen der Eskimo's geleken. Het Fransche leger was evenals

't Oostenrijksche in witte uniformen; de regimenten werden legioenen

genoemd, in plaats van cijfers droegen zij de namen der departementen.

Napoleon was op St. Helena, en wijl Engeland hem groen laken weigerde,

liet hij zijn oude kleederen keeren. In 1817 zong Pellegrini, danste

melle. Bigottini, heerschte Potier; Odry bestond nog niet. Madame

Saqui verving Forioso. Er waren nog Pruisen in Frankrijk. Delalot

was een gewichtig personage. De legitimiteit had vastheid gekregen,

door Pleignier, Corbonneau, en Tolleron respectievelijk de hand en

het hoofd te doen afhouwen. Prins Talleyrand, groot-kamerheer, en de

abbé Louis, aangewezen minister van financiën, keken elkander aan als

twee wichelaars; beiden hadden den 14 Juli 1790 de federatie-mis

op het veld van Mars gevierd, Talleyrand als bisschop, Louis

als diaken. In 1817 zag men op de zijpaden van datzelfde Marsveld

groote, ronde, blauw geverfde houten palen, met overblijfselen van

vroeger vergulde adelaars en bijen, die aan den regen blootgesteld,

in het gras verrotten. 't Waren de zuilen, die twee jaren vroeger de

estrade des keizers op het Meiveld geschraagd hadden. Hier en daar

waren zij zwart gebrand, door het bivouacvuur der Oostenrijkers,

die nabij Gros-Caillou gekazerneerd waren.

Twee of drie dezer zuilen waren in die bivouacvuren verbrand en

hadden de groote handen der "keizerlijken" verwarmd. In dit jaar 1817

waren twee zaken populair: de Voltaire-Touquet en de snuifdoozen à la

Charte. Het laatste, dat de Parijzenaars in ontsteltenis had gebracht,

was de misdaad van Dautun, die het hoofd zijns broeders in den vijver

der bloemmarkt had geworpen. Aan het ministerie van Marine begon men

zich ongerust te maken, dat er geen tijdingen kwamen van het noodlottig

fregat la Méduse, 't welk Chaumareix met schande en Géricault met roem

overladen moest. Kolonel Selves ging naar Egypte om er Soliman-Pacha

te worden. Het paleis der Thermes (baden) in de straat la Harpe diende

tot werkplaats van een kuiper. Op het plat van den achthoekigen toren

van het hotel Cluny zag men nog het planken huisje dat aan Messier,

sterrenkundige bij het zeewezen onder Lodewijk XVI, tot observatorium

had gediend. De hertogin van Duras las aan drie of vier vrienden,

in haar met hemelsblauw versierd boudoir, haar nog onuitgegeven

Ourika voor.

Men krabde aan het Louvre de N's uit.

De brug van Austerlitz deed afstand van zijn naam en heette nu brug van

den koninklijken tuin, een dubbel raadsel, 't welk tevens de brug van

Austerlitz en den plantentuin verborg. Lodewijk XVIII, die, terwijl

hij met zijn nagels teekens maakte in Horatius, aan niets anders

dacht dan aan helden, die zich tot keizers, en aan klompenmakers

die zich tot dauphins maken, had twee zorgen: Napoleon en Mathurin

Bruneau. De Fransche academie stelde tot prijsvraag voor: "het geluk,

dat de studie verschaft." Bellart was officieel welsprekend. Men zag

in zijn schaduw den toekomstigen advocaat de Broë ontluiken, die aan

de bijtende spotternij van Paul Louis Courier ter prooi viel. Er

was een valsche Chateaubriand, Marchangy geheeten, in afwachting

van een valschen Marchangy, met name Arlincourt. "Claire d'Albe"

en "Malek-Adel" waren meesterstukken; madame Cottin werd voor de

voornaamste schrijfster van dien tijd verklaard. Het Instituut liet

het lid der Academie Napoleon Bonaparte van zijn lijst schrappen. Een

koninklijke ordonnantie richtte te Angoulême een marineschool op, want

daar de hertog van Angoulême groot-admiraal was, sprak 't vanzelf

dat de stad Angoulême van rechtswege al de eigenschappen van een

zeehaven moest hebben; anders zou het monarchisch beginsel gekrenkt

zijn geweest. Men twistte in den ministerraad over de vraag of men

op de aankondigingen van Franconi de afbeeldingen zou toelaten, die

de straatjongens deden samenscholen. Paër, de componist van Agnese,

een goed man met een vierkant gezicht en een wrat op iedere wang,

dirigeerde de kleine gezelschapsconcerten der markiezin de Sassenaye,

in de straat Ville l'Évêque. Al de meisjes zongen destijds l'Ermite

de Saint-Avelle, woorden van Edmond Géraud. Het blad de Nain-jaune

herschiep zich in de Miroir. Het koffiehuis Lemblin was vóór den

keizer, en het koffiehuis Valois daarentegen voor de Bourbons. Men

had den hertog van Berry, op wien Louvel bereids in de schaduw het

oog had, met een prinses van Sicilië in den echt doen treden. Het

vorige jaar was mevrouw de Staël overleden. De lijfgarden floten

mademoiselle Mars uit. De groote dagbladen waren zeer klein. Het

formaat was beperkt, maar de vrijheid groot. De Constitutionnel was

constitutionneel. De Minerva noemde Chateaubriand Chateaubriant. De

burgerij lachte hevig om die t. In bezoldigde dagbladen hoonden

veile schrijvers de ballingen van 1817. David had geen talent meer;

