"Welnu," hernam de bisschop, "dan houten."
Eenige oogenblikken later ontbeet hij aan dezelfde tafel, waaraan
Jean Valjean den vorigen avond gezeten had. Terwijl hij at, maakte
hij welgemoed aan zijn zuster, die niets zeide, en aan Magloire, die
zacht bromde, de opmerking, dat men volstrekt geen lepel of vork, zelfs
geen houten, noodig heeft, om een stuk brood in een kom melk te doopen.
"Heeft men 't ook ooit gehoord?" prevelde Magloire binnensmonds,
heen en weer gaande, "zulk een mensch in huis te nemen! hem naast
zich te laten slapen! 't Is nog een geluk, dat hij alleen gestolen
heeft. Hemel! men beeft als men er aan denkt!"
Terwijl broeder en zuster op 't punt waren van de tafel op te staan,
werd er aan de deur geklopt.
"Binnen," riep de bisschop.
De deur werd geopend. Een zonderlinge, gewelddadige groep verscheen
op den drempel. Drie mannen hielden een vierden bij den kraag. De
drie mannen waren gendarmen; de andere was Jean Valjean.
Een brigadier der gendarmerie, die den troep scheen aan te voeren,
stond bij de deur. Hij trad binnen en naderde met militairen groet
den bisschop.
"Monseigneur," zeide hij...
Bij dit woord richtte Jean Valjean, die er somber en verslagen uitzag,
verbaasd het hoofd op.
"Monseigneur!" mompelde hij. "'t Is dus niet de pastoor..."
"Zwijg," beval een gendarm. "'t Is Monseigneur de bisschop."
Intusschen was Monseigneur Bienvenu zoo snel genaderd als zijn hooge
jaren hem vergunden.
"Ha! zijt gij daar!" riep hij, Jean Valjean aanziende. "Het verheugt
mij u te zien! Maar ... ik had u ook de kandelaars gegeven, die
evenzeer van zilver zijn als het andere, en waarvoor ge wel tweehonderd
francs kunt krijgen. Waarom hebt ge ze niet met uw zilveren lepels
en vorken medegenomen?"
Jean Valjean sperde de oogen wijd open en aanschouwde den bisschop
met een uitdrukking, die geen menschelijke taal kan wedergeven.
"Monseigneur," zei de brigadier der gendarmerie, "was het dan waar,
wat die man zeide? Wij ontmoetten hem. Hij liep als iemand die
vluchtte. Wij hielden hem aan, om te zien. Hij had dit zilverwerk
bij zich..."
"En hij zeide u," viel de bisschop hem glimlachend in de rede, "dat
het hem door een ouden, goeden priester was gegeven, in wiens huis
hij den nacht had doorgebracht?... Nu begrijp ik het. En ge hebt hem
weer hier gebracht. 't Is een vergissing."
"Als dat zoo is, kunnen wij hem dan laten gaan?" vroeg de brigadier.
"Zekerlijk," antwoordde de bisschop.
De gendarmen lieten Jean Valjean los, die achteruit trad. "Is 't dan
waar, laat men mij los?" zeide hij op een gesmoorden toon, als sprak
hij in den droom.
"Ja, gij zijt vrij, verstaat ge 't niet?" zei een gendarm.
"Neem eerst uw kandelaars, voor ge heengaat, mijn vriend," hernam
de bisschop.
Hij ging naar den schoorsteen, nam de twee zilveren kandelaars en
bracht ze Jean Valjean. De beide vrouwen zagen elkander aan, zonder
een woord, een blik, een gebaar te wagen, om hem tegen te houden.
Jean Valjean beefde aan al zijn leden. Hij nam de beide kandelaars
werktuiglijk en met een verward voorkomen aan.
"Ga nu in vrede," zei de bisschop. "Nog een woord. Wanneer ge
wederkomt, behoeft ge niet door den tuin te gaan, mijn vriend. Ge
kunt altijd door de voordeur in- en uitkomen. Dag en nacht staat zij
slechts op de klink." Zich toen tot de gendarmen wendende, zeide hij:
"Ge kunt gaan, mijne heeren."
Dezen verwijderden zich.
Jean Valjean was als iemand, die op 't punt is in onmacht te vallen.
De bisschop naderde hem en fluisterde hem toe:
"Vergeet niet, vergeet nooit, dat ge mij beloofd hebt, dit geld aan
te wenden om een eerlijk man te worden."
Jean Valjean, die zich volstrekt niet herinnerde iets beloofd te
hebben, stond als versteend. De bisschop had deze woorden met nadruk
gesproken. Hij hernam plechtig:
"Jean Valjean, mijn broeder, gij behoort niet meer tot het kwade,
maar tot het goede. Ik koop uw ziel, ik verlos haar van de slechte
gedachten en den geest des verderfs, en geef ze aan God."