Arnault geen vernuft; Carnot geen ernst; Soult had geen enkelen

slag gewonnen; Napoleon was geen genie. Men weet algemeen, dat

brieven aan een balling met de post zelden terecht komen, wijl de

politie het zich ten heiligen plicht stelt ze te onderscheppen. Dit

is niets nieuws. De verbannen Descartes klaagde er reeds over. Ook

toen David in een Belgisch blad zijn ontevredenheid te kennen gaf,

dat hij de brieven niet ontving, welke men hem schreef, vonden de

koningsgezinde bladen dit zoo kluchtig, dat zij er den banneling hevig

om bespotten. Te zeggen: "de koningsmoorders" of "de stemmenden";

"de vijanden" of "de geallieerden", "Napoleon" of "Buonaparte",

dit scheidde twee menschen meer dan een afgrond.

Alle lieden met gezond verstand waren 't er over eens, dat de tijd der

revoluties door koning Lodewijk XVIII, bijgenaamd "de voortreffelijke

bewerker der Charte" voor altijd gesloten was. Op de Pont-Neuf beitelde

men het woord: Redivivus op het voetstuk, dat het ruiterbeeld van

Hendrik IV wachtte. De heer Piet beproefde in de straat Therese

No. 4 vereenigingen te houden ter bevestiging der monarchie. De

aanvoerders der rechterzijde zeiden bij ernstige verwikkelingen:

"men moet aan Bacot schrijven." De heeren Canuel, O'Mahony en de

Chappedelaine bereidden, met goedkeuring van Monsieur, broeder des

konings, datgene voor wat later "de samenzwering aan den waterkant"

moest zijn. L'Epingle Noire was insgelijks met samenzweringen

bezig. Delaverderie was in conferentie met Trogoff. Decazes, in zekeren

zin een liberale geest, heerschte. Chateaubriand, die elken morgen in

de straat St. Dominique No. 27 voor zijn venster stond met een lange

pantalon en pantoffels, zijn grijs hoofd met een madras omwonden, de

oogen in een spiegel geslagen, en een completen tandmeesters-winkel

vóór zich, poetste zijn tanden, die zeer fraai waren, terwijl hij zijn

secretaris, den heer Pilorge la Monarchie selon la charte dicteerde. De

gezaghebbende critiek gaf aan Lafon boven Talma de voorkeur. De heer

de Feletz teekende A., de heer Hoffmann teekende Z., Charles Nodier

schreef Therèse Aubert. De echtscheiding was afgeschaft. De lyceën

werden collegiën genoemd. De studenten, die een gouden lelie op den

rokskraag droegen, vochten met elkander wegens den koning van Rome.

De politie van het kasteel berichtte aan haar koninklijke hoogheid de

hertogin van Berry, dat het portret van den hertog van Orleans overal

ten toon was gesteld, en hij in zijn uniform van kolonel-generaal

der huzaren een beter vertoon maakte dan de hertog van Berry in die

van kolonel-generaal der dragonders; dit was een zeer onaangenaam

iets. De stad Parijs liet op haar kosten den dom der Invaliden

vergulden. Ernstige lieden vroegen elkander wat in deze of gene

omstandigheid mijnheer de Trinquelague zou doen; mijnheer Clausel

de Montals verschilde in sommige punten met mijnheer Clausel de

Coussergues; mijnheer de Salaberry was niet tevreden. De komediant

Picard, die lid der Academie was, 't geen de komediant Molière niet

had kunnen worden, liet les deux Philibert in den schouwburg van

't Odeon opvoeren, op welks voorgevel nog de uitgewischte woorden

Théatre de l'Imperatrice duidelijk te lezen waren. Men koos partij

voor of tegen Cugnet de Montarlot. Fabvier was oproerig; Bavoux

was revolutionnair. De boekhandelaar Pelicier gaf een editie der

werken van Voltaire uit, onder dezen titel: Oeuvres de Voltaire,

de l'academie française. "Dat lokt de koopers," zei deze naïeve

uitgever. De algemeene meening was, dat mijnheer Charles Loyson het

genie der eeuw zou zijn.

De afgunst begon aan hem te knagen; een bewijs van roem; en men maakte

dit vers op hem:

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 70 / 177 题